Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2019-202034952 nr. 100

34 952 Investeren in Perspectief – Goed voor de Wereld, Goed voor Nederland

Nr. 100 VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 20 december 2019

De algemene commissie voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking heeft op 7 november 2019 overleg gevoerd met mevrouw Kaag, Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, over:

  • de brief van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking d.d. 20 juni 2019 inzake hoofdlijnen Beleidskader Versterking Maatschappelijk Middenveld (Kamerstuk 34 952, nr. 66);

  • de brief van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking d.d. 4 november 2019 inzake beleidskader Versterking Maatschappelijk Middenveld (Kamerstuk 34 952, nr. 87);

  • de brief van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking d.d. 29 mei 2019 inzake stand van Zaken «Early Warning Mechanism Shrinking Space» (Kamerstukken 21 501-04 en 34 952, nr. 222);

  • de brief van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking d.d. 4 december 2018 inzake steun aan het Global Partnership for Education; Appreciatie Education Outcomes Fund; Toezegging EU Early Warning System Shrinking Space (Kamerstuk 35 000 V, nr. 49);

  • de brief van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking d.d. 19 juni 2019 inzake reactie op verzoek commissie over de brief van Colombia Platform Nederland, namens CNV, FNV en PAX over het verzoek om steun naar aanleiding van doodsbedreigingen sociale leiders (Kamerstuk 35 000 XVII, nr. 70);

  • de brief van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking d.d. 16 juli 2019 inzake openstellen subsidietenders versterking maatschappelijk middenveld (Kamerstuk 34 952, nr. 79);

  • de brief van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking d.d. 29 augustus 2019 inzake verzoek om uitstel van het algemeen overleg over Maatschappelijk Middenveld (Kamerstuk 34 952, nr. 82);

  • de brief van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking d.d. 6 september 2019 inzake herziene planning van het beleidskader Versterking Maatschappelijk Middenveld en de daarbij behorende subsidie-instrumenten door verplaatsing algemeen overleg Maatschappelijk Middenveld (Kamerstuk 34 952, nr. 83);

  • de brief van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking d.d. 2 oktober 2019 inzake beleidsreactie op evaluatie Wederopbouwtender, Strategische partners chronische crises programma en ARC-tender (Kamerstuk 32 605, nr. 218).

Van dit overleg brengt de commissie bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.

De voorzitter van de commissie, De Roon

De griffier van de commissie, Van Toor

Voorzitter: Weverling

Griffier: Meijers

Aanwezig zijn zeven leden der Kamer, te weten: Alkaya, Bouali, Diks, Van den Hul, Kuik, Voordewind en Weverling,

en mevrouw Kaag, Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking.

Aanvang 12.03 uur.

De voorzitter:

Goedemiddag, dames en heren, van harte welkom in de Suze Groenewegzaal. Wij gaan beginnen met ons AO Maatschappelijk middenveld. Mijn naam is Weverling, VVD-woordvoerder, en voor vandaag mag ik uw voorzitter zijn. Dit is een bijzondere dag omdat we praten over het maatschappelijk middenveld, maar ook omdat er in de plenaire zaal begrotingsbehandelingen gaande zijn. Het is dus een komen en gaan van woordvoerders. Voor de mensen op de publieke tribune en thuis: het is geen desinteresse, er wordt meegeluisterd door medewerkers op de kantoren van de diverse partijen. Maar dan weet u dat er soms wat woordvoerders weggaan om naar de plenaire zaal te gaan. Goed, dat voor zover. Wij gaan naar mevrouw Diks, die natuurlijk spreekt namens GroenLinks.

Mevrouw Diks (GroenLinks):

Dank u wel, voorzitter. Ik ben één van die mensen die misschien af en toe even verdwijnt en dan weer terugkomt. We gaan het zien.

Voorzitter. Het maatschappelijk middenveld staat wereldwijd onder druk en dat brengt het behalen van de SDG's in gevaar. Zonder een sterk maatschappelijk middenveld kunnen individuen en instellingen met macht, hetzij politieke, hetzij economische, hun eigen gang gaan. Die «gang» leidt niet per se naar de realisatie van de SDG's en kan die zelfs juist ondermijnen. We hebben het maatschappelijk middenveld keihard nodig om de machtigen der aarde in die gang naar de SDG's te krijgen en te houden. Nederland had met Samenspraak en Tegenspraak een sterk en gedurfd beleidskader om het maatschappelijk middenveld in die rol te ondersteunen en kreeg daar ook internationaal waardering voor. Ik ben dan ook blij dat deze inzet doorgaat. Ik ben ook zeer tevreden met het SDG 5-fonds en met de nadruk op zeggenschap van lokale vrouwen- en andere organisaties.

Maar ik heb ook grote zorgen, voorzitter. Uit het nieuwe kader spreekt veel meer de wens om te komen tot controle en beheersing. De Minister wil voorschrijven op welke thema's en in welke landen organisaties hun werk kunnen doen. Maatschappelijke organisaties worden daarmee meer uitvoerders van het regeringsbeleid, onvriendelijk gezegd: de lange arm van Nederland. Zij baseert zich op de IOB-evaluatie Minder Pretentie, Meer Realisme, die oproept tot minder fragmentatie en meer focus. Maar waarom refereert de Minister in haar 4 novemberbrief helemaal niet aan de IOB-studie naar strategische partnerschappen? Is zij het met mij eens dat die studie direct relevant is het voor het beleidskader waar we het vandaag over hebben en die andere IOB-studie eigenlijk slechts indirect? Die andere, onvermelde IOB-studie gaat namelijk in op de spanning tussen het streven naar complementariteit en de autonomie van maatschappelijke organisaties en stelt dat het ministerie meer ruimte moet geven aan deze maatschappelijke organisaties. Die studie roept ook op tot het aanmoedigen van tegenspraak gericht op beleidscoherentie. Wat heeft de Minister nou met die aanbevelingen gedaan en waarom gaat die 4 novemberbrief hier helemaal niet op in?

