Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Eerste Kamer der Staten-Generaal2019-202035213 nr. E

35 213 Wijziging van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten en enkele andere wetten in verband met verdere activering van de participatie van jonggehandicapten en het harmoniseren van de verschillende regimes Wajong

E NADERE MEMORIE VAN ANTWOORD

Ontvangen 19 februari 2020

Inleiding

De regering heeft met belangstelling kennisgenomen van de vragen die de leden van de fractie van de het CDA, GroenLinks, D66, de PvdA, de SP en de ChristenUnie hebben gesteld en de opvattingen die zij hebben over het wetsvoorstel vereenvoudiging Wajong. De regering dankt de leden van de fracties voor hun inbreng.

Hieronder gaat de regering in op de vragen van de genoemde fracties. Hiervoor is de volgorde van het nader voorlopig verslag aangehouden. De vragen zijn genummerd.

Beantwoording vragen fracties

CDA-fractie:

Vraag 1

In de voorbije jaren is er fors bezuinigd op de Wajong en is de toegang tot deze regeling voor vroeg gehandicapten drastisch beperkt, terwijl toch de nodige bestaanszekerheid voor deze groep mensen zo essentieel is. Sinds 2015 is immers de Wajong gesloten voor jonggehandicapten met arbeidsvermogen. Het laten bestaan van de Wajong als inkomensvoorziening op het sociaal minimum van een alleenstaande, zonder een vermogens- en partner inkomenstoets, blijft onaangetast. In plaats van een bezuiniging is er nu een voorgenomen intensivering – in gewone mensentaal verhoging – van de uitgaven voor de Wajong. Is de regering van plan om een publieksvoorlichting over alle misverstanden die er blijkbaar leven zo snel mogelijk op te pakken, zo vragen de leden van de CDA-fractie.

Antwoord 1

De regering is het met de leden van de CDA-fractie eens dat het van groot belang is dat breed ingezet wordt op een goede en duidelijke communicatie voor de Wajongers, bewindvoerders, ouders, verzorgers, werkgevers en stakeholders. De regering is samen met UWV gestart met een communicatietraject over de wijzigingen gericht op de Wajong-doelgroep. Hiermee wordt ook uitvoering gegeven aan de motie Nijkerken-de Haan1 die is aangenomen bij de behandeling van voorliggend wetsvoorstel in de Tweede Kamer. UWV heeft een integrale communicatiestrategie ontwikkeld waarin beschreven staat op welke wijze klanten worden geïnformeerd over de wetswijziging.

Op het moment dat het wetsvoorstel naar de Tweede Kamer is gestuurd en door de Tweede Kamer is aangenomen is er algemene informatie verstrekt via UWV kanalen zoals berichtgeving op uwv.nl, artikelen in UWV Perspectief en op het Wajong Forum van UWV. Daarnaast wordt relevante content op uwv.nl aangepast op het moment dat de maatregelen ingaan. Indien relevant worden specifieke delen van de doelgroep per brief geïnformeerd over de wijzigingen. Ook wordt er een beslisboom ontwikkeld voor Wajongers zodat zij kunnen nagaan of het wetsvoorstel gevolgen voor hen heeft. Voor de geharmoniseerde regeling voor inkomensondersteuning wordt een rekenhulp ontwikkeld zodat een Wajonger kan nagaan wat (meer) werken of studeren betekent voor zijn brutoinkomen. Tevens worden stakeholders/belangenbehartigers geïnformeerd (o.a. door bijeenkomsten). Via het klantcontactcentrum van UWV kunnen telefonische vragen worden beantwoord. Verder is ook publieksinformatie verstrekt via rijksoverheid.nl.

Vraag 2

De bestaande regelingen voor werken met een Wajonguitkering worden geharmoniseerd, waarbij er mogelijk een groep is die er in de toekomst op achteruitgaat. Op grond van de huidige arbeidsinkomsten en arbeidsuren wordt een garantieregeling ingevoerd. Met deze garantieregeling behoudt de Wajonger zijn huidige inkomen, maar komt dit bij werkloosheid en het niet vinden van een baan na een jaar te vervallen. Onderzoek toont aan dat het snel vinden van een baan voor deze groep mensen heel lastig is, ook binnen de door de Tweede Kamer geamendeerde termijn.2

De leden van de CDA-fractie vragen de regering derhalve hierop nog eens te reflecteren en ook nog eens uiteen te zetten waarom er gekozen is voor het stramien van de WIA, respectievelijk Participatiewet, daar waar dit toch een andere doelgroep betreft. De leden van de CDA-fractie wensen het gehanteerde beginsel dat werk inderdaad moet lonen, nog eens te onderstrepen.

Antwoord 2

Het uitgangspunt van de regering is dat voor mensen die niet zelfstandig het minimumloon kunnen verdienen, (meer) werken moet lonen. Op basis hiervan zijn voorgestelde regels voor inkomensondersteuning ontwikkeld. De voorgestelde regels voor inkomensondersteuning zorgen voor een verbetering voor mensen die aan de slag willen gaan en zorgt ervoor dat voor mensen die werken, meer werken gaat lonen. Hieruit blijkt dat de regering het beginsel dat werken moet lonen onderschrijft.

De geharmoniseerde regeling is in de basis gelijk aan de systematiek bij de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA), waarbij 70 procent van het inkomen verrekend wordt met de uitkering. Hiervoor is gekozen vanwege de eenvoud. Deze systematiek sluit aan bij de individuele basisuitkering van 70 procent van het wettelijk minimumloon, waarbij met werken in een functie op het wettelijk minimumloon (WML), Wajongers die fulltime werken een totaalinkomen ontvangen van 100 procent WML. Werkende Wajongers behouden van iedere verdiende euro ten minste 30 cent. Dit stimuleert dat jonggehandicapten hun mogelijkheden tot arbeidsparticipatie volledig proberen te benutten en vergroten. Met de compensatiefactor worden Wajongers die werken met loondispensatie gecompenseerd voor het gedispenseerde loon uit werk. Hiermee ontvangen zij hetzelfde totaalinkomen als Wajongers die werken zonder loondispensatie. De regering heeft er niet voor gekozen om de systematiek van de Participatiewet over te nemen. De Participatiewet betreft, anders dan de Wajong, een netto-uitkering. Het inkomen wordt in de Participatiewet dan ook op een andere wijze verrekend.

Het overgangsregime met het garantiebedrag is ingesteld om te voorkomen dat Wajongers er door inwerkingtreding van het wetsvoorstel, maar bij overig gelijkblijvende omstandigheden, in totaalinkomen op achteruit gaan. Met het amendement Stoffer en Baudet3 is de termijn waarbinnen het garantiebedrag kan herleven uitgebreid van twee maanden naar een jaar. De reden om de termijn waarin het recht op het garantiebedrag kan herleven te beperken en niet verder uit te breiden, is om verschillen tussen Wajongers die wel en Wajongers die geen werk hebben op het moment van inwerkingtreding van de wet te voorkomen. Ook voor reguliere werknemers geldt dat bij verlies van een baan het inkomen daalt (eerst een WW-uitkering en vervolgens afhankelijk van de partnerinkomens- en vermogenstoets bijstand) en er geen zekerheid geboden wordt dat bij een nieuwe baan het salaris ten opzichte van het oude salaris tenminste gelijk is.

Vraag 3

Een onderwerp dat niet besproken is in de schriftelijke voorbereiding is de arbeidskorting waarvoor deze groep werkenden niet in aanmerking komt. De leden van de CDA-fractie vragen de regering hierop te reflecteren en zo deze stelling juist is, hoe een en ander aangepast zou kunnen worden. Kan niet vastgesteld worden dat de inzet tot werken, ook al is het voor een beperkter aantal uren, voor deze groep zwaarder is?

Antwoord 3

Bij de behandeling in de Tweede Kamer van het wetsvoorstel vereenvoudiging Wajong is gevraagd om een berekening met de gevolgen van de arbeidskorting voor een werknemer die zowel inkomen uit werk als inkomen uit een Wajong-uitkering ontvangt en een reguliere werknemer die alleen inkomen uit arbeid ontvangt. De concrete vraag was een bruto en netto vergelijking van het inkomen van een Wajonger met loondispensatie (50 procent loonwaarde) en een reguliere werknemer. Op 4 november 2019 heb ik de Tweede Kamer hierover geïnformeerd4.

De voorbeelden laten zien dat een werknemer die zowel inkomen uit werk als inkomen uit een Wajonguitkering ontvangt meer inkomstenbelasting betaalt dan een reguliere werknemer. Dit verschil wordt grotendeels veroorzaakt door de arbeidskorting en een hoger belastbaar inkomen. De arbeidskorting is namelijk alleen toepasbaar op het inkomen uit arbeid en kent een opbouwtraject richting minimumloon. Ook de premies voor werknemersverzekeringen en pensioen zijn afhankelijk van het inkomen dat verdiend wordt uit werk. Wel heeft de werknemer met een Wajong-uitkering, in tegenstelling tot een reguliere werknemer, recht op jonggehandicaptekorting en een tegemoetkoming voor arbeidsongeschikten.

Of een reguliere werknemer netto meer overhoudt dan een werknemer met Wajong-uitkering hangt in deze voorbeelden af van het aantal uur dat iemand werkt. Bij 40 uur werk per week zorgt het verschil in recht op arbeidskorting ervoor dat een reguliere werknemer netto meer inkomen ontvangt. Hierbij moet worden aangemerkt dat de meeste Wajongers geen fulltimebaan hebben. Bij 20 uur per week heeft de werknemer met een Wajong-uitkering een hoger netto inkomen omdat er recht is op een aanvullende uitkering. Bij een reguliere werknemer bestaat dit recht juist niet. Eventueel kan een reguliere werknemer aanspraak maken op een aanvullende uitkering uit de bijstand, maar hierbij is wel een partner- en vermogenstoets op van toepassing.

Op basis van de voorbeelden wil ik allereerst benadrukken dat de doorwerking van de arbeidskorting los staat van het wetsvoorstel vereenvoudiging Wajong. Op 18 december 2014 heeft mijn ambtsvoorganger over de doorwerking van de arbeidskorting voor Wajongers met loondispensatie reeds een brief aan de Tweede Kamer gestuurd.5 Op basis van de voorbeelden concludeer ik dat Wajongers naar rato van hun inkomen uit arbeid meeprofiteren van de hogere arbeidskorting. Gevolg van de systematiek van loondispensatie is dat mensen die hun inkomen deels uit werk en deels uit uitkering genereren, minder voordeel hebben dan iemand met een volledig looninkomen, maar meer voordeel dan iemand met een volledig uitkeringsinkomen. Dat bij meer werken het verschil met een werknemer die het wettelijk minimumloon verdient groter wordt, is het gevolg van de inzet van het kabinet om werken meer te laten lonen dan inkomensondersteuning in de vorm van een uitkering. Ik sluit me daarom aan bij de conclusie van mijn ambtsvoorganger.

GroenLinks-fractie:

Vraag 4

De leden van de GroenLinks-fractie vragen of het klopt dat het wetsvoorstel een achteruitgang in perspectief betekent voor de groep Wajongers die in het huidige regime het vooruitzicht hebben gebruik te kunnen gaan maken van de voortgezette werkregeling.

Deze leden vragen of het klopt dat er ook een achteruitgang is voor een groep Wajongers in de voortgezette werkregeling die bij wisseling van baan pas na langer dan een jaar een nieuwe functie vinden. Is de regering het met deze leden eens dat deze achteruitgang de arbeidsmobiliteit beperkt? Is de regering het met deze leden eens dat het te eenvoudig is om dit af te doen als de onzekerheid die het wisselen van baan nu eenmaal met zich meebrengt, omdat de achteruitgang aan verdienmogelijkheden niet is gelegen in de mogelijke nieuwe baan, maar in het veranderde wettelijk regime dat in dat geval van toepassing is? Deze leden herhalen in dit perspectief hun vraag waarom de regering ten stelligste ontraadt om voor een langere garantietermijn te kiezen, waarmee dit probleem niet ten principale is opgelost, maar wel aanzienlijk verzacht zou zijn.

Antwoord 4

Het klopt dat het perspectief wijzigt voor Wajongers die nog niet werken in de voortgezette werkregeling en Wajongers die werken in de voortgezette werkregeling. Voor een Wajonger in de (voortgezette) werkregeling in de Wajong2010 gelden na inwerkingtreding van het wetsvoorstel de nieuwe regels voor inkomensondersteuning. Het is afhankelijk van de persoonlijke situatie (mogelijke arbeidsduur, loonwaarde, inkomen) of de geharmoniseerde inkomensregeling qua mogelijk te verwachten inkomensontwikkeling een vooruitgang of achteruitgang oplevert ten opzichte van de instroom in de voortgezette werkregeling in de Wajong2010. De uitkering op basis van de geharmoniseerde regels voor Wajongers die minder dan 20 procent WML verdienen is hoger. Voor Wajongers die meer dan 20 procent WML verdienen is de uitkering op basis van de geharmoniseerde regels lager. De regering acht het wisselen van dit perspectief gerechtvaardigd. In de voortgezette werkregeling is (meer) werken niet lonend. Bij een inkomen van meer dan 20 procent WML wordt een inkomensstijging vanwege uitbreiding van de dienstbetrekking of een stijging van de loonwaarde of contractloon volledig verrekend met de uitkering. Inkomen van minder dan 20 procent WML wordt in de voortgezette werkregeling ook volledig verrekend met de uitkering. Daarbij moet worden aangemerkt dat het verdienen van een inkomen van meer dan 20 procent van het WML niet in alle gevallen is weggelegd voor de 60.000 Wajongers met arbeidsvermogen die nog langs de kant staan. Met de nieuwe regeling voor inkomensondersteuning gaan zij, in tegenstelling tot de huidige situatie, erop vooruit als zij gaan werken.

Een Wajonger in de voortgezette werkregeling in de Wajong2010 komt in aanmerking voor een garantiebedrag als hij of zij op het moment van inwerkingtreding van het wetsvoorstel werkt. In zowel de huidige regelingen voor inkomensondersteuning als de voorgestelde regeling voor inkomensondersteuning valt een Wajonger met arbeidsvermogen bij baanverlies, na een periode waarbij een eventuele WW-uitkering wordt verrekend als inkomen, terug op de basisuitkering van 70 procent WML. Als het niet lukt om binnen twaalf maanden na einde WW opnieuw aan de slag te gaan, maar op een later tijdstip wel, dan gelden de nieuwe regels voor inkomensondersteuning. De regering is geen voorstander van uitbreiding van deze termijn, omdat daarmee de verschillen in rechten tussen de mensen die op het moment van inwerkingtreding wel werken en diegene die op een later moment gaan werken te groot worden. Specifiek voor Wajongers die zelfstandig van baan wisselen geldt dat zij net als overige werknemers een keuze moeten maken in hoeverre zij bij acceptatie van een nieuwe baan onzekerheid accepteren.

