Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Sociale Zaken en WerkgelegenheidStaatsblad 2013, 116Klein Koninklijk Besluit

Besluit van 28 maart 2013 tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet vereenvoudiging regelingen SVB

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 26 maart 2013, nr. IVV/LZW/2013-0000033321;

Gelet op artikel XI van de Wet vereenvoudiging regelingen SVB;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Enig artikel

De Wet vereenvoudiging regelingen SVB treedt in werking als volgt:

  • a. de artikelen II, onderdelen A tot en met G, I tot en met U, en V tot en met X, VI, onderdeel B, VII, onderdelen A, B, C, D, onder 1, en E, VIII, onderdelen A, C, D, F en G, IX, onderdelen A, B, onder 1, C tot en met J en L, en X treden in werking met ingang van 1 juli 2013, behalve voor zover het betreft personen die voor de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin de Wet vereenvoudiging regelingen SVB is geplaatst recht hebben op een halfwezenuitkering;

  • b. de artikelen II, onderdelen A tot en met G, I tot en met U, en V tot en met X, VI, onderdeel B, VII, onderdelen A, B, C, D, onder 1, en E, VIII, onderdelen A, C, D, F en G, IX, onderdelen A, B, onder 1, C tot en met J en L, en X treden in werking met ingang van 1 oktober 2013, voor zover het betreft personen die voor de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin de Wet vereenvoudiging regelingen SVB is geplaatst recht hebben op een halfwezenuitkering;

  • c. artikel II, onderdeel UA, treedt in werking met ingang van 1 april 2013 en werkt terug tot en met 1 januari 2013;

  • d. artikel III, onderdelen A en E, treedt in werking met ingang van 1 april 2015;

  • e. artikel III, onderdeel B, treedt in werking met ingang van 1 april 2013 en werkt terug tot en met 31 december 2012;

  • f. artikel IV, onderdelen A, onder 1, en B, treedt in werking met ingang van 1 juli 2013;

  • g. artikel IV, onderdeel A, onder 2, treedt in werking treedt met ingang van 1 april 2013 en werkt terug tot en met 8 december 2011;

  • h. de artikelen VII, onderdeel D, onder 2, VIII, onderdeel B, en IX, onderdeel B, onder 2, treden in werking met ingang van 1 april 2013 en werken terug tot en met 1 januari 2001;

  • i. de artikelen VIII, onderdeel E, en IX, onderdeel K, treden in werking met ingang van 1 april 2013 en werken terug tot en met 1 januari 2011.

Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid is belast met de uitvoering van dit besluit dat in het Staatsblad zal worden geplaatst.

’s-Gravenhage, 28 maart 2013

Beatrix

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J. Klijnsma

Uitgegeven de negenentwintigste maart 2013

De Minister van Veiligheid en Justitie, I.W. Opstelten

NOTA VAN TOELICHTING

Artikel XI van de Wet vereenvoudiging regelingen SVB (hierna: vereenvoudigingswet) bepaalt dat het tijdstip van inwerkingtreding van de wet bij koninklijk besluit moet worden bepaald en dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillende tijdstippen kunnen worden vastgesteld. Omdat in de vereenvoudigingswet niet alleen verschillende wetten worden gewijzigd, maar ook in die verschillende wetten verschillende wijzigingen worden aangebracht is het tijdstip van inwerkingtreding van de artikelen en onderdelen daarvan gedifferentieerd.

Hierna wordt het tijdstip van inwerkingtreding per onderdeel van het enige artikel van dit besluit nader toegelicht.

Onderdelen a en b

In deze onderdelen is het tijdstip van inwerkingtreding bepaald van de wijziging van de Algemene nabestaandenwet (Anw) en andere wetten die voorziet in de integratie van de halfwezenuitkering in de nabestaandenuitkering. De inwerkingtreding van deze wijziging zal voor de nieuwe instroom plaatsvinden met ingang van 1 juli 2013 (onderdeel a).