Over de thema's hebben wij enkele vragen. Waarom worden er thema's voorgeselecteerd? Is dat niet een beknotting van de autonomie van organisaties? Is de Minister dat met mij eens en, zo ja, hoe rijmt zij dat dan met de IOB-studie naar de partnerschappen? Ten tweede, waarom mogen partnerschappen slechts op één thema werken? Vindt de Minister beleidscoherentie niet meer belangrijk? Het gaat toch juist om de verbanden tussen thema's? Is zij bereid om ruimte te scheppen om op meerdere thema's te kunnen werken?

Veel cruciale onderwerpen vallen gewoon buiten de zeven thema's en dat vinden wij onacceptabel. Wat GroenLinks betreft is het voorschrijven van thema's überhaupt niet nodig. Als we dan toch die weg opgaan, moeten er wat mij betreft echt meer en bredere thema's bij komen. Dan denk ik bijvoorbeeld aan duurzame en inclusieve economische ontwikkeling en handel. Is zij bereid om dat als thema toe te voegen? Dat is namelijk echt iets anders dan het verduurzamen van waardeketens. En waar is het thema «goed bestuur en democratisering» gebleven? Het lijkt me nogal een dragend punt binnen de ontwikkeling van het maatschappelijk middenveld. Is de Minister bereid om dat thema toe te voegen?

Dan over de focusregio's. De IOB-partnerschappenstudie zegt letterlijk dat organisaties autonomie moeten hebben bij hun landenkeuze en dat die niet moet worden beperkt tot Nederlandse prioriteitslanden. Waarom heeft de Minister dit volledig terzijde geschoven? Is de Minister het met mij eens dat meer algemene zaken, als ik het zo mag zeggen, als vrouwenrechten en vrijheid van meningsuiting natuurlijk ook hevig onder druk staan buiten die focuslanden? En ook is effectief eigenaarschap van zuidelijke organisaties realistischer in landen waar al meer capaciteiten bestaan op dat gebied. En dat zijn nou net vaak de landen die buiten de focuslanden vallen, bijvoorbeeld Latijns-Amerika. Hoe voorkomen we nu dat veel organisaties in die landen, bijvoorbeeld in Latijns-Amerika, die met één voet op de kade staan, toch te vroeg wegvaren? Kortom, hoe borgen we nou de behaalde resultaten? En hoe wil de Minister de weging van focusregio's in de individuele beoordeling precies vormgeven? Hoe zwaar wordt die weging als het aan haar ligt en is zij bereid om ook op de overige thema's juist meer geografische ruimte te bieden?

Voorzitter. Ten slotte is het goed om vast te stellen dat het goed is om samen op te trekken. Dat is logisch en dat moet ook waar het kan, maar het is wat ons betreft geen noodzaak. De IOB-partnerschappenstudie zegt dat het ook niet per se hoeft en dat tegenspraak richting de ambassades juist ook belangrijk is. Kan de Minister bevestigen dat zij ruimte voor tegenspraak belangrijk vindt, want het komt namelijk amper voor in haar brieven? Kan zij verder ook bevestigen dat aansluiting bij die strategie op geen enkele wijze wordt meegenomen bij de beoordeling van die voorstellen? Hoe beziet de Minister dat nu? Graag een reactie.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel, mevrouw Diks. Dat was vijf minuten en dat was ook de spreektijd die ik voor ogen had. Dus mooi getimed! Dan gaan we naar de heer Bouali namens D66.

De heer Bouali (D66):

Mijn collega van GroenLinks heeft daar een heel goede antenne voor! Die doet dat altijd goed.

Voorzitter. Het maatschappelijk middenveld is een wat abstract begrip voor vele mensen, maar ondanks dat niet minder concreet. Het gaat om essentiële en noodzakelijke organisaties die inspraak en tegenspraak bieden in soms hele moeilijke omstandigheden en landen. Het gaat om mensen die in landen waar dat vaak minder vanzelfsprekend is dan in Nederland, een democratische, pluriforme en open samenleving proberen te versterken. Terecht dragen we daaraan bij en terecht is het ook een prioriteit voor Minister Kaag. 1,5 miljard euro trekt zij daarvoor uit en dat is wat D66 betreft in deze woelige tijden met leiders als Trump, Bolsonaro en Erdogan meer dan nodig.

Na harde bezuinigingen in vorige kabinetten, waarbij het OS-percentage ten opzichte van het bni alleen maar verder daalde, kruipen we nu richting de 0,53%. Is dat voldoende? Nee, wat D66 betreft blijven we inzetten op 0,7%. Maar ik wil hier wel de gekeerde trend onderstrepen, waarbij we alle steun – ik kijk hierbij altijd naar mijn collega's aan de linker zijde van het politieke spectrum – nodig hebben om dit ook door te zetten.

Voorzitter. Terug naar het maatschappelijk middenveld. D66 is het eens met de keuze van de Minister om SDG's als uitgangspunt te nemen en daarmee een sterke focus te leggen op vrouwenrechten als het recht op abortus. Maar ook is het goed dat lhbti-rechten expliciet worden benoemd. Wel ontstaat natuurlijk het risico dat door het toewijzen van specifieke thema's de focus te smal of te star wordt en ngo's hun eigen accenten niet meer kunnen leggen.