Vraag 5

Eén van de dragende uitgangspunten onder de voorgestelde herziening is dat werken moet lonen. De leden van de GroenLinks-fractie onderschrijven dit standpunt, maar zien tevens dat voor sommige groepen in het nieuwe regime werken minder zal lonen dan in het huidige regime. Klopt deze constatering en hoe rijmt de regering dat met het uitgangspunt van de harmonisering?

Antwoord 5

De verschillen in het totale inkomen tussen de huidige inkomensregelingen en de geharmoniseerde regeling zijn sterk afhankelijk van de regeling waar een Wajonger onder valt. De uitkeringssystematiek van de Wajong2010 is bijvoorbeeld alleen voor mensen die werken zonder loondispensatie met een inkomen uit arbeid tussen 50 procent WML en 100 procent WML lonender dan de geharmoniseerde inkomensregeling. De voortgezette werkregeling is ten opzichte van de geharmoniseerde inkomensregeling lonender voor Wajongers met een inkomen uit arbeid tussen 20 procent WML en 100 procent WML, maar wanneer het inkomen stijgt wordt deze stijging volledig verrekend met de uitkering. Ook hierbij geldt dat als de Wajonger op het moment van inwerkingtreding werkt, het garantiebedrag van toepassing is als de inkomensondersteuning op basis van de nieuwe regels lager is dan op basis van de huidige regels. De Wajonger blijft aanspraak maken op het garantiebedrag als hij of zij blijft werken in dezelfde baan met hetzelfde aantal uren of meer uren. Ook als de Wajonger wisselt van baan en de tussenliggende periode minder dan twaalf maanden is, blijft hij aanspraak maken op het garantiebedrag op het moment dat hij of zij weer aan het werk gaat en de uitkering onder de nieuwe regels lager is dan het garantiebedrag.

Het uitgangspunt van de regering is dat voor mensen die niet zelfstandig het minimumloon kunnen verdienen, (meer) werken moet lonen. Op basis hiervan zijn voorgestelde regels voor inkomensondersteuning ontwikkeld vanuit de verantwoordelijkheid voor de hele groep, ook de Wajongers die nog aan de kant staan. Afhankelijk van de persoonlijke kansen en mogelijkheden zal voor sommige Wajongers de mogelijk te verwachten inkomensontwikkeling wijzigen in een perspectief op een lager totaalinkomen en voor andere Wajongers in een perspectief op een hoger inkomen. Dit is het gevolg van het aanbrengen van een wijziging in de stapeling van regelingen uit het verleden. Een stapeling die ertoe heeft geleid dat regelingen voor sommige Wajongers gunstig uitpakken en voor anderen Wajongers juist niet.

Vraag 6

Klopt het dat toepassing van de door de belangenorganisaties aangedragen zogenaamde «alternatieve formule» de problemen van vermindering aan perspectief voor de groep mensen met een medische urenbeperking op zou lossen? De aan het woord zijnde leden begrijpen dat dit iets van de uitvoering vraagt. De regering wijst er ook op dat dit vraagt om een uitbreiding van de polis administratie. Tegelijkertijd weten wij dat de aanname van het amendement-Renkema/Gijs van Dijk6 – dat bij overname van de alternatieve formule overigens niet meer nodig zou zijn – ook een aanmerkelijke extra complexiteit voor het UWV met zich meebrengt in de uitvoering. Tegen deze achtergrond vragen de aan het woord zijnde leden de regering nogmaals indringend te overwegen de alternatieve formule in te voeren, waarmee in de ogen van deze leden de – ook door deze leden onderschreven – voordelen van de beoogde harmonisatie behaald kunnen worden zonder de nadelen die maatschappelijk tot veel beroering leiden.

Antwoord 6

Het voorstel van de LCR, FNV en CNV zorgt ervoor dat alle Wajongers die werken en een inkomen van minimaal 20 procent WML verdienen, ten minste uitkomen op het wettelijk minimumloon op maandbasis, ongeacht het aantal uren dat zij werken. Daarbovenop ontvangen zij, geïnspireerd door het amendement Renkema/Gijs van Dijk, een aanvulling tot functieloon voor de gewerkte uren. Amendement Renkema/Gijs van Dijk zou dan niet meer nodig zijn. De alternatieve formule is daarmee uitgebreider dan de huidige voortgezette werkregeling en komt daarmee tegemoet aan de bezwaren rond het vervangen van deze regeling in de Wajong2010. De alternatieve formule is echter niet in lijn met het beoogde doel van het wetsvoorstel dat mensen er in alle gevallen op vooruit moeten gaan als ze (meer) gaan werken. De uitkering in de Wajong, maar ook in de Participatiewet, gaat uit van het sociaal minimum als het minimale bedrag dat iemand nodig heeft om in de kosten voor levensonderhoud te kunnen voorzien. Het voorliggende wetsvoorstel beoogt binnen dit stelsel verbeteringen door te voeren waardoor (meer) werken gaat lonen en Wajongers meer zekerheid krijgen om terug te vallen op de uitkering. Het voorstel van de partijen is overigens niet in alle gevallen lonender dan het huidige Wajong regime. Met name voor oWajongers is de huidige regeling in sommige gevallen lonender dan het voorgestelde alternatief.

In plaats van de alternatieve formule kiest de regering voor een geharmoniseerde regeling voor inkomensondersteuning die ervoor zorgt dat het totaalinkomen van mensen die vanuit de Wajong gaan werken hoger uitkomt dan het voor hen geldende sociaal minimum (70 procent WML). Wanneer zij gaan werken neemt dit totaalinkomen verder toe. De geharmoniseerde regeling voor inkomensondersteuning zorgt ervoor dat, ook voor mensen met een medische urenbeperking, sprake is van een toename van het totaalinkomen als zij meer gaan werken.

Vraag 7

De Raad van State besteedt in haar advisering aandacht aan de samenhang, respectievelijk het verschil in regime, dat ook na aanvaarding en inwerkingtreding van dit wetsontwerp bestaat tussen de Wajong, de Participatiewet en de WIA. Vanuit het uitgangspunt dat in vergelijkbare situaties vergelijkbaar gehandeld zou moeten worden, vragen de leden van de GroenLinks-fractie zich af waarom de regering nu doorzet op een harmonisatie in het beperkte bereik van de Wajong en niet kiest voor een bredere benadering waarover we ook op afzienbare termijn komen te spreken. Wordt hiermee niet gekozen voor op zijn best een suboptimale oplossing?

Antwoord 7

De regering onderschrijft de stelling van de Afdeling advisering van de Raad van State om de regels in soortgelijke omstandigheden te harmoniseren en ziet in dat een bredere harmonisatie mogelijk kan bijdragen aan de uitvoerbaarheid en uitlegbaarheid van de regels. De verschillen in behandeling van mensen in soortgelijke omstandigheden in bijvoorbeeld de Participatiewet en de verschillende regelingen in de Wajong zijn echter ontstaan door het respecteren van bestaande rechten bij beleidswijzigingen. Daarnaast speelt bij de verschillen in verrekening van het inkomen het verschil in karakter tussen de Wajong en de Participatiewet een rol. De regering hecht er waarde aan om bestaande rechten te respecteren en om recht te doen aan de verschillen in karakter tussen de Wajong en de Participatiewet. Daarbinnen zoekt de regering naar mogelijkheden om de regelingen te harmoniseren. Zo heb ik samen met alle betrokken partijen verkend of het mogelijk is om het instrument loondispensatie in te voeren in de Participatiewet. Uit mijn verkenning is gekomen dat het niet lukte om loondispensatie in de Participatiewet in te voeren zonder een verzwaring van de administratieve lasten voor werkgevers en gemeenten. Daarmee zou het beoogde effect, meer mensen aan het werk door een eenvoudigere regeling, niet worden bereikt. Het harmoniseren van de regelingen is geen doel op zich. De regering kiest ervoor om het doel – mensen met een beperking aan het werk helpen – centraal te stellen. Kern van de voorgestelde maatregelen voor de Wajong is om belemmeringen voor mensen met een arbeidsbeperking om te participeren weg te nemen en te bevorderen dat zij kunnen deelnemen aan de maatschappij. Ook is hierbij aandacht voor bestaande rechten. Het harmoniseren van regelingen kan ook tot meer complexiteit leiden omdat overgangsrecht onderdeel zal zijn van de benodigde wijzigingen in wet- en regelgeving.

Vraag 8

Tot slot verbaast het de leden van de GroenLinks-fractie dat de regering ook bij nader aandringen niet bereid is geweest het wetsvoorstel ter toetsing voor te leggen aan het College voor de Rechten van de Mens. Is de regering met ons van mening dat, juist nu maatschappelijk de vraag wordt gesteld of het wetsvoorstel zich wel verdraagt met het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap, een dergelijke toetsing een belangrijke bouwsteen in de onderbouwing, respectievelijk een belangrijk argument ter heroverweging van het wetsvoorstel zou kunnen zijn?

Antwoord 8

In de voorbereidende fase van een wetsvoorstel wordt allereerst door het verantwoordelijke ministerie zelf getoetst of het wetsvoorstel in lijn is met internationale verdragen. In de beleidsvoorbereidende fase is door het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport bijvoorbeeld aandacht besteed aan de vraag of het wetsvoorstel vereenvoudiging Wajong in lijn is met het VN-verdrag inzake personen met een handicap. Daarnaast is het wetsvoorstel in het kader van de wetgevingsprocedure door de Raad van State als adviesorgaan van de regering beoordeeld op conformiteit met de Grondwet en internationaal recht. De Raad van State heeft op dit punt geen opmerkingen gemaakt. De regering is van mening dat, gelet hierop, een verzoek aan het College voor de Rechten van de Mens om het wetsvoorstel te toetsen aan het VN-verdrag inzake personen met een handicap, niet nodig is. De regering heeft vernomen dat het College voor de Rechten van de Mens werkt aan een advies over de bijdrage van verschillende regelingen aan de positie van mensen met een arbeidsbeperking op de arbeidsmarkt en de verhouding met het VN-verdrag inzake mensen met een handicap. Het gaat daarmee niet specifiek om een wetgevingsadvies omtrent het wetsvoorstel vereenvoudiging Wajong. De regering zal het advies te zijner tijd op zijn merites beoordelen.

D66-fractie:

Vraag 9

De leden van de D66-fractie lezen in diverse antwoorden van de regering dat wordt verwezen naar een garantiebedrag en een overgangsregime ter compensatie van inkomstenachteruitgang door deze nieuwe wetgeving. Kan de regering uiteenzetten wanneer een Wajonger in de nieuwe regeling in aanmerking komt voor dit garantiebedrag en het overgangsregime? Wanneer stopt dit garantiebedrag? En wie kan hier nooit voor in aanmerking komen?

Antwoord 9

Voor alle Wajongers die op het moment van inwerkingtreding werken, vergelijkt UWV de oude uitkering met de uitkering op basis van de nieuwe regels. Als de uitkering op basis van de nieuwe regels lager uit zou komen dan de oude uitkering, krijgt de Wajonger een garantiebedrag. Bijvoorbeeld als iemand nu een uitkering op basis van de AO-klasse 80/100 in de oWajong heeft of in de voortgezette werkregeling zit.

De Wajonger blijft aanspraak maken op het garantiebedrag als hij of zij blijft werken in dezelfde baan met hetzelfde aantal uren of meer uren. Ook als de Wajonger wisselt van baan en de tussenliggende periode minder dan twaalf maanden is, blijft hij of zij aanspraak maken op het garantiebedrag op het moment dat hij of zij weer aan het werk gaat en de uitkering onder de nieuwe regels lager is dan het garantiebedrag. Als de Wajonger zijn baan verliest, dan valt hij of zij net als in de huidige situatie na een periode waarbij het inkomen uit WW-uitkering wordt verrekend, terug op de basisuitkering van 70 procent van het wettelijk minimumloon. Deze inkomensachteruitgang wordt veroorzaakt door het verlies van werk. De termijn waarbinnen het garantiebedrag kan herleven bij aanvang van een nieuwe dienstbetrekking is afhankelijk van de hoogte van de WW-uitkering. Als de uitkering op basis van de nieuwe regels met een lager inkomen vanwege WW hoger wordt dan het garantiebedrag, vervalt na een jaar het recht op herleven van dit garantiebedrag. Als de uitkering op basis van de nieuwe regels echter lager blijft dan het garantiebedrag, blijft de uitkering ter hoogte van dit garantiebedrag. Als het vervolgens niet lukt om binnen twaalf maanden na einde WW opnieuw aan de slag te gaan, maar op een later tijdstip wel, dan gelden de nieuwe regels voor inkomensondersteuning. Het recht op het garantiebedrag herleeft dan niet meer. In hoeverre iemand beter of slechter af is, blijft afhankelijk van de nieuwe dienstbetrekking en het bijbehorende functieloon.

Als de uitkering op basis van de nieuwe regels hoger uitkomt dan de oude uitkering, dan krijgt de Wajonger niet te maken met het garantiebedrag. Voor Wajongers die na inwerkingtreding van het wetsvoorstel aan de slag gaan en daarvoor niet werkten, gelden de nieuwe regels voor inkomensondersteuning. Ook zij krijgen niet te maken met het garantiebedrag.

Vraag 10

De leden van D66 lezen in de memorie van antwoord7 dat een van de meest voorkomende redenen van uitstroom uit de Wajong in 2017 detentie is. In de beantwoording staat dat dit 23% van de gevallen betreft, wat overeenkomt met ca. 1.403 personen. Zou de regering hier nog nadere toelichting op kunnen geven? Om wie gaat het precies en welke vormen van detentie betreft het? Is er bijvoorbeeld een bijzondere reden waardoor dit percentage zo hoog ligt?

Antwoord 10

Het klopt dat detentie de meest voorkomende reden van (tijdelijke) uitstroom uit de Wajong is. Dit betekent niet dat een groot deel van alle Wajongers te maken krijgt met detentie. Wanneer je het aantal Wajongers dat in 2017 vanwege detentie uitstroomt afzet tegen de gehele Wajongpopulatie betreft dit circa 0,5 procent van alle Wajongers. Het gaat daarbij om vrijheidsontneming door de rechter waardoor geen recht meer bestaat op de Wajonguitkering. De vorm van detentie wordt niet door UWV geregistreerd bij het beëindigen van de uitkering. Uitstroom uit de Wajong wegens detentie komt relatief vaak voor. Onderzoeken laten zien dat een groot deel van de Wajongers beperkingen heeft, die een verhoogd risico kunnen vormen voor delinquent gedrag. Het gaat bijvoorbeeld om een laag IQ, een beperkte sociaal-emotionele ontwikkeling, impulsief gedrag en een laag zelfbeeld8.