In artikel XI, tweede lid, van de vereenvoudigingswet is bepaald dat bij het vaststellen van het tijdstip van inwerkingtreding van artikel II in acht moet worden genomen dat dat artikel voor personen die voor de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin deze wet wordt geplaatst recht hebben op een halfwezenuitkering, niet eerder in werking treedt dan zes maanden na die datum van uitgifte. Voor die personen is het tijdstip van inwerkingtreding daarom bepaald op 1 oktober 2013. In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel vereenvoudigingswet (Kamerstukken II 2011/12, 33 318, nr. 3, p. 6 en 23) is aangegeven, dat de periode van zes maanden tussen de publicatie van de vereenvoudigingswet in het Staatsblad en het tijdstip van inwerkingtreding bedoeld is als een gewenningsperiode voor personen die op de datum van bedoelde publicatie al een halfwezenuitkering ontvangen (bestaande gevallen).

Personen die na de datum van publicatie maar voor de datum van inwerkingtreding een nieuw recht krijgen op een halfwezen- of nabestaandenuitkering zullen door de Sociale verzekeringsbank (SVB) uitdrukkelijk worden geïnformeerd over de gevolgen van de wijziging van de Anw met ingang van 1 juli 2013 voor dat recht.

Onderdeel c

In dit onderdeel is het tijdstip van inwerkingtreding bepaald van de wijziging van de Anw die voorziet in een correctie op de Wet woonlandbeginsel in de sociale zekerheid (hierna: Wet woonlandbeginsel). In de toelichting op de nota van wijziging bij het wetsvoorstel vereenvoudigingswet (Kamerstukken II 2012/13, 33 318, nr. 7, p. 7) is aangegeven dat het de bedoeling was de evenbedoelde wijziging van de Anw met ingang van 1 januari 2013 in werking te laten treden, omdat artikel II van de Wet woonlandbeginsel voor personen die al recht hebben op een uitkering op grond van de Anw met ingang van 1 januari 2013 in werking zal treden. Ook is aangegeven dat, in geval het vereenvoudigingswetsvoorstel niet, zoals beoogd, voor 1 januari 2013 tot stand zal kunnen komen, het de bedoeling is, de onderhavige wijziging zo spoedig mogelijk na totstandkoming in werking te laten treden met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2013. Met dit inwerkingtredingsbesluit wordt aan het gestelde in de toelichting uitvoering gegeven. Zoals ook al in de toelichting op de nota van wijziging was aangegeven past de SVB de woonlandfactor al vanaf 1 januari 2013 toe conform de beoogde wijziging.

Onderdeel d

In dit onderdeel is het tijdstip van inwerkingtreding geregeld van de wijziging van de Algemene Ouderdomswet (AOW) die voorziet in het niet meer uitkeren van een kruimel AOW-pensioen voor nieuwe gevallen. Een kruimel AOW-pensioen is een pensioen van 2% van het AOW-ouderdomspensioen. Voor personen die al een kruimel AOW-pensioen ontvangen, verandert er niets. De inwerkingtreding zal plaatsvinden op 1 april 2015. Zoals in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel vereenvoudigingswet (Kamerstukken II 2011/12, 33 318, nr. 3, p. 3) is aangegeven, is het tijdstip van inwerkingtreding afgestemd op het tijdstip waarop de AOW-partnertoeslag voor nieuwe gevallen wordt afgeschaft. Daarmee wordt bereikt dat het inkomenseffect wordt beperkt tot het verlies van het kruimel AOW-pensioen. Als gevolg van de in verband met de verhoging van de AOW-leeftijd in artikel 64b van de AOW opgenomen overgangsbepaling is het tijdstip waarop de AOW-partnertoeslag zal worden afgeschaft, verschoven van 1 januari 2015 naar 1 april 2015.

Onderdeel e

In dit onderdeel wordt het tijdstip van inwerkingtreding geregeld van de technische wijziging van de bepaling in de AOW (artikel 8) die recht geeft op partnertoeslag. Met deze technische wijziging wordt bereikt dat mogelijke onduidelijkheid die zou kunnen bestaan over het na 1 april 2015 ontstaan van recht op AOW-partnertoeslag zekerheidshalve wordt weggenomen. Omdat bij de formulering van de in artikel I, onderdeel P, van de Wet verhoging AOW- en pensioenrichtleeftijd opgenomen overgangsbepaling (artikel 64b AOW) is uitgegaan van de door artikel III, onderdeel B, van de vereenvoudigingswet gewijzigde tekst van artikel 8 AOW, dient dit onderdeel van de vereenvoudigingswet met terugwerkende kracht in werking te treden vóór het tijdstip waarop de Wet verhoging AOW- en pensioenrichtleeftijd in werking is getreden.

