Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en SportStaatsblad 2014, 81AMvB

Besluit van 3 februari 2014, houdende wijziging van enkele algemene maatregelen van bestuur in verband met het opheffen van de product- en bedrijfschappen en aanpassing van het Warenwetbesluit cosmetische producten 2011

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 28 november 2013, 174171-113771-VGP, gedaan in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken;

Gelet op de artikelen 4, eerste lid, 6, 8, eerste lid, onder c, 13, 14, 32b en 33 van de Warenwet;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 20 december 2013, nr. W13.13.0433/III);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 29 januari 2014, kenmerk 189355-116124, uitgebracht in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I

Het Warenwetbesluit Bereiding en behandeling van levensmiddelen wordt als volgt gewijzigd:

A

Aan artikel 1 wordt, onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel u door een puntkomma, een onderdeel toegevoegd, luidende:

v. lokaal vervoer:

rechtstreekse aflevering van bestellingen aan consumenten, filialen, horecagelegenheden, instellingen en marktplaatsen voor zover deze aflevering plaatsvindt binnen een straal van twintig kilometer van de plaats van waaruit het vervoer plaatsvindt gedurende ten hoogste twee uren.

B

Artikel 15 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid vervalt, onder vervanging van de puntkomma door een punt aan het slot van onderdeel b, de zinsnede «behoudens indien krachtens het zesde of zevende lid, of bij een verordening van een (hoofd-) produkt- of bedrijfschap die reeds van kracht is op het moment van inwerkingtreding van dit besluit, regels zijn vastgesteld waarbij een andere temperatuur is voorgeschreven.».

2. Het zesde lid komt te luiden:

  • 6. In afwijking van het eerste lid, onderdeel b, bedraagt de temperatuur van de waar ten hoogste 10°C gedurende het lokaal vervoer van gekoelde bakkerswaren.

3. Onder vernummering van het achtste lid tot zevende lid vervalt het zevende lid.

ARTIKEL II

Aan artikel 2 van het Warenwetbesluit cosmetische producten 2011 wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 3. Het is verboden te handelen in strijd met de krachtens artikel 20, tweede lid, van verordening (EG) 1223/2009 gestelde voorschriften.

ARTIKEL III

Artikel 3 van het Warenwetbesluit hygiëne van levensmiddelen wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, onderdeel a, wordt «Nederlandse Voedsel- en Waren Autoriteit» vervangen door: Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit.

2. Het tweede lid komt te luiden:

  • 2. In afwijking van het eerste lid is Onze Minister de bevoegde autoriteit:

    • a. inzake de verlening van erkenningen van inrichtingen als bedoeld in:

      • 1°. artikel 4 van verordening (EG) 853/2004;

      • 2°. artikel 3 van verordening (EG) 854/2004;

      • 3°. artikel 6, derde lid, onder c, van verordening (EG) nr. 852/2004;

    • b. inzake het bij niet-naleving van verordening (EG) 852/2004 of van verordening (EG)853/2004 indien nodig:

      • 1°. schorsen of intrekken van de erkenning van inrichtingen als bedoeld onder a;

      • 2°. beperken of verbieden van het op de markt brengen van bepaalde eet- en drinkwaren;

      • 3°. bevelen van de monitoring, het terugroepen, uit de handel nemen of vernietigen van eet- en drinkwaren;

      • 4°. machtiging verlenen om eet- en drinkwaren aan te wenden voor andere doeleinden dan waarvoor zij oorspronkelijk waren bedoeld; of

      • 5°. tijdelijk, geheel of gedeeltelijk, gelasten van de sluiting van het betrokken bedrijf;

    • c. bedoeld in bijlage II, hoofdstuk II, van verordening (EG) 854/2004.

3. Onder vernummering van het vierde lid tot derde lid, vervalt het derde lid.

ARTIKEL IV

In artikel 10, onderdeel c, van het Warenwetbesluit informatie levensmiddelen vervalt «, inzake het anders uitdrukken van de nettohoeveelheid van consumptie-ijs en dikvloeibare melkproducten dan op de in artikel 23, eerste lid, van verordening (EU) 1169/2011 bedoelde wijze».

ARTIKEL V

Het Warenwetbesluit Meel en brood wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:

1. Aan het eerste lid wordt onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel h door een puntkomma, een onderdeel toegevoegd, luidende:

i. decoratie:

aan de buitenkant van het brood voor het bakken aangebrachte bestanddelen, zoals sesamzaad en maanzaad.

