Start van deze pagina
Skip navigatie, ga direct naar de Inhoud

Overheid.nl - de wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden.

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Tekstgrootte
+


Jaargang 2011
Nr. 515

Gepubliceerd op 10 november 2011 09:00



Besluit van 27 oktober 2011, houdende wijziging van het Besluit bekostiging financieel toezicht, het Besluit bestuurlijke boetes financiële sector, het Besluit definitiebepalingen Wft, het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft, het Besluit melding zeggenschap en kapitaalbelang in uitgevende instellingen Wft, het Besluit prudentiële regels Wft en het Besluit toezicht financiële verslaggeving (Wijzigingsbesluit financiële markten 2012)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 19 juli 2011, nr. FM/2011/9320M;

Gelet op de artikelen 1:1, 1:81, eerste en tweede lid, 3:17, tweede lid, aanhef en onderdeel a, 4:9, derde lid, 4:14, tweede lid, 4:25, eerste lid, 4:72, derde lid, 4:73, derde lid, 5:44, van de Wet op het financieel toezicht en artikel 18, derde lid, van de Wet toezicht financiële verslaggeving;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 31 augustus 2011, nr. W06.11.0299/III);

Gezien het nader rapport van de Minister van Financiën van 25 oktober 2011, nr. FM/2011/9635U;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I

Artikel 12, derde lid, van het Besluit bekostiging financieel toezicht komt te luiden:

  • 3. Bij ministeriële regeling kan een korting worden verleend voor het elektronisch indienen van een aanvraag.

ARTIKEL II

In artikel 10 van het Besluit bestuurlijke boetes financiële sector wordt in de opsomming van artikelen uit het Besluit prudentiële regels Wft «131, vierde lid» vervangen door: 131, eerste en vierde lid.

ARTIKEL III

Het Besluit definitiebepalingen Wft wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 3 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid, onderdelen a en b, wordt «ten minste € 50.000» telkens vervangen door: ten minste € 100.000.

2. Na het tweede lid wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 3. Op overeenkomsten betreffende het aantrekken, het ter beschikking verkrijgen of het ter beschikking hebben van opvorderbare gelden die zijn aangegaan voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel III, onderdeel A, van het Wijzigingsbesluit financiële markten 2012, blijft het tweede lid, zoals dat onmiddellijk voorafgaand aan dat tijdstip luidde, van toepassing.

B

Artikel 4 vervalt.

ARTIKEL IV

Het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:

1. In alfabetische volgorde worden twee definities ingevoegd, luidende:

commissie:

beloning of vergoeding, in welke vorm dan ook, voor het optreden als gevolmachtigde agent of ondergevolmachtigde agent;

pensioenverzekering:

levensverzekering die een werkgever afsluit ten behoeve van zijn werknemers, waaronder de directeur-grootaandeelhouder, bestaande uit een ouderdomspensioen of nabestaandenpensioen als bedoeld in artikel 1 van de Pensioenwet;.

2. In de definities van afsluitprovisie, onder 1°, en doorlopende provisie, onder 1°, wordt telkens de zinsnede «een hypothecair krediet, een hypothecair krediet gecombineerd met een beleggingsrekening of een uitvaartverzekering» vervangen door: een hypothecair krediet, een hypothecair krediet gecombineerd met een beleggingsrekening, een schadeverzekering of een uitvaartverzekering.

B

Artikel 5 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid wordt als volgt gewijzigd:

a. In de aanhef wordt de zinsnede «de onderdelen a tot en met d» vervangen door: de onderdelen a tot en met e.

b. In onderdeel c vervalt «of».

c. De punt aan het slot van onderdeel d wordt vervangen door een puntkomma.

d. Er worden twee onderdelen toegevoegd, luidende:

  • e. pensioenverzekeringen, al dan niet gecombineerd met arbeidsongeschiktheidsverzekeringen: onderdelen 5 en 7 van bijlage B; of.

  • f. premiepensioenvorderingen: onderdeel 7 van bijlage B.

2. In het derde lid wordt «onderdeel a, b of d» vervangen door: onderdeel a, b, d of e.

C

Artikel 30, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. In de aanhef wordt de zinsnede «een beheerder, beleggingsinstelling, beleggingsonderneming of bewaarder» vervangen door: een beheerder, beleggingsinstelling, beleggingsonderneming, bewaarder of pensioenbewaarder.

2. In onderdeel a wordt «een duidelijke en adequate organisatiestructuur» vervangen door: een duidelijke, evenwichtige en adequate organisatiestructuur.

3. In onderdeel b wordt «een duidelijke en adequate verdeling van taken» vervangen door: een duidelijke, evenwichtige en adequate verdeling van taken.

D

Het artikel 34a dat aanvangt met de zinsnede «De bedrijfsvoering van een pensioenbewaarder» wordt vernummerd tot artikel 34e.

E

Artikel 35e wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste en tweede lid wordt «beheerder of beleggingsinstelling» telkens vervangen door: beheerder of beleggingsonderneming.

2. In het derde lid wordt «de beheerder of beleggingsinstelling» telkens vervangen door: de beheerder of beleggingsonderneming.

F

Het artikel 38k dat aanvangt met de zinsnede «Indien een premiepensioeninstelling of pensioenbewaarder in het kader van het beheer van een pensioenvermogen» wordt vernummerd tot artikel 38l.

G

Aan artikel 65a wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 5. Het eerste, tweede en vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing op financiële ondernemingen die een complex product als bedoeld in artikel 1, onder 1°, 4° of 11°, samenstellen en dat product algemeen in de markt verkrijgbaar stellen voor consumenten of, indien het een recht van deelneming in een beleggingsinstelling betreft, cliënten.

H

In artikel 66, derde lid, wordt de zinsnede «bedoeld in het eerste en tweede lid» vervangen door: bedoeld in het eerste lid.

I

In artikel 79 worden het vierde lid dat aanvangt met de zinsnede «Indien een overeenkomst op afstand» en het vijfde lid vernummerd tot vijfde en zesde lid.

J

Aan het slot van artikel 83, vierde lid, onderdeel a, wordt «en» toegevoegd.

K

Na 86a wordt in Afdeling 8.2 een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 86b

  • 1. Een aanbieder, gevolmachtigde agent of ondergevolmachtigde agent verschaft of ontvangt voor het optreden als gevolmachtigde agent of ondergevolmachtigde agent rechtstreeks of middellijk geen commissie die niet noodzakelijk is voor het verlenen van de dienst of deze mogelijk maakt.

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing op:

    • a. commissies die worden verschaft door of aan een derde of degene die namens hem optreedt, indien de verschaffing van de commissie geen afbreuk doet aan de verplichting van de aanbieder, gevolmachtigde agent of ondergevolmachtigde agent om zich in te zetten voor de belangen van de cliënt; en

    • b. relatiegeschenken, voor zover deze gezamenlijk op jaarbasis de waarde van € 100 niet overstijgen.

L

In artikel 116, eerste lid, onderdeel d, wordt de zinsnede «het recht van de lidstaat waar de beleggingsinstelling haar zetel heeft» vervangen door: het recht van de staat waar de beleggingsinstelling haar zetel heeft.

M

Het artikel 116a dat aanvangt met de zinsnede «De advertentie en mededeling op de website van de beheerder» wordt vernummerd tot artikel 116b.

N

Artikel 149a wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «hypothecair krediet of uitvaartverzekering» vervangen door: hypothecair krediet, schadeverzekering of uitvaartverzekering.

2. Het tweede lid wordt als volgt gewijzigd:

a. Onderdeel a komt te luiden:

  • a. provisies die worden verschaft door of aan de cliënt of degene die namens hem optreedt, tenzij de hoogte van de provisies die de bemiddelaar of adviseur bij de cliënt of degene die namens hem optreedt in rekening brengt kennelijk onredelijk is gelet op de aard en reikwijdte van de dienstverlening;.

b. In onderdeel b, aanhef, wordt «doorlopende provisies die worden verschaft» vervangen door: doorlopende provisies ter zake van betalingsbeschermers, complexe producten, hypothecaire kredieten of uitvaartverzekeringen, die worden verschaft.

c. Onderdeel c wordt geletterd d.

d. Na onderdeel b wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:

  • c. afsluitprovisies en doorlopende provisies ter zake van schadeverzekeringen die worden verschaft door of aan een derde of degene die namens hem optreedt, en de bemiddelaar of adviseur op verzoek van de cliënt op uitvoerige, accurate en begrijpelijke wijze mededeling doet van het bestaan, de aard en het bedrag of, indien het bedrag niet kan worden achterhaald, de wijze van berekening van de provisie of in geval van provisie in natura de waarde in het economisch verkeer voordat de desbetreffende dienst wordt verleend;.

3. In het derde lid wordt «onderdeel b» vervangen door: onderdelen b en c.

O

In artikel 150, vierde lid, wordt «hypothecair krediet of een uitvaartverzekering» vervangen door: hypothecair krediet, een schadeverzekering of een uitvaartverzekering.

P

Na artikel 171 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 171a

  • 1. Een financiëledienstverlener die op 31 december 2011 voldeed aan het bepaalde ingevolge artikel 4:9, tweede lid, van de wet, ten aanzien van het verlenen van financiële diensten met betrekking tot levensverzekeringen, wordt geacht vanaf 1 januari 2012 tot en met 31 december 2013 te voldoen aan het bepaalde ingevolge artikel 4:9, tweede lid, van de wet ten aanzien van het verlenen van financiële diensten met betrekking tot pensioenverzekeringen, indien hij voldoet aan het derde en vierde lid.

  • 2. Een financiëledienstverlener die op 31 december 2011 financiële diensten verleent met betrekking tot premiepensioenvorderingen, wordt geacht vanaf 1 januari 2012 tot 1 januari 2014 te voldoen aan het bepaalde ingevolge artikel 4:9, tweede lid, van de wet ten aanzien van het verlenen van financiële diensten met betrekking tot premiepensioenvorderingen, indien hij voldoet aan het derde en vierde lid.

  • 3. De financiëledienstverlener, bedoeld in het eerste of tweede lid, geeft voor 1 februari 2012 bij de Autoriteit Financiële Markten aan dat hij voornemens is zijn financiële dienstverlening met betrekking tot pensioenverzekeringen of premiepensioenvorderingen te continueren. Hij doet dit op de door de Autoriteit Financiële Markten voorgeschreven wijze.

  • 4. De financiëledienstverlener, bedoeld in het eerste en tweede lid, toont voor 1 juli 2012 op een door de Autoriteit Financiële Markten voorgeschreven wijze aan dat en op welke wijze hij zal voldoen aan het bepaalde ingevolge artikel 4:9, tweede lid, van de wet ten aanzien van het verlenen van financiële diensten met betrekking tot pensioenverzekeringen of premiepensioenvorderingen.

  • 5. Het eerste tot en met vierde lid zijn van toepassing op de financiëledienstverlener totdat hij, op een door de Autoriteit Financiële Markten voorgeschreven wijze, heeft aangetoond te voldoen aan het bepaalde ingevolge artikel 4:9, tweede lid, van de wet, voor zover het betreft het verlenen van financiële diensten met betrekking tot pensioenverzekeringen of premiepensioenvorderingen.

Q

Artikel 173a komt als volgt te luiden:

Artikel 173

  • 1. De artikelen 58 en 149a zijn uitsluitend van toepassing op overeenkomsten die zijn aangegaan op of na 1 januari 2009, met uitzondering van overeenkomsten inzake schadeverzekeringen.

  • 2. De artikelen 86b en 149a, voorzover van toepassing op overeenkomsten inzake schadeverzekeringen, zijn uitsluitend van toepassing op overeenkomsten die aangegaan zijn op of na 1 januari 2012.

R

Aan bijlage B wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:

7. Pensioenverzekeringen en premiepensioenvorderingen

7.1

De personen baseren hun advisering met betrekking tot pensioenverzekeringen en premiepensioenvorderingen op:

  • a. grondige en actuele kennis met betrekking tot relevante wetgeving inzake pensioen en de directeur-grootaandeelhouder-pensioentoezegging, voor zover deze niet in eigen beheer wordt opgebouwd;

  • b. toegepaste begrippen en procedures inzake actuarieel rekenen;

  • c. toegepaste juridische kennis met betrekking tot rechtspersonen en ondernemingsstructuren;

  • d. grondige en actuele kennis met betrekking tot pensioenverzekeringen als onderdeel van het pakket arbeidsvoorwaarden van een werkgever;

  • e. toegepaste kennis met betrekking tot de relevante bedrijfseconomische vraagstukken (zoals groei, stabilisatie en krimp) en financiële verslaglegging van een onderneming;

  • f. toegepaste risicoanalyse van de financiële draagkracht van de desbetreffende werkgever;

  • g. toegepaste kennis met betrekking tot de wijze van investeren of beleggen van vermogen; en

  • h. kennis met betrekking tot de basisprincipes, hoofdlijnen en actuele ontwikkelingen van risicomanagement.