Onderdeel f

In dit onderdeel wordt het tijdstip van inwerkingtreding geregeld van de wijziging van de Wet op het kindgebonden budget (WKB) die regelt dat een ouder die geen recht heeft op kinderbijslag voor kinderen omdat zij recht hebben op studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000, geen aanspraak meer kan maken op kindgebonden budget. De inwerkingtreding zal plaatsvinden op 1 juli 2013. Voor ouders die op die datum reeds aanspraak maken op kindgebonden budget, hoewel zij voor het desbetreffende kind geen recht hadden op kinderbijslag omdat het kind recht heeft op studiefinanciering, is in het nieuwe artikel 6a van de WKB geregeld dat zij de aanspraak op het kindgebonden budget behouden totdat het kind de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt.

Onderdeel g

In dit onderdeel wordt het tijdstip van inwerkingtreding geregeld van een louter wetstechnische wijziging van de WKB in verband met een kleine onjuistheid in de Wet van 7 december 2011 tot wijziging van de Wet op het kindgebonden budget in verband met bezuiniging op het kindgebonden budget (Stb. 2011, 576). Omdat het een correctie betreft op de genoemde wetswijziging werkt de inwerkingtreding terug tot en met het tijdstip van inwerkingtreding van genoemde wijzigingswet, te weten 8 december 2011.

Onderdeel h

In dit onderdeel wordt het tijdstip van inwerkingtreding geregeld van wijzigingen in een drietal wetten die nog voortvloeien uit de Wet van 26 april 2001 tot wijziging van de Algemene Ouderdomswet en de Algemene nabestaandenwet inzake de vrijwillige verzekering en wijziging van artikel X van de Invoeringswet nieuwe en gewijzigde arbeidsongeschiktheidsregelingen (Wet herziening vrijwillige verzekering AOW en ANW). Bij die wet is destijds verzuimd de drie bedoelde wetten aan te passen. In verband daarmee werkt de inwerkingtreding van deze wijzigingen terug tot en met het tijdstip van inwerkingtreding van die wet, te weten 1 januari 2001.

Onderdeel i

In dit onderdeel wordt het tijdstip van inwerkingtreding geregeld van wijzigingen in een tweetal wetten die nog voortvloeien uit de Wet harmonisatie en vereenvoudiging socialezekerheidswetgeving. Bij die wet is destijds verzuimd de twee bedoelde wetten aan te passen. In verband daarmee werkt de inwerkingtreding van deze wijzigingen terug tot en met het tijdstip van inwerkingtreding van die wet, te weten 1 januari 2011.

Overig

De artikelen II, onderdeel H, III, onderdeel D, en V zullen niet in werking treden.

Artikel II, onderdeel H, en artikel V hingen samen met de in artikel I van het wetsvoorstel vereenvoudigingswet opgenomen wijziging van de Algemene Kinderbijslagwet. Deze wijziging is met het amendement Vermeij/Huizing (Kamerstukken II 2012/2013, 33 318, nr. 8) uit het wetsvoorstel geschrapt, waarbij abusievelijk de artikelen II, onderdeel H, en V niet zijn meegenomen.

Artikel III, onderdeel D, hing samen met de in artikel II, onderdeel A, van het wetsvoorstel vereenvoudigingswet opgenomen wijziging van artikel 1 van de Algemene nabestaandenwet. Deze wijziging is bij nota van wijziging (Kamerstukken II 2012/13, 33 318, nr. 7, onder 3) gewijzigd, waarbij verzuimd is tegelijkertijd artikel III, onderdeel D, te schrappen.

De genoemde drie onderdelen zullen alsnog uit de vereenvoudigingswet worden geschrapt bij de Verzamelwet SZW wetgeving 2013.

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J. Klijnsma