2. In het tweede lid wordt «De artikelen 7 tot en met 16» vervangen door: De artikelen 6a tot en met 16.

B

Artikel 2, derde lid, vervalt.

C

Na artikel 6 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 6a

  • 1. De hoeveelheid droge stof van brood met of zonder decoratie met een gewicht tussen 350 gram en 1000 gram ligt tussen de 240 en 265 gram onderscheidenlijk tussen de 480 en 530 gram.

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing op roggebrood en tarweroggebrood.

ARTIKEL VI

Het Warenwetbesluit retributies levensmiddelen wordt als volgt gewijzigd:

A

Aan artikel 1 wordt onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel t door een puntkomma een onderdeel toegevoegd, luidende:

u. ontvanger van boerderijmelk:

de natuurlijke of rechtspersoon die op jaarbasis 500.000 kg of meer boerderijmelk bedrijfsmatig ontvangt van één of meer in Nederland gevestigde melkveehouders en terzake betalingen aan de desbetreffende melkveehouders verricht, met uitzondering van boerderijzuivelbereiders.

B

Artikel 9 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid vervalt «als bedoeld in artikel 1, onder c, van de Zuivelverordening 2005, Grondslag uitbetaling boerderijmelk,».

2. In het derde lid wordt «Het Productschap Pluimvee en Eieren is» vervangen door: De pakstations zijn.

ARTIKEL VII

De bijlage bij het Warenwetbesluit bestuurlijke boeten wordt als volgt gewijzigd:

1. In rubriek C-24 wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:

C-24.21

art. 2, lid 3

€ 525

€ 1.050

2. In de inhoudsopgave en in de tabel vervalt «D-3 Regeling Verpakkingen en gebruiksartikelen (Warenwet)».

3. In de tabel wordt in rubriek D-2 «Regeling Verpakkingen en gebruiksartikelen (Warenwet)» vervangen door: Warenwetregeling verpakkingen en gebruiksartikelen.

4. In de rubriek D-17 wordt na onderdeel D-17.1.3 een onderdeel ingevoegd, luidende:

D-17.1.4

art. 2 lid 1 jo art. 6a lid 1

€ 525,–

€ 1.050,–

ARTIKEL VIII

  • 1. Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 maart 2014.

  • 2. In afwijking van het eerste lid treedt artikel VI in werking met ingang van 1 april 2014.

  • 3. In afwijking van het eerste lid treedt artikel VII, eerste en vierde lid, in werking acht weken na datum van uitgifte van het Staatsblad waarin dit besluit wordt geplaatst.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.histnoot

Wassenaar, 3 februari 2014

Willem-Alexander

De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, E.I. Schippers

Uitgegeven de twintigste februari 2014

De Minister van Veiligheid en Justitie, I.W. Opstelten

NOTA VAN TOELICHTING

Algemeen

In het Regeerakkoord is opgenomen dat de product- en bedrijfschappen worden opgeheven en dat publieke taken die nu binnen de publiekrechtelijke bedrijfsorganisaties worden uitgevoerd, zullen worden ondergebracht bij het ministerie van Economische Zaken, het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit.

Dit besluit schrapt bevoegdheden op grond waarvan product- en bedrijfschappen nadere regels kunnen stellen. Voorts wordt een aanwijzing van een productschap als bevoegde autoriteit in de zin van een Europese verordening ingetrokken. Daarnaast wordt in dit besluit een wijziging van het Warenwetbesluit cosmetische producten 2011 meegenomen waarin uitvoering wordt gegeven aan Verordening (EU) 655/2013.1

Krachtens artikel 22, eerste lid, van de Warenwet kan aan product- en (hoofd)bedrijfschappen de verplichting worden opgelegd of de bevoegdheid worden gegeven om nadere regels vast te stellen of andere besluiten te nemen met betrekking tot een in een algemene maatregel van bestuur op basis van de Warenwet geregeld onderwerp. Artikel 22 van de Warenwet biedt tevens de bevoegdheid toegekende bevoegdheden aan de product- en (hoofd)beschrijfschappen te schrappen. De regering kan te allen tijde besluiten deze taken zelf ter hand te nemen. Door van deze bevoegdheid gebruik te maken wordt vooruitgelopen op wetgeving waarmee de product- en bedrijfschappen formeel worden opgeheven.