7.2

De personen zijn in staat om:

  • a. gesprekken te voeren in de volgende categorieën: gestructureerd interview, slecht nieuws- en adviesgesprek;

  • b. ICT-toepassingen, waaronder rekenmodellen, bij de advisering te gebruiken;

  • c. mondeling correct en begrijpelijk te communiceren op verschillende persoonlijke en organisatorische niveaus binnen de onderneming van de werkgever, waaronder haar directie, controllers, accountants, vertegenwoordigende overlegorganen en individuele werknemers;

  • d. schriftelijk correct en begrijpelijk te communiceren op verschillende persoonlijke en organisatorische niveaus binnen de onderneming van de werkgever, waaronder haar directie, controllers, accountants, vertegenwoordigende overlegorganen en individuele werknemers;

  • e. adviestrajecten te plannen, te sturen en tot een succes te brengen, waaronder wordt verstaan:

    • 1°. het kwalitatief en kwantitatief vergelijken van offertes en lopende pensioenverzekeringen en premiepensioenvorderingen en het verklaren van verschillen hiertussen;

    • 2°. het beoordelen van en adviseren over collectieve waardeoverdracht;

    • 3°. het adviseren over winstdelingssystemen;

    • 4°. het adviseren over excedentregelingen, ook als aanvulling op ondernemingspensioenfondsen en bedrijfstakpensioenfondsen in combinatie met verzekerde regelingen;

    • 5°. het berekenen van lasten en aanspraken;

    • 6°. het beheren van een lopend pensioencontract;

    • 7°. het uitleggen van een individuele waardeoverdracht;

    • 8°. het vertalen van alle over de werkgever ingewonnen informatie naar een passende pensioenverzekering en premiepensioenvordering;

    • 9°. het geven van een passend advies aan een directeur-grootaandeelhouder over zijn pensioenverzekering en premiepensioenvordering;

    • 10°. het interpreteren van effecten van toeslagmodellen;

    • 11°. het vermogen om relevante wetgeving praktisch te kunnen toepassen;

    • 12°. het begeleiden van contractverlenging, contractwijziging of contractbeëindiging van een pensioenverzekering en premiepensioenvordering; en

    • 13°. het controleren van relevante documenten;

  • f. het risicomanagement met betrekking tot een pensioenverzekering en premiepensioenvordering in een aantal fasen op procesmatige wijze te plannen, uit te voeren en te beheren en daarbij op hoofdlijnen gebruik te maken van een risicomodel waarmee een risicoprofiel van een organisatie kan worden aangegeven;

  • g. mondeling op heldere wijze uitleg te geven over de doelstellingen en resultaten van een organisatie, welke risico’s vanuit de situatie van de pensioenverzekering en premiepensioenvordering een bedreiging voor de onderneming van de werkgever vormen of een kans bieden en op welke wijze deze risico’s op adequate wijze kunnen worden beheerd zodat de risico’s tot een voor de organisatie acceptabel risiconiveau kunnen worden ingevuld; en

  • h. met het oog op de pensioenverzekering en premiepensioenvordering de risicobereidheid en het risicoprofiel van de onderneming op heldere wijze in kaart te brengen en vast te leggen.

7.3

De personen demonstreren en bewijzen dat zij:

  • a. het adviestraject met betrekking tot pensioenregelingen voor werkgevers met ondernemingen van diverse omvang en complexiteit ten behoeve van diens werknemers zelfstandig, succesvol en correct uit kunnen voeren. In dit adviestraject kunnen zich in ieder geval de volgende zaken voordoen met betrekking tot natuurlijke of rechtspersonen:

    • 1°. start en einde dienstbetrekking;

    • 2°. overlijden;

    • 3°. arbeidsongeschiktheid;

    • 4°. echtscheiding of ontbinding van partnerregelingen;

    • 5°. pensioendatum;

    • 6°. verwachtingen ten aanzien van het pensioen;

    • 7°. verlenging, wijziging, beëindiging of revisie van een pensioencontract;

    • 8°. collectieve waardeoverdracht;

    • 9°. prognosticeren van toekomstige pensioenlasten;

    • 10°. versobering of uitbreiding van de pensioenregeling; en

    • 11°. faillissement of mogelijkheid daartoe;

  • b. de directeur-grootaandeelhouder met betrekking tot zijn eigen pensioenverzekeringen en premiepensioenvorderingen zelfstandig, correct en passend kunnen adviseren in ten minste de volgende situaties: overlijden, arbeidsongeschiktheid, echtscheiding of ontbinding partnerregeling, pensioendatum, pensioenverwachtingen, faillissement of mogelijkheid daartoe;en

  • c. de directeur-grootaandeelhouder kunnen adviseren over de verschillend emogelijkheden om het voor hem benodigde pensioenkapitaal bijeen te brengen alsmede duidelijkheid kunnen verschaffen over het verschil tussen de reële en de fiscale waardering van de pensioenverplichting.

7.4

De personen zijn in staat:

  • a. te beschrijven welke invloed de verrichtingen van een financiële onderneming of financiëledienstverlener hebben op het maatschappelijk belang en de samenleving alsmede welke gevolgen deze hebben voor de reputatie van de financiële sector;

  • b. het verschil tussen zelfregulering en overheidsregulering uit te leggen en te benoemen en te omschrijven welke toezichthouders, instanties en middelen in de financiële sector moeten zorgen voor de handhaving en naleving van beide vormen van regulering;

  • c. de gevolgen van niet-naleving van de relevante wet- en regelgeving te kennen en hierover uitleg te geven;

  • d. een passend advies te geven, dat wil zeggen uit te leggen op welke wijze in lijn met de doelstellingen van de onderneming en met de keuzes die daaruit voortvloeien is gehandeld;

  • e. de begrippen integer gedrag en integere cultuur te omschrijven alsmede de wijze te benoemen waarop integer gedrag, in de zin van verantwoordelijkheid nemen en verantwoording afleggen, in de bedrijfscultuur van de financiële onderneming of financiëledienstverlener kan worden verankerd;

  • f. voorbeelden van integriteitsrisico’s te benoemen alsmede aan te tonen op welke wijze zij tot een aanvaardbaar niveau kunnen worden teruggebracht;

  • g. in de dagelijkse adviespraktijk – aan de hand van vier integriteitsassen – de vier belangen die een rol spelen in de financiële dienstverlening te herkennen en bespreekbaar te maken, te weten:

    • 1°. het financiële belang van de medewerker (persoonlijke beloning, targets, commerciële doelstellingen, en dergelijke);

    • 2°. het belang van de medewerker om compliant te zijn, waarbij wordt aangetoond dat de controlefunctie naar behoren wordt uitgevoerd;

    • 3°. het belang van de medewerker om zijn professionele verantwoordelijkheid met betrekking tot integriteit te kennen en dienovereenkomstig te handelen;

    • 4°. het belang van de medewerker en zijn organisatie om een vertrouwensrelatie te hebben met de klant;

  • h. dilemma’s op het gebied van ethisch en integer handelen in de uitoefening van zijn beroep te analyseren en bespreekbaar te maken alsmede de keuzes af te wegen en te verantwoorden;

  • i. om adviezen zodanig te communiceren dat deze aansluiten bij het opleidings-, kennis- en ervaringsniveau van de betrokken klant; en

  • j. fraudesignalen te onderkennen en hieraan op adequate wijze opvolging te geven.

S

Bijlage D, onderdeel 3, komt als volgt te luiden:

3. Kosten van het krediet

De debetrentevoet of, indien van toepassing, de verschillende debetrentevoeten die van toepassing zijn op de kredietovereenkomst

[%

– vast, of

– variabel (met de index of referentierente-voet die betrekking heeft op de aanvankelijke debetrentevoet)

– perioden]

Jaarlijks kostenpercentage (JKP)

Dit zijn de totale kosten, uitgedrukt als jaarlijks percentage van het totale kredietbedrag.

Aan de hand van het JKP kunt u verschillende aanbiedingen onderling beter vergelijken.

[% Een representatief voorbeeld met vermelding van alle voor de berekening van het hier op te geven percentage gebruikte hypothesen]

Is het, met het oog op het verkrijgen van het krediet, in voorkomend geval op de geadverteerde voorwaarden, verplicht om

 

– een verzekering ter waarborging van het krediet af te nemen, of

Ja/neen [zo ja, soort verzekering aangeven]

– een andere overeenkomst voor nevendiensten te sluiten?

Indien de kosten van deze diensten de aanbieder van krediet niet bekend zijn, worden zij niet in het JKP opgenomen.

Ja/neen [zo ja, soort nevendienst aangeven]

Met het krediet verbonden kosten

 

Indien van toepassing

Het aanhouden van een of meer rekeningen is vereist voor de boeking van zowel betalingen als kredietopnemingen

 

Indien van toepassing

Bedrag van de kosten voor het gebruik van een specifiek betaalmiddel (bijvoorbeeld een kredietkaart)

 

Indien van toepassing

Eventuele andere kosten die voortvloeien uit de kredietovereenkomst

 

Indien van toepassing

Voorwaarden waaronder de hierboven genoemde aan de kredietovereenkomst verbonden kosten voor wijziging vatbaar zijn

 

Indien van toepassing

Verplichting tot betaling van notariskosten

 

Kosten in het geval van betalingsachterstand

 

Wanbetaling kan ernstige gevolgen voor u hebben (bijvoorbeeld gedwongen verkoop) en kredietverkrijging bemoeilijken.

Bij betalingsachterstand wordt u [...(toepasselijke rente en regeling voor de aanpassing ervan en, in voorkomend geval, van de kosten van niet-nakoming)] aangerekend.

ARTIKEL V

Het Besluit melding zeggenschap en kapitaalbelang in uitgevende instellingen Wft wordt als volgt gewijzigd:

A

Aan artikel 5, eerste lid, worden, onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel h door een puntkomma, twee onderdelen toegevoegd, luidende:

  • i. voor zover artikel 5:45, tiende lid, van de wet van toepassing is: de soort financiële instrumenten of contracten op grond waarvan hij werd geacht over aandelen als bedoeld in artikel 5:33, eerste lid, onderdeel b, van de wet, te beschikken, de vervaldatum van de desbetreffende financiële instrumenten of contracten alsmede het aantal aandelen in de uitgevende instelling waarop de desbetreffende financiële instrumenten of contracten betrekking hebben;

  • j. voor zover artikel 5:45, tiende lid, onderdeel b, van de wet van toepassing is: de datum waarop of de termijn waarbinnen de verplichting tot het kopen van aandelen als bedoeld in artikel 5:33, eerste lid, onderdeel b, van de wet, kan ontstaan.

B

In artikel 8b wordt «5:45, tiende lid, aanhef» vervangen door: 5:45, elfde lid, aanhef.

C

In het opschrift van hoofdstuk 4 wordt «Bepaling ter uitvoering van artikel 5:45, tiende lid, van de wet» vervangen door: Bepaling ter uitvoering van artikel 5:45, elfde lid, van de wet.

ARTIKEL VI

Artikel 17, eerste lid, van het Besluit prudentiële regels Wft wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel a wordt «een duidelijke en adequate organisatiestructuur» vervangen door: een duidelijke, evenwichtige en adequate organisatiestructuur.

2. In onderdeel b wordt «een duidelijke en adequate verdeling van taken» vervangen door: een duidelijke, evenwichtige en adequate verdeling van taken.

ARTIKEL VII

In artikel 6, eerste lid, van het Besluit toezicht financiële verslaggeving wordt «ten minste € 50.000» vervangen door: ten minste € 100.000.

ARTIKEL VIII

Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

ARTIKEL IX

Dit besluit wordt aangehaald als: Wijzigingsbesluit financiële markten 2012.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.histnoot

’s-Gravenhage, 27 oktober 2011

Beatrix

De Minister van Financiën,

J. C. de Jager

Uitgegeven de tiende november 2011

De Minister van Veiligheid en Justitie,

I. W. Opstelten

NOTA VAN TOELICHTING

Algemeen

1. Inleiding

Het ontwerpbesluit Wijzigingsbesluit financiële markten 2012 maakt deel uit van de Wijzigingscyclus van nationale regelgeving op het terrein van de financiële markten en bevat een aantal wijzigingen van algemene maatregelen van bestuur die hun grondslag hebben in de Wet op het financieel toezicht (Wft) en wijzigt het Besluit toezicht financiële verslaggeving. Het ontwerpbesluit kent een inwerkingtredingdatum van 1 januari 2012.

2. Inhoud van het besluit

Ten aanzien van de verschillende inhoudelijke onderwerpen in dit besluit wordt hierna een nadere toelichting gegeven.