Vraag 11

De leden van D66 stellen het op prijs dat de regering aandacht heeft voor het belang van goede en heldere communicatie over de nieuwe situatie voor Wajongers indien deze wet wordt aangenomen.

Kan de regering nu al een indicatie geven wie de regie krijgt op deze communicatie zodat er uniforme informatie bij Wajongers terecht komt?

Antwoord 11

De regering is samen met UWV gestart met een communicatietraject over de wijzigingen gericht op de Wajong-doelgroep. Hiermee wordt ook uitvoering gegeven aan de motie Nijkerken-de Haan die is aangenomen bij de behandeling van voorliggend wetsvoorstel in de Tweede Kamer. UWV heeft een integrale communicatiestrategie ontwikkeld waarin beschreven staat op welke wijze klanten worden geïnformeerd over de wetswijziging.

Op het moment dat het wetsvoorstel naar de Tweede Kamer is gestuurd en door de Tweede Kamer is aangenomen is er algemene informatie verstrekt via UWV kanalen zoals berichtgeving op uwv.nl, artikelen in UWV Perspectief en op het Wajong Forum van UWV. Daarnaast wordt relevante content op uwv.nl aangepast op het moment dat de maatregelen ingaan. Indien relevant worden specifieke delen van de doelgroep per brief geïnformeerd over de wijzigingen. Ook wordt er een beslisboom ontwikkeld voor Wajongers zodat zij kunnen nagaan of het wetsvoorstel gevolgen voor hen heeft. Voor de geharmoniseerde regeling voor inkomensondersteuning wordt een rekenhulp ontwikkeld zodat een Wajonger kan nagaan wat (meer) werken of studeren betekent voor zijn brutoinkomen. Tevens worden stakeholders/belangenbehartigers geïnformeerd (o.a. door bijeenkomsten). Via het klantcontactcentrum van UWV kunnen telefonische vragen worden beantwoord. Verder is ook publieksinformatie verstrekt via rijksoverheid.nl. Vanwege het belang van zorgvuldige communicatie wordt een deel van de nieuwe communicatieproducten bij de doelgroep getoetst door deze voor te leggen aan het klantpanel en aan de cliëntenraad van UWV.

UWV is verantwoordelijk voor de communicatie richting individuele Wajongers. Hierbij moet worden aangemerkt dat Wajongers op individueel niveau pas geïnformeerd kunnen worden over de gevolgen van het wetsvoorstel voor hun persoonlijke situatie in de aanloop naar inwerkingtreding van het wetsvoorstel.

PvdA-fractie:

Vraag 12

De regering laat in de memorie van antwoord weten dat zij het niet eens is met het uitgangspunt van LCR, FNV en CNV dat het wettelijk minimumloon op maandbasis (100 procent WML) noodzakelijk is om volwaardig deel te kunnen nemen aan de samenleving.9 Deelt de regering met de leden van de PvdA-fractie het volgende uitgangspunt: iedereen die naar vermogen werkt, dient tenminste het wettelijk minimumloon (WML) te verdienen. Zo nee, waarom niet?

Uitkeringen in onze sociale zekerheidsstelsel gaan immers uit van een lager minimaal bedrag dat iemand nodig heeft om in de kosten voor levensonderhoud te kunnen voorzien. Wajongers zijn echter een specifiek geval: in tegenstelling tot uitkeringsgerechtigden die werkloos zijn, werken zij wel, maar zullen zij door hun beperking niet (of een stuk minder goed) in staat zijn om volledig te werken en dus zelfstandig het minimum maandloon te verdienen. Hiermee staan ze op een ruime achterstand tegenover mensen zonder beperking. Is de regering het met de leden van de PvdA-fractie eens dat het wettelijk minimumloon dient te gelden voor eenieder die werkt, en dus ook voor Wajongers? Acht de regering het wenselijk om mensen die buiten hun schuld om nooit zelfstandig een volledige baan aankunnen maar wel gewoon hard werken, niet gecompenseerd worden totdat zij het wettelijk minimumloon verdienen? Zo ja, waarom?

Antwoord 12

De regering is het met de leden van de PvdA-fractie eens dat ook voor Wajongers die werken het wettelijk minimumloon van toepassing moet zijn. Voor de uren die zij werken ontvangen werkende Wajongers per gewerkt uur meer totaal inkomen dan het wettelijk minimumloon. Door de systematiek van de Wajong is het totaal inkomen (inkomen uit arbeid en inkomensondersteuning) voor iemand met een medische urenbeperking die vanuit de Wajong werkt namelijk hoger dan het wettelijk minimumloon voor het aantal gewerkte uren. De geharmoniseerde regeling voor inkomensondersteuning zorgt ervoor dat, ook voor mensen met een medische urenbeperking, altijd sprake is van een toename van het totaalinkomen als zij (meer) gaan werken. Dit is ongeacht of iemand met of zonder loondispensatie werkt. De regering vindt het van belang om hierbij te benadrukken dat de Wajong een sociale voorziening is in de vorm van een individuele uitkering voor jonggehandicapten met een uitkering op het niveau van het sociaal minimum voor een alleenstaande (70 procent WML), zonder een vermogens- en partnerinkomenstoets (die de Participatiewet wel kent). De in het wetsvoorstel voorgestelde formule zorgt ervoor dat het totaalinkomen van mensen die vanuit de Wajong gaan werken hoger uitkomt dan het voor hen geldende sociaal minimum (70 procent WML).

Vraag 13

De regering besteedt veel aandacht aan het principe dat meer werken moet lonen. Graag vragen de aan het woord zijnde leden aandacht voor de volgende vier artikelen:

  • Robins, Philip K. «A comparison of the labor supply findings from the four negative income tax experiments.» Journal of human Resources (1985): 567–582.

  • Akee, Randall KQ, et al. «Parents» incomes and children's outcomes: a quasi-experiment using transfer payments from casino profits.» American Economic Journal: Applied Economics 2.1 (2010): 86–115.

  • Martinez, Isabel Z., Emmanuel Saez, and Michael Siegenthaler. Intertemporal labor supply substitution? Evidence from the swiss income tax holidays. No. w24634. National Bureau of Economic Research, 2018.

  • Jones, Damon, and Ioana Marinescu. The labor market impacts of universal and permanent cash transfers: Evidence from the Alaska Permanent Fund. No. w24312. National Bureau of Economic Research, 2018.

Welke lessen trekt de regering uit deze artikelen waar het gaat om het effect van financiële prikkels bij het aanbieden van arbeid? En welke lessen volgen hieruit voor het voorliggende wetsvoorstel? De aan het woord zijnde leden vragen hierbij graag om een empirische, wetenschappelijke onderbouwing.

Antwoord 13

In de vier genoemde artikelen wordt ingegaan op de effecten van verschillende (typen) financiële prikkels op het arbeidsmarktgedrag. Daaronder experimenten met negatieve inkomstenbelasting in de VS in de jaren 70 en 80, en veranderingen in de inkomstenbelasting in Zwitserland. Deze artikelen passen binnen een lange en omvattende sociaaleconomische literatuur op dit punt. De literatuur geeft in zijn algemeenheid aan dat financiële prikkels effect kunnen hebben op het aanbod van arbeid maar dat de exacte maat van die effecten afhankelijk is van het type financiële prikkel en de institutionele, economische en sociale omstandigheden in een bepaald land. Naast financiële prikkels spelen ook andere factoren een rol die de beslissing om te gaan werken beïnvloeden. Zo speelt de intrinsieke motivatie om te participeren en op deze manier deel te nemen aan de maatschappij uiteraard ook een belangrijke rol. Werken heeft ook positieve effecten op bijvoorbeeld gezondheid. Maar dat wil niet zeggen dat de financiële prikkel helemaal geen rol speelt. Ongeacht de prikkelwerking, vind ik het belangrijk dat mensen die meer willen gaan werken dat ook merken in financiële zin.

Vraag 14

In het antwoord op vraag 27 van de leden van de PvdA-fractie over het niet toetsen van de wet door het College van de Rechten van de Mens stelt de regering dat het College voor de Rechten van de Mens momenteel werkt aan een advies over de bijdrage van verschillende regelingen aan de positie van mensen met een arbeidsbeperking op de arbeidsmarkt en de verhouding met het VN-verdrag inzake mensen met een handicap. Het gaat hierbij niet specifiek om dit wetsvoorstel, maar er mag van uitgegaan worden dat dit ook wordt meegenomen in dit onderzoek. Wanneer mogen deze leden dit advies van het College van de Rechten van de Mens verwachten? Is de regering het met deze leden eens dat het wenselijk is om op dit advies te wachten? Zo nee, waarom niet? Als uit het advies blijkt dat het voorliggende wetsvoorstel niet in goede verhouding staat met het VN-verdrag, kunnen er dan van de regering concrete maatregelen en aanpassingen verwacht worden?

Antwoord 14

Als het advies van het College voor de Rechten van de Mens gepubliceerd is, zal dit ook beschikbaar zijn voor de leden van de PvdA-fractie. Het moment waarop het advies wordt gepubliceerd is aan het College voor de Rechten van de Mens. Als het advies bekend is, zal de regering het advies op zijn merites beoordelen. De regering is niet voornemens om op het advies te wachten. De maatregelen in het wetsvoorstel zijn erop gericht een inclusieve arbeidsmarkt dichterbij te brengen en de arbeidsmarktkansen van mensen met een beperking te versterken. De regering stelt, waar nodig, een overgangsregime voor om bestaande rechten te respecteren. Het wetsvoorstel heeft de gebruikelijke consultatie en toetsen doorlopen en de ontvangen commentaren en adviezen zijn verwerkt. De Raad van State toetst als adviesorgaan van de regering of het wetsvoorstel verenigbaar is met de Grondwet en internationaal recht. De Raad van State heeft op dit punt geen opmerkingen gemaakt.

Vraag 15

Op vraag 30 van de leden van PvdA-fractie over het zicht krijgen op de aantallen die geraakt worden door het voorliggende wetsvoorstel antwoordt de regering dat niet alle benodigde gegevens op centraal niveau beschikbaar zijn, en daarom dus geen concreet antwoord kan worden geven. Als de regering geen goed beeld heeft bij het aantal gedupeerden van het voorliggende wetsvoorstel, hoe kan zij deze dan met volle overtuiging indienen? Graag vragen de aan het woord zijnde leden de regering om de gegevens op decentraal niveau te verzamelen teneinde op centraal niveau zicht te krijgen op de aantallen die geraakt worden door het voorliggende wetsvoorstel. Naast absolute aantallen ontvangen deze leden zoals gevraagd in het voorlopig verslag graag de percentages alsmede de maximale bedragen waarmee elke groep erop achteruit kan gaan. En daarbij vragen de aan het woord zijnde leden graag van de regering waarop zij de budgetten baseert die behoren bij het wetsvoorstel als zij geen zicht heeft op alle benodigde gegevens op centraal niveau.

Antwoord 15

Zoals ik ook heb aangegeven in mijn beantwoording van vraag 30 in de memorie van antwoord kan ik op basis van de bestaande centraal geregistreerde informatie niet aangeven hoeveel van de huidige werkenden aanspraak zouden maken op een garantiebedrag. Voor alle mensen die in aanmerking komen voor een garantiebedrag geldt dat zij bij baanverlies, na een periode waarbij een eventuele WW-uitkering wordt verrekend als inkomen en het vervolgens niet lukt om binnen twaalf maanden opnieuw aan de slag te gaan, de nieuwe regels voor inkomensondersteuning gaan gelden. In hoeverre het totaalinkomen bij aanvaarden van nieuw werk hoger of lager is dan het totaalinkomen dat zij hadden voor baanverlies (loon + garantiebedrag) is sterk afhankelijk van de loonwaarde, arbeidsduur en functieloon in de nieuwe dienstbetrekking. Het is daarom niet mogelijk een uitspraak te doen over de maximale bedragen waarin de inkomens na werkaanvaarding verschillen met de huidige totaalinkomens.

De centrale registraties geven ook geen inzicht in het aantal mensen met een verhoogde maatman of Bremanaanvulling. Het maximale effect van vervallen van het effect van een verhoogd maatman in de oWajong en het vervallen van de Bremanregeling en voortgezette werkregeling heb ik in mijn antwoord op vraag 28 in de memorie van antwoord gegeven.

Een deel van de benodigde gegevens voor beantwoording van deze vraag (onder andere het maatmaninkomen en functieloon van werknemers) zijn gegeven de met dit wetsvoorstel voorgestelde inkomensregeling niet nodig om op te nemen in een centrale database. De regering is daarom niet voornemens om deze gegevens uit de dossiers van circa 120.000 Wajongers (van wie 63.000 werkend) decentraal uit te vragen. Bij het opstellen van de budgetten wordt gebruik gemaakt van geaggregeerde gegevens over het gemiddelde inkomen van Wajongers. Hierdoor is het mogelijk om een inschatting te maken van een totaal benodigd budget, maar kan dan niets worden gezegd van het effect op individueel niveau.

Vraag 16

De groep die van dit wetsvoorstel lijkt te profiteren is de groep oWajong voor wie de Maatmanwissel niet van toepassing is. Maar deze groep gaat er wel degelijk op achteruit aangezien zij allemaal nu nog kunnen overstappen naar de nWajong en alsdan terecht kunnen komen in de voortgezette werkregeling die hun inkomen aanvult tot het WML. Kan de regering dit bevestigen? Onderschrijft de regering vervolgens de stelling dat de overgrote meerderheid van de groep oWajong geen voordeel heeft van de voorgestelde harmonisering als zij nog voor 2021 overstappen naar de nWajong?

De groep in de nWajong die nu werkt maar voor een periode korter dan zeven jaar, profiteert niet van dit wetsvoorstel. Hen wordt het perspectief op WML ontnomen. Immers, in de nWajong kom je na zeven jaar in aanmerking voor de voortgezette regeling. Kan de regering dit bevestigen?

Antwoord 16

Mensen in de oWajong kunnen voordat het wetsvoorstel inwerking treedt overstappen naar de Wajong2010 en daarmee in aanmerking komen voor de voortgezette werkregeling in de Wajong2010. Het is afhankelijk van de persoonlijke situatie (mogelijke arbeidsduur, loonwaarde, inkomen) of de geharmoniseerde inkomensregeling qua mogelijk te verwachten inkomensontwikkeling een vooruitgang of achteruitgang oplevert ten opzichte van de instroom in de voortgezette werkregeling in de Wajong2010.