Zoals de Minister van Economische Zaken in schriftelijk en mondeling overleg met de Eerste Kamer heeft aangegeven is vooruitlopen op wetgeving noodzakelijk vanwege het waarborgen van dier- en plantgezondheid, voedselveiligheid en crisismanagement.2 Stappen dienen gezet te worden om de expertise te behouden en de continuïteit van uitvoering van publieke taken en de dienstverlening naar de sectoren te kunnen blijven garanderen.3 Om die reden is een groot aantal taken van de product- en bedrijfschappen reeds overgenomen met ingang van 1 januari 2014 (met name op het gebied van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid en het Gemeenschappelijk Visserijbeleid). Met het oog op zorgvuldige besluitvorming en de te volgen procedures kunnen niet alle taken gelijktijdig worden overgenomen. Ingevolge dit besluit wordt een aantal op grond van artikel 22 van de Warenwet uitgevoerde taken overgenomen met ingang van 1 maart 2014. De overgang van overige bevoegdheden van product- en bedrijfschappen onder artikel 22 van de warenwet zal op een later moment worden geregeld.

Het ontwerp van dit besluit is voorgelegd aan de deelnemers aan het Regulier Overleg Warenwet (ROW)4. Het ontwerp is aangepast naar aanleiding van opmerkingen van de Nederlandse Vereniging voor de Bakkerij en de Nederlandse Brood- en Banketbakkers Ondernemers Vereniging (NBOV) en het Productschap Vis.

Artikel V van dit besluit bevat technische voorschriften. Het ontwerp van dit besluit is echter niet gemeld aan de Europese Commissie ter voldoening aan artikel 8, eerste lid, van Richtlijn 98/34/EG5. De notificatie bij de Europese Commissie is niet noodzakelijk, aangezien de eisen van de Verordening PA drogestof brood 2008 één op één worden overgenomen in het Warenwetbesluit Meel en brood. Deze verordening is destijds gemeld aan de Europese Commissie.

Administratieve lasten en bedrijfseffecten

Dit besluit heeft geen gevolgen voor de administratieve lasten voor het bedrijfsleven en de burger en heeft ook verder geen bedrijfseffecten.

Artikelsgewijs

Artikel I

In artikel 15 van het Warenwetbesluit Bereiding en behandeling van levensmiddelen (verder: BBL) is aan een product- of (hoofd)bedrijfschap de bevoegdheid gegeven nadere regels te stellen of andere besluiten te nemen ten aanzien van de bewaartemperatuur van eet- of drinkwaren, welke gekoeld moeten worden bewaard. Met het vervallen van de product- en bedrijfschappen vervalt deze bevoegdheid. Op grond van artikel 15, zesde lid, van het BBL zijn twee productschapsverordeningen vastgesteld:

  • 1. Verordening dagvers gerookte paling 2000;

  • 2. Verordening PA bewaring en vervoer gekoelde bakkerswaren 2008.

De eerste verordening komt te vervallen op het moment van het opheffen van de productschappen. De tweede verordening is door het Productschap Akkerbouw vastgesteld. Deze verordening stelt voorschriften voor het lokaal vervoer van gekoelde bakkerswaren. Deze voorschriften zijn opgenomen in het zesde lid (nieuw) van artikel 15 van het BBL. Het Productschap Akkerbouw zal de Verordening PA bewaring en vervoer gekoelde bakkerswaren 2008 met ingang van de datum van inwerkingtreding van dit besluit intrekken.

Artikel II

Op 11 juli 2013 is gepubliceerd Verordening (EU) 655/2013. Deze verordening is met name gebaseerd op artikel 20, tweede lid, van de Cosmeticaverordening 6. Deze laatste verordening is uitgevoerd in het Warenwetbesluit cosmetische producten 2011.

Dit artikel zorgt ervoor dat aan artikel 2 van het Warenwetbesluit cosmetische producten 2011 een lid wordt toegevoegd zodat het niet naleven van de voorschriften uit Verordening (EU) 655/2013 met een bestuurlijke boete kan worden bestraft.

