Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Infrastructuur en MilieuStaatsblad 2012, 378AMvB

Besluit van 11 augustus 2012 tot wijziging van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer en het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 in verband met onder meer verduidelijking van de regels met betrekking tot veilig en stabiel vervoer van rolstoelgebruikers en aanpassing van verkeersborden ten behoeve van kleurenblinden

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu van 14 mei 2012, nr. IenM/BSK-64402, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken;

Gelet op artikel 13, eerste lid, en artikel 14 van de Wegenverkeerswet 1994;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 20 juni 2012, nr. W14.12.0163/VI );

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu van 13 juli 2012, nr. IenM/BSK-2012/128194, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I

Het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer wordt als volgt gewijzigd:

A

Na artikel 4 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 4a

  • 1. Grafische elementen van verschillende kleuren in de verkeersborden, bedoeld in bijlage I, behorende bij het RVV 1990, kunnen worden gescheiden door een contrasterende bies.

  • 2. De rode verkeersborden, bedoeld in bijlage I, behorende bij het RVV 1990, kunnen aan de omtrek worden voorzien van een witte bies.

B

In artikel 60b, eerste lid, vervalt onderdeel a, onder vernummering van onderdelen b en c tot onderdelen a en b.

ARTIKEL II

Het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:

1. De letteraanduidingen voorafgaand aan de begrippen en de daarbij horende omschrijvingen worden geschrapt.

2. De begrippen worden cursief weergegeven.

3. In de beschrijving van het begrip «brombakfiets» wordt «met een diameter van meer dan 0,40 m,» vervangen door: en.

4. In de alfabetische ordening worden ingevoegd:

richtlijn 97/24/EG:

richtlijn nr. 97/24/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 1997 betreffende bepaalde onderdelen of eigenschappen van motorvoertuigen op twee of drie wielen (PbEG L 226);.

B

Artikel 5, vierde, vijfde en zesde lid, komt te luiden:

  • 4. Bestuurders van fietsen op meer dan twee wielen die met inbegrip van de lading breder zijn dan 0,75 meter en van fietsen met aanhangwagen die met inbegrip van de lading breder zijn dan 0,75 meter mogen de rijbaan gebruiken.

  • 5. Bestuurders vanaf 16 jaar van snorfietsen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel e, subonderdeel d, van de wet mogen het trottoir en het voetpad gebruiken indien zij beschikken over een gehandicaptenparkeerkaart of een bij ministeriële regeling aangewezen kaart ten behoeve van het vervoer van gehandicapten.

  • 6. Bestuurders jonger dan 16 jaar van snorfietsen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel e, subonderdeel d, van de wet gebruiken het trottoir of het voetpad indien zij beschikken over een gehandicaptenparkeerkaart of een bij ministeriële regeling aangewezen kaart ten behoeve van het vervoer van gehandicapten.

C

Artikel 18 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het derde lid wordt vernummerd tot vierde lid.

2. Na het tweede lid wordt een lid ingevoegd, luidende:

  • 3. In afwijking van het eerste lid moeten bestuurders die zich dicht achter een bestuurder bevinden die links of rechts is voorgesorteerd of die op de uiterste rechter- of linkerrijstrook van zijn weggedeelte rijdt en die te kennen heeft gegeven dat hij wil afslaan, die bestuurder voor laten gaan.

3. In het vierde lid wordt «Het eerste en het tweede lid» vervangen door: Het eerste tot en met derde lid».

D

In artikel 24, vierde lid, wordt «de verkeersborden E 4 tot en met E 13 van bijlage 1» vervangen door: de verkeersborden E4 tot en met E9 of E11 tot en met E13 van bijlage 1.

E

Artikel 59 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het vierde lid komt de derde volzin te luiden:

Deze passagiers maken gebruik van:

  • a. de voor hen beschikbare veiligheidsgordel die deel uitmaakt van het voertuig,

  • b. de veiligheidsgordel die deel uitmaakt van het systeem waarmee de rolstoel aan de vloer van het voertuig is bevestigd, of

  • c. een door Onze Minister aangewezen constructie.