De heer Alkaya (SP):

Ik twijfelde even, want ik dacht dat de heer Bouali vanzelf op de focuslanden en de focusregio's zou komen. Maar hij zegt nu alleen maar dat het woelige tijden zijn. Dat zijn zijn woorden en hij noemde daarbij ook het voorbeeld van Bolsonaro, maar Brazilië is nou net geen focusland. Hoe flexibel moet dat kader dan zijn volgens de heer Bouali?

De heer Bouali (D66):

Als u mij mijn verhaal laat afmaken, zult u zien dat ik daarop terugkom. Als u dan nog vragen hebt, mag u daarop inhaken.

De voorzitter:

U bepaalt gelijk de orde, meneer Bouali! Nou, of u verder niet meer wilt interrumperen. Gaat u door.

De heer Bouali (D66):

Dank u wel, voorzitter. Het lijkt mij in ieder geval belangrijk dat organisaties nog enige bewegingsvrijheid houden om vanuit eigen ervaring en zeggenschap invulling te kunnen geven en blijven geven aan hun werk. Kan de Minister hierop reflecteren en hoe voorkomen we de bureaucratische neiging dat ngo's hun werk in specifieke thema's moeten onderbrengen en hokjes moeten afvinken? Daarmee beperken we hun bewegingsvrijheid namelijk te veel.

Dan kom ik op Latijns-Amerika. Mijn collega van de SP wilde hier zojuist ook een vraag over stellen. Ik ga het hebben over Latijns-Amerika en Midden-Amerika. In veel van deze landen heeft de democratie, ook na dictatoriale leiders, werkelijk wortelgeschoten en dat is goed. Maar de ontwikkeling reikt verder. Zo stemden de inwoners van Bogota vorige week voor een lesbische vrouwelijke burgemeester. Ook mijn felicitaties aan Claudia López die dit voor mekaar heeft gekregen! Een goed signaal in een regio die dit nodig heeft. Maar de democratie is pril en behoeft onderhoud. Dat zagen we de afgelopen weken heel duidelijk: rellen in Chili en Midden-Amerika tegen zaken als corruptie en armoede. Deze organisaties hebben wat D66 betreft dan ook alle steun nodig; er is nog veel werk te verzetten.

Daarom kom ik bij dit beleidskader op het volgende punt uit. Wat D66 betreft zetten we middelen effectief en efficiënt in. De Minister richt, in lijn met haar beleidsnota, dit kader vooral op focuslanden en focusregio's. Die focus steun ik, maar het blijft tegelijkertijd ook van belang dat inzet in landen buiten de focusregio's mogelijk blijft. Ik roep de Minister dan ook op oog te houden voor hoe de Nederlandse inzet succesvol is, ook in de regio's die niet binnen de focus vallen. Ik wil voorkomen dat we bureaucratische lijstjes afvinken. Kan de Minister hierop reageren en aangeven hoe het focusregiobeleid niet leidt tot afbrokkeling van succesvolle projecten in andere regio's en in andere landen?

Voorzitter. Ik ga van Latijns-Amerika en Midden-Amerika naar Europa. Nederland is geen individuele speler, ook in EU-verband gebeurt er veel op dit onderwerp. Wel blijkt er onder de lidstaten weinig enthousiasme en draagvlak te zijn voor het voorstel voor het Early Warning Mechanism Shrinking Civic Space. Dat is zorgelijk. Mijn collega van de Partij van de Arbeid heeft er dan ook al eerder vragen over gesteld. De EU is een enorme soft power. Niet alleen op bijvoorbeeld handel maar zeker ook op het OS-beleid is het van belang dat de Europese Unie verantwoordelijkheid neemt, indien dit niet als EU gezamenlijk kan dan in ieder geval met gelijkgestemde lidstaten. Is de Minister het met deze insteek eens? Zo ja, is de Minister dan bereid om met die gelijkgestemde landen, bijvoorbeeld Benelux-landen of Nordic's, wel samen te werken bij het versterken van het maatschappelijk middenveld op het internationale toneel?

Ten slotte nog een laatste vraag over Europa. Het lijkt erop dat in het nieuwe kader Europese organisaties geen partner meer kunnen zijn in allianties. In het afgelopen kader konden zulke samenwerkingsverbanden met Europese partners wel bestaan, bijvoorbeeld de aidsalliantie. Wat D66 betreft is het belangrijk om deze mogelijkheid voort te zetten en open te houden. Kan de Minister hierop reageren?

Dank u wel, voorzitter. Dank u wel, voorzitter.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Bouali, ook omdat u zich aan die vijf minuten hield. Ik kijk naar de heer Alkaya van de SP.

De heer Alkaya (SP):

Een helder verhaal van de heer Bouali. Ik ben blij met de vragen, want soortgelijke vragen zal ik straks ook aan het kabinet stellen, vooral over hoe flexibel dat kader nou is. Toch een vraag aan D66. Hoe denkt D66 überhaupt over die geografische focus? Ik hoorde daar toch ook steun voor. Ik kan me iets voorstellen bij een geografische focus als de inhoud daar aanleiding toe geeft. Als je corruptie wil aanpakken, moet je je op die regio's focussen waar de corruptie het hoogst is. Als we nu kijken naar de focusregio's en de focuslanden, dan lijken die toch vooral voort te komen uit andere overwegingen: migratiebestrijding en de ring van instabiliteit rondom Europa. Het gaat dus ook wel een beetje om het eigenbelang van Nederland en Europa. Moet dat uitgangspunt, namelijk starten bij de regio's dicht bij ons en de ring van instabiliteit rondom Europa, niet veel minder belangrijk worden? Zou met andere woorden de behoefte niet het uitgangspunt moeten zijn?