Artikel III

Het Productschap Vis is niet meer de bevoegde autoriteit, bedoeld in bijlage II, hoofdstuk II, van verordening (EG) nr. 854/2004 7. Op grond van artikel 3, tweede lid, onderdeel c, van het Warenwetbesluit hygiëne van levensmiddelen is de Minister van VWS de bevoegde autoriteit voor dat deel van verordening (EG) nr. 854/2004. Op grond van artikel 10, onderdeel f, van de Mandaatregeling VWS, hebben de inspecteur-generaal, de Hoofdinspecteur van de divisie Veterinair en import, de Hoofdinspecteur van de divisie Landbouw en natuur, de Hoofdinspecteur van de divisie Consument en veiligheid, de Directeur van de Inlichtingen- en Opsporingsdienst, de Directeur Staf, de Directeur Klantencontact en dienstverlening en de Directeur Bureau Risicobeoordeling en Onderzoeksprogrammering van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit mandaat om de taken met betrekking tot deze bijlage uit te voeren.

De Verordening productiegebieden levende tweekleppige weekdieren 2006 van het Productschap Vis wordt als ministeriële regeling overgenomen.

Het Productschap Vis zal deze verordening met ingang van de datum van inwerkingtreding van dit besluit intrekken.

Als gevolg van het vernummeren van het vierde lid van artikel 3 van het Warenwetbesluit hygiëne van levensmiddelen tot derde lid, is de Warenwetregeling procedures registratie en erkenning van levensmiddelenbedrijven voortaan gebaseerd op artikel 3, derde lid, van het Warenwetbesluit hygiëne van levensmiddelen.

In het eerste lid, onderdeel a, van het Warenwetbesluit hygiëne van levensmiddelen wordt een onvolkomenheid weggenomen.

Artikel IV

Artikel 10, onderdeel c, van het Warenwetbesluit informatie levensmiddelen is aangepast om een onnodige beperking van de bevoegdheid van de Minister van VWS om nadere regels te stellen weg te nemen. De bevoegdheid was beperkt tot het vaststellen van maatregelen als bedoeld in artikel 42 van verordening (EU) nr. 1169/20118 inzake het anders uitdrukken van de nettohoeveelheid van consumptie-ijs en dikvloeibare melkproducten. De Verordening PT Uitlekgewichten verduurzaamde champignons en zuurkool 2007 van het Productschap Tuinbouw komt te vervallen. De voorschriften gesteld in deze verordening zullen, anders dan in de nota van toelichting bij het Warenwetbesluit informatie levensmiddelen (Stb. 2013, 146, p. 17) aangegeven, worden opgenomen in een ministeriële regeling gebaseerd op artikel 10, onderdeel c, van het Warenwetbesluit informatie levensmiddelen. Bijlage IX, punt 5, bij verordening (EU) nr. 1169/2011 bepaalt dat wanneer een vast levensmiddel wordt aangeboden in een opgietvloeistof ook het netto-uitlekgewicht van dat levensmiddel wordt vermeld. De Verordening PT Uitlekgewichten verduurzaamde champignons en zuurkool 2007 geeft regels voor het vaststellen van dit uitlekgewicht voor deze producten. Deze regels kunnen op grond van artikel 38 van verordening (EU) nr. 1169/2011 worden gehandhaafd en vanuit de desbetreffende sector bestaat hieraan nog steeds behoefte.

Het Warenwetbesluit informatie levensmiddelen is vastgesteld, maar nog niet in werking getreden (Stb. 2013, 146). Op 13 december 2014 treedt het Warenwetbesluit informatie levensmiddelen in werking met inbegrip van de wijziging van artikel 10, onderdeel c, van het besluit.

Artikel V

Het Warenwetbesluit Meel en brood stelt in artikel 15 regels ten aanzien van de hoeveelheid droge stof van brood waarvan het woord «heel» of «half» onderdeel uitmaakt van de aanduiding. Ten aanzien van broden met een gewicht tussen de 350 en 1.000 gram (uitgezonderd roggebrood en roggetarwebrood) waarbij de woorden «heel» of «half» niet worden gebruikt in de aanduiding stelt de Verordening PA drogestof brood 2008 van het Productschap Akkerbouw eisen aan de hoeveelheid droge stof. De eisen uit deze verordening worden één op één overgenomen in het Warenwetbesluit Meel en brood. Aangezien het niet een gereserveerde aanduiding betreft, worden de eisen opgenomen in paragraaf 2 van het Warenwetbesluit Meel en brood (en niet in paragraaf 3). De eisen gelden niet voor roggebrood en tarweroggebrood. De eisen gelden tevens niet voor broden die kennelijk bestemd zijn voor uitvoer (artikel 2 Warenwetbesluit Uitvoer van waren). Het Productschap Akkerbouw zal de Verordening PA drogestof brood 2008 met ingang van de datum van inwerkingtreding van dit besluit intrekken.

Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om artikel 2, derde lid, van het Warenwetbesluit Meel en brood te laten vervallen. Artikel 17 van het Warenwetbesluit Meel en brood is ingetrokken (Stb. 2007, 211). De bepaling waarin het verbod is opgenomen te handelen in strijd met artikel 17, eerste lid, van het besluit kan vervallen.

Artikel VI

In artikel 9, eerste lid, van het Warenwetbesluit retributies levensmiddelen wordt verwezen naar de definitie van «ontvanger van boerderijmelk» in de Zuivelverordening 2005, Grondslag uitbetaling boerderijmelk. Omdat deze verordening komt te vervallen, wordt de definitie opgenomen in artikel 1 van het Warenwetbesluit retributies levensmiddelen.

Op grond van artikel 9, derde lid, van het Warenwetbesluit retributies levensmiddelen is het Productschap Pluimvee en Eieren (verder: PPE) jaarlijks een retributie verschuldigd aan de NVWA voor de controles op residuen van verboden stoffen. De pakstations zullen voortaan de retributie verschuldigd zijn aan de NVWA. Op grond van artikel 19 van de Warenwetregeling vaststelling van tarieven voor retributies levensmiddelen 2008 bedraagt de retributie voor de controles op residuen van verboden stoffen de werkelijke kosten.

Artikel VIII

Van het besluit van het kabinet inzake vaste verandermomenten van regelgeving wordt afgeweken. Deze uitzondering is mogelijk omdat dit aanmerkelijke ongewenste private of publieke voor- of nadelen voorkomt. In verband met de afbouw van de warenwettelijke werkzaamheden van de product- en bedrijfschappen dient dit besluit met ingang van 1 maart 2014 in werking te treden. Artikel VI treedt in werking per 1 april 2014, aangezien het Nationaal Plan Residuen jaarlijks loopt van 1 april tot 31 maart. Bij de inwerkingtreding van dit besluit is rekening gehouden met artikel 32b, tweede lid, van de Warenwet.

De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, E. I. Schippers


X Noot
1

Verordening (EU) nr. 655/2013 van de Commissie van 10 juli 2013 tot vaststelling van gemeenschappelijke criteria voor de rechtvaardiging van beweringen over cosmetische producten (PbEU 2013, L 190).

X Noot
2

Kamerstukken I 2012/13, 32 615, A, B, C, D, E en F.

X Noot
3

Kamerstukken I 2012/13, 32 615, B, blz. 5.

X Noot
4

Aan het ROW nemen vertegenwoordigers deel van ondernemers (industrie en handel), van consumenten, van ministeries (met name van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, en van Economische Zaken), van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit, en van product- en bedrijfschappen.

X Noot
5

Richtlijn 98/34/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 juni 1998 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij (PbEG 1998, L 204).

X Noot
6

Verordening (EG) nr. 1223/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 betreffende cosmetische producten (PbEU 2009, L 342).

X Noot
7

Verordening (EG) nr. 854/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 houdende vaststelling van specifieke voorschriften voor de organisatie van de officiële controles van voor menselijke consumptie bestemde producten van dierlijke oorsprong (PbEU 2004, L 139).

X Noot
8

Verordening (EU) nr. 1169/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2011 betreffende de verstrekking van voedselinformatie aan consumenten, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1924/2006 en (EG) nr. 1925/2006 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 87/250/EEG van de Commissie, Richtlijn 90/496/EEG van de Raad, Richtlijn 1999/10/EG van de Commissie, Richtlijn 2000/13/EG van het Europees Parlement en de Raad, Richtlijnen 2002/67/EG en 2008/5/EG van de Commissie, en Verordening (EG) nr. 608/2004 van de Commissie (PbEU 2011, L 304).

XHistnoot
histnoot

Het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State wordt met de daarbijbehorende stukken openbaar gemaakt door publicatie in de Staatscourant.