2. In het zevende lid wordt na «De autogordel» ingevoegd:, de veiligheidsgordel.

F

Artikel 60 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt na «driewielige motorvoertuigen» ingevoegd: zonder gesloten carrosserie.

2. In het tweede lid, onderdeel c, wordt «en voorzien is van autogordels» vervangen door: en voorzien is van een autogordel, mits van deze autogordel gebruik gemaakt wordt.

3. Het tweede lid, onderdeel d, komt te luiden:

de bestuurder of de passagiers van een brommobiel zonder gesloten carrosserie of een driewielig motorvoertuig zonder gesloten carrosserie van wie de zitplaats in deze brommobiel of dat motorvoertuig is voorzien van bevestigingspunten voor een autogordel overeenkomstig richtlijn 97/24/EG, zoals deze gold op de datum waarop het voertuig in gebruik is genomen, en van een autogordel die voldoet aan artikel 5.6.47, derde en vierde lid, van de Regeling voertuigen of aan artikel 5.5.47, vierde en vijfde lid, van de Regeling voertuigen, mits van deze autogordel gebruik gemaakt wordt.

G

In artikel 61b, tweede lid, wordt onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel d door een puntkomma een onderdeel toegevoegd, luidende:

  • e. op het vervoer van personen met een motorrijtuig met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van niet meer dan 45 km per uur, met niet meer dan acht zitplaatsen, de bestuurderszitplaats niet meegerekend, niet zijnde een bromfiets, dat een combinatie vormt met één of meer aanhangwagens die zijn ingericht voor het vervoer van personen indien voor dit vervoer een vergunning door het bevoegd gezag is afgegeven.

H

Artikel 76 komt te luiden:

Artikel 76

  • 1. Een doorgetrokken streep die zich niet langs de rand van de rijbaanverharding bevindt, mag niet worden overschreden. Bestuurders mogen zich niet links van een doorgetrokken streep bevinden, indien die streep is aangebracht tussen rijstroken of paden met verkeer in beide richtingen.

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing:

    • a. indien de streep wordt overschreden om een naast de gevolgde rijstrook gelegen vluchthaven, vluchtstrook of spitsstrook te bereiken of te verlaten;

    • b. indien aan de zijde vanwaar men de streep overschrijdt een onderbroken streep is aangebracht;

    • c. op bestuurders die een fietsstrook mogen gebruiken, indien er tussen die fietsstrook en de ernaast gelegen rijstrook een doorgetrokken streep is aangebracht.

I

Bijlage 1 wordt als volgt gewijzigd:

1. Na verkeersbord J38 en de daarbij behorende omschrijving wordt ingevoegd

J39

J39

Waarschuwing voor elektrische in- en uitschuifbare paal in de rijbaan (poller) waarmee toegankelijkheid van straten en gebieden kan worden geregeld.

2. De vormgeving van het verkeersbord L3 wordt gewijzigd.

L3a

L3a

L3b

L3b

L3c

L3c

ARTIKEL III

Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, met uitzondering van artikel I, onderdeel A dat inwerking treedt met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.histnoot

’s-Gravenhage, 11 augustus 2012

Beatrix

De Minister van Infrastructuur en Milieu, M. H. Schultz van Haegen-Maas Geesteranus

Uitgegeven de achtentwintigste augustus 2012

De Minister van Veiligheid en Justitie, I. W. Opstelten

NOTA VAN TOELICHTING

Algemeen

Dit besluit heeft tot doel om het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer (hierna: BABW) en het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (hierna: RVV 1990) te wijzigen in verband met onder meer verduidelijking van de regels met betrekking tot veilig en stabiel vervoer van rolstoelgebruikers en aanpassing van verkeersborden ten behoeve van kleurenblinden. De verkeersteken en verkeersborden kunnen worden aangepast door het bevoegd gezag. Het bevoegd gezag bepaalt op welk moment de gewijzigde verkeerstekens en verkeersborden worden geplaatst. Er zijn geen extra kosten voor decentrale overheden omdat het vervangen van de borden in het reguliere onderhoud kan worden meegenomen. Dit besluit maakt het volgende mogelijk:

  • de plaatsing van verkeersborden die ook voor kleurenblinden herkenbaar en begrijpelijk zijn;

  • het bekeuren van verkeersdeelnemers die zich links van een doorgetrokken streep tussen rijstroken met verkeer in beide richtingen bevinden;

  • de plaatsing van het nieuwe verkeersbord J39 ter waarschuwing voor elektrische in- en uitschuifbare palen die in de rijbaan zijn aangebracht;

  • de aanpassing van de pictogrammen bij bord L 3 (bus- en tramhalte).

Verder bevat dit besluit:

  • een verduidelijking van de regels met betrekking tot het veilige en stabiele vervoer van rolstoelgebruikers;

  • de afschaffing van de helmplicht voor bestuurders en passagiers van brombakfietsen op drie wielen waarvan de twee voorwielen een kleinere diameter dan 0,40 m hebben;

  • een verfijning van de regels met betrekking tot het al dan niet verplicht parkeren in parkeervakken;

  • een verduidelijking van de reikwijdte van de helmplicht voor bestuurders en passagiers van driewielige motorvoertuigen zonder gesloten carrosserie.

Bovendien bevat dit besluit correcties van enkele onvolkomenheden. De artikelsgewijze toelichting hieronder bevat een verdere uitleg over de wijzigingen.

Op verzoek van de Stichting Vast=Beter, een organisatie, die zich richt op het verbeteren van gehandicapten vervoer in busjes en taxi’s, is de huidige tekst vervangen door een tekst die het duidelijker maakt aan zowel rolstoelgebruikers, vervoerders als chauffeurs hoe de gordel door gehandicapten, die liggend verplaatst moeten worden, moet worden gebruikt. Vast=Beter is betrokken bij de wijziging en is met de invulling daarvan volledig akkoord.

Handhaafbaarheid

Een ontwerp van dit besluit is voorgelegd aan het College van procureurs-generaal en aan de Expertgroep Voorbereiden van vtsPN (voorziening tot samenwerking Politie Nederland). De commentaren hiervan zijn verwerkt in dit besluit.

Voorlichting

Een goede voorlichting is van belang voor de handhaving en de kenbaarheid van de genomen maatregelen. Voor de aanpassing van verkeersborden voor kleurenblinden zal specifiek aandacht worden besteed.

Administratieve lasten

De aanvrager dient bij de aanvraag van een vergunning om met wegtreintjes te mogen rijden een formulier in te vullen.

De tijd die de aanvrager nodig heeft om de formaliteiten in te vullen ten behoeve van deze vergunning wordt geschat op 15 minuten (= 0.25 uur). Er wordt van uitgegaan dat bij de helft van de wegbeheerders per jaar zo’n 3 vergunningen worden aangevraagd. Dit brengt het totaal aantal uur per jaar voor de burger op 200 gemeenten en 6 provincies = 206 wegbeheerders X 3 vergunningen X 0.25= 2.317 per jaar.

Gemeenten mogen voor de ontheffing leges innen, die maximaal dekkend zijn. Gemiddeld is het € 25,–.

Het bedrag aan leges komt neer op 206 wegbeheerders X 3 vergunningen ad € 25 = € 15.450 per jaar

Vaste verandermomenten

Voor Artikel I, onderdeel A is afgeweken van de systematiek van de vaste verandermomenten. In dit geval zijn de doelgroepen, de kleurenblinden, gebaat bij een zo spoedig mogelijke inwerkingtreding.