De heer Bouali (D66):

Ik snap de vraag van mijn collega van de SP heel goed. U weet, meneer Alkaya, dat ik het niet eens ben met uw kwalificatie van de ring van instabiliteit. Ik heb me in deze Kamer vaak ingezet voor extra aandacht voor de MENA-regio en ik zie dat niet per definitie als een ring van instabiliteit. Ik vind het dus goed dat we in het huidige beleid ook aandacht besteden aan landen als Tunesië, waar vrouwenrechten bevorderd worden en waar we op SRGR inzetten. Ik zie het dus niet zoals u het zojuist omschreef. Ik vind het goed dat we dit doen.

Daarnaast heb ik ook de zorg dat we projecten die essentieel en belangrijk zijn voor het versterken van het maatschappelijk middenveld, daar waar nodig, uit het oog verliezen. Ik noemde net het voorbeeld van Latijns-Amerika. We moeten dus ergens een balans zien te vinden. Ik geloof wel in een focus. We hebben allemaal in de IOB-rapport gelezen dat fragmentatie niet goed is. We moeten er echt voor zorgen dat we het geld ook efficiënt en effectief besteden, zonder daarbij projecten uit het oog te verliezen die mogelijkerwijs buiten een focusregio vallen. Daar moeten we wel oog voor houden en daarom ben ik heel erg benieuwd naar het antwoord van de Minister.

De voorzitter:

Dank u wel. Wij kunnen door met de heer Voordewind namens de ChristenUnie. Aan u het woord, ook voor vijf minuten.

De heer Voordewind (ChristenUnie):

Dank u wel, voorzitter. Het is goed dat we hier na een paar keer uitstel, iets waar ik ook debet aan was, nu toch over het beleidskader maatschappelijk middenveld spreken.

Voorzitter. De inzet van de Minister is goed als ze zegt dat er ruimte moet zijn voor maatschappelijke organisaties om een bijdrage te leveren aan het behalen van de SDG's. Terecht zegt de Minister dat het maatschappelijk middenveld hierbij een cruciale rol kan vervullen, zeker nu de ruimte voor het maatschappelijk middenveld wereldwijd sterk onder druk staat.

Tegelijkertijd hebben we ook de IOB-evaluatie gehad, Less Pretension, More Realism. Daaruit trekt de Minister ook conclusies. Zij wil de fragmentatie tegengaan, het aantal activiteiten beperken, geografische spreiding ... et cetera, et cetera. Ik wil daarbij en ook bij de IOB-evaluatie toch een aantal relativeringen maken. Ik wil dat breder trekken dan waar het in eerste instantie op gericht was, namelijk op veiligheid en rechtsorde en op hulp in chronische crisisgebieden.

Voorzitter. Zijn deze kritiekpunten van de IOB ook niet het gevolg van de ingeslopen en doorgeslagen marktwerking in de ontwikkelingssamenwerkingssector? Het financieringsstelsel is van het medefinancieringsstelsel met vertrouwen in de vier grote partners, waar ook wel iets op af te dingen viel, helemaal doorgeslagen naar een tenderprocedure, waarbij organisaties met elkaar de concurrentieslag aan moeten gaan. Dat ging gepaard met een grote bezuiniging van bijna 0,5 miljard. We zitten nu op 289 miljoen per jaar en we komen van ruim 500 miljoen. Hierdoor zijn de OS-organisaties dus concurrenten van elkaar geworden en worden zij opgestuwd tot grote onrealistische doelen en resultaten in de project proposals. Zo lezen we ook bij de IOB.

Voorzitter. Ook worden de organisaties afgerekend op het beperkt halen van impact. Hoe realistisch is dat op het moment dat dat gebeurt, gezien het feit dat de evaluatie ook ging over die chronische crisisgebieden en gezien het feit dat de tijdsduur beperkt was tot drie à vier jaar? Wat vindt de Minister van de aanbeveling om tot langjarige relaties met effectieve samenwerkingspartners te komen? De Minister zegt in de brief hiernaar te zullen kijken, maar aan welk alternatieve vormen van partnerschappen denkt de Minister dan?

Voorzitter. Tegelijkertijd kan concentratie ook weer een inperking inhouden voor partnerschappen, zowel geografisch als qua thema's. Dat hebben we gezien, want in de brief van 20 juni lag de situatie nog open als het ging om de thema's. Daar stonden ook de 25 partnerschappen nog in, maar nu zien we plotseling in de brief van 4 november allerlei beperkingen als het gaat om versterking van het maatschappelijk middenveld. Zo gaat het aantal partners van 25 naar 20. Vanwaar die inperking van de partnerschappen, zo vraag ik de Minister. Is dat puur een capaciteitsprobleem op het ministerie of op de ambassades? Graag een onderbouwing van de keuzes die worden gemaakt. Ik kan dat namelijk niet goed opmaken uit de brief zelf.

In de brief van 20 juni over de thema's stonden mensenrechten en de SDG's centraal. Daarbij was er een centrale rol ingeruimd voor de ruimte voor het middenveld als breed thema. Nu zien we een inperking tot die zeven thema's. Waarom mogen partnerschappen op niet meer dan één thema inschrijven, terwijl ze op meerdere thema's actief kunnen zijn? Ondermijnt dit ook niet de autonomie van het maatschappelijk middenveld en van de ngo's? Ik vraag dat, omdat de IOB juist zegt dat we die moeten respecteren. Zijn we nog flexibel genoeg om goede voorstellen van de zuidelijke partner op hun merites te beoordelen en niet op de vraag of ze binnen de rijtjes van de zeven thema's of binnen de geografische spreiding passen, zo vraag ik de Minister. Uit de vraagstelling mag blijken dat ik hier zeer kritisch tegenover sta. De Minister geeft in haar brief van 4 november wel aan dat er uitzonderingen gemaakt kunnen worden als het gaat om de thema's klimaatmitigatie en -adaptatie en verduurzaming waardeketens, maar daar moet het dan waarschijnlijk ook weer bij blijven. Ik vraag de Minister dus echt om flexibel te zijn, zowel bij de geografische spreiding als bij de thema's.