Naast zeven jaar arbeidsondersteuning te hebben ontvangen moet een Wajongers in de werkregeling ook 27 jaar of ouder zijn om in aanmerking te komen voor de voortgezette werkregeling. Voor een Wajonger in de werkregeling in de Wajong2010 gelden na inwerkingtreding van het wetsvoorstel de nieuwe regels voor inkomensondersteuning. Het is afhankelijk van de persoonlijke situatie (mogelijke arbeidsduur, loonwaarde, inkomen) of de geharmoniseerde inkomensregeling qua mogelijk te verwachten inkomensontwikkeling een vooruitgang of achteruitgang oplevert ten opzichte van de instroom in de voortgezette werkregeling in de Wajong2010. Als er sprake is van een inkomen van meer dan 20 procent van het WML, wordt het inkomen niet langer aangevuld tot 100 procent van het WML ongeacht het aantal uur dat iemand werkt. Als er sprake is van een inkomen van minder dan 20 procent van het WML gaat de Wajonger er met de nieuwe regeling voor inkomensondersteuning, in tegenstelling tot de huidige situatie, erop vooruit als hij of zij gaat werken.

Vraag 17

Op vraag 33 van de leden van de leden van de PvdA-fractie over het afschaffen van de voortgezette werkregeling uit de Wajong2010 voor mensen met een (medische) urenbeperking die daardoor nooit het minimumloon zullen verdienen antwoordt de regering dat dit niet klopt, want ook voor Wajongers met een urenbeperking loont meer werken en hierbij is het wettelijk minimumloon niet het maximum. Dat roept bij deze leden de volgende vragen op. Beseft de regering dat het voor mensen met een (medische) urenbeperking zeer lastig (of zelfs onmogelijk) is om meer te gaan werken? En hoe luidt het antwoord op de eerder gestelde vraag uit het voorlopig verslag voor mensen voor wie het vanwege een (medische) urenbeperking onmogelijk is om meer te gaan werken?

Antwoord 17

De regering realiseert zich dat het voor mensen met een (medische) uren beperking zeer lastig kan zijn om meer te gaan werken. In de memorie van antwoord heeft de regering dit punt ook benoemd. Voor mensen die niet fulltime kunnen werken zal, net als nu, een maandinkomen boven het wettelijk minimumloon vaak niet haalbaar zijn. De geharmoniseerde inkomensregeling van de Wajong leidt voor werkende Wajongers altijd tot een totaal inkomen (inkomen uit arbeid en inkomensondersteuning) hoger dan het wettelijk minimumloon voor het aantal gewerkte uren.

Vraag 18

Het kabinet vindt dat gelijk werk gelijk moet worden beloond. Dat is het geval voor mensen die met een lagere loonwaarde werken omdat zij als gevolg van het amendement-Renkema / Gijs van Dijk inkomensondersteuning krijgen die hun loon/salaris aanvult tot het voor hen geldende functieloon. Voor mensen met een urenbeperking geldt dit evenwel niet. Bij hen wordt het lagere inkomen als gevolg van het niet volledig kunnen werken niet volledig gecompenseerd. Waarom kiest de regering ervoor om mensen met een urenbeperking geen aanvulling van hun gedwongen deeltijd inkomen tot het functieloon te geven?

Antwoord 18

Vanuit het principe gelijk loon voor gelijk werk ontvangen ook Wajongers die werken met een urenbeperking met het amendement Renkema/Gijs van Dijk een totaalinkomen dat tenminste gelijk is aan het geldende functieloon behorende bij het dienstverband. De regering kiest er niet voor om Wajongers met een urenbeperking een aanvulling te bieden tot het functieloon voor de niet gewerkte uren. Deze aanvulling past ook niet bij het karakter van de Wajong, als een sociale voorziening op minimumniveau. De Wajong biedt jonggehandicapten met een medisch urenbeperking een individuele basisuitkering op het sociale minimum en bij inkomen uit arbeid een aanvulling op dit inkomen, waarbij (meer) werken lonend is.

Vraag 19

Het voorliggende wetsvoorstel leidt ertoe dat – als gevolg van de motie-Renkema / Gijs van Dijk – mensen met een loonwaarde van 60% die fulltime werken met een functieloon van 130%, het voor hen geldende functieloon van 130% ontvangen (som van loon/salaris + inkomensondersteuning). Zij krijgen een volledige compensatie voor hun inkomensverlies als gevolg van hun beperking. Voor mensen met een urenbeperking die 60% kunnen werken met een volledige loonwaarde en een functieloon van 130% geldt dat niet. Mensen met een urenbeperking die niet in staat zijn het WML per maand te verdienen krijgen een inkomensaanvulling. Echter, de som van het loon/salaris plus inkomensaanvulling zal in deze situatie altijd lager zijn dan het voor hen geldende functieloon per maand. Zij ontvangen loon/salaris van 78% en een inkomensondersteuning van 39% WML. Totaal inkomen 117% WML. Kan de regering dit bevestigen?

Antwoord 19

Het loon van deze persoon bedraagt 60% * 130% WML = 78% WML.

De inkomensondersteuning voor deze persoon bedraagt 0,7 * (grondslag – inkomen) = 0,7 * (100% WML – 78% WML) = 15,4% WML

Het totale inkomen bedraagt 78% WML + 15,4% WML = 93,4% WML.

De uitkering in de Wajong gaat uit van het sociaal minimum als het minimale bedrag dat iemand nodig heeft om in de kosten voor levensonderhoud te kunnen voorzien. De regering kiest voor een geharmoniseerde regeling voor inkomensondersteuning die ervoor zorgt dat het totaalinkomen van mensen die vanuit de Wajong gaan werken hoger uitkomt dan het voor hen geldende sociaal minimum (70 procent WML). Door de systematiek van de Wajong is het totaal inkomen (inkomen uit arbeid en inkomensondersteuning) voor iemand die vanuit de Wajong met een medische urenbeperking werkt hoger dan het wettelijk minimumloon voor het aantal gewerkte uren.

Vraag 20

Als mensen met een urenbeperking in deeltijd niet in staat zijn het sociaal minimum te verdienen dan krijgen zij een aanvulling uit de bijstand met een vrijlating waardoor zij maximaal 85% WML per maand ontvangen. Graag vragen de aan het woord zijnde leden hoe dit zich verhoudt tot het inkomen van jonggehandicapten die fulltime kunnen werken onder het regime van de Participatiewet.

Antwoord 20

Mensen met een urenbeperking kunnen een beroep op aanvullende bijstand doen indien en voor zover zij een inkomen hebben dat beneden het niveau van het voor hun situatie toepasselijke sociaal minimum ligt. Dat geldt óók voor mensen die geen urenbeperking maar alléén een verminderde loonwaarde hebben en met loonkostensubsidie werkzaam zijn. Mensen met een urenbeperking hebben, voor zover zij niet in staat zijn het sociaal minimum te verdienen, recht op een structurele vrijlating van 15 procent van de inkomsten uit arbeid tot een bedrag van maximaal € 136,26 per maand (norm per 1-1-2020). Op dit moment is er echter géén specifieke vrijlatingsregeling van arbeidsinkomsten voor mensen die in deeltijd met loonkostensubsidie kunnen werken, maar daarmee (nog) onder het sociaal minimum blijven. Voor hen loont werken dus nog niet. Met het wetsvoorstel «breed offensief» wil de regering daarin verandering brengen, en wel door ook een specifieke in beginsel tijdelijke inkomstenvrijlating voor deze groep te introduceren. Die vrijlating is ook 15 procent van de arbeidsinkomsten met als maximum € 136,26 per maand en levert voor mensen met een beperking een financieel voordeel op. Dit zijn naar de mening van de regering adequate instrumenten die passen binnen de kaders van de Participatiewet die geldt als vangnet van de sociale zekerheid.

Vraag 21

De regering stelt in de memorie van antwoord in antwoord op vraag 36 dat voor Wajongers met een hoger opleidingsniveau geldt dat zij mogelijkheden hebben om een hoger functieloon te aanvaarden, net zoals mensen die niet deels arbeidsongeschikt zijn. Zij hebben daarom geen recht op extra compensatie. Uit de praktijk blijkt echter dat hoger functieloon zeer moeilijk te bereiken is voor Wajongers, ongeacht het opleidingsniveau. Hoeveel Wajongers ontvangen een hoger functieloon, zo vragen de leden van de PvdA-fractie.

Antwoord 21

UWV registreert niet van alle Wajongers de hoogte van het functieloon. Op basis van de gegevens van UWV blijkt dat circa 3.000 Wajongers (bijna 5 procent van de werkende Wajongers) recht hebben op een Bremanaanvulling. Daarnaast is beschikbaar hoeveel Wajonger een maandloon ontvangen dat hoger is dan het wettelijk minimumloon op maandbasis. Deze gegevens zijn opgenomen in Tabel 1. Hierbij moet worden aangemerkt dat Wajongers die in deeltijd werken in een functie waarbij het maandloon bij voltijds werken hoger zou zijn dan het wettelijk minimumloon op maandbasis hierin niet zijn meegenomen.

Inkomsten uit werk

2014

2015

2016

2017

≥ 100% van WML

28%

28%

29%

29%

Totaal werkende Wajongers

100%

100%

100%

100%

Bron: UWV Monitor arbeidsparticipatie 2018.

Vraag 22

Mensen met een hoger opleidingsniveau accepteren vaak werk dat eigenlijk onder hun niveau is en daarmee ook onder het functieloon waarvoor zij in aanmerking zouden komen indien zij geen arbeidshandicap hadden gehad. Voor hoeveel Wajongers is dit het geval, zo vragen deze leden. De algemene vraag van de aan het woord zijnde leden aan de regering is de volgende: waarom vindt de regering het een bijzondere gedachte om Wajongers met een hoger opleidingsniveau te compenseren voor het verlies aan inkomen dat zij wel hadden gekregen, indien zij geen arbeidsbeperking hadden gehad?

Antwoord 22

De regering heeft geen zicht op het aantal gevallen waarin een Wajonger werk accepteert dat dat onder hun niveau is waardoor hun inkomen uit arbeid lager is dan zij op basis van hun opleidingsniveau verdiend zouden kunnen hebben. De afweging van Wajongers met een hoog opleidingsniveau om al dan niet werk te accepteren dat onder hun niveau is, is een individuele afweging. Voorstelbaar is dat niet alleen de inkomensondersteuning vanuit de Wajong een rol speelt.

Het opleidingsniveau bepaalt, net als bij andere werknemers, de mogelijkheden van een Wajonger om functies op een hoger functieloon te aanvaarden. De inkomensondersteuning afhankelijk maken van het opleidingsniveau in plaats van het functieloon, zou betekenen dat twee Wajongers die exact hetzelfde werk doen een ander inkomen ontvangen vanwege het verschil in opleidingsniveau. De regering vindt dat gelijk werk, gelijk moet worden beloond.

Vraag 23

Graag vragen de aan het woord zijnde leden bijzondere aandacht voor zelfstandigen. De wijze waarop inkomsten van zelfstandigen worden verrekend met de uitkering is en blijft complex. Is de regering het met deze leden eens? Zo nee, waarom niet? Voor hen die op basis van «uurtje factuurtje» werken is een uurloon bekend. Kan dit uurloon op grond van de formules voor inkomensondersteuning worden verrekend met de uitkering, waarbij pas na twee jaar definitief kan worden afgerekend na de vaststelling van het inkomen door de Belastingdienst? Complexer is het voor mensen met bedrijven die producten in- en verkopen. Graag ontvangen de leden een beoordeling van de uitvoerbaarheid van het voorliggende wetsvoorstel voor deze laatste categorie.

Antwoord 23

De regering is het met de leden van de PvdA-fractie eens dat verrekening van inkomsten van zelfstandigen complex is. Dat is onder de huidige wetgeving al zo en blijft zo. Dit komt doordat het inkomen van deze mensen pas in het jaar t+2 definitief kan worden vastgesteld. Bij zelfstandigen wordt daarbij gewerkt met een gemiddeld maandinkomen gebaseerd op het jaarinkomen. Daarom stelt UWV, in overleg met de zelfstandige, een voorlopig gemiddeld maandinkomen vast op basis waarvan de uitkering wordt berekend. Dit geldt zowel voor zelfstandigen die op basis van «uurtje factuurtje» werken als voor zelfstandigen die producten in- en verkopen. Op basis van dit verwachte inkomen wordt een voorlopige uitkering vastgesteld op basis van de nieuwe inkomensregeling of een voorlopig garantiebedrag. Op basis van het vastgestelde definitieve inkomen in jaar t+2 volgt een definitieve vaststelling van de hoogte van de uitkering en eventuele verrekening van te veel of te weinig uitbetaalde uitkering. Deze werkwijze sluit aan bij de huidige werkwijze en is voor UWV uitvoerbaar en handhaafbaar.

Vraag 24

De voorliggende harmonisatie gaat gepaard met een complexe overgangsregeling. Bovendien zijn de voorgestelde regels nog steeds complex. Immers, bij het berekenen van de inkomensondersteuning moet UWV twee formules toepassen: de «algemene» formule en de formule naar aanleiding van het amendement-Renkema / Gijs van Dijk. De formule die de hoogste inkomensondersteuning oplevert moet in een concreet geval worden toegepast. Dat is complex in de uitvoering en vraagt om fouten. Tevens is het slecht te controleren voor de betrokkenen. Dan is er nog de garantieregeling. Ook deze regeling is moeilijk te controleren voor betrokkenen en complex in de uitvoering. Graag vragen de leden van de PvdA-fractie de regering om de uitvoerbaarheid en foutgevoeligheid van het voorliggende wetsvoorstel in dit kader van een zorgvuldige analyse te voorzien.

Antwoord 24

De regering hecht belang aan de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid van het wetsvoorstel. In de aanloop naar het parlementaire traject is het ontwerpwetsvoorstel daarom door UWV getoetst op uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid. UWV heeft geconcludeerd dat het ontwerpwetsvoorstel op alle onderdelen uitvoerbaar en handhaafbaar is, mits de door UWV voorgestelde aanpassingen zouden worden overgenomen. Dit laatste punt heeft betrekking op de regels voor het vaststellen van het garantiebedrag zoals deze in het ontwerp waren geformuleerd. UWV heeft aangegeven dat de destijds voorgestelde regels voor het vaststellen van het garantiebedrag niet uitvoerbaar waren. De regering heeft goede nota genomen van de door UWV genoemde voorwaarden en heeft in overleg met UWV de regels met betrekking tot het bepalen van het garantiebedrag aangepast. Wajongers in loondienst (met uitzondering van diegenen die in december zijn begonnen met werken), ontvangen bij vaststelling van de hoogte van het garantiebedrag in de eerste maand na inwerkingtreding een beslissing over hoogte van het garantiebedrag. Hierin wordt inzichtelijk gemaakt hoe het garantiebedrag door UWV berekend is.

De wijzigingen in de geharmoniseerde regeling voor inkomensondersteuning als gevolg van het amendement Renkema en Gijs van Dijk worden momenteel door UWV getoetst op uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid. Onderdeel hiervan is het in kaart brengen van de consequenties voor de beoogde datum van inwerkingtreding van 1 januari 2021.