Artikelsgewijs

Artikel I, onderdeel A (invoeging artikel 4a in het BABW)

Voor sommige kleurenblinden zijn bepaalde in het RVV 1990 voorgeschreven borden onvoldoende begrijpelijk, doordat de kleuren niet te onderscheiden zijn. De verkeersborden waarop rode elementen in een blauw vlak worden weergegeven, lijken voor sommige kleurenblinden bijvoorbeeld te bestaan uit één vlak van dezelfde kleur. Dit geldt onder meer voor de borden E1 («parkeerverbod») en E2 («verbod stil te staan») en F6 («Bestuurders uit tegengestelde richting moeten verkeer dat van deze richting nadert voor laten gaan»).

Het nieuwe artikel 4a van het BABW maakt het voor de wegbeheerder mogelijk om dergelijke verkeersborden te vervangen door verkeersborden die dankzij een kleine aanpassing ook voor kleurenblinden begrijpelijk zijn. De contrasterende bies tussen grafische elementen van verschillende kleuren zorgt ervoor dat de kleuren elkaar niet raken en dus voor kleurenblinden niet mengen. Door de rode borden van een witte bies te voorzien vallen deze beter op, met name in het donker.

Artikel I, onderdeel B (wijziging artikel 60b van het BABW)

Artikel 60b van het BABW is onderdeel van een paragraaf met bepalingen over tijdelijke experimenten met de maximumsnelheid. Door de invoering van geluidproductieplafonds1 toetst de wegbeheerder voor alle wijzigingen in het gebruik of de inrichting van de weg, waaronder de maximumsnelheid, of die wijzigingen geluideffecten hebben die ertoe zouden leiden dat het geluidproductieplafond wordt overschreden. In dat geval is het treffen van geluidbeperkende maatregelen of een verhoging van het plafond aan de orde. De systematiek van de geluidsproductieplafonds voorziet reeds in een mogelijkheid om met dergelijke situaties om te gaan, anders dan onder de Wet geluidhinder. Een aparte voorziening wordt niet noodzakelijk geacht en daarom wordt voorgesteld artikel 60b, eerste lid, onderdeel a, te laten vervallen.

Artikel II, onderdeel A (wijziging artikel 1 van het RVV 1990)

De wijziging van de begripsomschrijving van «brombakfiets» leidt tot een verruiming van de uitzondering op de helmplicht. Dit wordt duidelijk door artikel 1, onderdeel ha, van het RVV 1990 in samenhang met artikel 60, tweede lid, onderdeel b, van het RVV 1990 te lezen.

Voorheen volgde uit deze bepalingen dat een helm verplicht was voor bestuurders en passagiers van een brombakfiets, indien de twee voorwielen een kleinere diameter dan 0,40 m hadden. Deze eis met betrekking tot de diameter is met het oog op de verkeersveiligheid niet langer noodzakelijk, omdat de huidige brombakfietsen – ongeacht de precieze diameter – voldoende stabiel zijn. Daarom kan deze eis vervallen.

De letteraanduidingen voor de definities zijn geschrapt, omdat deze geen doel hadden. Hiermee wordt artikel 1 van het RVV 1990 in overeenstemming gebracht met aanwijzing 100 van de Aanwijzingen voor de regelgeving.

Artikel II, onderdeel B (wijziging artikel 5, vierde, vijfde en zesde lid, van het RVV 1990)

De vroegere formulering van artikel 5, vierde lid, van het RVV 1990 leidde om twee redenen tot verwarring:

  • als gevolg van de gekozen formulering was niet automatisch duidelijk dat de bijzin «die met inbegrip van de lading breder zijn dan 0,75 meter» betrekking had op zowel «fietsen op meer dan twee wielen», als op «fietsen met aanhangwagen»; en

  • die bijzin was geformuleerd als een uitbreidende bijzin. Deze had echter als een beperkende bijzin gepresenteerd moeten worden, omdat de bovengenoemde eis aan de breedte niet weglaatbaar is en specificeert welke fietsen op meer dan twee wielen en fietsen met aanhangwagens op de rijbaan gebruikt mogen worden.

Om deze verwarring weg te nemen, is artikel 5, vierde lid, van het RVV 1990 geherformuleerd.