2.1 Vakbekwaamheidseisen voor financiële dienstverlening met betrekking tot pensioenverzekeringen en premiepensioenvorderingen

Onderzoeken van de Autoriteit Financiële Markten (AFM) naar de kwaliteit van dienstverlening bij tweede pijler pensioenen (pensioenadvisering gericht op werkgevers in het MKB, ten behoeve van het pensioen van de werknemer) hebben laten zien dat het huidige niveau van advisering omtrent pensioenen veelal onvoldoende is.1 31 procent van de financiëledienstverleners die adviseert in pensioenen levert zeer slecht advies, 44 procent slecht advies en slechts 25 procent matig tot redelijk. Geen enkele adviseur scoorde goed. Gezien het belang van een goed pensioen is dit een alarmerend resultaat. Een belangrijke randvoorwaarde voor goede advisering is de vakbekwaamheid van de personen binnen een financiële onderneming die zich daarmee bezighouden. Daarnaast heeft het College Deskundigheid Financiële Dienstverlening (CDFD) geconstateerd dat de huidige vakbekwaamheidseisen, die neergelegd zijn in de reeds bestaande Wft-module levensverzekeringen onvoldoende zijn om het gewenste minimum-niveau van vakbekwaamheid met betrekking tot de zogenaamde tweede pijler pensioenen te realiseren.2

Zowel de AFM als het CDFD hebben daarom aangedrongen op een verhoging van de vakbekwaamheidseisen voor pensioenadvisering. De vakbekwaamheidseisen staan opgenomen in bijlage B van het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft (Bgfo). Voor een verhoging van deze eisen is derhalve aanpassing van deze bijlage noodzakelijk. Conform het advies van de AFM en het CDFD is, in artikel 5 en bijlage B van het Bgfo, overgegaan tot introductie van een module pensioenverzekeringen, naast de reeds bestaande module levensverzekeringen. Deze module zal eveneens van toepassing zijn op advisering in premiepensioenvorderingen. Het doel hiervan is binnen een zo kort mogelijke termijn de kwaliteit van de pensioenadvisering gericht op werkgevers in het midden- en kleinbedrijf (MKB), ten behoeve van het pensioen van de werknemer (tweede pijler pensioenadvies), naar een hoger niveau te tillen.

Voor de overgangsrechtelijke aspecten ten aanzien van de verhoging van de vakbekwaamheidseisen is een voorziening getroffen in artikel 171a van dit besluit.

2.2 Corporate governance en directeur-grootaandeelhouder (DGA)

In dit besluit wordt expliciet vastgelegd dat de Nederlandsche Bank (DNB) en de AFM toezicht uitoefenen op een duidelijk, evenwichtig en verantwoord systeem van bestuur en toezicht bij financiële ondernemingen (hierna: corporate governance).

De AFM en DNB houden toezicht op de beheerste en integere bedrijfsvoering van financiële ondernemingen. Een verantwoord systeem van bestuur en toezicht is een essentieel onderdeel van een beheerste en integere bedrijfsvoering. Corporate governance ziet in algemene zin op een verdeling van taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden gericht op een evenwichtige invloed van bij de vennootschap en haar onderneming direct betrokkenen, waaronder met name bestuurders, commissarissen en kapitaalverschaffers. De inrichting van de corporate governance is primair de verantwoordelijkheid van de financiële onderneming zelf. Deze wijziging doet geen afbreuk aan deze verantwoordelijkheid, maar geeft de toezichthouder een expliciet aanknopingspunt voor zijn toezicht hierop. Dit mag er niet toe leiden dat het voor de onderneming en de daarbij betrokkenen lastiger wordt deze eigen verantwoordelijkheid uit te oefenen. Het is niet aan de toezichthouder om op de stoel van de bestuurder van de financiële onderneming te gaan zitten.

Mede naar aanleiding van de kredietcrisis is in toenemende mate aandacht voor adequate corporate governance verhoudingen bij banken en andere financiële ondernemingen. Diverse internationale standaarden vormen het brede raamwerk voor de invulling van corporate governance, zoals de «Principles for enhancing corporate governance» van het Bazels Comité voor Bankentoezicht3, de «OECD Principles of Corporate Governance»4, en de «Insurance Core Principles on Corporate Governance» van de internationale vereniging van verzekeringstoezichthouders5. Verder wordt het belang van goede corporate governance in de Code Banken6, de Governance Principes Verzekeraars7 en de Nederlandse corporate governance code8 onderkend. Zo bevatten deze codes specifieke bepalingen over corporate governance, onder meer ten aanzien van de positie en samenstelling van de raad van commissarissen. Ook de Tijdelijke commissie onderzoek financieel stelsel (de commissie De Wit) heeft in haar rapport «Verloren Krediet»9 het belang van goede corporate governance benadrukt. Daarnaast onderstreept het rapport van de commissie Scheltema over het onderzoek naar DSB Bank10 het belang van goede corporate governance.

Mede gelet hierop strekt de wijziging in dit besluit ertoe duidelijk te maken dat de AFM en DNB – onveranderd – de bevoegdheid hebben om specifieke eisen te stellen aan de corporate governance van financiële ondernemingen. Het zal daarbij vooral gaan om een in het kader van een DGA-structuur adequaat toegeruste en gepositioneerde en onafhankelijk functionerende raad van commissarissen. Dit komt er concreet op neer dat wordt geëxpliciteerd dat de AFM en DNB ook de bevoegdheid hebben om een evenwichtige corporate governance af te dwingen en aldus, wanneer eisen van gedragstoezicht dat vereisen, in te grijpen in bijvoorbeeld de governance-structuur van een financiële onderneming met een DGA danwel een dergelijke structuur niet te accepteren en de financiële onderneming op te dragen haar structuur aan te passen. Volledigheidshalve wordt hierbij benadrukt dat deze wijziging niet alleen betrekking heeft op eventuele maatregelen ten aanzien van een DGA-structuur, maar zich tevens uitstrekt tot andere governance structuren.

Onder een klassieke DGA-structuur wordt verstaan de situatie dat een natuurlijk persoon zowel (indirect) groot aandeelhouder als bestuurder is. Een DGA kan, wanneer adequaat tegenwicht binnen de onderneming ontbreekt (hierna: checks and balances), een onwenselijk grote invloed hebben op de gang van zaken binnen de onderneming. Hij kan in de positie komen om het eigen (aandeelhouders)belang boven het (lange termijn)belang van de vennootschap of andere betrokkenen (stakeholders) te plaatsen. Afgezien van mogelijke belangenconflicten, bestaat het risico dat een DGA zich in een zodanige mate vereenzelvigt met «zijn» onderneming, dat hij niet in staat is om in zijn hoedanigheid van bestuurder de vereiste objectiviteit en onafhankelijkheid aan de dag te leggen en te waarborgen, bijvoorbeeld als een onderneming in een kritische situatie komt te verkeren. Een algemeen verbod op DGA-structuren bij financiële ondernemingen voert echter te ver en is onwenselijk. Of een dergelijke structuur al dan niet toelaatbaar is, hangt af van de omstandigheden van het geval (proportionaliteit). Voormelde kwetsbaarheden kunnen worden gemitigeerd door bijvoorbeeld zwaardere vergunningseisen ten aanzien van de corporate governance en checks and balances in de financiële onderneming op te leggen. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de aanwezigheid van adequate regelingen om in het geval van conflicterende belangen tussen de vennootschap en de aandeelhouder-bestuurder tot een afgewogen besluit te komen. Bovendien zou een (absoluut) DGA-verbod een sterk arbitrair karakter hebben. Ook is een DGA-structuur niet per definitie ongewenst. Er kunnen zich omstandigheden voordoen waarin een DGA-structuur wenselijk is. Een geheel nieuwe financiële onderneming komt vaak voort uit het initiatief van een persoon, die naast directeur tevens grootaandeelhouder is. Een algeheel verbod zou de toetreding tot de markt van nieuwe financiële ondernemingen kunnen belemmeren, terwijl dit juist nadere concurrentie, creativiteit en innovatie kan brengen.

Van belang is dat binnen financiële ondernemingen voortdurend sprake is van een deskundige en evenwichtige bedrijfsvoering met adequate checks and balances en juiste prikkelwerking. De AFM en DNB moeten niet alleen bij de vergunningverlening de expliciete bevoegdheid hebben om specifieke eisen te stellen ten aanzien van de corporate governance, maar ook doorlopend. Het is immers mogelijk dat een raad van bestuur of een raad van commissarissen van een bank, die oorspronkelijk op zijn taak was berekend, naderhand niet meer goed functioneert omdat de omstandigheden zijn veranderd of professionele inzichten zijn gewijzigd. Dit kan de toezichthouder adresseren via bijvoorbeeld de geschiktheidstoets van een bestuurder of een commissaris, waarbij onder meer wordt gekeken naar een combinatie van kennis, vaardigheden en professioneel gedrag van een bestuurder of commissaris en de samenstelling en het functioneren van de raad van bestuur en de raad van commissarissen als geheel. Dit laat niettemin onverlet dat onder omstandigheden een meer algemene expliciete bevoegdheid om in te grijpen in de corporate governance van een financiële onderneming, waar onderhavige wijziging in voorziet, ten aanzien van een evenwichtige bedrijfsvoering aanvullend kan werken althans van toegevoegde waarde kan zijn.

Mede naar aanleiding van het faillissement van DSB Bank is veel aandacht uitgegaan naar de corporate governance van in het bijzonder banken. Het valt niet in te zien waarom deze vorm van evenwichtig toezicht en controle niet ook behoort te gelden voor de onder toezicht staande financiële ondernemingen die in artikel 30 van het Bgfo zijn opgenomen. Om die reden strekt deze wijziging zich – naast de wijziging van artikel 17 van het Besluit prudentiële regels Wft (Bpr) ten aanzien van banken en bepaalde andere financiële ondernemingen – uit tot een beheerder, beleggingsinstelling, beleggingsonderneming of bewaarder.

2.3 Wijzigingen provisieregels

In het Bgfo zijn diverse wijzigingen opgenomen van de provisieregels aangaande beloning door de cliënt, bemiddelen in schadeverzekeringen en ten behoeve van (onder)gevolmachtigde agenten.

Zo wordt onder andere voorgesteld dat in de geldstroom tussen een aanbieder en een bemiddelaar of adviseur (ook) wat betreft schadeverzekeringen uitsluitend nog afsluitprovisies en doorlopende provisies zijn toegestaan. Bonusregelingen of omzetprovisies – provisies die verbonden zijn aan het behalen van een bepaalde omzet of productie – zijn niet langer toegestaan. Hierbij is ook bepaald dat de bemiddelaar of adviseur op verzoek van de cliënt kenbaar moet maken welke provisies hij ontvangt van de aanbieder voor het bemiddelen of adviseren inzake de desbetreffende schadeverzekering. De bemiddelaar of adviseur dient op voor de cliënt begrijpelijke wijze mededeling te doen van zowel de aard van de provisies als de nominale waarde van de provisies.

Ook is een open norm voor rechtstreekse beloning van de bemiddelaar of adviseur door de cliënt geïntroduceerd. Bemiddelaars en adviseurs zijn in beginsel vrij om met de cliënt hun beloning overeen te komen, zolang er maar geen sprake is van een beloning die gelet op de aard en de omvang van de dienstverlening als kennelijk onredelijk kan worden beschouwd. Het doel van deze norm is om te voorkomen dat bemiddelaars of adviseurs beloningen in rekening brengen voor hun werkzaamheden, die gelet op de daarmee gemoeide inspanningen niet kunnen worden gerechtvaardigd. De hiervoor geschetste (open) norm geeft de AFM de mogelijkheid om handhavend op te treden, daar waar cliënten kennelijk onredelijke beloningen in rekening worden gebracht die evident afbreuk doen aan het belang van de cliënt.

De vraag of een provisie «kennelijk onredelijk» is, is uiteraard afhankelijk van de feiten en omstandigheden van het geval. Ter (niet limitatieve) illustratie kan de AFM daarbij bijvoorbeeld toetsen aan de volgende vragen: (i) is het bedrag dat de bemiddelaar of adviseur bij de consument in rekening brengt onredelijk gezien het aantal uren dat aan het advies is besteed? (ii) is het aantal uren dat aan het advies is besteed onredelijk gezien de reikwijdte van het advies? (iii) is de reikwijdte van het advies onredelijk gezien de adviesvraag/-behoefte van de consument? of (iv) is het uurtarief dat de bemiddelaar of adviseur in rekening brengt onredelijk gelet op zijn specialisatiegraad?

Onder kennelijk onredelijke beloningen wordt in ieder geval verstaan beloningen voor transacties die worden uitgevoerd met het enkele oogmerk additionele commissie of provisie te genereren, terwijl daar nauwelijks of geen (extra) advieswerkzaamheden mee gemoeid zijn. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer een betalingsbeschermer wordt geadviseerd bij een consumptief krediet en de adviseur werkzaamheden in rekening brengt bij zijn cliënt die (geheel of gedeeltelijk) ook al hebben plaatsgevonden in het kader van de advisering over het hoofdproduct, in dit geval het consumptief krediet. Ten aanzien van de vergoeding voor de werkzaamheden ten aanzien van de bijproducten geldt dan dat de hoogte van het bedrag dat in rekening wordt gebracht op geen enkele wijze in verhouding staat tot de aanvullende werkzaamheden van de adviseur. Daarmee is deze vergoeding kennelijk onredelijk.