Voorzitter. Dan de budgetverschuiving. Ik heb het al even gehad over de begrotingen. We zien een grote afname van het budget voor de versterking van het maatschappelijk middenveld en ook een verschuiving binnen het fonds. Het SDG 5-fonds en het SDG Partnerfonds krijgen er 100 miljoen bij. Hier vindt een onderlinge verschuiving plaats in het voordeel van de SDG 5. Kan de Minister deze keuze onderbouwen? De ChristenUnie pleit ervoor dat de verhoging van het SDG 5-fonds niet ten koste gaat van het budget voor Power of Voices. Graag een reactie van de Minister op dat punt. Kan het SDG-fonds ook de rol erkennen van faith-based actors. Kunnen die expliciet worden meegenomen?

Voorzitter, ik sluit af, want ik zie dat ik aan de tijd ben. Het fonds Voice is gericht op het versterken van de stem van de meest gemarginaliseerden. Daarbij worden lhbti en inheemse groepen genoemd, maar waarom worden religieuze minderheden niet expliciet genoemd? Die mis ik nog als risicogroep. Graag een reactie op dat punt.

Dank u wel, voorzitter. Kan het SDG-fonds ook de rol van faith-based actors erkennen en deze expliciet meenemen?

Voorzitter, ik sluit af, want ik zie dat ik aan mijn tijd ben. Het fonds Voice is gericht op het versterken van de stem van de meest gemarginaliseerden. Lhbti en inheemse groepen worden genoemd, maar waarom worden de religieuze minderheden er niet expliciet in genoemd? Die mis ik nog als risicogroep. Graag ook een reactie op dat punt.

Dank u wel, voorzitter.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Voordewind. Er is een interruptie van de heer Bouali.

De heer Bouali (D66):

Ik had eigenlijk twee vragen aan mijn collega Voordewind. De ene gaat over budget en de andere over focus. We hebben er samen vaak voor gepleit om het OS-budget te verhogen. Ik neem aan dat u dit ook plaatst in het licht van de enorme afname van het OS-budget in algemene zin, zoals ik net ook al opbracht. Er is door de afgelopen kabinetten natuurlijk hard bezuinigd op het OS-budget. Ik ben ook heel erg benieuwd wat de heer Voordewind zelf van het aanbrengen van focus vindt. Ikzelf vind het wel goed dat we enige focus hebben. Het IOB-rapport komt daar ook mee. Ik zou van de heer Voordewind dus ook graag een wat duidelijker specificatie op focus willen hebben.

De heer Voordewind (ChristenUnie):

Ja, die bezuinigingen zijn er geweest, maar daarvoor waren wij niet verantwoordelijk, zeg ik er tegelijkertijd bij. Toen wij in het kabinet zaten, hebben we het budget juist vergroot. Toen ging het naar 0,8%. Dat kun je je bijna niet meer voorstellen, maar toen werd 0,8% besteed aan ontwikkelingssamenwerking. We zitten inmiddels op 0,53%. We hadden toen ook speciaal een fonds georganiseerd voor internationaal klimaatbeleid. De heer Bouali zegt: dan is het toch ook logisch dat er werd bezuinigd op de maatschappelijke organisaties? Maar dat is natuurlijk altijd een keuze. Als je een budget hebt – het ging toen van 5,5 miljard terug naar 4 miljard – dan is het alsnog een kwestie van keuze: waar ga je je geld aan besteden, en hoe krijg je het meeste terug voor je ene euro? We hebben onderling natuurlijk ook wel discussies gehad over de vraag welke thema's je nou moet kiezen. Ik vond het erg jammer dat onderwijs de afgelopen jaren is afgevallen. Dat hebben we gelukkig weer op de kaart kunnen zetten. Maar dan nog is het een keuze of je het geeft via de multilaterale kanalen, de bilaterale kanalen of het maatschappelijk middenveld. Ik hoor de Minister in ieder geval zeggen dat ze het heel belangrijk vindt. Dan hoop ik dat we dat ook terugzien in de totale budgetten voor het beleidskader maatschappelijk middenveld.

De tweede vraag ging over de focus. Focus is altijd goed, maar je moet ook bedenken waar je de focus legt. In de partnerschappen hebben we in de breedte een focus aangelegd als het gaat om de landen, maar hier gaat het over de versterking van het maatschappelijk middenveld. Dat is lastig te definiëren. Dat gaat over lage-, midden- en hogere-inkomenslanden. U noemt zelf Midden-Amerika. Je kunt denken aan de BRIC-landen; daar valt India ook onder. Maar als er ergens een grote kloof is tussen arm en rijk of tussen kwetsbare groepen, dan is het wel in India. Het is dus heel lastig om dat met een schaartje te knippen. Het aantal partnerschappen wordt van 25 naar 20 teruggebracht. Het was al beperkt tot 25; nu moet het nog weer verder worden teruggebracht tot 20. Ik betreur het zeer als we op deze route doorgaan.