Het vijfde en het zesde lid van artikel 5 van het RVV 1990 zijn geherformuleerd om beter tot uitdrukking te brengen dat bestuurders van aangewezen bromfietsen, zoals Segways, dienen te beschikken over een gehandicaptenparkeerkaart of een aangewezen kaart ten behoeve van het vervoer van gehandicapten om op het trottoir en het voetpad te mogen rijden. Ondergetekende heeft de OV-begeleiderskaart, de Valyspas en de WMO-pas aangewezen als dergelijke kaarten ten behoeve van het vervoer van gehandicapten (Stcrt. 2010, 20347).

Artikel II, onderdeel C (wijziging artikel 18 van het RVV 1990)

Het nieuwe vierde lid van artikel 18 van het RVV 1990 heeft tot doel om expliciet te regelen dat bestuurders die op de uiterste rechter- of linkerrijstrook van hun weggedeelte dicht achter een bestuurder rijden die te kennen heeft gegeven dat hij wil afslaan, die bestuurder niet mogen voorbijsteken. Deze wijziging is wenselijk met het oog op het voorkomen van asociaal rijgedrag en daaruit volgende ongelukken. Hierbij wordt ten overvloede opgemerkt dat veilig inhalen op de wijze als omschreven in artikel 11, toegestaan blijft.

Artikel II, onderdeel D (wijziging artikel 24, vierde lid, van het RVV 1990)

Met dit onderdeel worden de artikelen 24, vierde lid, en 25, eerste lid, van het RVV 1990 met elkaar in overeenstemming gebracht. De verkeersregels met betrekking tot het al dan niet verplicht parkeren in parkeervakken worden hiermee eenduidig.

Bepaald is dat:

  • indien bord E10 («parkeerschijfzone») is geplaatst, bestuurders mogen parkeren op als zodanig aangeduide parkeerplaatsen of op plaatsen die voorzien zijn van een blauwe streep; en dat

  • indien een ander «P»-bord een parkeergelegenheid aanduidt die is voorzien van vakken, bestuurders slechts in die vakken mogen parkeren.

Artikel II, onderdeel E (wijziging artikel 59, vierde en zevende lid, van het RVV 1990)

Passagiers van voor rolstoelen toegankelijke voertuigen mogen zich al zittend of liggend in hun rolstoel laten vervoeren. De stabiliteit van de rolstoel en de veiligheid van de rolstoelgebruiker moeten daarbij gewaarborgd zijn. Dit volgt al sinds 1 maart 2006 uit artikel 59, vierde lid, van het RVV 1990.

De vraag die dikwijls opkomt, is of rolstoelgebruikers verplicht gebruik moeten maken van de veiligheidsgordel die deel uitmaakt van het voertuig. Deze vraag is met name relevant voor rolstoelgebruikers die vanwege een afwijkende zit- of lighouding niet veilig vervoerd kunnen worden, indien ze gebruik zouden maken van de veiligheidsgordel die deel uitmaakt van het voertuig. Het antwoord is dat rolstoelgebruikers niet per se gebruik moeten maken van die veiligheidsgordel die deel uitmaakt van het voertuig. Het is hen ook toegestaan om in plaats daarvan gebruik te maken van een veiligheidsgordel die vastgemaakt wordt aan het systeem waarmee de rolstoel aan de vloer van het voertuig is bevestigd of van een door de Minister van Infrastructuur en Milieu aangewezen constructie, zolang de stabiliteit van de rolstoel en de veiligheid van de rolstoelgebruiker gewaarborgd blijven.

Onder rolstoelgebruikers, vervoerders en chauffeurs bleek er onduidelijkheid te bestaan over de regels met betrekking tot het verplichte gebruik van een gordel door passagiers die gebruik maken van een rolstoel. Artikel 59, vierde lid, van het RVV 1990 is geherformuleerd om de leesbaarheid te vergroten en om daarmee aan de verwarring een einde te maken.