In de genoemde voorbeelden kan ook sprake zijn van handelen in strijd met de plicht van de adviseur om de cliënt van passend advies te voorzien op grond van artikel 4:23 van de Wft. Immers, indien (bij)producten worden geadviseerd met geen ander doel dan om zoveel mogelijk adviesinkomsten te genereren, is het twijfelachtig of dergelijke adviezen passend zijn. De bemiddelaar of adviseur genereert extra inkomsten door de adviesbeloning, terwijl de cliënt gelet op zijn klantprofiel het product wellicht niet nodig heeft.

Bij het bepalen wat als kennelijk onredelijk kan worden beschouwd, kan ook worden gekeken naar wat in de branche in het algemeen gebruikelijk is om in rekening te brengen voor bepaalde diensten. Van bemiddelaars en adviseurs wordt verwacht dat zij hun eigen verantwoordelijkheid nemen en een beloning bij cliënt in rekening brengen die – alle omstandigheden in aanmerking genomen – als redelijk kan worden beschouwd. Indien de markt onvoldoende opvolging geeft aan de norm, zal worden bezien of een nadere invulling van deze norm nodig is.

Op grond van de Wft kan de AFM in het geval van overtreding van de norm een sanctie opleggen aan de bemiddelaar of adviseur. De AFM is, mede gelet op het bepaalde in artikel 1:75, derde lid, van de Wft, niet bevoegd om direct in te grijpen in de civielrechtelijke verhouding tussen een cliënt en de bemiddelaar of adviseur. Een afspraak over de beloning voor financiële diensten is overigens in de eerste plaats een zaak tussen de cliënt en de bemiddelaar of adviseur.

De cliënt kan daarnaast natuurlijk – al dan niet met formele civiele rechtsmiddelen – verhaal halen bij de adviseur die het kennelijk onredelijke tarief in rekening heeft gebracht.

Voorts wordt in het Bgfo geregeld dat het voor aanbieders, gevolmachtigde agenten of ondergevolmachtigde agenten niet langer mogelijk is om commissies te betalen of te ontvangen indien deze afbreuk doen aan de verplichting van de aanbieder of gevolmachtigde agent om zich in te zetten voor de belangen van de cliënt.

De definitie van het begrip «gevolmachtigde agent» in artikel 1:1 van de Wft brengt tot uitdrukking dat de gevolmachtigde agent een positie inneemt tussen de verzekeraar en een cliënt van de verzekeraar, maar geen bemiddelaar in de zin van de Wft is. Een gevolmachtigde agent is immers, anders dan een bemiddelaar, bevoegd om namens de verzekeraar verzekeringen te sluiten. De contacten tussen een gevolmachtigde agent en een cliënt vinden in de regel indirect plaats door tussenkomst van een bemiddelaar.11

Een gevolmachtigde agent levert diensten aan de verzekeraar zoals het accepteren van risico’s, het afwikkelen van schades en het royeren van een polis. Hij ontvangt daarvoor een vergoeding van de verzekeraar in de vorm van een commissie. Een commissie kan worden betaald voor het sluiten en beheren van een verzekeringsovereenkomst.

Daarnaast worden in de praktijk ook winstgerelateerde commissies betaald: extra beloningen en vergoedingen die ofwel worden betaald als beloning voor de omvang of groei van de verzekeringsportefeuille, ofwel als beloning voor de kwaliteit van de verzekeringstechnische bedrijfsvoering. De commissies die worden betaald als beloning voor de omvang of groei van de verzekeringsportefeuille werken volumesturing in de hand. Immers, als een gevolmachtigde agent een extra commissie ontvangt voor het afsluiten van verzekeringen voor een bepaalde aanbieder, dan ontstaat er een perverse prikkel om juist die verzekeringen met cliënten af te sluiten, ongeacht of dit in het belang van de cliënt is.

In artikel 86b is neergelegd dat het voor aanbieders, gevolmachtigde agenten of ondergevolmachtigde agenten niet langer mogelijk is om commissies te betalen of te ontvangen indien deze afbreuk doen aan de verplichting van de aanbieder of gevolmachtigde agent om zich in te zetten voor de belangen van de cliënt. De gevolmachtigde agent levert diensten aan de aanbieder. Hij dient daarvoor op een passende wijze te worden beloond, die in een redelijke verhouding tot de geleverde dienst staat. Wat in ieder geval niet langer is toegestaan zijn beloningen die de aanbieder of de gevolmachtigde agent een prikkel geven om hun zorgplicht jegens de consument niet na te leven. Een vergoeding die niet in redelijke verhouding staat tot de verrichte werkzaamheden zal uiteindelijk in de kosten voor de consument worden doorberekend. Daarmee doet een dergelijke vergoeding uiteindelijk afbreuk aan de plicht van zowel de aanbieder als de gevolmachtigde agent om zich voor de belangen van de klant in te spannen. Dat geldt ook voor vergoedingen die tot doel hebben productie of omzetgroei te belonen en daarmee perverse prikkels veroorzaken. Wanneer in de dienstverlening van de gevolmachtigde agent door de hoogte van de commissie perverse prikkels ontstaan wordt daarmee de kwaliteit van de dienstverlening ondermijnd en worden de belangen van de cliënt geschaad.

Omdat de regels inzake provisies zijn opgenomen in het Bgfo is het Bgfo gewijzigd om bovengenoemde maatregelen te realiseren.

3. Uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid

De wijzigingen zijn voorgelegd aan de toezichthouders. Met hun opmerkingen is in het besluit rekening gehouden. Opleidings- en exameninstituten zijn geconsulteerd, en zijn anticiperend op deze regelgeving bezig met het ontwikkelen van opleidingen en examens.

4. Consultatie

Het ontwerpbesluit Wijzigingsbesluit financiële markten 2012 is ter consultatie voorgelegd op de website: www.internetconsultatie.nl. De looptijd van deze consultatie betrof 4 weken (van 13 april 2010 tot en met 11 mei 2011).

Gedurende de consultatie van dit ontwerpbesluit zijn er 24 reacties binnengekomen ten aanzien van het onderwerp «Wijzigingen provisieregels». De reacties waren afkomstig van brancheorganisaties, banken, verzekeraars, bemiddelaars en de AFM. Naar aanleiding van hun opmerkingen zijn enkele wijzigingen doorgevoerd.

Ten aanzien van de beloningsnorm voor gevolmachtigde agenten werd in de consultatiereacties opgemerkt dat de wettelijke grondslag voor deze norm en de toelichting verduidelijking behoefde. Daarom is verduidelijkt dat artikel 4:25 van de Wft de grondslag voor deze norm vormt. De norm is opgenomen in artikel 86b. Ook is in de toelichting verduidelijkt wat is beoogd met de beloningsnorm voor de gevolmachtigde agent, gezien zijn positie ten opzichte van de aanbieder en de consument. De gevolmachtigde agent levert diensten aan de aanbieder. Hij dient daarvoor op een passende wijze te worden beloond, die in een redelijke verhouding tot de geleverde dienst staat. Wat in ieder geval niet langer is toegestaan, zijn beloningen die de aanbieder of de gevolmachtigde agent een prikkel geven om hun zorgplicht jegens de consument niet na te leven.

In de consultatiereacties is bovendien opgemerkt dat niet duidelijk was of er een overgangsregime ging gelden voor de nieuwe provisieregels aangaande het bemiddelen of adviseren in schadeverzekeringen en artikel 86b met betrekking tot gevolmachtigd agenten. Wat betreft schadeverzekeringen mogen voor overeenkomsten die zijn aangegaan op of na 1 januari 2012 uitsluitend nog afsluitprovisies en doorlopende provisies worden uitgekeerd. Geregeld wordt dat bonusregelingen of omzetprovisies – provisies die verbonden zijn aan het behalen van een bepaalde omzet of productie – niet langer zijn toegestaan voor overeenkomsten die na de inwerkingtreding van dit besluit zijn aangegaan. Ook de nieuwe regels voor beloning van gevolmachtigd agenten zullen voor overeenkomsten aangegaan op of na 1 januari 2012 gaan gelden. Deze overgangsbepaling is opgenomen in artikel 173a.

Ook ten aanzien van het onderwerp «Corporate governance en DGA» zijn een aantal reacties binnengekomen naar aanleiding van de consultatie. De wijziging van artikel 17, eerste lid, van het Bpr strekt ertoe expliciet vast te leggen dat DNB toezicht uitoefent op een duidelijke, evenwichtige en verantwoorde corporate governance bij onder toezicht staande ondernemingen. Enkele respondenten vroegen zich in hun consultatiereactie af waarom een vergelijkbare expliciete bevoegdheid niet eveneens aan de AFM wordt toegekend. Mede naar aanleiding van het faillissement van DSB Bank is veel aandacht uitgegaan naar de corporate governance van in het bijzonder banken. Het valt inderdaad niet in te zien waarom deze vorm van evenwichtig toezicht en controle niet ook behoort te gelden voor de financiële ondernemingen die onder toezicht van de AFM staan en in artikel 30 van het Bgfo zijn opgenomen. Ook de betreffende aanbevelingen van de commissie Scheltema over het onderzoek naar DSB Bank12 maken in dit verband geen onderscheid tussen prudentieel en gedragstoezicht. Zo geeft de commissie Scheltema in haar rapport aan dat een groter accent op governance voor zowel het prudentiële toezicht als voor het gedragstoezicht van belang is. Mede gelet hierop is een vergelijkbare explicitering ten aanzien van de bevoegdheid van de AFM opgenomen in artikel 30, eerste lid, van het Bgfo. Enkele respondenten merkten daarnaast op te betwijfelen of de voorgestelde uitbreiding van artikel 17 van het Bpr nodig is. Ze verwezen hierbij naar de mogelijkheden waarover de toezichthouder reeds beschikt om toezicht te houden op aspecten van corporate governance van bepaalde financiële ondernemingen, zoals de deskundigheidstoets, toezicht op beheerst beloningsbeleid, toezicht op beheerste en integere bedrijfsvoering en het tegengaan van belangenverstrengelingen. De toezichthouder beschikt inderdaad reeds over een aantal bevoegdheden ten aanzien van de corporate governance van onder toezicht staande financiële ondernemingen. Dit laat niettemin onverlet dat het wenselijk wordt geacht om de betreffende bevoegdheid van de toezichthouder te expliciteren om eventuele onduidelijkheden in de praktijk hierover te voorkomen. Daarbij kan onder omstandigheden een meer algemene expliciete bevoegdheid om in te grijpen in de corporate governance van een financiële onderneming, waar onderhavige wijziging in voorziet, ten aanzien van een evenwichtige bedrijfsvoering aanvullend werken althans van toegevoegde waarde zijn.

Ook wezen enkele respondenten op het gegeven dat de primaire verantwoordelijkheid voor een goed functionerende corporate governance berust bij de onderneming zelf en de daarbij betrokken bestuurders, commissarissen, andere (mede-)beleidsbepalers en de aandeelhoudersvergadering. Dit wordt (in de toelichting bij onderhavige wijziging) volledig onderschreven en is naar aanleiding van de consultatiereacties nog verduidelijkt: de inrichting van de corporate governance is primair de verantwoordelijkheid van de financiële onderneming zelf en deze wijziging strekt er niet toe hieraan afbreuk te doen. Deze expliciete bevoegdheid van de toezichthouder mag er niet toe leiden dat het voor de onderneming en de daarbij betrokkenen lastiger wordt deze eigen verantwoordelijkheid uit te oefenen. Het is niet aan de toezichthouder om op de stoel van de bestuurder van de onderneming te gaan zitten. Dit doet echter niet af aan de wenselijkheid dat de toezichthouder moet kunnen ingrijpen in de corporate governance structuur ingeval deze onevenwichtigheden vertoont die schadelijke gevolgen kunnen hebben voor de financiële stabiliteit, soliditeit van de financiële onderneming, integriteit of de behandeling van klanten en andere stakeholders van de financiële onderneming, bijvoorbeeld door zwaardere vergunningseisen of extra checks and balances op te leggen.

Verder acht een respondent het raadzaam om met wetswijzigingen te wachten totdat de Europese Commissie in de loop van 2011 het richtlijnvoorstel corporate governance financiële ondernemingen publiceert. Onderhavige wijziging bouwt voort op de aanbevelingen in voormeld rapport van de commissie Scheltema en is aangekondigd bij brief van de minister van Financiën van 29 juni 2010.13 Mede gelet hierop, en de vraag of de voornemens van de Europese Commissie zo gedetailleerd zullen zijn dan wel specifiek hierop betrekking zullen hebben, geeft deze consultatiereactie geen aanleiding van het voorgenomen tijdspad af te wijken.

Ook vraagt een respondent – mede in het licht van de instelling van onafhankelijke monitoring commissies van de Code Banken, de Governance Principes Verzekeraars en de Nederlandse corporate governance code – of een dergelijke expliciete rol voor de toezichthouder niet de verantwoordelijkheden onnodig vertroebelt. Zoals echter hiervoor is opgemerkt is de inrichting van de corporate governance primair de verantwoordelijkheid van de financiële onderneming zelf. Onafhankelijke monitoring commissies monitoren de naleving van voormelde codes die op basis van zelfregulering tot stand zijn gekomen. De bevoegdheden van de toezichthouder vloeien voort uit wet- en regelgeving. Zelfregulering en regulering kunnen elkaar aanvullen, ondersteunen en versterken. Uiteraard dienen hierbij de verschillende taken en bevoegdheden van betrokkenen in acht te worden genomen. Het valt niet in te zien hoe de voorgestelde expliciete bevoegdheid van de toezichthouder hierop een inbreuk maakt.