Vraag 25

Daarbij is de harmonisatie lastig te begrijpen voor de betrokkenen. De Klankbordgroep Banenafspraak schrijft10 dan ook: «Wat ons opvalt is dat de wet onbegrijpelijk is opgeschreven voor veel mensen met een beperking. We vinden de wet en de inkomensregels moeilijk uitlegbaar en ... begrijpen we vaak niet in de uitwerking.» Acht de regering de wet ook onbegrijpelijk? Zo nee, waarom niet? Aan welke begrijpelijkheidseisen dient een wet naar het oordeel van de regering te voldoen? En hoe voldoet het voorliggende wetsvoorstel hieraan?

Antwoord 25

De regering vindt het van belang om een onderscheid te maken tussen de wijze waarop de formules en teksten zijn opgenomen in de artikelen en memorie van toelichting van het wetsvoorstel en de wijze waarop de doelgroep geïnformeerd wordt over de wijzigingen. De formules en teksten zoals opgenomen in de artikelen en memorie van toelichting van het wetsvoorstel zijn noodzakelijkerwijs technisch van aard.

De regering is van mening dat de voorgestelde inkomensregeling ten opzichte van de huidige inkomensregelingen veel minder complex en beter uitlegbaar is aan Wajongers die gaan werken of meer gaan werken. In de hoofdregel behouden Wajongers met arbeidsvermogen 30 cent van iedere euro. 70 procent van het inkomen wordt verrekend met de uitkering van 70 procent van het wettelijk minimumloon. Wajongers die werken met loondispensatie behouden meer dan 30 cent van iedere euro. Zij worden daarmee gecompenseerd voor hun verminderde loonwaarde en gedispenseerde loon. Voor hen geldt daarnaast een eventuele aanvulling tot het functieloon dat zij zouden hebben verdiend als zij zonder loondispensatie aan het werk zouden zijn. Voor Wajongers die werkzaam zijn op het moment van inwerkingtreding van de nieuwe inkomensregeling, stelt UWV een individueel garantiebedrag vast. De inkomensondersteuning bij inkomen uit werk is voor zover dit inkomen uit werk blijvend is nooit lager dan dit garantiebedrag. Indien de inkomensondersteuning met de nieuwe regels hoger is, ontvangen zij deze hogere inkomensondersteuning. Voor Wajongers zonder arbeidsvermogen wordt 75 procent van het inkomen verrekend met de uitkering van 75 procent van het wettelijk minimumloon.

De regering vindt het van belang dat de doelgroep op een voor hen begrijpelijke manier geïnformeerd wordt over de wijzigingen en dat zij hierbij ondersteund worden. Met het oog op de kwetsbare doelgroep op wie de maatregelen in het wetsvoorstel betrekking hebben, is UWV gevraagd om bij de uitvoeringstoets ook een doenvermogenstoets uit te voeren. De verregaande harmonisatie van de Wajong biedt de kans om de wet voor de kwetsbare doelgroep eenvoudiger en beter uitlegbaar te maken. Met de voorgestelde harmonisatie van de Wajong-regelingen verdwijnt het onderscheid tussen de oWajong, Wajong2010 en Wajong2015. Er ontstaan twee groepen Wajongers. Wajongers met en zonder arbeidsvermogen met bijbehorende instrumenten en regels voor inkomensondersteuning. Aanpassing van de regels voor inkomensondersteuning, het garantiebedrag en het accepteren van passend werkaanbod zullen naar verwachting de grootste impact hebben op de beleving van de Wajongers. Goede communicatie richting Wajongers en het informeren van stakeholders zoals vakbonden en cliëntenraden kan helpen om de impact te verkleinen. Vanwege het belang van zorgvuldige communicatie wordt een deel van de nieuwe communicatieproducten bij de doelgroep getoetst door deze voor te leggen aan het klantpanel en aan de cliëntenraad van UWV. Hierbij moet worden aangemerkt dat Wajongers op individueel niveau pas geïnformeerd kunnen worden over de gevolgen van het wetsvoorstel voor hun persoonlijke situatie in de aanloop naar inwerkingtreding van het wetsvoorstel.

Vraag 26

Graag vragen de aan het woord zijnde leden aandacht voor de eerder aangedragen alternatieve formule voor het berekenen van de hoogte van de inkomensondersteuning:

  • 1. Voor mensen die duurzaam en volledig arbeidsongeschikt zijn geldt de formule (0, 7 x G) – (0,7 x compensatiefactor x I). De compensatiefactor is (Loonwaarde – 0,3/0,7 x Loonwaarde).

  • 2. Voor mensen die meer dan 20% WML kunnen verdienen geldt de alternatieve formule.

Hierdoor gaat niemand erop achteruit en is er geen garantieregeling nodig. Ook in de alternatieve formule geldt dat meer uren werken loont voor zover mensen een functieloon hebben dat hoger ligt dan het WML. Gezien het feit dat de meeste medewerkers niet hun werkzame leven lang het WML verdienen, geldt ook in de alternatieve formule dat meer werken loont. Is de regering het met de leden van de fractie van de PvdA eens dat dit alternatieve voorstel een verbetering vormt ten opzichte van het voorliggende wetsvoorstel? Zo nee, waarom niet? En deelt de regering de beoordeling van deze leden dat het alternatieve voorstel tegemoetkomt aan een deel van de kritische argumenten van de Raad van State? Zo ja, op welke onderdelen? Zo nee, waarom niet?

Antwoord 26

De regering is het niet eens met de constatering van de leden van de PvdA-fractie dat het alternatieve voorstel een verbetering vormt.

De bewering dat met de geformuleerde alternatieve inkomensregeling er niemand op achteruitgaat is niet juist. Het alternatieve voorstel kan, met name in vergelijking tot het huidige oWajong-regime, leiden tot een lagere uitkering. Ook bij het alternatieve voorstel is daarom een vorm van overgangsrecht nodig om deze achteruitgang te compenseren.

Het alternatieve voorstel leidt voor Wajongers die meer dan 20 procent WML verdienen, door het compenseren voor niet gewekte uren, welleswaar tot hogere uitkeringen voor jonggehandicapten die werken in de Wajong dan het voorstel van de regering. Door het grote verschil in inkomensregeling voor Wajonger die meer of minder dan 20 procent WML verdienen ontstaat een prikkel om meer dan 20 procent WML aan inkomen te verdienen. Wajongers die werken met loondispensatie moeten echter meer uren werken om de grens van 20 procent WML te realiseren. Een deel van de 60.000 Wajongers die langs de kant staan is niet in staat om aan deze grens te voldoen. Dit is een van de redenen waarom in het voorstel van de regering deze grens in de Wajong2010 juist verdwijnt. De stimulans om (meer) te gaan werken wordt met het alternatieve voorstel kleiner.

De Raad van State achtte de voorgestelde harmonisatie van de Wajong inkomensregelingen gerechtvaardigd en had geen opmerkingen over de voorgestelde geharmoniseerde inkomensregeling. Wel vroeg de Raad van State aandacht voor de relatie met andere soortgelijke regimes voor deze doelgroep buiten de Wajong, zoals de Participatiewet. Over het uitkeringsregime van de Participatiewet voor deze doelgroep kom ik nog nader met u te spreken naar aanleiding van mijn wetsvoorstel Breed offensief.

Vraag 27

Het kabinet berekent dat de kosten 100 miljoen bedragen als de alternatieve formule voor alle werkende Wajongers geldt. De LCR, FNV, CNV en Ieder(In) beogen dat de alternatieve formule geldt voor alle Wajongers die meer dan 20% WML verdienen. Tegenover de kosten van 100 miljoen staat dat er geen compensatieregeling noodzakelijk is. Op pagina 13 van de memorie van antwoord lezen de leden van de PvdA-fractie dat deze kosten voor de compensatieregeling 47 miljoen bedragen. Het toepassen van de alternatieve formule is echter eenvoudiger in de uitvoering. Kunnen de 100 miljoen aan extra kosten gecompenseerd worden door het wegvallen van de kosten voor de garantieregeling en de lagere uitvoeringskosten? Graag vragen deze leden om een cijfermatige onderbouwing van de reactie van de regering.

Antwoord 27

De kosten voor het toepassen van de alternatieve formule voor alle werkende Wajongers kunnen niet gecompenseerd worden met het wegvallen van de kosten voor het uitbreiden van de herlevingstermijn van het garantiebedrag naar 1 jaar. Reden hiervoor is dat het toepassen van de alternatieve formule voor alle werkende Wajongers structureel leidt tot ongeveer € 100 miljoen hogere uitkeringslasten per jaar. Wanneer er een gedragseffect optreedt omdat het niet meer loont om méér te werken, kan dit bedrag nog oplopen. De kosten voor het uitbreiden van de herlevingstermijn van het garantiebedrag naar 1 jaar zijn daarentegen incidenteel/ eenmalig (circa € 47 miljoen cumulatief over de jaren 2021–2025). Harmonisatie van de inkomensregeling leidt vanaf 2022 tot en structurele toename van de uitvoeringskosten met € 0,22 miljoen. De alternatieve formule maakt gebruik van een nog niet geregistreerde indicator: deeltijdfactor. Het handhaafbaar en controleerbaar registreren van de deeltijdfactor zal, naast een toename van de administratieve lasten voor werkgevers, naar verwachting leiden tot een toename van de uitvoeringskosten voor UWV.

Vraag 28

De leden van de PvdA-fractie lezen dat het opnemen van de deeltijdfactor in de polis administratie niet in lijn is met het traject dat is ingezet om het aantal gegevens te beperken om administratieve lasten voor werkgevers te verlichten, aldus de regering. Echter, de loonwaarde is thans ook niet opgenomen in de polis administratie en dat wordt straks ook opgenomen. Het opnemen van de deeltijdfactor in de polis administratie is dan een tweede aanvulling. Wat zijn volgens de regering de administratieve lasten die samenhangen met het opnemen van de loonwaarde? En de administratieve lasten die samenhangen met de deeltijdfactor? Graag ontvangen deze leden een cijfermatige onderbouwing.

Antwoord 28

UWV stelt zelf, op basis van een gecertificeerd loonwaarde-advies, de loonwaarde van Wajongers vast. Deze loonwaardes liggen vooralsnog niet vast in een centrale database, maar maken onderdeel uit van individuele Wajong dossiers. In het kader van de implementatie van het wetsvoorstel werkt UWV aan aanpassing van de centrale Wajong-database. Onderdeel van dit traject is tevens het opnemen van de in de dossiers vastgelegde loonwaardes in deze database. De loonwaarde wordt dus geen onderdeel van de polisadministratie en heeft daarmee geen effect op de administratieve lasten van werkgevers. De lasten voor het aanpassen van de Wajong-database en het eenmalig handmatig invullen van de vastgestelde loonwaardes in dit systeem maken onderdeel uit van de implementatiekosten voor UWV.

Voor de deeltijdfactor is UWV afhankelijk van informatie van werkgevers. Op dit moment is deze informatie niet beschikbaar. Werkgevers rapporteren periodiek aan de belastingdienst over het inkomen via de polisadministratie. Op dit moment rapporteren werkgevers ook over het aantal gewerkte uren via de polisadministratie. Maar bij het opstellen van het concept van het voorliggende wetsvoorstel heeft UWV vastgesteld dat de informatie over het aantal gewerkte uren onvoldoende betrouwbaar is om de Wajong-uitkering op te baseren. Daarnaast ontbreekt informatie over de omvang van een werkweek bij de betreffende werkgever. Daarom vergt opnemen van een deeltijdfacor in de Polisadministratie een aanzienlijke aanpassing. Deze aanpassing geldt voor alle werkgevers, zij worden verplicht voor alle individuele werknemers deze informatie aan te leveren.

De incidentele lasten voor werkgevers door de aanpassing van de polisadministratie bedraagt o.b.v. een eerste inschatting ca. € 13 miljoen. Maar ook de structurele uitbreiding van de polisadministratie met informatie over de deeltijdfactor van haar werknemers vergroot de jaarlijkse de administratieve lasten voor werkgevers. Een eerste inschatting van deze structurele kosten is € 9 miljoen per jaar. Voor een inschatting van het effect op de uitvoeringskosten voor UWV en belastingdienst is het uitvoeren van een uitvoeringstoets nodig, daarbij wordt tevens de uitvoerbaarheid en de handhaafbaarheid getoetst.

Vraag 29

De leden van de commissie SZW hebben van de LCR, FNV, CNV en Ieder(In) middels een brief van 30 januari jl. een reactie ontvangen op de memorie van antwoord.11 De memorie van antwoord leidt voor de LCR, FNV, CNV en Ieder(In) tot de volgende vragen, waarbij de leden van de PvdA-fractie zich graag aansluiten:

  • 1. Klopt het dat de overgangsregeling niet noodzakelijk is als de alternatieve formule wordt ingevoerd?

  • 2. Klopt het dat het amendement-Renkema / Gijs Van Dijk overbodig is bij invoering van de alternatieve formule?

  • 3. Is de aanname plausibel dat de netto kosten van de alternatieve formule aanzienlijk lager zullen zijn dan de bruto genoemde 100 miljoen door lagere uitvoeringskosten?

  • 4. Klopt het dat met de formule conform de bepalingen in het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap er niemand op achteruit gaat?

  • 5. Hoe worden de inkomsten verrekend voor zelfstandigen die producten in- en verkopen?

  • 6. Het bepalen van de hoogte van het garantiebedrag geschiedt op basis van het inkomen in de maanden september, oktober en november. Voor mensen met wisselende inkomsten kan dit gunstig dan wel ongunstig uitpakken. Waarom wordt er niet gekozen voor een gemiddeld jaarinkomen voor het bepalen van het garantiebedrag?

Graag vragen deze leden de regering om een afzonderlijke reactie op elk van deze vragen.

Antwoord 29

De leden van de van de PvdA hebben een aantal vragen gesteld naar aanleiding van een brief van de LCR, mede namens de FNV, CNV en Ieder(In), van 30 januari jl. Hierna worden de vragen beantwoord.

Ad 1 en 4

De alternatieve formule leidt niet in alle gevallen tot een uitkering op hetzelfde niveau of een hoger niveau dan in de huidige situatie. Dit is bijvoorbeeld aan de orde voor mensen in de oWajong in de arbeidsongeschiktheidsklasse 80–100. Omdat de alternatieve formule niet in alle gevallen tot een verbetering leidt, geldt dat ook bij de alternatieve formule een overgangsregime ingesteld zal moeten worden. Als er geen overgangsregime wordt ingesteld zullen mensen erop achteruitgaan. De stelling dat de alternatieve formule ervoor zorgt dat niemand er achterop achteruit gaat, is daarmee niet juist zolang er geen overgangsregime wordt ingesteld.