De aanpassing van het zevende lid betreft een correctie. Bij de vorige aanpassing van artikel 59 van het RVV 1990 is in dit artikellid per abuis het woord «veiligheidsgordel» geschrapt. Deze onvolkomenheid wordt hierbij hersteld.

Artikel II, onderdeel F (wijziging artikel 60, eerste en tweede lid, van het RVV 1990)

In artikel 60 is duidelijker tot uitdrukking gebracht dat bestuurders en passagiers van driewielige motorvoertuigen zonder gesloten carrosserie een helm dienen te dragen in het verkeer, tenzij zij gebruik maken van de voor hen beschikbare, deugdelijke autogordel. Verder is in het tweede lid, onderdeel d, de verwijzing naar de Regeling voertuigen gecorrigeerd.

Voor bestuurders en passagiers van driewielige motorvoertuigen zonder gesloten carrosserie die geen gebruik maken van de voor hen beschikbare, deugdelijke autogordel bestaat een helmdraagplicht, omdat voor hen bij een ongeval het risico op ernstig letsel anders onaanvaardbaar groot zou zijn.

Artikel II, onderdeel G (wijziging artikel 61b van het RVV 1990)

Dit onderdeel bepaalt uitdrukkelijk dat met zogenaamde «wegtreintjes» personen in de aanhangwagen vervoerd mogen worden, mits een vergunning door de wegbeheerder is afgegeven. Vaak worden deze wegtreintjes immers in drukke toeristische gebieden gebruikt en door dit gebruik met een vergunning te reguleren, wordt de wegbeheerder in de gelegenheid gesteld om dit soort vervoer te beperken tot in de vergunning opgenomen wegen en tijden.

Artikel II, onderdeel H (wijziging artikel 76 van het RVV 1990)

Het RVV 1990 bevatte tot 1 juli 2010 twee verboden met betrekking tot doorgetrokken strepen die tussen rijstroken of paden zijn aangebracht:

  • het verbod om een dergelijke streep te overschrijden;

  • het verbod om zich links van een dergelijke streep te bevinden, indien die streep is aangebracht tussen rijstroken of paden met verkeer in beide richtingen.

Het laatstgenoemde verbod is bij de laatste wijziging van artikel 76 van het RVV 1990 abusievelijk vervallen. Het vervallen van dit verbod bemoeilijkte de handhaving op wegen met een doorgetrokken streep tussen rijstroken met verkeer in verschillende richtingen. Dit verbod wordt daarom opnieuw in het RVV 1990 gevoegd. Verder kan in het tweede lid van dit artikel de specifieke uitzondering uit onderdeel c vervallen, omdat het algemener geformuleerde onderdeel b ook in deze uitzondering voorziet. Bovendien is in het tweede lid het voormalige onderdeel d – thans onderdeel c – geherformuleerd om de daarin opgenomen uitzondering leesbaarder te maken.

Artikel II, onderdeel I (wijziging bijlage 1 bij het RVV 1990)

De wegbeheerders hebben reeds verscheidene borden geplaatst om bestuurders te waarschuwen voor elektrische in- en uitschuifbare palen in de rijbaan, zogenaamde pollers. De vormgeving van die borden konden zij zelf kiezen. Met het oog op de eenduidigheid en herkenbaarheid is het waarschuwingsbord «elektrische in- en uitschuifbare paal in rijbaan» aan het RVV 1990 toegevoegd.

Tenslotte worden de figuraties van de L3 borden in overeenstemming gebracht met de standaard pictogrammen.

De Minister van Infrastructuur en Milieu, M. H. Schultz van Haegen-Maas Geesteranus


X Noot
1

Kamerstukken II 2009–2010, 32 252, nr. 2 en Kamerstukken II 2010–2011, 32 625, nr. 2.

XHistnoot
histnoot

Het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt op grond van artikel 26, zesde lid j° vijfde lid van de Wet op de Raad van State, omdat het uitsluitend opmerkingen van redactionele aard bevat.