Daarnaast vraagt een respondent of het toezicht op de corporate governance van een financiële onderneming zo ver kan gaan dat de toezichthouder bepaalt welke bestuursbesluiten bijvoorbeeld wel of niet de goedkeuring van de aandeelhoudersvergadering behoeven. Deze wijziging strekt er in beginsel niet toe om de toezichthouder een expliciete bevoegdheid te geven om in te kunnen grijpen bij individuele bestuursbesluiten. Niet uitgesloten is echter dat de toezichthouder onder omstandigheden (gedacht kan worden aan een bank met een onevenwichtige DGA-structuur) wel degelijk nadere checks and balances zal verlangen via eisen aan de vormgeving van de statutaire bevoegdheidsverdeling, bijvoorbeeld door te verlangen dat een bepaalde categorie besluiten aan de voorafgaande goedkeuring van de aandeelhoudersvergadering of de raad van commissarissen onderworpen dient te worden.

Ten aanzien van het onderwerp Vakbekwaamheidseisen voor financiële dienstverlening met betrekking tot pensioenverzekeringen» zijn er twee reacties op de consultatie binnengekomen. Deze reacties hebben echter niet geleid tot grote aanpassingen van de voorgestelde bepalingen. Zo wordt, met de toevoeging van «premiepensioenvorderingen» in artikel 5, eerste lid, onderdeel f, van het Bgfo, aan een aantal vraagtekens over de reikwijdte tegemoet wordt gekomen. Ook is naar aanleiding van een opmerking over de berekening van de nalevingskosten deze in de toelichting verder verduidelijkt.

Tot slot zijn naar aanleiding van de consultatiereacties op het onderdeel «Introductie van een meldingsplicht voor bepaalde cash settled instrumenten» enkele technische aanpassingen in het ontwerpbesluit aangebracht.

5. Administratieve lasten en nalevingskosten

De onderwerpen «Vakbekwaamheidseisen voor financiële dienstverlening met betrekking tot pensioenverzekeringen en premiepensioenvorderingen» en «Wijzigingen provisieregels» brengen veranderingen van de lasten voor het bedrijfsleven met zich. De onderscheidenlijke lasten worden hierna weergegeven.

5.1 Vakbekwaamheidseisen voor financiële dienstverlening met betrekking tot pensioenverzekeringen en premiepensioenvorderingen

De vakbekwaamheidseisen voor financiële dienstverlening met betrekking tot pensioenverzekeringen brengen voor de sector administratieve lasten met zich mee. Daarnaast zullen als gevolg van de verplichting tot het afleggen van een examen bedrijfseffecten optreden.

Bij de inwerkingtreding van de voorgestelde wijziging zijn naar verwachting ongeveer 30.000 adviseurs met een diploma levensverzekeringen werkzaam in de sector, de zogenaamde certificaathouders. Van deze groep verleent op dat moment ongeveer 55 procent financiële diensten met betrekking tot pensioenen.14 De voorgestelde wijziging zal daarom naar verwachting impact hebben op ongeveer 16.500 personen. Op de rest van de groep, de financiëledienstverleners die op het moment van inwerkingtreding van het onderhavige besluit al diensten verlenen met betrekking tot levensverzekeringen maar niet met betrekking tot pensioenverzekeringen (ongeveer 13.500), zijn de nieuwe vakbekwaamheidseisen niet van toepassing. De administratieve lasten die betrekking hebben op deze wijziging zijn daarom voor hen niet aanwezig.

Naar verwachting zal van de groep die reeds financiële diensten verleent met betrekking tot pensioenen ongeveer 80 procent besluiten de pensioenadvisering niet voort te zetten. Voor de certificaathouders die als gevolg van de wijzigingen besluiten niet langer pensioenverzekeringen te adviseren zijn de kosten met name gelegen in een adequate overdracht van hun portefeuille naar een adviseur die wel wil blijven adviseren over pensioenverzekeringen. Dit kan binnen dezelfde onderneming zijn, maar moet in veel gevallen buiten de onderneming gezocht worden. De kosten hiervan zijn dan ook moeilijk te ramen.

Voor de twintig procent certificaathouders, ongeveer 3.300 personen, die financiële dienstverlening met betrekking tot pensioenverzekeringen wel willen voortzetten behelzen de kosten met name het af te leggen examen en eventuele opleidingskosten ter voorbereiding hiervan. Uiteraard zijn deze opleidingskosten afhankelijk van de adviseur zelf: hij kan er ook voor kiezen zich zelf op het examen voor te bereiden en slechts het examen te doen.

De exacte kosten voor een examen zijn nog niet bekend, aangezien de examens nog ontwikkeld moeten worden en nog geen ervaring is opgedaan met deze vernieuwde toetssystematiek. Daarom wordt aansluiting gezocht bij de kosten voor een examen bij de Federatie Financieel Planners, die een soortgelijke toetssystematiek hanteert als die ook in deze module gevolgd wordt. De kosten daarvoor bedragen ongeveer € 600.

Er wordt uitgegaan van een totaal van voorbereidingstijd en examinering tijdens werktijd van 36 uur. Er zijn signalen dat een dergelijke voorbereidingstijd aan de korte kant zou kunnen zijn en in voorkomende gevallen (veel) hoger zou moeten liggen. Voor de berekening van de lasten gaan we echter uit van een gemiddelde voorbereidingstijd tijdens werktijd van 36 uur. Er zijn op dit moment immers certificaathouders die reeds op een hoog niveau adviseren en die naar alle waarschijnlijkheid met aanzienlijk minder voorbereidingstijd kunnen volstaan dan certificaathouders die nog niet op een dergelijk niveau adviseren. Er wordt aangenomen dat voor deze laatste groep eventuele extra voorbereidingstijd niet tijdens werktijd, maar buiten werktijd zal komen te vallen.

De kosten voor examinering en voorbereidingstijd worden per deelnemer dan in totaal geraamd op € 2.616. Overigens bestaat er ook een mogelijkheid om aan de eisen met betrekking tot het verlenen van financiële diensten met betrekking tot pensioenverzekeringen te voldoen door middel van het aanvragen van een ervaringscertificaat. De kosten zullen in een dergelijk geval een stuk lager liggen, rond de € 1.000 per aanvraag.

Er is geen verplichting tot het volgen van een opleiding voorafgaand aan het examen. De kosten van een dergelijke opleiding vormen dan ook geen onderdeel van de inhoudelijke verplichting die uit onderhavige vakbekwaamheidseis voortvloeit. De kosten van een dergelijke opleiding zijn sterk afhankelijk van de keuze van de certificaathouder en kunnen voor de reeds bestaande modules variëren van minder dan € 300 voor een zelfstudiepakket, tot meer dan € 1.200 voor een volledige klassikale opleiding. Omdat de module pensioenverzekeringen op een hoger niveau en voor een ander type examinering opleidt, is nu nog niet in te schatten wat de precieze kosten van een opleiding voor deze module zullen zijn. De verwachting is dat deze hoger zullen liggen dan voor reeds bestaande modules.

Voorts geldt er een informatieverplichting aan de toezichthouder voor personen die pensioenadvisering willen voortzetten. Deze vindt op een aantal momenten plaats. Grosso modo bedragen de kosten hiervan € 9 per certificaathouder.15 Deze kosten zijn wel te bestempelen als administratieve lasten.

De totale kosten waarmee de groep bestaande adviseurs die pensioenadvisering wensen voort te zetten worden geconfronteerd bedragen daarmee per certificaathouder ongeveer € 2.625 en voor de groep in totaal ongeveer € 8.662.500.

De nieuw tot de markt toetredende pensioenadviseurs worden geconfronteerd met een extra af te leggen module. Konden zij in de oude situatie volstaan met een met succes afgelegde module levensverzekeringen, moeten zij nu naast deze module levensverzekeringen met ingang van 1 januari 2012 een diploma pensioenverzekeringen behalen. Het aantal nieuwe adviseurs wordt jaarlijks geschat op dertig.16 De extra lasten voor deze groep bestaan uit de extra af te leggen module17 en worden daarmee geraamd op € 90.000.

Voor zowel bestaande als nieuwe financiële dienstverleners geldt daarnaast een gewijzigde verplichting voor Permanente Educatie (PE) indien zij de financiële dienstverlening met betrekking tot pensioenverzekeringen willen voortzetten. Ook hier geldt dat waar voorheen kon worden volstaan met het volgen van PE voor de module levensverzekeringen, nu zowel de PE van de module levensverzekeringen als voor de module pensioenverzekeringen zal moeten worden gevolgd. PE kan worden afgelegd als programma met toetsend element en als los examen. Ervan uitgaande dat voor een los examen wordt gekozen, bedragen de kosten per certificaathouder naar verwachting ongeveer € 189.18 Deze kosten bestaan zowel uit de kosten van het PE-examen als uit de gedorven arbeidsproductiviteit tijdens het examen. Als wordt gekozen voor een PE-programma bedragen de kosten per certificaathouder ongeveer € 300. Er wordt ingeschat dat het jaarlijks om ongeveer 3.300 adviseurs gaat.19 De totale lasten met betrekking tot PE bedragen daarmee ongeveer € 623.700. Deze kosten zullen voor het overgrote deel pas na 2014 optreden, als de overgangstermijn afgelopen is.

Bovenstaande ramingen betreffen vrijwel uitsluitend inhoudelijke nalevingskosten. Alleen de informatieverplichting aan de toezichthouder betreft administratieve lasten. De administratieve lasten van deze maatregel zijn daarmee beperkt, namelijk ongeveer € 29.700. De inhoudelijke nalevingskosten zijn hoger. Deze bedragen in totaal ongeveer € 9.346.500.

Het verplicht stellen van een vakbekwaamheidseis voor deze groep en de daarmee gemoeide kosten, werken kostenverhogend voor de onderneming waar de adviseur werkzaam is, aangezien deze waarschijnlijk overwegend de kosten voor zijn rekening neemt. Daar tegenover staat dat een verhoogd – en benodigd20 – niveau van kwaliteit van advisering over pensioenverzekeringen wordt gerealiseerd. Dit beoogt enerzijds een bescherming van de consument te realiseren, alsmede ook voor de beroepsgroep, wiens naam wordt aangetast wegens inadequaat handelen van niet gekwalificeerde adviseurs.

5.2 Wijzigingen provisieregels
5.2.1. Betrokken ondernemingen

De gewijzigde bepalingen in dit besluit zijn relevant voor een grote groep financiële ondernemingen. De regels hebben gevolgen voor gevolmachtigde agenten, bemiddelaars en adviseurs. Voor het aantal bemiddelaars en adviseurs van schadeverzekeringen wordt aangesloten bij de in het Wft register aanwezige gegevens per oktober 2010. Hieruit blijkt dat een totaal aantal van 8900 bemiddelaars, adviseurs en gevolmachtigde agenten schadeverzekeringen aanbieden, sluiten, daarin bemiddelen of adviseren.

5.2.2. Bepalingen die belastende bedrijfseffecten teweeg brengen

De aanpassingen in de definities van afsluit- en doorlopende provisie, de introductie van een definitie van commissie en de aanpassingen in artikel 150 van het Bgfo zijn zuiver technisch van aard en veroorzaken geen administratieve lasten noch inhoudelijke nalevingskosten.

De nieuwe maatregelen die wel lasten veroorzaken zijn: i) een norm ter bestrijding van kennelijk onredelijke beloningen van de cliënt aan de bemiddelaar/adviseur; ii) een norm voor passende commissies voor gevolmachtigde agenten en iii) het verbod op bonusprovisies bij de bemiddeling/advisering van schadeverzekeringen. Ten aanzien van de norm ter bestrijding van kennelijk onredelijke beloningen van de cliënt aan de bemiddelaar/adviseur en de norm voor passende commissies voor gevolmachtigde agenten geldt dat deze maatregelen geen inhoudelijke nalevingskosten met zich meebrengen. De normen zijn niet gekoppeld aan transparantieverplichtingen. Wel brengen deze normen toezichtkosten voor de AFM met zich mee, die aan het einde van deze paragraaf nader gespecificeerd worden.