Ad 2

Het amendement Renkema en Gijs van Dijk is onderdeel van de alternatieve formule zoals voorgesteld door de LCR mede namens de FNV, CNV en Ieder(In).

Ad 3

Het is van belang om onderscheid te maken tussen de gevolgen van de alternatieve formule voor de uitkeringslasten en de uitvoeringskosten. Het toepassen van de alternatieve formule voor alle werkende Wajongers leidt ten opzichte van de geharmoniseerde inkomensregeling structureel tot ongeveer € 100 miljoen hogere uitkeringslasten. Wanneer er een gedragseffect optreedt omdat het niet meer loont om méér te werken, kan dit bedrag nog oplopen.

De alternatieve formule maakt gebruik van een nog niet geregistreerde indicator: deeltijdfactor. Het handhaafbaar en controleerbaar registreren van de deeltijdfactor zal, naast een toename van de administratieve lasten voor werkgevers, naar verwachting leiden tot een toename van de uitvoeringskosten voor UWV. Om te bepalen of de alternatieve formule gepaard gaat met lagere of hogere uitvoeringskosten ten opzichte van de voorgestelde geharmoniseerde regeling voor inkomensondersteuning moet de alternatieve formule formeel getoetst worden op uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid. Daarbij moet worden aangemerkt dat een wijziging van de regels voor inkomensondersteuning gepaard gaat met substantiële ICT-wijzigingen in de systemen bij UWV. Dit is het geval ongeacht de vormgeving van de formule.

Ad 5

De inkomensregeling voor Wajongers die werken als zelfstandige zonder personeel is gelijk aan de inkomensregeling voor Wajongers die werken als werknemers. Echter, de systematiek op basis waarvan het inkomen uit onderneming wordt vastgesteld is anders, maar wel uniform voor alle Wajongers die werken als zelfstandige zonder personeel. Bij Wajongers met inkomen uit zelfstandige arbeid wordt op basis van het jaarinkomen een gemiddeld maandinkomen vastgesteld. Het inkomen van een zelfstandige wordt vanwege de fiscale afwikkeling pas twee jaar na sluiting van een boekjaar definitief vastgesteld. In overleg met een Wajonger die werkt als zelfstandige, stelt UWV daarom een voorlopig gemiddeld maandinkomen vast. Op basis van dit inkomen wordt een voorlopige uitkering of garantiebedrag vastgesteld. Op basis van het vastgestelde definitieve inkomen in jaar t+2 volgt een definitieve vaststelling van de hoogte van de uitkering en eventuele verrekening van te veel of te weinig uitbetaalde uitkering.

Ad 6

Samen met UWV heb ik gezocht naar een werkwijze om het inkomen op het moment van inwerkingtreding te benaderen en het garantiebedrag daarop te baseren. Er zijn twee redenen om niet de periode van één jaar te hanteren als referentieperiode. De eerste reden is dat het hanteren van de inkomensgegevens van een jaar niet hoeft te betekenen dat deze gegevens het inkomen op het moment van inwerkingtreding benaderen. De tweede reden is dat de inkomensgegevens over het gehele afgelopen jaar pas medio februari 2021 beschikbaar komen, waardoor het niet mogelijk is om voorafgaand aan inwerkingtreding van het wetsvoorstel vereenvoudiging Wajong een garantiebedrag te kunnen vaststellen.

Vraag 30

De leden van de commissie SZW hebben van de FNV middels een brief van 31 januari jl. een aanvullende reactie ontvangen op de memorie van antwoord.12 Graag vragen de leden van de PvdA-fractie de regering om de afzonderlijke vragen te beantwoorden:

  • 1. De voortgezette werkregeling gaat er vanuit dat iedereen bij maximale inspanning (deeltijd bij urenbeperking) recht moet hebben op minimaal het wettelijk minimumloon, zoals iedereen die fulltime werkt. Dit lijkt de FNV in lijn met het gelijkheidsbeginsel van het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap. Is het afschaffen van deze regeling dan niet een verwijdering van de doelen van het VN-verdrag?

  • 2. Berekening van de aanvullende uitkering op basis van een maatmaninkomen raakt ook aan het gelijkheidsbeginsel van het VN-verdrag: voor het deel dat betrokkene door de handicap geen arbeidsvermogen heeft wordt hij/zij voor zijn/haar beperking gecompenseerd, gemeten aan het inkomen van een valide werknemer met vergelijkbaar niveau. Bij maximale inspanning (deeltijd conform urenbeperking) kan betrokkene daardoor een inkomen verwerven dat in de buurt komt van een valide werknemer. Is afschaffen van dit principe daarmee niet een verslechtering volgens het VN-verdrag?

  • 3. Hoe kan het dat de regering beweert dat niemand er op achteruitgaat, terwijl wanneer de garantietermijn verlengd wordt van twee maanden naar één jaar dit ca. 10 miljoen per jaar kost?

  • 4. In Nederland geldt voor iedereen die werkt het WML als ondergrens. Waarom geldt dat niet voor Wajongers die naar vermogen werken c.q. het maximaal aantal uren werken dat binnen hun vermogen ligt? Is het rechtvaardig dat wanneer je naar vermogen werkt en volgens het wetsvoorstel nooit een inkomen ontvangt ter hoogte van WML-niveau?

  • 5. Er wordt gesteld dat niet voor iedereen de medische urenbeperking is vastgesteld. Het UWV acht de door de FNV voorgestelde formule uitvoerbaar onder de voorwaarde dat er geen verzekeringsartscapaciteit ingezet mag worden door gebrek aan artsen. Is het mogelijk dat op grond van meerdere jaren werkervaring er een uitspraak mogelijk is of iemand naar vermogen werkt? Naar de mening van de FNV moet dat heel goed mogelijk zijn.

  • 6. Klopt het dat de overheid met dit wetsvoorstel de arbeidsparticipatie wil stimuleren van Wajongers, terwijl de overheid zelf slechts 6% (namelijk 3700 van de 60300 werkende Wajongers) in dienst heeft genomen? Ligt het dan niet veel meer voor de hand om de overheidswerkgevers te disciplineren en niet de Wajonger aan te pakken?

  • 7. Het antwoord op vraag 45 gaat uitgebreid in op de vraag wanneer belangenorganisaties gehoord zijn. Klopt het dat de belangenorganisaties (vakbonden en LCR) al vanaf de beleidsdoorlichting forse kritiek hebben op de uitkomsten (conclusies) van de beleidsdoorlichting? Is het niet misleidend om te suggereren dat de opmerkingen van de belangenorganisaties meegenomen zijn in de verdere uitwerking en dus geleid hebben tot inhoudelijke aanpassingen?

Antwoord 30

De leden van de van de PvdA hebben gevraagd om een antwoord op de vragen uit de brief van de FNV van 30 januari jl. Hierna worden de vragen beantwoord.

Ad 1

De voortgezette werkregeling in de Wajong2010 is niet ingevoerd vanuit het uitgangspunt dat iedereen recht moet hebben op 100 procent van het wettelijk minimumloon ongeacht hoeveel uur iemand werkt. De regering kiest ervoor om de voortgezette werkregeling in de Wajong2010 te vervangen omdat deze regeling niet in lijn is met het uitgangspunt van de regering dat (meer) werken moet lonen voor iedereen, ook voor Wajongers. In de voortgezette werkregeling in de Wajong2010 is het zo dat als iemand een inkomen vergaart van minder dan 20 procent WML, dit inkomen uit arbeid volledig wordt verrekend met de inkomensondersteuning. Hierdoor worden Wajongers niet gestimuleerd om te gaan werken. Als iemand een inkomen vergaart van meer dan 20 procent WML, dan wordt het inkomen aangevuld tot 100 procent WML. Ook in deze situatie worden Wajongers niet gestimuleerd om meer te gaan werken en loont meer werken ook niet. Het inkomen blijft bij meer werken aangevuld tot 100 procent WML. Om ervoor te zorgen dat (meer) werken loont, heeft de regering een geharmoniseerde regeling voor inkomensondersteuning voorgesteld.

De regering kiest voor een systeem waarbij het totale inkomen stijgt naarmate iemand meer uren per week werkt om ervoor te zorgen dat (meer) werken loont. Daarbij moet worden aangemerkt dat het verdienen van een inkomen van meer dan 20 procent van het WML niet in alle gevallen is weggelegd voor de 60.000 Wajongers met arbeidsvermogen die nog langs de kant staan. Met de nieuwe regeling voor inkomensondersteuning gaan zij, in tegenstelling tot de huidige situatie, erop vooruit als zij gaan werken. Voor alle Wajongers in de voortgezette werkregeling Wajong2010 die op het moment van inwerkingtreding werken, vergelijkt UWV de oude uitkering met de uitkering op basis van de nieuwe regels. Als de uitkering op basis van de nieuwe regels lager uit zou komen dan de oude uitkering, krijgt de Wajonger een garantiebedrag.

Het doel van het vervangen van de voortgezette werkregeling is om ervoor te zorgen dat mensen erop vooruitgaan als zij (meer) gaan werken. Hierbij is met het instellen van het overgangsregime met het garantiebedrag aandacht voor bestaande rechten. Vanwege deze overwegingen is de regering van mening dat het vervangen van de voortgezette werkregeling in lijn is met het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap.

Ad 2

De maatmanwissel in de Wajong was ontworpen om Wajongers die zich kwalificeren of in een functie vaardigheden opdoen, te beschermen tegen het verlies van het recht op Wajong vanwege deze verworven kwalificaties of vaardigheden. Het effect van een verhoogd maatman op het inkomen is een bijeffect van de maatmanwissel omdat de hoogte van de uitkering in de oWajong gekoppeld is aan het vaststellen van het fictieve arbeidsongeschiktheidspercentage (AO-percentage) waardoor oWajongers meer mogen verdienen voordat zij op basis van een lagere AO-klasse een lagere aanvullende uitkering ontvangen. Met de aanpassingen van de regels van het eindigen van het recht en het verbreden en uitbreiden van de regels voor het herleven van het recht beoogt de regering Wajongers meer zekerheid te geven.

De regering vindt wel dat gelijk werk, gelijk moet worden beloond. Het opleidingsniveau bepaalt, net als bij andere werknemers, de mogelijkheden van een Wajonger om functies op een hoger functieloon te aanvaarden. Het inkomen behorende bij dit functieloon is maatgevend voor het vaststellen van de hoogte van de inkomensondersteuning. Wajongers die werken met loondispensatie worden met een hogere inkomensondersteuning gecompenseerd voor verlies aan loonwaarde. Met het amendement Renkema en Gijs van Dijk worden alle Wajongers minimaal aangevuld tot het functieloon waar zij recht op hadden, als zij zonder loondispensatie zouden werken. De regering is daarom van mening dat het afschaffen van de maatmanwissel voldoende wordt opgevangen. Het amendement vervangt daarmee in feite de Bremanregeling in de huidige Wajong, zonder dat daarbij sprake is van een maximum op 120 procent WML. Ook is het niet een voorwaarde om te werken met een jobcoach, in tegenstelling tot in de Bremanregeling.

Ad 3

Het overgangsregime met het garantiebedrag is ingesteld om te voorkomen dat Wajongers er door inwerkingtreding van het wetsvoorstel, maar bij overig gelijkblijvende omstandigheden, in totaalinkomen op achteruit gaan. Ook voor reguliere werknemers geldt dat bij verlies van een baan het inkomen daalt (eerst een WW-uitkering en vervolgens afhankelijk van de partnerinkomens- en vermogenstoets bijstand) en er geen zekerheid geboden wordt dat bij een nieuwe baan het salaris ten opzichte van het oude salaris tenminste gelijk is.

Ad 4

De uitkering in de Wajong gaat uit van het sociaal minimum als het minimale bedrag dat iemand nodig heeft om in de kosten voor levensonderhoud te kunnen voorzien. De regering kiest voor een geharmoniseerde regeling voor inkomensondersteuning die ervoor zorgt dat het totaalinkomen van mensen die vanuit de Wajong gaan werken hoger uitkomt dan het voor hen geldende sociaal minimum (70 procent WML). Wanneer zij gaan werken neemt het totaalinkomen verder toe. De geharmoniseerde regeling voor inkomensondersteuning zorgt ervoor dat, ook voor mensen met een medische urenbeperking, sprake is van een toename van het totaalinkomen als zij meer gaan werken. Door de systematiek van de Wajong is het totaal inkomen (inkomen uit arbeid en inkomensondersteuning) voor iemand die vanuit de Wajong met een medische urenbeperking werkt hoger dan het wettelijk minimumloon voor het aantal gewerkte uren.

Ad 5

De regering is het niet eens met de mening van de FNV dat het mogelijk is om op grond van meerdere jaren werkervaring vast te stellen of iemand naar vermogen werkt. Het aantal uren dat iemand werkt is niet per definitie een afspiegeling van het aantal uren dat iemand kan werken op grond van een medische uren beperking. Bij de afweging om een bepaald aantal uren te werken kunnen ook andere factoren een rol spelen. Dit zowel vanuit het perspectief van de werknemer als het perspectief van de werkgever.

Ad 6

Het aantal dat de leden van de PvdA-fractie noemen in hun vraag gaat uitsluitend over de Wajongers die in een regulier dienstverband werken. Het aantal Wajongers dat bij de overheidswerkgevers werkt, ligt hoger, omdat mensen uit de doelgroep banenafspraak ook via inleenverbanden bij overheidswerkgevers werken, bijvoorbeeld via detacheringen vanuit de Wsw. Ook onder deze werknemers zijn mensen met een Wajong-achtergrond. Het precieze aantal Wajongers dat via inleenverbanden werkt, is niet bekend.

Voor de Wet banenafspraak maakt het niet uit welke subgroep van het doelgroepregister (Wajong, Wsw, Participatiewet, vso/pro) werkgevers in dienst nemen. Wat belangrijk is, is dát de werkgevers banen voor de doelgroep banenafspraak realiseren. Tot nu toe hebben alle werkgevers tezamen, overheids- en marktwerkgevers, de afgesproken aantallen gehaald. Met name de marktsector heeft tot nu toe goed gepresteerd, maar de overheidssector is achtergebleven. De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) en ik hebben meermaals aangegeven dat we zeer teleurgesteld zijn in de resultaten die overheidswerkgevers hebben behaald. In de brieven van 24 april 201913, 4 juli 201914, 9 september 201915 en 1 oktober 201916 aan uw Kamer heb ik nader toegelicht welke extra maatregelen de Minister van BZK en ik hebben genomen om overheidswerkgevers te stimuleren de banen te realiseren. Ook heb ik u in deze brieven geïnformeerd over mijn plan om de Wet banenafspraak te vereenvoudigen. De vereenvoudigde Wet banenafspraak zal het voor alle werkgevers eenvoudiger maken de afgesproken 125.000 banen uit het Sociaal Akkoord te realiseren. Ik ga ervan uit dat deze maatregelen ervoor zorgen dat de overheidswerkgevers hun verantwoordelijkheid zullen nemen en hun aandeel van 25.000 extra banen zullen realiseren.