Dan de laatste vraag, over het budget. We komen net uit de begroting van Defensie. We zien de internationale bedreiging, maar dat heeft niet alleen maar te maken met wapens of met de inzet van het Defensieapparaat. De instabiliteit in de wereld heeft tegelijkertijd te maken met armoede en klimaatvluchtelingen. Ik hoop dus dat we zowel bij Defensie als ook hier bij Ontwikkelingssamenwerking – maar daar zijn we beide ook verantwoordelijk voor en daar doen we ons best voor – zelfs nog gedurende deze kabinetsperiode geld kunnen bijplussen voor ontwikkelingssamenwerking.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Voordewind. Dan gaan we naar de dame naast u toe. Dat is mevrouw Van den Hul. Zij spreekt namens de PvdA.

Mevrouw Van den Hul (PvdA):

Dank u wel, voorzitter. Het maatschappelijk middenveld ligt onder vuur, soms heel letterlijk, zoals bij het verdrietige bericht over de moord op de Braziliaanse activist Paulo Guajajara, waar we ook gezamenlijk vragen over hebben gesteld. Minder letterlijk maar niet minder ernstig is de dreigende uitzetting van Human Rights Watch-directeur Omar Shakir door Israël, of de arrestatie en marteling van activist Alaa Abdel Fattah in Egypte. Zoals de Minister terecht schrijft in haar brief is de rol van maatschappelijke organisaties, vakbonden en activisten de afgelopen jaren in toenemende mate doelbewust ingeperkt door overheden. Wat betreft de vragen over de aanbevelingen van de IOB sluit ik me graag aan bij collega Diks.

In het nieuwe beleidskader voor Power of Voices wil de Minister extra aandacht voor lokale zeggenschap. Dat zie ik als een positieve vervolgstap op de versterking en het serieus nemen van zuidelijke organisaties, die door mijn voorganger Van Laar is ingezet. Eerder zagen we wel enkele struikelblokken, omdat voorwaarden vaak zwaarwegend zijn. Hoe kijkt de Minister hiertegen aan? Ziet zij ook voor zichzelf en haar posten een rol om zuidelijke organisaties aan te moedigen en daarbij te ondersteunen?

Voorzitter. Wat minder hoopvol stemmen de zeven thema's die de Minister ons afgelopen maandag deed toekomen. Klopt het dat een aanvraag zich moet beperken tot één thema? En als dat het geval is, hoe zorgt de Minister dan alsnog voor coherentie? Hoe verhoudt zich dat tot de SDG-agenda? Die is juist bij uitstek integraal en verbindend tussen verschillende beleidsterreinen. Gendergelijkheid is ook zo'n cross-cutting thema. Hoe stuurt de Minister binnen de andere thema's aan op de integratie van een genderlens, en hoe wordt daarover gerapporteerd?

Als we even uitzoomen, ben ik ook benieuwd waarom de Minister voor deze thematische aanpak kiest. Wat maakt dat de Minister dit toch succesvolle programma zo fundamenteel op de schop neemt? En vooral: hoe is de keuze voor deze verschillende thema's tot stand gekomen? Heeft de Minister hierover ook contact gehad met betrokken ngo's? En wederom: hoe verhouden die thema's zich tot onze SDG-doelstellingen, die de basis vormen voor onze inzet, zoals we ook lezen in de brief van de Minister?

Het is van fundamenteel belang dat er ook voldoende ruimte is om kritisch te kijken naar Nederlands overheidsbeleid. Ik denk dan aan thema's als beleidscoherentie, handelsverdragen en belastingontwijking. Kan de Minister toelichten wat het thema verduurzaming waardeketens inhoudt? Dekken we daarmee ook interventies ten behoeve van bijvoorbeeld eerlijke handel en de naleving van de OESO-richtlijnen? Ook horen wij in het veld zorgen over de aanscherping van de regio's en landen waar de programma's worden uitgerold. Kan de Minister garanderen dat aanvragen onder Power of Voices nog steeds worden beoordeeld op basis van kwaliteit, impact en focus? En wat betekent dat voor aanvragen uit niet-focuslanden? Hoe worden die beoordeeld? Hoe kansrijk is zo'n aanvraag eigenlijk, en wat is dan het afwegingskader? En waarom is er voor de thema's klimaatmitigatie en -adaptatie en verduurzaming waardeketens wel de mogelijkheid geboden om ook buiten de focusregio's te opereren, en in andere programma's niet?

Voorzitter. Nederland heeft wereldwijd gelukkig nog steeds een leidende rol als het gaat om gendergelijkheid, vrouwenrechten en lhbti. Zou om die reden niet ook op deze thema's de reikwijdte breder moeten zijn dan de focusregio's? Kan het zo zijn dat we als gevolg van deze aanpassing straks bewezen goedlopende programma's gaan stoppen, omdat we onze focus gaan verleggen? Dat lijkt me niet alleen zeer onwenselijk, maar ook kapitaalvernietiging. Wat betekent dat bijvoorbeeld voor lhbti-activisten in Uganda of Indonesië of voor vrouwenrechtenverdedigers in Zuid-Amerika, waar de actualiteit helaas allesbehalve hoopvol stemt?

Nog even terugkomend op de rol van zuidelijke organisaties: we zien dat het aantal partnerschappen wordt beperkt en dat daarmee de budgetten per partnerschap groeien. Hoe zorgt de Minister ervoor dat ook kleine grassrootsorganisaties voldoende toegang houden en de schaalvergroting geen onneembare drempel wordt? En hoe zorgt de Minister dat ook diasporaorganisaties hier toegang houden tot ondersteuning?