5.2.3. Het verbod op bonusprovisies bij schadeverzekeringen

Aan het verbod op bonusprovisies bij schadeverzekeringen is beloningstransparantie gekoppeld. De beloningstransparantie houdt in dat een afnemer van een schadeverzekering op diens verzoek wordt geïnformeerd over de beloning die gekoppeld is aan de verkoop van de schadeverzekering. Er zijn verdergaande transparantie-eisen overwogen, ten aanzien waarvan de administratieve lasten aanzienlijk hoger gelegen zouden hebben. De lasten zijn verder beperkt doordat de informatie die aan de afnemers moet worden verstrekt op hun verzoek al bekend is bij de aanbieders en de bemiddelaars. De beloningen zijn immers contractueel vastgelegd tussen aanbieders en bemiddelaars. Ook zullen veel bemiddelaars al beschikken over een standaardformulering ten aanzien van de beloning die zij ontvangen van aanbieders. Dergelijke formuleringen worden immers al langer gebruikt bij de beloningstransparantie omtrent betalingsbeschermers, complexe producten, hypothecair krediet en uitvaartverzekeringen. Van de ongeveer 8900 bemiddelaars heeft ongeveer 95 procent een vergunning om zowel te mogen bemiddelen in schadeverzekeringen als in producten die al eerder onder de beloningstransparantie vielen. Voor voormelde bemiddelaars zijn de kosten van de onderhavige maatregelen nihil. Voor de overgebleven vijf procent bemiddelaars geldt dat een deel van hen ook eerder te maken heeft gehad met beloningstransparantie, omdat zij op basis van de vergunning mogen bemiddelen in betalingsbeschermers. Deze producten vallen al langer onder de beloningstransparantie. Hoeveel bemiddelaars die enkel bemiddelen in schadeverzekeringen ook werkelijk bemiddelen in betalingsbeschermers is niet bekend. Daarom wordt in het hiernavolgende voor de berekening van de nalevingskosten uitgegaan van vijf procent van de bemiddelaars voor wie het verbod op bonusprovisies en transparantie daarover nieuw zijn. De werkelijke nalevingskosten zullen lager zijn. Voor de ongeveer vijf procent van de bemiddelaars die enkel bemiddelen in schadeverzekeringen en daarom niet eerder te maken hebben gehad met beloningstransparantie kunnen de lasten als volgt worden begroot. Het opstellen van een nieuwe formulering en aanpassing van de bedrijfsvoering zal gebeuren door een interne hoogopgeleide kennismedewerker en zal naar verwachting drie uur in beslag nemen. Uitgaande van een uurtarief van € 45 levert dat een lastenpost op van € 135 per bemiddelaar in schadeverzekeringen die niet eerder te maken heeft gehad met beloningstransparantie.21 De gehele berekening levert een eenmalige lastenpost op van € 60.075 (0,05 * 8900 * € 135).

De doorlopende nalevingskosten van de maatregelen kunnen in aansluiting bij eerdere berekeningen22 als volgt worden begroot. Per overeenkomst zal de hoogte van de beloning met betrekking tot de schadeverzekering moeten worden ingevuld in de standaardformulering. De hoogte van de beloning zal daartoe moeten worden opgezocht in de beloningstabellen die worden gehanteerd door de betreffende marktpartij. Deze actie zal twee minuten in beslag nemen. Uitgaande van een uurloon van € 37 levert dit een lastendruk per overeenkomst op van € 1,24. Deze kosten per overeenkomst moeten worden vermenigvuldigd met het aantal overeenkomsten ten aanzien waarvan afnemers zullen verzoeken om nadere informatie over de beloning. Het totale aantal schadeverzekeringen dat jaarlijks wordt afgesloten is ongeveer zeven en een half miljoen.23 De hoogte van de nalevingskosten zal afhangen van het aantal consumenten dat verzoekt om informatie omtrent de hoogte van de provisies. Het is lastig dit aantal vooraf te voorspellen. Uit een onderzoek naar de effectiviteit van de financiële bijsluiter (ook deze informatie wordt verstrekt op verzoek van de consument) blijkt dat twee van de vijf consumenten gebruik maken van de financiële bijsluiter. Er van uitgaande dat een vergelijkbaar aantal consumenten zal vragen naar schadeverzekeringen, bedragen de totale doorlopende nalevingskosten van de beloningstransparantie aldus € 3.720.000 (7,5 miljoen * 2/5 * 1,24).

5.2.4. Administratieve lasten

De AFM houdt toezicht op de naleving van de regels die in dit voorstel zijn opgenomen. De bemiddelaars en gevolmachtigde agenten kunnen in dat verband met informatieverzoeken van de AFM worden geconfronteerd. De kosten van ondernemingen om op verzoek van de AFM informatie te verstrekken worden als administratieve lasten aangemerkt.

De exacte omvang van deze lasten is lastig vast te stellen. Er is namelijk sprake van een groot aantal onzekere factoren. De AFM houdt risico georiënteerd toezicht op basis van signalen uit de markt en stelt haar eigen prioriteiten vast. Het aantal verzoeken om informatie is bovendien sterk afhankelijk van wat zich in een jaar op de financiële markten voordoet. Om die reden kan slechts een benadering worden gegeven van de administratieve lasten. Bemiddelaars en gevolmachtigde agenten zullen op grond van dit voorstel structureel met administratieve lasten worden geconfronteerd. De initiële lasten zijn nihil, omdat kan worden verondersteld dat er geen aanpassingen van de bedrijfsvoering nodig zijn om op informatieverzoeken te reageren. De AFM inventariseert ieder jaar met een vragenlijst op welke wijze bemiddelaars zich op de markt gedragen. Deze self assessment-methode bevordert de efficiëntie van het toezicht.

Het onderhavige voorstel leidt er toe dat een aantal nieuwe vragen in de lijst wordt opgenomen. Aangezien een bemiddelaar hierop alleen met enkele vastgelegde keuzemogelijkheden kan antwoorden wordt verwacht dat een bemiddelaar hier slechts tien minuten voor nodig zal hebben. Op basis van een intern uurtarief van € 45 voor een hoog opgeleide kennismedewerker en een totale populatie van 8900 bemiddelaars en gevolmachtigde agenten bedragen de administratieve lasten € 66.750 (8900 * € 7,50). Afhankelijk van de signalen die de AFM ontvangt, zal zij aanvullende individuele informatieverzoeken doen. Om een inschatting van de lasten te maken wordt aangesloten bij het aantal signalen dat de AFM met betrekking tot het intermediair en gevolmachtigde agenten ontvangt. Over het jaar 2010 zijn er met betrekking tot het intermediair en gevolmachtigde agenten in totaal ongeveer 3000 signalen binnengekomen bij de AFM. Indien dit aantal als uitgangspunt wordt genomen en wordt verondersteld dat vijf procent van het totaal ziet op de onderwerpen die door dit voorstel worden geraakt, zal de AFM 150 aanvullende individuele informatieverzoeken doen (0.05 * 3000). De hoeveelheid informatie die de AFM opvraagt is sterk afhankelijk van de specifieke omstandigheden van het geval. Voor de berekening wordt verondersteld dat het verstrekken van informatie meer tijd kost dan het beantwoorden van de self-assessment vragen.

Naar schatting zal dit een bemiddelaar per verzoek – mede rekening houdende met de mogelijkheid van vervolgvragen – drie uur kosten om de informatie te verstrekken. Op basis van een uurtarief van € 45 voor een hoog opgeleide kennismedewerker levert dit een last van € 135 per verzoek op. Voor de gehele populatie bemiddelaars en gevolmachtigde agenten bedraagt dit naar schatting € 20.250 (€ 135 * 150). De totale administratieve lasten worden dus beraamd op € 87.000 (66.750,00 + 20.250,00).

5.2.5. Gevolgen voor de consument

De aanscherping van de regels inzake provisies bij schadeverzekeringen, passende beloning en de beloning van gevolmachtigde agenten beogen de consument beter te beschermen. De consument wordt daarnaast op grond van onderhavige regeling op diens verzoek beter geïnformeerd over de beloning van het intermediair bij het bemiddelen in schadeverzekeringen.

5.3 Totale gevolgen voor de regeldruk

De totale gevolgen voor de regeldruk zijn € 29.700 + € 87.000 = € 116.700 aan administratieve lasten. De eenmalige nalevingskosten bedragen € 9.346.500 + € 60.075 = € 9.406.575 en de doorlopende nalevingskosten bedragen in totaal ongeveer € 3.720.000.

Artikelsgewijs

Artikel I (Besluit bekostiging financieel toezicht)

Met deze wijziging wordt de reikwijdte van deze bepaling gecorrigeerd. Ten onrechte was de huidige bepaling beperkt tot financiële ondernemingen die tot een stelsel van zelfregulering behoren. De korting voor het elektronisch aanleveren van de aanvraag kan echter gelden voor alle financiële ondernemingen.

Artikel II (Besluit bestuurlijke boetes financiële sector)

In het Besluit bestuurlijke boetes financiële sector is in de opsomming onder «Besluit prudentiële regels Wft» verzuimd om artikel 131, eerste lid, met bijbehorende boetcategorie «2» op te nemen. Het is wenselijk gebleken ook het eerste lid van artikel 131 van het Besluit prudentiële regels Wft beboetbaar te stellen. Deze wijziging strekt ertoe deze omissie te herstellen.

Artikel III (Besluit definitiebepalingen Wft)

A

Door deze wijziging wordt het drempelbedrag om aangemerkt te kunnen worden als professionele markpartij van € 50.000 verhoogd naar € 100.000. De € 50.000 grens is afkomstig uit de richtlijn prospectus24 die de grens voorschrijft voor het aanbieden van effecten aan het publiek. Ten behoeve van een gelijk speelveld is in Nederland gekozen om de grens ook toe te passen bij het aanbieden van beleggingsobjecten en rechten van deelneming in beleggingsinstellingen.

De grens van € 50.000 wordt te laag geacht om te voorkomen dat niet-professionele beleggers toch in van toezicht vrijgestelde producten beleggen. Het is derhalve wenselijk dat deze grens wordt verhoogd tot € 100.000, voor beleggingsobjecten, beleggingsinstellingen en effecten.

Het derde lid bevat een overgangsbepaling. Omwille van rechtszekerheid is het onwenselijk dat de wijziging er toe zou leiden dat personen of vennootschappen die onder de oude formulering overeenkomsten hebben afgesloten aangaande het aantrekken, het ter beschikking verkrijgen of het ter beschikking hebben van opvorderbare gelden door de wijziging niet meer als professionele marktpartij kwalificeren. Alleen bestaande overeenkomsten tussen geldgevers en geldnemers vallen onder deze overgangsbepaling; voor elke nieuw afgesloten overeenkomst tussen dezelfde geldgever en dezelfde geldnemer moet de inleg ten minste € 100.000 zijn om als professionele marktpartij aangemerkt te kunnen worden.

B

Doordat in richtlijn 2010/73/EU van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 24 november 2010 tot wijziging van Richtlijn 2003/71/EG betreffende het prospectus dat gepubliceerd moet worden wanneer effecten aan het publiek worden aangeboden of tot de handel worden toegelaten en Richtlijn 2004/109/EG betreffende de transparantievereisten die gelden voor informatie over uitgevende instellingen waarvan effecten tot de handel op een gereglementeerde markt zijn toegelaten (PbEU L 327) de definitie van gekwalificeerde belegger wordt gewijzigd, komt artikel 4 van het Besluit definitiebepalingen Wft te vervallen.

Artikel IV (Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft)

A

De in artikel 1 opgenomen definities van de begrippen «afsluitprovisie» en «doorlopende provisie» zijn gewijzigd. De wijziging betreft een uitbreiding van reikwijdte van die definities met de overeenkomst inzake een schadeverzekering. Deze uitbreiding houdt verband met de wijziging van artikel 149a. In dat artikel zijn regels gesteld voor beloningen in verband met het bemiddelen en adviseren inzake schadeverzekeringen. Verder is de definitie van «commissie» ingevoegd. Dit in verband met het gebruik van dat begrip in artikel 86b, waarin regels zijn gesteld voor de beloning van gevolmachtigde agenten.

De definitie van pensioenverzekering is beperkt tot de rechtstreeks verzekerde pensioenregelingen die bij verzekeraars zijn ondergebracht. De definitie ziet dus niet op pensioenregelingen die bij andere instellingen zijn ondergebracht, zoals bedrijfstak-, beroeps- en ondernemingspensioenfondsen. Het gaat bovendien uitsluitend om (collectieve) pensioenverzekeringen die worden afgesloten door de werkgever ten behoeve van zijn werknemer(s). Voor zover de directeur-grootaandeelhouder (DGA) zijn pensioen onderbrengt in een verzekerde pensioenregeling, valt hij binnen de reikwijdte van deze definitie. Een eigen beheer voorziening op de balans valt niet onder de definitie. Voorts is de reikwijdte van de definitie van pensioenverzekering beperkt tot levensverzekeringen in de vorm van een ouderdomspensioen en een nabestaandenpensioen als bedoeld in artikel 1 van de Pensioenwet. Arbeidsongeschiktheidspensioen valt buiten de reikwijdte.

B

Met de introductie van artikel 5, eerste lid, onderdeel e, wordt beoogd om de vakbekwaamheid van degenen die financiële diensten verlenen met betrekking tot pensioenverzekeringen op een hoger niveau te brengen. In onderdeel 7 van bijlage B zijn om die reden aparte eindtermen van vakbekwaamheid vastgesteld, waaraan de personen die zich onder de verantwoordelijkheid van de financiëledienstverlener rechtstreeks bezighouden met financiële dienstverlening met betrekking tot pensioenverzekeringen dienen te voldoen. Daarnaast dienen deze personen, zoals nu ook al het geval is, te voldoen aan de eindtermen van de basismodule en de module levensverzekeringen. Een pensioenverzekering is immers een species van een levensverzekering. De eindtermen die zijn opgenomen in onderdeel 7 van bijlage B zijn gebaseerd op de adviezen van het CDFD.