Ad 7

Op verschillende momenten in het proces is de stem van belangenorganisaties, Wajongers en werkgevers gehoord. Belangenorganisaties zijn betrokken bij het opstellen van de beleidsdoorlichting en konden zich vinden in de analyse en bevindingen van deze doorlichting. Deze organisaties konden zich echter niet vinden in alle gepresenteerde beleidsopties. Gedurende het proces is bij het uitwerken van de beleidsopties op verschillende punten lering getrokken uit de ontvangen commentaren en adviezen. Hier is in het antwoord op vraag 45 in de memorie van antwoord op ingegaan. Hierbij is echter ook opgemerkt dat er een aantal punten is waarop de regering van mening verschilt ten opzichte van belangenorganisaties, bijvoorbeeld als het gaat om de wijze waarop wordt omgegaan met Wajongers met een medische urenbeperking en het vervangen van de voortgezette werkregeling in de Wajong2010.

SP-fractie:

Vraag 31

De regering meldt dat mensen met een urenbeperking er op vooruit gaan als ze meer uren gaan werken.17 De leden van de SP-fractie vragen of de regering beseft dat jonggehandicapten met een urenbeperking niet meer uren kunnen werken omdat ze een urenbeperking hebben. Erkent de regering dat een deel van de mensen met een urenbeperking een progressieve ziekte heeft waardoor zij in de loop der tijd steeds minder uren kunnen werken? Wat zal het voorliggende wetsvoorstel voor gevolgen hebben voor het inkomen van de mensen met een dergelijke progressieve aandoening? Zijn er cijfers of onderzoeken bekend over hoeveel mensen in de Wajong een progressieve ziekte hebben? Kan de regering aangeven voor hoeveel mensen met een urenbeperking het realistisch is dat ze meer uren kunnen gaan werken? Welke cijfers zijn beschikbaar en onderzoeken zijn hiernaar gedaan? Als de regering geen cijfers en onderzoeken heeft om aan te tonen dat het realistisch is dat een substantieel aantal mensen met een urenbeperking – die nu in de voortgezette werkregeling zitten – meer uren kan gaan werken, waarom heeft de regering deze aanname dan als beleidsuitgangspunt genomen? Hoeveel mensen zitten er nu in de voortgezette werkregeling en wat is er bekend over hun arbeidsvermogen? Erkent de regering dat mensen met een medische urenbeperking nooit op of boven het minimummaandloon kunnen komen vanwege hun urenbeperking?

Antwoord 31

De regering erkent dat er in de Wajong mensen met een medische uren beperking kunnen zitten die mogelijk een progressieve ziekte hebben. Hierover zijn echter geen cijfers beschikbaar. Reden hiervoor is dat UWV bij de instroom diagnosecodes registreert op basis van de aandoening van de betrokkene. Hier zit geen indicatie van de prognose bij. Voor mensen in de Wajong met een medische uren beperking en een progressieve ziekte die na inwerkingtreding van het wetsvoorstel gaan werken is, net als voor andere Wajongers, de geharmoniseerde regeling voor inkomensondersteuning van toepassing. Van iedere verdiende euro behoudt een Wajonger met arbeidsvermogen minimaal 30 procent. Wajongers die werken met loondispensatie behouden bijvoorbeeld meer dan 30 procent van het verdiende loon. Dit geldt ook voor mensen in de Wajong met een medische uren beperking en een progressieve ziekte. Als de Wajonger door een progressieve ziekte vervolgens minder uren kan werken, zal het inkomen uit arbeid en daarmee ook het totale inkomen afnemen. Werkende Wajongers zijn net als andere werknemers via de WIA verzekerd voor inkomensverlies vanwege ziekte en arbeidsongeschiktheid.

Voor de mensen met een medische uren beperking en een progressieve ziekte die op het moment van inwerkingtreding werken, vergelijkt UWV de oude uitkering met de uitkering op basis van de nieuwe regels. Als de uitkering op basis van de nieuwe regels lager uit zou komen dan de oude uitkering, krijgt de Wajonger een garantiebedrag. Bijvoorbeeld als iemand in de voortgezette werkregeling zit. Als de Wajonger minder uren gaat werken en de uitkering op basis van de nieuwe regels hoger wordt dan het garantiebedrag, dan ontvangt de Wajonger niet langer het garantiebedrag maar de hoogte van de uitkering op basis van de nieuwe regels. Indien vanwege een progressieve ziekte het inkomensverlies leidt tot en WIA-uitkering, wordt deze uitkering op een gelijke wijze verrekend met de Wajong uitkering als loon uit arbeid. Dit kan ertoe leiden dat deze Wajonger aanspraak kan blijven maken op het garantiebedrag.

Eind 2018 zaten circa 6.000 Wajongers in de voortgezette werkregeling Wajong2010. Voor deze groep geldt dat zij arbeidsvermogen hebben. Als dit niet het geval was geweest, waren zij in de uitkeringsregeling terecht gekomen. Momenteel is er geen actuele en complete registratie van Wajongers met een medische uren beperking. Het is daarom ook niet mogelijk om aan te geven van hoeveel mensen met een medische uren beperking het realistisch is dat zij meer uren gaan werken. Daar komt bij dat het aantal uren dat iemand met een medische uren beperking kan werken, ook afhankelijk is van de functie die iemand uitoefent.

In de nieuwe inkomensregeling werkt een hoger functieloon door in een hoger totaalinkomen (inkomen uit arbeid en inkomensondersteuning). Als het functieloon hoger is, kan 100 procent van het wettelijk minimumloon ook bereikt worden als iemand niet voltijds werkt. Het wettelijk minimumloon is dus niet het maximum, ook niet voor mensen met een medische uren beperking. Wel is het zo dat de meeste Wajongers geen fulltimebaan aankunnen en een functie hebben die op het niveau van het wettelijk minimumloon ligt. Voor hen zal een maandinkomen boven het wettelijk minimumloon, net als nu het geval is, niet gauw haalbaar zijn. Als een hoger opleidingsniveau zich vertaalt in een hoger functieloon werkt dit door in een hoger totaal inkomen. Dit omdat de nieuwe inkomensregeling zoals hierboven geschetst uitgaat van het inkomen uit arbeid en daarmee het functieloon en de arbeidsduur. Door de systematiek van de Wajong is het totaal inkomen (inkomen uit arbeid en inkomensondersteuning) voor iemand die vanuit de Wajong met een medische urenbeperking werkt hoger dan het wettelijk minimumloon voor het aantal gewerkte uren.

Vraag 32

De leden van de SP-fractie zijn blij met de aanname van het amendement Renkema / Gijs van Dijk. Ze vragen de regering of hiermee alle groepen met een hoger functieloon geholpen zijn? Zijn er nog steeds situaties dat de oude regeling voor hen gunstiger is dan de nieuwe, en zo ja om welke aantallen gaat het en om welke orde van grootte aan bedragen?

Antwoord 32

Het amendement Renkema en Gijs van Dijk zorgt ervoor dat alle werkende Wajongers een totaalinkomen hebben van tenminste het functieloon voor het aantal gewerkte uren. Het amendement vervangt de huidige Bremanregeling, waarbij de aftopping op 120 procent WML komt te vervallen en ook Wajongers die zonder Jobcoach met loondispensatie op een hoger functieloon werken worden aangevuld tot dit functieloon.

Vraag 33

Op grond van het voorliggende wetsvoorstel mag een jonggehandicapte 30 cent houden van elke verdiende euro. Hoe verhoudt zich dat tot de regelingen voor jonggehandicapten met werkvermogen die onder de Participatiewet vallen?

Antwoord 33

De Participatiewet kent als vangnet van de Nederlandse sociale zekerheid zowel qua toegangsvoorwaarden en normensystematiek en vrijlating van arbeidsinkomsten een andere systematiek dan die van de Wajong. Jonggehandicapten die met een medische urenbeperking recht op Wajong hebben, zijn voor hun inkomensaanvulling tot het sociaal minimum dan ook niet afhankelijk van de Participatiewet. De Wajong biedt deze jonggehandicapten namelijk reeds een individuele en ongetoetste uitkering op het niveau van het sociale minimum. Op het moment dat zij gaan werken ontvangen zij naast het loon een aanvullende Wajong-uitkering. Met het wetsvoorstel vereenvoudiging Wajong wordt de berekening van deze aanvullende Wajong-uitkering aangepast. Maximaal 70 procent van het inkomen van Wajongers met arbeidsvermogen wordt verrekend met de uitkering. Deze werkwijze is voor zowel Wajongers mét als zónder een medische urenbeperking gelijk.

Vraag 34

Klopt het dat veel werkgevers «extraatjes» voor hun werknemers regelen via de onkostenvergoeding (die ongespecificeerd mag zijn)? Bij de onkostenregeling mag een percentage van de in het gehele bedrijf betaalde loonsom als (onbelaste) onkosten gedeclareerd worden. Erkent de regering dat de onkostenvergoeding voor veel sociaal werkgevers en voor SW-bedrijven ongunstig uitpakt omdat zij veel werknemers voor het minimumloon in dienst hebben? Erkent de regering dat dit lastig is voor sociaal ondernemers en SW-bedrijven? Is de regering bereid om de regeling zo te veranderen dat bedrijven met veel mensen in dienst voor het minimumloon, zoals sociaal werkgevers of SW-bedrijven, in grotere mate van deze regeling kunnen profiteren?

Antwoord 34

Het klopt dat werkgevers op basis van de werkkostenregeling (WKR) onbelaste vergoedingen aan werknemers kunnen geven. Werkgevers hebben hierbij een vrije ruimte die naar eigen inzicht besteed kan worden. Het totale bedrag moet onder de 1,2 procent van de loonsom van alle werknemers blijven. Hierdoor kunnen verhoudingsgewijs alle werkgevers, ook SW-bedrijven en sociale ondernemingen, in dezelfde mate gebruik maken van de werkkostenregeling. De regering deelt dan ook niet de mening van de leden van de fractie van de SP dat de WKR voor bepaalde werkgevers ongunstig uitpakt. De Belastingdienst gaat er in ieder geval vanuit dat vergoedingen en verstrekkingen van maximaal € 2.400 per persoon per jaar gebruikelijk zijn. Werkgevers bepalen de hoogte van een bijzondere beloning en de wijze waarop deze vergoeding aan een werknemer verstrekt wordt. De Wajong legt daarop geen restricties. Ik vind het daarnaast van belang om te benadrukken dat de werkkostenregeling los staat van het wetsvoorstel vereenvoudiging Wajong.

Vraag 35

De leden van de SP-fractie willen graag weten hoe extraatjes worden verrekend bij de WIA en WAO. Klopt het dat jonggehandicapten in de Participatiewet bonussen en extraatjes volledig moeten inleveren?

Antwoord 35

Bij het verrekenen van inkomen met een WIA-uitkering wordt 70 procent van het inkomen verrekend met de uitkering. Bonussen en gratificaties worden net als het reguliere inkomen ook voor 70 procent verrekend. De wet op de loonbelasting maakt ook geen onderscheid tussen regulier inkomen en inkomen vanwege een bonus of gratificaties. Bij een WAO-uitkering wordt de hoogte van de uitkering bij inkomen uit werk, net als bij de oWajong, vastgesteld op basis van AO-klassen. De WAO kent derhalve ook de effecten van de zaagtand zoals in de oWajong. Extraatjes kunnen leiden tot een wijziging van de uitkering op basis van een lagere AO-klasse. Het kan zijn dat het totale inkomen bij extraatjes daarmee lager is dan het totale inkomen zonder deze extraatjes.

In de Participatiewet is uitgangspunt dat de bijstand complementair is op de eigen middelen (inkomen/vermogen) van de belanghebbende. In het wetsvoorstel wijziging van de Participatiewet uitvoeren breed offensief is er specifiek voor mensen die met loonkostensubsidie in deeltijd werkzaam zijn een tijdelijke vrijlatingsregeling voor inkomsten uit arbeid geïntroduceerd met de uitdrukkelijke mogelijkheid van verlenging daarvan voor personen waarbij uitbreiding van arbeidsuren (nog) niet aan de orde is. Deze vrijlatingsregeling is ook van toepassing op bijstandsgerechtigde personen jonger dan 27 jaar die met loonkostensubsidie werkzaam zijn. Naast het reguliere inkomen uit arbeid, vallen ook inkomensbestanddelen zoals gratificaties, dertiende maand, bonussen e.d. onder inkomen uit arbeid en dus óók onder de vrijlatingsregeling. Omdat aan de 15 procent vrijlating van de arbeidsinkomsten een maximumbedrag per maand is verbonden, betekent dat een incidentele verhoging van het inkomen (bijvoorbeeld door een gratificatie/bonus/of extra uren werken) alleen gevolgen voor het totale inkomen van de belanghebbende heeft indien het maximumvrijlatingsbedrag nog niet is bereikt.

Vraag 36

De leden van de SP-fractie zien graag dat de nieuwe studieregeling vóór 1 juli wordt ingevoerd. Wat gebeurt er voor jonggehandicapten in de Participatiewet die naar school willen blijven gaan of willen studeren?

Antwoord 36

In de memorie van antwoord heb ik uw Kamer geïnformeerd over de planning voor inwerkingtreding van de maatregelen met betrekking tot Wajong en studie en het eindigen en herleven van het recht op de Wajong-uitkering. Als de behandeling van het wetsvoorstel (inclusief stemmingen) in de Eerste Kamer voor 1 maart 2020 zou zijn afgerond, zouden de genoemde maatregelen ingevoerd kunnen worden per 1 juli 2020. Aangezien de verwachting is dat de behandeling van het wetsvoorstel (inclusief stemmingen) in de Eerste Kamer niet voor 1 maart 2020 is afgerond, is het eerstvolgende moment waarop de genoemde maatregelen inwerking kunnen treden 1 januari 2021. Dit uitstel betekent dat de financiële drempel om onderwijs te volgen langer blijft bestaan. Daarnaast worden de regels voor het eindigen en herleven van het recht waarmee Wajongers kunnen terugvallen op de uitkering pas op een later moment uitgebreid en verbreed.