Dan de rol van lokale overheden en posten. Wij pleiten hier al langer voor imvo-attachés op de posten en voor een Europees shrinking space early warning system. De heer Bouali refereerde daar al aan. We werken op dat punt ook graag met hem samen. De Minister zag daartoe eerder helaas geen mogelijkheden. Mijn vraag is: wat kunnen we wel doen om nu meer grip te krijgen op de verontrustende ontwikkelingen? Nu we de programma's toch op de schop gooien, kunnen we wellicht ook kijken naar de rol van de posten, te beginnen met inzichtelijk krijgen welke rol zij nu precies spelen ten aanzien van shrinking space en imvo. Dat staat wellicht ook in het jaarplan of elders in de communicatie richting Den Haag.

Voorzitter, tot slot. Onlangs bracht de SER een zeer interessant en lezenswaardig advies uit genaamd Kansen pakken en risico's beheersen. Ik heb het hier voor me liggen. Hierin wordt onder meer gepleit voor meer inzet op imvo-diplomatie, maar ook uitdrukkelijk voor het investeren van de versterking van het maatschappelijk middenveld in productielanden met een governancetekort, ook als die landen geen OS-relatie hebben met Nederland. We kijken dan ook uit naar de reactie van de Minister op dit punt.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan gaan we naar mevrouw Kuik namens het CDA.

Mevrouw Kuik (CDA):

Dank u, voorzitter. Het middenveld staat wereldwijd onder druk. Overal ter wereld is er sprake van toenemende onrust. Juist het werk van mensen die een ander geluid laten horen, mensen die misstanden aan de kaak stellen en mensenrechten adresseren, lijkt meer dan ooit nodig. Maar juist voor deze mensen neemt de bewegingsruimte af. Volgens de site Aid Worker Security zijn er in 2018 405 mensen gestorven. Dat is waarschijnlijk nog maar een fractie van totale aantal slachtoffers. Het is dus heel goed dat ook dit kabinet zich inzet voor het maatschappelijk middenveld en projecten overal in de wereld stimuleert en financiert. Het kader Tegenkracht is als zodanig uniek in de wereld.

Voorzitter. Ik heb mij wel enigszins verbaasd in de aanloop naar dit AO. Pas maandag is de brief gekomen en het uitblijven van die brief heeft voor onrust gezorgd. Onrust is op zichzelf natuurlijk niet erg, maar wel voor organisaties die hier deels en soms zelfs geheel van afhankelijk zijn. Het gaat om het middenveld dat programma's uitvoert die betrekking hebben op mensen. Ik zou dan ook eerst van de Minister willen horen waarom dit allemaal zo lang heeft geduurd. Ik zou ook graag de garantie krijgen van de Minister dat organisaties niet in de problemen komen door het opschuiven van de deadline voor het indienen van projecten. De brief was rijkelijk laat en de subsidiekaders zijn er ook nog niet. In feite kunnen de organisaties nu dus nog niet gericht werken aan projectaanvragen.

Dan de punten waarop we veel terugkoppeling hebben gekregen. Laat ik beginnen met de inzet op focusregio's. Mijn fractie onderstreept de inzet van de Minister om deze focus aan te brengen. In het regeerakkoord hebben we besloten dat er meer focus moet komen in het Nederlandse OS-beleid. De Minister heeft dit in haar beleidsnota ook geconcretiseerd. Maar dat betekent wat mijn fractie betreft natuurlijk niet dat programma's abrupt worden afgesloten en dat succesverhalen niet worden voortgezet. In de beleidsnota staat ook dat uitzonderlijke Nederlandse expertise in de hele wereld moet kunnen worden ingezet. Biedt de Minister hier ook ruimte voor en in hoeverre is er sprake van beleidscoherentie met de EU en andere grote internationale spelers?

Dan de thema's. Ik wil dat het middenveld zich bezighoudt met belangrijke thema's als de bestrijding van mensenhandel, de bestrijding van seksuele uitbuiting, de positie van meisjes, gelijke rechten, perspectief voor jongeren, goed bestuur en persvrijheid, en dan mis ik er nog wel een paar. Juist binnen deze thema's kan het middenveld door in de haarvaten van de samenleving te zitten grote toegevoegde waarde hebben. Kan de Minister aangeven of deze onder de benoemde thema's vallen? Ook zou ik graag willen weten hoe de Minister tot de zeven thema's is gekomen. Kunnen hier nog thema's aan worden toegevoegd? Ik wil verder ook graag weten of bijvoorbeeld de behoeften van mensen met een beperking hieronder vallen.

Waarom mogen organisaties maar op één thema inzetten? Mevrouw Van den Hul zei het ook al: juist integraliteit en coherentie zijn van belang, want SDG's hangen met elkaar samen. Een aandachtspunt is natuurlijk ook wat er in de regio nodig is in plaats van wat wij hier in een top-downbenadering bedenken.

In de brief van 4 november wordt ook aangegeven dat er gedacht wordt aan maximaal twintig partnerschappen. Waarom is er een keuze gemaakt voor een cap en waarom is kwaliteit niet leidend? Kan de Minister dat toelichten?

Ten slotte de rol van het postennetwerk bij het versterken van het middenveld. Ik zou graag beter inzichtelijk willen hebben wat ambassades daarvoor precies kunnen doen en welke middelen ze daarvoor hebben. Zou de Minister de Kamer hierover voor de begrotingsbehandeling kunnen informeren?

Tot zover.

De voorzitter:

Dank u wel, mevrouw Kuik. Vier minuten en dat is dus mooi binnen de tijd. Wij houden zelfs tijd over voor een vlammende interruptie van mevrouw Van den Hul.

Mevrouw Van den Hul (PvdA):

Of die vlammend is laat ik graag aan ieders beoordeling. Vlammend na meer dan twaalf uur OCW-debat? Ik weet niet of dat er nog in zit.