Met de introductie van artikel 5, eerste lid, onderdeel f, zijn de gestelde eisen aan de vakbekwaamheid van degenen die financiële diensten verlenen met betrekking tot premiepensioenvorderingen onder de reikwijdte van de eindtermen in onderdeel 7 van bijlage B gebracht. De premiepensioenvordering is een tweede pijler pensioenproduct dat onder de reikwijdte van de Wft valt. Dit product voorziet in een soortgelijke behoefte als een pensioenverzekering. Ook hier wordt beoogd de vakbekwaamheid van degenen de financiële diensten verlenen met betrekking tot premiepensioenvorderingen te verhogen. Door de toevoeging van premiepensioenvorderingen aan artikel 5 wordt zoveel mogelijk een gelijk speelveld gewaarborgd.

C

In artikel 30, eerste lid, is aan de opsomming in de aanhef pensioenbewaarder toegevoegd. Pensioenbewaarder was abusievelijk geschrapt door het Besluit implementatie herziene richtlijn beleggingsinstellingen (Stb. 2011, 358). Dit is met deze wijziging hersteld. De wijziging van artikel 30, eerste lid, onderdelen a en b, bouwt voort op het rapport van de commissie Scheltema over het onderzoek naar DSB Bank.25 Deze wijziging strekt ertoe expliciet vast te leggen dat de AFM toezicht uitoefent op een duidelijk, evenwichtig en adequaat systeem van bestuur en toezicht (corporate governance) bij financiële ondernemingen. Bij financiële ondernemingen met een directeur-grootaandeelhouder (of een daarmee vergelijkbare zeggenschapsstructuur) is bijzondere aandacht voor een evenwichtige corporate governance op zijn plaats. Zie voor een nadere toelichting paragraaf 2.2 van het algemeen deel van deze toelichting.

D

Dit betreft een technische aanpassing. Bij besluit van 14 maart 2011, houdende wijziging van het Besluit Prudentiële regels Wft en het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft ter nadere invulling van de vereisten die op grond van de Wet introductie premiepensioeninstellingen worden gesteld aan de pensioenbewaarder (Stb. 2011, 144) was reeds een artikel 34a ingevoegd. Doordat vervolgens bij het besluit implementatie herziene richtlijn beleggingsinstellingen (Stb. 2011, 358) de artikelen 34a tot en met 34d na artikel 34 zijn ingevoegd, zijn twee artikelen 34a in het Bgfo opgenomen. Artikel 34a dat is ingevoegd bij het bovengenoemde besluit van 14 maart 2011 is vernummerd tot artikel 34e.

E

Abusievelijk is in artikel 35e van het Bgfo bij de implementatie van de herziene richtlijn beleggingsinstellingen26 de term «beleggingsonderneming» vervangen door de zinsnede «beheerder of beleggingsinstelling». De term «beleggingsonderneming» had moeten worden vervangen door «beheerder of beleggingsonderneming». Deze omissie is met deze wijziging hersteld.

F

Dit betreft een technische aanpassing. Bij het besluit ter implementatie van de herziene richtlijn beleggingsinstellingen is onder vernummering van de artikelen 38a tot en met 38j tot 38b tot en met 38k een artikel 38a ingevoegd. Hierdoor staan er twee artikelen 38k in het Bgfo. Het reeds bij besluit van 14 maart 2011, houdende wijziging van het Besluit Prudentiële regels Wft en het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft ter nadere invulling van de vereisten die op grond van de Wet introductie premiepensioeninstellingen worden gesteld aan de pensioenbewaarder (Stb. 2011, 144) ingevoegde artikel 38k is vernummerd tot artikel 38l.

G

In het vijfde lid is geregeld dat ook alle financiële ondernemingen die verantwoordelijk zijn voor het tot stand brengen van een complex product en het complexe product als zodanig in de markt verkrijgbaar stellen voor consumenten of cliënten, hoewel zij niet (volledig) contractuele wederpartij worden voor dit product, verplicht zijn tot het beschikbaar houden en verstrekken van een financiële bijsluiter respectievelijk de essentiële beleggersinformatie. Op deze wijze wordt gewaarborgd dat de consument of cliënt voor alle complexe producten een financiële bijsluiter of essentiële beleggersinformatie kan raadplegen, ongeacht de manier waarop deze producten worden aangeboden of verkrijgbaar gesteld. De consument of cliënt kan zo inzicht verkrijgen in de meest wezenlijke kenmerken van het product en kan deze vergelijken met eigenschappen van andere financiële producten. Verantwoordelijk is de financiële onderneming wier gedragingen tot gevolg hebben dat een complex product ontstaat dat als zodanig in de markt verkrijgbaar wordt gesteld.

H

Het tweede lid bevat geen onderwerpen waarover informatie in de financiële bijsluiter moet worden opgenomen daarom kan de verwijzing naar het tweede lid vervallen.

I

Het betreft een technische wijziging. De artikelleden zijn door deze wijziging vernummerd.

J

Dit betreft een technische wijziging.

K

In artikel 86b zijn regels opgenomen met betrekking tot de beloning van gevolmachtigde agenten en ondergevolmachtigde agenten. De grondslag voor deze nieuwe bepaling is artikel 4:25, eerste lid, van de Wft waarin wordt bepaald dat financiële ondernemingen zich bij de behandeling van cliënten moeten houden aan «bij algemene maatregel van bestuur te stellen nadere regels met betrekking tot de in acht te nemen zorgvuldigheid». In de toelichting op artikel 4:25, eerste lid, van de Wft is aangegeven dat bij regels omtrent zorgvuldigheid onder andere gedacht [kan] worden aan bepalingen over het uitvoeren van transacties voor consumenten of cliënten met het enkele oogmerk additionele commissie of provisie te genereren. Aangezien het nieuwe artikel 86b beoogt te voorkomen dat gevolmachtigde agenten zich bij hun dienstverlening (het sluiten van verzekeringsovereenkomsten met cliënten) laten leiden door de commissie die zij daarvoor van verzekeraars ontvangen, sluit een dergelijk artikel goed aan bij de doelstelling van artikel 4:25 van de Wft als algemene delegatiegrondslag voor zorgvuldigheidsverplichtingen. Zie voor een nadere toelichting paragraaf 2.3 van het algemeen deel van deze toelichting.

L

De artikelen 24 en 34 van de herziene richtlijn beleggingsinstellingen27 schrijven voor dat de bewaarder volgens het nationale recht van de lidstaat waar de instelling voor collectieve belegging in effecten (icbe) haar zetel heeft jegens de icbe en de deelnemers aansprakelijk is voor alle door hen geleden schade voorzover de schade het gevolg is van verwijtbare niet-nakoming of gebrekkige nakoming van verplichtingen. Deze situatie was verwerkt in artikel 116, eerste lid, onderdeel d.

De formulering van artikel 116, eerste lid, onderdeel d, was echter te beperkt en alleen gericht op beleggingsinstellingen met zetel in een lidstaat. De zetel van een beleggingsinstelling, niet zijnde een icbe, kan echter ook zijn gelegen in een staat die geen lidstaat is. Daarom is onderdeel d aangepast. De aansprakelijkheid van een bewaarder jegens een beleggingsinstelling (inclusief een icbe) en de deelnemers wordt bepaald door het recht van de staat van de zetel van de beleggingsinstelling.

M

Dit betreft een technische aanpassing. Artikel 116a ingevoegd bij Wijzigingsbesluit financiële markten 2010 is vernummerd tot artikel 116b.

N

Dit onderdeel wijzigt artikel 149a zodat in de geldstroom tussen een aanbieder en een bemiddelaar of adviseur (ook) wat betreft schadeverzekeringen uitsluitend nog afsluitprovisies en doorlopende provisies zijn toegestaan. Bonusregelingen of omzetprovisies – provisies die verbonden zijn aan het behalen van een bepaalde omzet of productie – zijn niet langer toegestaan. Hiertoe zijn schadeverzekeringen toegevoegd aan de opsomming in artikel 149a, eerste lid.

De wijziging van artikel 149a, tweede lid, onderdeel c, bewerkstelligt dat de in dat onderdeel opgenomen voorwaarden niet van toepassing zijn op de bemiddeling en de advisering inzake schadeverzekeringen.

Voor schadeverzekeringen geldt voorts dat naast noodzakelijke provisies als bedoeld in artikel 149a, eerste lid, en rechtstreekse beloningen door de cliënt aan de bemiddelaar of adviseur, alleen afsluit- en doorlopende provisies blijven toegestaan. Dit laatste blijkt uit artikel 149a, tweede lid, onderdeel c.

In onderdeel c is ook bepaald dat de bemiddelaar of adviseur op verzoek van de cliënt kenbaar moet maken welke provisies hij ontvangt van de aanbieder voor het bemiddelen of adviseren inzake de desbetreffende schadeverzekering. De bemiddelaar of adviseur dient op voor de cliënt begrijpelijke wijze mededeling te doen van zowel de aard van de provisies als de nominale waarde van de provisies.

Het gewijzigde artikel 149a, tweede lid, onderdeel a, introduceert een open norm voor rechtstreekse beloning van de bemiddelaar of adviseur door de cliënt. De artikelen 4:72, derde lid, en 4:73, derde lid, van de Wft bevatten een grondslag om bij algemene maatregel van bestuur regels te stellen met betrekking tot de beloning of vergoeding die de adviseur of bemiddelaar ontvangt. Zie voor een nadere toelichting paragraaf 2.3 van het algemeen deel van deze toelichting.

O

In verband met de uitbreiding van de reikwijdte van de in artikel 1 opgenomen definities van «afsluitprovisie» en «doorlopende provisie» is artikel 150, vierde lid, gewijzigd, zodat artikel 150 niet van toepassing is op overeenkomsten inzake een schadeverzekering.

P

Dit artikel bevat het overgangsrecht voor financiëledienstverleners die op 1 januari 2012 financiële diensten verlenen met betrekking tot pensioenverzekeringen en premiepensioenvorderingen en voornemens zijn deze werkzaamheden voort te zetten.

Onder de in het eerste lid genoemde voorwaarden wordt de financiëledienstverlener geacht tot 1 januari 2014 te voldoen aan het bepaalde ingevolge artikel 4:9, tweede lid, van de Wft ten aanzien van het verlenen van financiële diensten met betrekking tot pensioenverzekeringen. Het tweede lid bepaalt hetzelfde voor premiepensioenvorderingen.

Uit het eerste lid volgt dat de financiëledienstverlener die zijn pensioenadvisering wenst voort te zetten in ieder geval op 31 december 2011 dient te voldoen aan het bepaalde ingevolge artikel 4:9, tweede lid, van de Wft ten aanzien van het verlenen van financiële diensten met betrekking tot levensverzekeringen.

Voorts is in het derde lid bepaald dat de financiëledienstverlener voor 1 februari 2012 aan de AFM te kennen geeft of hij ook daadwerkelijk financiële diensten met betrekking tot pensioenverzekeringen wil blijven verlenen. De AFM bepaalt op welke wijze deze kennisgeving plaatsvindt. Bovendien zal de financiëledienstverlener op grond van het vierde lid voor 1 juli 2012 moeten laten zien dat hij aan de nieuwe vakbekwaamheidseisen voor het verlenen van financiële diensten met betrekking tot pensioenverzekeringen gaat voldoen en op welke wijze hij dat gaat doen.Uit het vijfde lid volgt dat het overgangsrecht op de financiëledienstverlener van toepassing is totdat hij heeft voldaan aan de nieuwe vakbekwaamheidseisen. Vanaf het moment dat de financiëledienstverlener voldoet aan de eisen gesteld ingevolge artikel 4:9, tweede lid, van de Wft voor wat betreft het verlenen van financiële diensten met betrekking tot pensioenverzekeringen of premiepensioenvorderingen, valt hij niet langer onder het overgangsregime, maar onder het algemeen geldende regime voor financiëledienstverleners die financiële diensten met betrekking tot pensioenverzekeringen of premiepensioenvorderingen verlenen. Indien de financiëledienstverlener niet voldoet aan (één van) de voorwaarden in het eerste, tweede, derde of vierde lid, wordt hij niet langer geacht te voldoen aan het bepaalde ingevolge artikel 4:9, tweede lid, van de Wft ten aanzien van het verlenen van financiële diensten met betrekking tot pensioenverzekeringen of premiepensioenvorderingen. Dit kan op verschillende data vallen:

  • op 31 december 2011 moet de financiëledienstverlener voldoen aan het eerste of tweede lid;

  • vóór 1 februari 2012 moet de financiëledienstverlener voldoen aan het kennisgevingvereiste, genoemd in het derde lid;

  • vóór 1 juli 2012 moet de financiëledienstverlener op een voor de AFM overtuigende wijze laten zien dat hij aan de nieuwe vakbekwaamheidseisen gaat voldoen en op welke wijze hij dat van plan is. Dit is de voorwaarde genoemd in het vierde lid;

  • vóór 1 januari 2014 moet de financiëledienstverlener voldoen aan de nieuwe vakbekwaamheidseisen.