Voor jongeren met een medische beperking die studiefinanciering of WTOS ontvangen en die structureel naast hun studie niet kunnen bijverdienen vanwege hun medische beperking, bestaat de individuele studietoeslag op grond van artikel 36b van de Participatiewet. Deze studietoeslag is alleen bedoeld voor personen die niet ook nog een andere uitkering (bijvoorbeeld: Wajong of WW) ontvangen. In de brief aan de Tweede Kamer van 8 juli 201918 heb ik aangegeven op welke wijze de uitvoering van de individuele studietoeslag wordt verbeterd. Uitgangspunt is een bedrag van circa € 300 bruto per maand, waarbij in ieder geval rekening gehouden zal worden met de leeftijd van de aanvrager vanwege het toepasselijke jeugd-WML. Daarnaast worden ook de afbakening en de toelatingscriteria geharmoniseerd. Deze wijziging van de Participatiewet wordt als nota van wijziging bij het wetsvoorstel breed offensief ingediend.

Vraag 37

Hoeveel van de mensen in de voortgezette werkregeling komt lager uit met de nieuwe regeling (na het verstrijken van de garantietermijn)? Zijn er ook mensen in de voortgezette werkregeling die er niet op achteruitgaan bij de nieuwe regeling (na het verstrijken van de garantietermijn)? Zo ja, kan de regering specificeren welke groepen dat betreft? Hoeveel kan een persoon in de voortgezette werkregeling er maximaal op achteruitgaan bij de nieuwe regeling (na het verstrijken van de garantietermijn) ten opzichte van de oude regeling?

Antwoord 37

Naar verwachting maken eind 2020 circa 32.500 mensen potentieel gebruik van de voortgezette werkregeling Wajong2010. Afhankelijk van de persoonlijke kansen en mogelijkheden zal voor sommige Wajongers de mogelijk te verwachten inkomensontwikkeling wijzigen in een perspectief op een lager totaalinkomen en voor andere Wajongers in een perspectief op een hoger inkomen. De mogelijk te verwachten inkomensontwikkeling met een inkomensondersteuning tot aan het wettelijk minimumloon per maand voor mensen die meer verdienen dan 20 procent van het wettelijk minimumloon wijzigt met de nieuwe regels voor inkomensondersteuning. Als er sprake is van een inkomen van meer dan 20 procent van het WML, wordt het inkomen niet langer aangevuld tot 100 procent van het WML ongeacht het aantal uur dat iemand werkt. Als er sprake is van een inkomen van minder dan 20 procent van het WML, is de uitkering op basis van de geharmoniseerde regels hoger.

De voortgezette werkregeling is ten opzichte van de geharmoniseerde inkomensregeling lonender voor Wajongers met een inkomen uit arbeid tussen 20 procent WML en 100 procent WML. Dit verschil is maximaal bij een inkomen op 20 procent WML en neemt af naarmate het inkomen toeneemt. Het verschil is maximaal 24 procent WML. Ook hierbij geldt dat als de Wajonger op het moment van inwerkingtreding werkt, het garantiebedrag van toepassing is als de inkomensondersteuning op basis van de nieuwe regels lager is dan op basis van de huidige regels. De Wajonger blijft aanspraak maken op het garantiebedrag als hij of zij blijft werken in dezelfde baan met hetzelfde aantal uren of meer uren. Ook als de Wajonger wisselt van baan en de tussenliggende periode minder dan twaalf maanden is, blijft hij aanspraak maken op het garantiebedrag op het moment dat hij of zij weer aan het werk gaat en de uitkering onder de nieuwe regels lager is dan het garantiebedrag.

Vraag 38

De instroom uit het jaar 2014 (Wajong2010) komt als enige grote groep net niet in aanmerking voor de voortgezette werkregeling als het inkomensdeel van het wetsvoorstel per 1 januari 2021 in werking treedt; de groep daarna viel onder Wajong2015. Dit terwijl hen dit wel voorgespiegeld is de afgelopen jaren. Kan de regering deze groep alsnog onder de oude voortgezette werkregeling laten vallen of kan deze groep alsnog anderszins tegemoet worden gekomen?

Antwoord 38

Het uitgangspunt van de regering is dat voor mensen die niet zelfstandig het minimumloon kunnen verdienen, (meer) werken moet lonen en dat ontwikkeling en eventueel uitkeringsonafhankelijkheid niet worden belemmerd. Op basis hiervan zijn voorgestelde regels voor inkomensondersteuning ontwikkeld. Omdat de voortgezette werkregeling in de Wajong2010 niet in lijn is met het genoemde uitgangspunt, is de regering voornemens deze te vervangen en voor de groep die in 2021 bij onveranderd beleid in zou stromen in de voortgezette werkregeling geen uitzondering te maken. De groep die na 2021 de voortgezette werkregeling nog in zou stromen is overigens breder dan de instroom uit het jaar 2014. Ook Wajongers ingestroomd uit de jaren 2012 en 2013 die nog 27 jaar moeten worden, stromen pas na 1 januari 2021 in de voortgezette werkregeling in.

ChristenUnie-fractie:

Vraag 39

De leden van de ChristenUnie-fractie concluderen dat het wetsvoorstel geen bezuinigingsoogmerk heeft maar zich primair richt op het verminderen van de complexiteit van de huidige drie Wajong-regimes. In antwoord op vragen van deze leden geeft de regering aan dat het UWV in de eerste maand van dit jaar de toets op de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid van de in de Tweede Kamer aangenomen amendementen rond inkomensondersteuning gereed te hebben. Graag vernemen de leden van de ChristenUnie-fractie tot welk oordeel het UWV is gekomen.

Antwoord 39

Het amendement Stoffer en Baudet waarmee de termijn waarin het garantiebedrag kan herleven is uitgebreid van twee maanden naar twaalf maanden is voor UWV uitvoerbaar en handhaafbaar per 1 januari 2021. Hetzelfde geldt voor het amendement Bruins c.s. dat regelt dat mensen met duurzaam geen arbeidsvermogen die een Wajong-uitkering ontvangen de mogelijkheid hebben om een beperkt inkomen uit arbeid te ontvangen, zonder dat dit inkomen direct volledig verrekend wordt met hun uitkering. Het amendement Renkema en Gijs van Dijk worden op dit moment nog door UWV getoetst op uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid. Deze toets duurt langer doordat UWV eerder heeft opgemerkt dat de definitie van loonwaarde onduidelijk was. Die definitie heb ik inmiddels verduidelijkt en ik heb UWV gevraagd op basis van die verduidelijking de toets voor te zetten. De verwachting is dat de uitvoeringstoets eind maart gereed is.

Vraag 40

Het wetsvoorstel geeft weinig specifieke aandacht aan Wajongers die in de Wet sociale werkvoorziening (Wsw) werkzaam zijn. Kan de regering aangeven of hier sprake is van bijzondere omstandigheden of condities die voor het wetsvoorstel van belang zijn?

Antwoord 40

Met het wetsvoorstel vereenvoudiging Wajong wordt, net als in het huidige systeem, geen onderscheid gemaakt tussen Wajongers die al dan niet in de sociale werkvoorziening werkzaam zijn. De wijzigingen in het wetsvoorstel zijn ook van toepassing op Wajongers in de sociale werkvoorziening werkzaam zijn.

Vraag 41

De aan het woord zijnde leden lezen in de antwoorden op hun vragen dat Wajongers die van baan wisselen of hun baan verliezen aanspraak kunnen maken op het garantiebedrag. Kan de regering een kwantitatief beeld schetsen van de (trends in de) omvang van beide groepen?

Antwoord 41

Het klopt niet dat alleen Wajongers die van baan wisselen of die hun baan verliezen aanspraak kunnen maken op het garantiebedrag. Voor alle Wajongers die op het moment van inwerkingtreding werken, vergelijkt UWV de oude uitkering met de uitkering op basis van de nieuwe regels. Als de uitkering op basis van de nieuwe regels lager uit zou komen dan de oude uitkering, krijgt de Wajonger een garantiebedrag. In zowel de huidige regelingen voor inkomensondersteuning als de voorgestelde regeling voor inkomensondersteuning valt een Wajonger bij baanverlies, na een periode waarbij een eventuele WW-uitkering wordt verrekend als inkomen, terug op de basisuitkering van 70 procent WML als hij of zij arbeidsvermogen heeft.

Het is niet mogelijk om aan te geven hoeveel mensen in aanmerking zouden komen voor een uitkering op basis van het garantiebedrag. Hiervoor is namelijk een inschatting nodig van het aantal mensen dat op de dag voor inwerkingtreding van het wetsvoorstel inkomen heeft en hun persoonlijke situatie. Voor beantwoording van deze vraag zijn op dit moment niet alle benodigde gegevens op centraal niveau beschikbaar. De inkomensondersteuning hangt af van de regeling waarin iemand zit, het inkomen uit arbeid, de loonwaarde en in sommige gevallen het functieloon en/of het maatmaninkomen. De benodigde gegevens zijn wel beschikbaar op dossierniveau.

Vraag 42

Monitoring en evaluatie van de effecten van dit wetsvoorstel is geboden, zo betogen de leden van de ChristenUnie-fractie. Kan de regering in meer precieze mate schetsen hoe dit vorm gegeven gaat worden en welke indicatoren daarbij gebruikt gaan worden? Hoe spoort dat met de maatregelen rond het Breed Offensief?

Antwoord 42

Voor wat betreft de evaluatie van de doelmatigheid en doeltreffendheid van voorgestelde maatregelen geldt dat deze worden meegenomen in de periodieke doorlichting van het gevoerde beleid ten aanzien van jonggehandicapten. Deze doorlichting vloeit voort uit de wettelijke verplichting om ieder begrotingsartikel periodiek te evalueren volgens vooraf vastgestelde eisen zoals geregeld in artikel 4.1, eerste lid, van de Comptabiliteitswet 2016 en de Regeling Periodiek Evaluatieonderzoek (RPE)19. Ook worden de voorgestelde maatregelen meegenomen in het kennisprogramma naar de doeltreffendheid van de re-integratie en dienstverlening voor mensen met een arbeidshandicap dat SZW en UWV gestart zijn. Het kennisprogramma is erop gericht om het inzicht in de effectiviteit van specifieke instrumenten te verbeteren.

Het Breed Offensief is een brede agenda om de arbeidsmarktkansen voor mensen met een arbeidsbeperking te vergroten. Dit wetsvoorstel maakt hier onderdeel van uit en richt zich op mensen die recht hebben op een Wajonguitkering. Daarnaast wordt een dezer dagen een afzonderlijk wetsvoorstel tot wijziging van de Participatiewet uitvoeren Breed Offensief (hierna: wetsvoorstel Breed Offensief) bij de Tweede Kamer ingediend. Dat wetsvoorstel richt zich op mensen met een beperking die behoren tot de doelgroep van de Participatiewet. Naar het oordeel van de regering is het aan de wetgever om bij de behandeling van de wetsvoorstellen afzonderlijk te beoordelen in hoeverre monitoring en evaluatie van de maatregelen aan de orde is. In de toekomstige monitoring van de Participatiewet zal de doelgroep met een arbeidsbeperking die onder de Participatiewet valt ook gemonitord worden (onder andere duurzaamheid van werk en inkomenspositie), zoals ook aangegeven in de brief aan uw Kamer over de evaluatie van de Participatie van 21 november 2019.

Vraag 43

De kwetsbaarheid van de doelgroep vereist sensitieve communicatie over de wetswijziging, zowel wat betreft de aanleiding als wat de gevolgen voor Wajongers betreft. De leden van de ChristenUnie-fractie hebben veel reacties gekregen op het wetsvoorstel. Een groot aantal reacties kwamen van ouders van Wajongers. Om deze reden vragen de aan het woord zijnde leden om ouders nadrukkelijk te betrekken in het communicatietraject. Is daarin voorzien?

Antwoord 43

De regering is het de leden van de ChristenUnie-fractie eens dat het van groot belang is dat breed ingezet wordt op een goede en duidelijke communicatie niet alleen voor Wajonger maar ook voor ouders. Zoals eerder benoemd, zijn voorlichting en communicatie over de wijzigingen door UWV, onderdeel van de implementatie van de wijzigingen. Aan de hand van de integrale communicatiestrategie die door UWV is ontwikkeld, verstrekt UWV informatie via verschillende kanalen. Deze informatie is ook beschikbaar voor ouders en verzorgers van Wajongers. Het gaat bijvoorbeeld om berichtgeving op uwv.nl, artikelen in UWV Perspectief en op het Wajong Forum van UWV. Daarnaast wordt relevante content op uwv.nl aangepast op het moment dat de maatregelen ingaan. Indien relevant worden specifieke delen van de doelgroep per brief geïnformeerd over de wijzigingen. Ook wordt er een beslisboom ontwikkeld zodat Wajongers of de ouders of verzorgers van Wajongers kunnen nagaan of het wetsvoorstel gevolgen voor hen heeft. Voor de geharmoniseerde regeling voor inkomensondersteuning wordt een rekenhulp ontwikkeld zodat een Wajonger of zijn of haar ouder of verzorger kan nagaan wat (meer) werken of studeren betekent voor zijn brutoinkomen. Tevens worden stakeholders/belangenbehartigers geïnformeerd (o.a. door bijeenkomsten). Via het klantcontactcentrum van UWV kunnen telefonische vragen worden beantwoord.

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, T. van Ark


X Noot
1

Kamerstukken II 2019/20, 35 213, nr. 20.

X Noot
2

Amendement-Stoffer en Baudet, Kamerstukken II 2019/20, 35 213, nr. 27.

X Noot
3

Kamerstukken II 2019/20, 35 213, nr. 27.

X Noot
4

Kamerstukken II 2019/20, 35 213, nr. 29.

X Noot
5

Kamerstukken II 2014/15, 29 544, nr. 579.

X Noot
6

Kamerstukken II 2019/20, 35 213, nr. 28.

X Noot
7

Kamerstukken I 2019/20, 35 213, nr. C, p. 44.

X Noot
8

UWV Monitor Arbeidsparticipatie 2019 op basis van Berg, B. van den, Heuts, L., Horssen, C. van & Kruis, G. (2013). Ondersteuning van jongeren met een LVB. Onderzoek naar doeltreffendere en goedkopere ondersteuning gericht op arbeidsparticipatie. Amsterdam: Regioplan Beleidsonderzoek.

X Noot
9

Kamerstukken I 2019/20, 35 213, nr. C, p. 3–4.

X Noot
10

Griffienummer 165946.34.

X Noot
11

Griffienummer 165946.36.

X Noot
12

Griffienummer 165946.39.

X Noot
13

Kamerstukken I 2018/19, 34 956 C.

X Noot
14

Kamerstukken I 2018/19, 34 352 D.

X Noot
15

Kamerstukken I 2018/19, 34 956 E.

X Noot
16

Kamerstukken I 2019/20, 34 352 G.

X Noot
17

Kamerstukken I 2019/2020, 35.213, C, p.3

X Noot
18

Kamerstukken II 2018/19, 34 352, nr. 169

X Noot
19

Regeling van 15 augustus 2014 houdende regels voor periodiek evaluatieonderzoek (Stcrt. 2014, 27412).