Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 18 december 2014
Tijdens het debat over de begrotingsbehandeling Sociale Zaken en Werkgelegenheid heb
ik toegezegd schriftelijk in te gaan op de aangehouden motie (34 000-XV, nr. 40) van de heer Dijkgraaf over het gelijktrekken van de arbeidskorting voor Wajongers
die werken met loondispensatie met de situatie bij loonkostensubsidie. Met deze brief
kom ik, mede namens de Staatssecretaris van Financiën, tegemoet aan deze toezegging.
De heer Dijkgraaf heeft bij het indienen van zijn motie aangegeven dat hij de systematiek
van de arbeidskorting begrijpt, maar de uitkomst dat mensen die onder vergelijkbare
omstandigheden werken een ander netto-inkomen krijgen onwenselijk vindt. Voor de volledigheid
hecht ik eraan de systematiek van de arbeidskorting nogmaals uiteen te zetten. Vervolgens
zal ik ingaan op de verschillen tussen de Wajong en de Participatiewet.
In reactie op eerdere vragen over dit onderwerp van de heer Dijkgraaf tijdens de begrotingsbehandeling
heb ik een schriftelijk antwoord aan de Kamer gestuurd op 26 november jongstleden
(zie Handelingen II 2014/15, nr. 30, item 3). In deze antwoorden heb ik aangegeven dat een verschil in nettoloon kan ontstaan
tussen werknemers die werken bij een werkgever met loondispensatie en werknemers die
werken bij een werkgever met loonkostensubsidie. Dit verschil ontstaat doordat het
arbeidsinkomen in deze situaties niet gelijk is, en voor de toepassing van de arbeidskorting wordt
aangesloten bij het arbeidsinkomen. Onder arbeidsinkomen wordt mede verstaan het loon
uit tegenwoordige dienstbetrekking. In geval van een loonkostensubsidie (dus bij de
Participatiewet) betaalt de werkgever het loon aan de werknemer. Dat een deel van
dit loon door de werkgever wordt bekostigd met een loonkostensubsidie is voor fiscale
wetgeving niet relevant. Hierdoor kan over het totale bedrag aan loon (zijnde arbeidsinkomen)
de arbeidskorting worden toegepast. Bij loonkostensubsidie is het bedrag dat de werkgever
uitbetaalt aan de werknemer ten minste het wettelijk minimumloon (WML). Bij loondispensatie
in de Wajong betaalt de werkgever aan de werknemer een loon onder het WML en krijgt
de Wajonger naast dit loon aanvullend een Wajong-uitkering. Op de aanvullende uitkering
kan de arbeidskorting niet worden toegepast, want dit is geen arbeidsinkomen. Alle
uitkeringen worden kwalificeerd als loon uit vroegere dienstbetrekking, waardoor op
uitkeringen nooit arbeidskorting wordt toegepast.
Het door de heer Dijkgraaf genoemde verschil tussen de Wajong en de Participatiewet
is ontstaan, doordat met het sociaal akkoord voor de doelgroep van de Participatiewet
loonkostensubsidie is ingevoerd in plaats van loondispensatie. Daarnaast stond in
het sociaal akkoord dat Wajongers met arbeidsvermogen zouden worden overgedragen naar
gemeenten.
Op grond van de afspraken die het kabinet heeft gemaakt met D66, ChristenUnie en SGP
en de coalitiepartijen in februari 2014 is besloten het zittend bestand van de Wajong
in de Wajong te laten en dat de huidige regelgeving in de Wajong van kracht blijft.
Hierdoor blijven er voorlopig (zolang er mensen in de Wajong zitten) meerdere systemen
voor een vergelijkbare doelgroep bestaan.
Niet alleen de arbeidskorting maar ook andere verschillen tussen de Wajong en de Participatiewet
kunnen in min of meer vergelijkbare situaties tot een ander netto inkomen leiden.
Zo maken Wajongers aanspraak op de jonggehandicaptenkorting en de tegemoetkoming voor
chronisch zieken en gehandicapten (AO-tegemoetkoming), terwijl mensen die onder de
Participatiewet vallen hier geen aanspraak op kunnen maken. Een persoon die onder
de Participatiewet valt met een loonwaarde van 60 procent en met loonkostensubsidie
voltijds werkt, heeft op jaarbasis ongeveer duizend euro netto meer inkomen dan een
Wajonger met een loonwaarde van 60 procent met loondispensatie die voltijds werkt.
Werken beide personen echter parttime (25 uur per week) dan is er een spiegelbeeldige
situatie en heeft de Wajonger netto duizend euro meer aan jaarinkomen. Dit verschil
wordt (los van de fiscale consequenties) veroorzaakt doordat beide wetten een andere
systematiek hanteren ten aanzien van de aanvullende uitkering. In de Participatiewet
wordt loon waar nodig aangevuld tot het sociaal minimum. In de Wajong wordt op basis
van het totale arbeidsinkomen het inkomen aangevuld tot minimaal 75 en maximaal 100
procent WML.
Zoals eerder aangegeven is het onwenselijk om de wettelijke systematiek van de arbeidskorting
aan te passen zodat deze ook kan worden toegepast op loon uit vroegere dienstbetrekking,
zoals een aanvullende Wajong-uitkering. Daarmee zou immers het kenmerkende verschil
tussen de arbeidskorting en de algemene heffingskorting wegvallen. Het gelijktrekken
van alle verschillen is ingrijpend en zou tot gevolg hebben dat er geen sprake meer
is van behoud van rechten voor de Wajongers. Daarnaast zou het uitvoeren van de motie
van de heer Dijkgraaf leiden tot een budgettaire derving van circa € 10 miljoen.
Dit alles overwegende kom ik tot de conclusie dat het voorstel van de heer Dijkgraaf
niet op instemming van het kabinet kan rekenen. Ik zou de heer Dijkgraaf daarom willen
vragen deze motie in te trekken. Wanneer dit niet gebeurt, moet ik de motie ontraden.
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J. Klijnsma