Q

In deze overgangsbepaling is geregeld dat de artikelen 86b en 149a, voorzover van toepassing op overeenkomsten inzake schadeverzekeringen, van toepassing zullen zijn op overeenkomsten die op of na 1 januari 2012 tot stand komen.

R

In onderdeel 7 van bijlage B zijn de eindtermen opgenomen waaraan degenen die financiële diensten met betrekking tot pensioenverzekeringen en premiepensioenvorderingen verlenen moeten voldoen. De eindtermen zijn gebaseerd op adviezen van het CDFD.

S

Bijlage D is de Europese standaardinformatie voor consumptief krediet zoals die ook is opgenomen in bijlage II van Richtlijn nr. 2008/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 23 april 2008, inzake kredietovereenkomsten voor consumenten en tot intrekking van Richtlijn 87/102/EEG van de Raad (PbEU L 133).

Dit formulier wordt gehanteerd voor de precontractuele informatie voor reguliere consumptief kredieten. In deze bijlage worden door een rectificatie van de richtlijn consumptief krediet een aantal wijzigingen aangebracht (PbEU L 199). De wijziging betreft een technische wijziging in onderdeel 3, kosten van het krediet. Het gaat om de volgende nieuwe zinsnede:

Is het, met het oog op het verkrijgen van het krediet, in voorkomend geval op de geadverteerde voorwaarden, verplicht om

  • een verzekering ter waarborging van het krediet af te nemen, of

  • een andere overeenkomst voor nevendiensten te sluiten?

Artikel V (Besluit melding zeggenschap en kapitaalbelang in uitgevende instellingen Wft)

A

In hoofdstuk 3 van het Besluit melding zeggenschap en kapitaalbelang in uitgevende instellingen Wft is bepaald welke gegevens bij een melding op grond van hoofdstuk 5.3. van de Wft moeten worden verstrekt.

Er zijn twee onderdelen toegevoegd aan artikel 5, eerste lid, van het besluit. In onderdeel i is ten eerste bepaald dat een meldingsplichtige gegevens dient te verstrekken over de soort financiële instrumenten of contracten op grond waarvan hij werd geacht over aandelen als bedoeld in artikel 5:33, eerste lid, onderdeel b, van de wet, te beschikken op het tijdstip waarop de meldingsplicht is ontstaan. Op deze wijze wordt in het register van de AFM inzichtelijk wanneer een meldingsplichtige via het gebruik van cash settled instrumenten een belang in een uitgevende instelling opbouwt. Een meldingsplichtige dient een onderscheid te maken tussen bijvoorbeeld de contracts for difference die hij houdt en de put opties die hij heeft geschreven (ofwel de put opties die hij heeft verkocht).

Ten tweede is in onderdeel i bepaald dat door de meldingsplichtige informatie dient te worden verstrekt over de vervaldatum van de desbetreffende financiële instrumenten of contracten. Ten derde is bepaald dat een meldingsplichtige informatie dient te verstrekken over het aantal aandelen in de uitgevende instelling waarop de financiële instrumenten of contracten betrekking hebben. Indien bijvoorbeeld een meldingsplichtige een contract for difference heeft dat betrekking heeft op 1000 aandelen in de uitgevende instelling, zijnde vijf procent van het totale geplaatste kapitaal van de uitgevende instelling, dan dient hij 1000 als aantal te melden.

In onderdeel j is geregeld dat een persoon die op basis van een optie verplicht kan worden om aandelen als bedoeld in artikel 5:33, eerste lid, onderdeel b, van de wet te kopen (de schrijver van een put optie) informatie dient te verstrekken over de datum waarop of de termijn waarbinnen deze verplichting kan ontstaan. De informatie bedoeld in onderdeel j dient derhalve, indien van toepassing, aanvullend aan de informatie bedoeld in onderdeel i te worden verstrekt.

B en C

In het voorstel van wet tot Wijziging van de Wet op het financieel toezicht in verband met introductie van een meldingsplicht voor bepaalde cash settled instrumenten28 wordt in artikel 5:45 van de wet een tiende lid ingevoegd onder vernummering van het reeds bestaande tiende lid tot elfde lid. De verwijzing naar artikel 5:45, tiende lid, in artikel 8b en in het opschrift van hoofdstuk 4 van het Besluit melding zeggenschap en kapitaalbelang in uitgevende instellingen Wft is daarom vervangen door een verwijzing naar artikel 5:45, elfde lid.

Artikel VI (Besluit prudentiële regels Wft)

De wijziging van artikel 17, eerste lid, van het Besluit prudentiële regels Wft bouwt voort op het rapport van de commissie Scheltema over het onderzoek naar DSB Bank29 en zijn reeds aangekondigd bij brief van de minister van Financiën van 29 juni 2010. Deze wijziging strekt ertoe expliciet vast te leggen dat DNB toezicht uitoefent op een duidelijk, evenwichtig en adequaat systeem van bestuur en toezicht (hierna: corporate governance) bij financiële ondernemingen. Bij financiële ondernemingen met een directeur-grootaandeelhouder (of een daarmee vergelijkbare zeggenschapsstructuur) is bijzondere aandacht voor een evenwichtige corporate governance op zijn plaats.

Zie voor een nadere toelichting paragraaf 2.2 van het algemeen deel van deze toelichting.

Artikel VII (Besluit toezicht financiële verslaggeving)

In artikel 6, eerste lid, is het drempelbedrag om aangemerkt te kunnen worden als professionele markpartij van € 50.000 verhoogd naar € 100.000. De € 50.000 grens is afkomstig uit de richtlijn prospectus (PbEU L 345) die de grens voorschrijft voor het aanbieden van effecten aan het publiek. Ten behoeve van een gelijk speelveld is in Nederland gekozen om de grens ook toe te passen bij het aanbieden van beleggingsobjecten en rechten van deelneming in beleggingsinstellingen.

De grens van € 50.000 wordt te laag geacht om te voorkomen dat niet-professionele beleggers toch in van toezicht vrijgestelde producten beleggen. Het is derhalve wenselijk dat deze grens wordt verhoogd tot € 100.000, voor beleggingsobjecten, beleggingsinstellingen en effecten.

De Minister van Financiën,

J. C. de Jager


X Noot
1

Rapport Kwaliteit Advies Tweede Pijler Pensioen: Het pensioenadvies aan het MKB moet beter, Bron: AFM, http://www.afm.nl/layouts/afm/default.aspx~/media/files/rapport/2010/pensioenadvies-aan-mkb-moet beter.ashx en http://www.afm.nl/nl/professionals/afm-actueel/nieuws/2010/apr/pensioenadviezen-mkb.aspx

X Noot
2

Rapport CDFD is niet gepubliceerd.

X Noot
3

Basel Committee on Banking Supervision, Principles for enhancing corporate governance van oktober 2010, http://www.bis.org/publ/bcbs176.pdf.

X Noot
4

OECD Principles of Corporate Governance van 29 april 2004, http://www.oecd.org/dataoecd/32/18/31557724.pdf.

X Noot
5

International Association of Insurance Supervisors, Insurance Core Principles on Corporate Governance van 19 januari 2004, http://www.iaisweb.org/__temp/IAIS_Core_Principles_on_Corporate_Governance__2004.pdf.

X Noot
6

Stb. 2010, 215.

X Noot
9

Rapport «Verloren krediet» van de Tijdelijke commissie onderzoek financieel stelsel, Kamerstukken II 2009/10, 31 980, nrs. 3 en 4.

X Noot
10

Rapport van de commissie van Onderzoek DSB Bank van 23 juni 2010, Kamerstukken II 2009/10, 32 432, nr. 1, bijlage.

X Noot
11

Zie ook Kamerstukken II, 2003/04, 29 507, nr. 3, blz. 70.

X Noot
12

Rapport van de commissie van Onderzoek DSB Bank van 23 juni 2010, Kamerstukken II 2009/10, 32 432, nr. 1, bijlage.

X Noot
13

Brief van de minister van Financiën van 29 juni 2010, Kamerstukken II 2009/10, 32 432, nr. 1.

X Noot
14

Gebaseerd op gegevens over kantoren, niet op certificaathouders.

X Noot
15

Kosten bestaan uit het doorgeven van het besluit om wel/niet door te gaan met financiële dienstverlening met betrekking tot pensioenverzekeringen, het overleggen van een plan om aan nieuwe eisen te gaan voldoen. Per persoon worden deze geraamd op 10 minuten.

X Noot
16

Voor dit aantal is aansluiting gezocht bij de jaarlijkse aanwas financiëledienstverleners vermenigvuldigd met het percentage kantoren (van het totaal aantal kantoren) dat de financiële dienstverlening met betrekking tot pensioenverzekeringen zal willen voortzetten.

X Noot
17

De kosten voor deze groep zijn gelijkgesteld met de kosten voor certificaathouders levensverzekeringen. De reden daarvoor is dat anders moeilijk is in te schatten wat de kosten voor hen zullen zijn. Ze kunnen ervoor kiezen om de module pensioenverzekeringen als onderdeel van hun HBO-opleiding te volgen, waarmee de kosten voor hen zeer gering zullen zijn. Ze kunnen ook besluiten de module afzonderlijk te volgen, waarmee meer kosten gemoeid zullen zijn.

X Noot
18

Voor de kosten van een PE-examen is aansluiting gezocht bij PE voor de module levensverzekeringen. Deze bedragen € 60. Ingeschat wordt dat in totaal ongeveer een halve werkdag nodig is voor het examen en dat indien nodig de voorbereiding buiten werktijd plaatsvindt. Het uurtarief dat hiervoor gehanteerd wordt bedraagt € 56. Daarbij komt dat PE niet een jaarlijks terugkerende verplichting is, maar eenmaal per anderhalf jaar moet worden gevolgd. Dat betekent dat de kosten twee maal in drie jaar tijd worden gemaakt.

X Noot
19

Er wordt aangenomen dat het aantal adviseurs dat ook daadwerkelijk besluit zijn financiële dienstverlening met betrekking tot pensioenverzekeringen voort te zetten gelijk is aan het aantal adviseurs dat uiteindelijk ook aan de PE-verplichting zal moeten voldoen.

X Noot
20

Zie onderzoek van AFM naar kwaliteit dienstverlening met betrekking tot pensioenverzekeringen:

Rapport Kwaliteit Advies Tweede Pijler Pensioen: Het pensioenadvies aan het MKB moet beter, Bron: AFM, http://www.afm.nl/layouts/afm/default.aspx~/media/files/rapport/2010/pensioenadvies-aan-mkb-moet-beter.ashx en http://www.afm.nl/nl/professionals/afm-actueel/nieuws/2010/apr/pensioenadviezen-mkb.aspx

X Noot
21

Voor deze berekening is aangesloten bij een eerdere lastenberekening voor het Bgfo, zie Stb. 2009, 401.

X Noot
22

Bron lastenberekening Bgfo, Stb. 2006, 520.

X Noot
23

Schatting van het Verbond van Verzekeraars.

X Noot
24

Richtlijn nr. 2003/71/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 4 november 2003 betreffende het prospectus dat gepubliceerd moet worden wanneer effecten aan het publiek worden aangeboden of tot de handel worden toegelaten en tot wijziging van richtlijn nr. 2001/34/EG (PbEU L 345).

X Noot
25

Rapport van de commissie van Onderzoek DSB Bank van 23 juni 2010, Kamerstukken II 2009/10, 32 432, nr. 1 bijlage.

X Noot
26

Stb. 2011, 358.

X Noot
27

Richtlijn 2009/65/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 13 juli 2009 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe’s) (PbEU L 302).

X Noot
28

Kamerstukken II 2010/11, 32 783, nr. 2.

X Noot
29

Rapport van de commissie van Onderzoek DSB Bank van 23 juni 2010, Kamerstukken II 2009/10, 32 432, nr. 1 bijlage.

XHistnoot
histnoot

Het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt op grond van artikel 26, zesde lid j° vijfde lid van de Wet op de Raad van State, omdat het uitsluitend opmerkingen van redactionele aard bevat.

Inhoudsopgave


SnelzoekenInfo

Snelzoeken
U kunt dit veld gebruiken om te zoeken op
–een vrije zoekterm voor het zoeken op tekst (bijvoorbeeld "milieu")
–een betekenisvolle zoekterm voor het zoeken naar specifieke publicaties (bijvoorbeeld dossiernummer '32123' of 'trb 2009 16').
U kunt termen combineren door EN te zetten tussen de termen (blg 32123 EN milieu).
U kunt zoeken op letterlijke tekst door '' om de term te zetten. ('appellabele toezeggingen').

Voor meer mogelijkheden en uitleg verwijzen wij u naar de help-pagina's van Officiële bekendmakingen op overheid.nl