Ik zou mevrouw Kuik willen vragen hoe zij überhaupt kijkt naar die thema's. Ik hoor dat zij daar vragen over heeft, maar zou er ook een scenario denkbaar zijn dat we die thema's helemaal loslaten en dat we hierop veel meer interdisciplinair en veel meer rechtstreeks gelinkt aan de SDG-agenda insteken?

Mevrouw Kuik (CDA):

Ik heb hier echt vragen over, want ik wil weten waar die thema's vandaan komen, wat de gedachte erachter is en hoe rigide het is. Dat is voor mij wel van belang. Is er veel flexibiliteit nodig en is dit een focus in het thema? Maar als je leest dat thema's niet gecombineerd kunnen worden, dan heb ik daar wel mijn vraagtekens bij. Hoe is dit nou precies bedoeld? Daarvoor heb ik meer tekst en uitleg nodig.

Mevrouw Van den Hul (PvdA):

Ik denk dat wij die zorgen delen. Ik heb die vragen ook gesteld, vooral ook over beleidsoverstijgende issues. Iets als gender hoor ik graag bij al die thema's terugkomen. Maar ik heb ook de zorg dat je organisaties zo in een keurslijf dwingt, terwijl het hele versterken van het maatschappelijke middenveld er nu juist op gericht zou moeten zijn dat organisaties zelf de ruimte krijgen om kritisch te reflecteren op de samenlevingen waarin zij zich bewegen. Deelt mevrouw Kuik die inschatting en onderstreept zij ook het belang van juist het versterken van de autonomie van het maatschappelijk middenveld?

Mevrouw Kuik (CDA):

We zitten pal naast elkaar en dan is het heel bijzonder debatteren. Ik ben het er volledig mee eens dat we helder moeten krijgen hoe rigide dit is. Je wil juist ook acteren daar waar er nood is en waar je kan leveren wat men in een bepaalde regio of in een bepaald land nodig vindt en niet wat wij denken dat nodig is.

De voorzitter:

Oké. Dan gaan we naar de heer Alkaya van de SP.

De heer Alkaya (SP):

Voorzitter. Ik begin mijn inbreng met net als alle andere fracties te zeggen dat maatschappelijke organisaties wereldwijd onder druk staan. Volgens mij zegt het kabinet dat ook en het is mooi dat we het er in ieder geval met de partijen die hier zitten, over eens zijn dat dit problematisch is.

In veel meer landen worden helaas belemmeringen opgeworpen voor organisaties van burgers die opkomen voor een legitiem belang in de samenleving. In 111 landen worden de vrijheden van vereniging, vergadering en meningsuiting ernstig ingeperkt. Soms gaat dat op een subtiele manier door ze te negeren, te marginaliseren of door de financiering stop te zetten, maar soms gebeurt dat door zelfs openlijk geweld te gebruiken en te intimideren. Het is een teken van beschaving als in een land maatschappelijke organisaties gehoord, geholpen en betrokken worden. Dat de ruimte voor dit soort organisaties wereldwijd afneemt, laat dan ook zien dat de beschaving aan het afnemen is in de wereld.

De reactie op de jarenlange globalisering onder leiding van neoliberale politici en multinationals is er helaas vaak eentje van intolerantie voor afwijkende geluiden en onderling wantrouwen in de samenleving. Maatschappelijke organisaties worden aan banden gelegd, zodat zij zich niet kunnen organiseren als tegenmacht tegen het systeem en dat is vaak een symptoom van onderdrukking. Onderdrukking komt niet alleen voort uit intolerante politici en overheden, maar vaak ook door bedrijven, door grote multinationals, en vaak juist bij afwezigheid van een sociale overheid die burgers beschermt.

Met de hele commissie hebben wij in Colombia kunnen zien hoe maatschappelijke organisaties daar met gevaar voor eigen leven opkomen voor minderheden, voor onderdrukte boeren, voor landarbeiders, voor vrouwelijke slachtoffers van het geweld daar en voor mensen die er alleen maar schuldig aan zijn dat zij houden van iemand van hetzelfde geslacht. Wij hebben daar gezien dat paramilitaire groepen wekelijks een aantal mensenrechtenverdedigers doodschieten. Arbeiders die het lef hebben om lid te zijn van een vakbond, worden geliquideerd. En als er dan rechtszaken tegen die paramilitaire groepen komen, zijn er vaak ook multinationals bij betrokken. Vaak zijn die paramilitaire groepen zelfs ingehuurd door de multinationals. Dat is vaak het verwijt en dat is natuurlijk ernstig.

Na ons bezoek heeft onze ambassade aan de Colombiaanse autoriteiten aangegeven dat het belangrijk is dat de veiligheid van die maatschappelijke organisaties gegarandeerd is. Dat is mooi, maar heeft de Minister in haar beleid wel genoeg aandacht voor dit soort schendingen van mensenrechten door multinationals en paramilitaire groepen en dus niet alleen voor overheden? Erkent de Minister dat het opkomen voor maatschappelijke organisaties niet alleen betekent dat je overheden aanspreekt op hun verantwoordelijkheid om ruimte te geven aan die organisaties en dat je ze steunt, maar dat het ook betekent dat je ze beschermt tegen geweld?

Dat in algemene zin over het onderwerp. Daarnaast heb ik nog drie specifieke vragen over de samenwerking van de regering met maatschappelijke organisaties, hier in Nederland en wereldwijd. Allereerst een vraag over de tenders waarmee de organisaties worden uitgekozen. Het lijkt erop dat de onderlinge concurrentie tussen organisaties kan leiden tot overmatige fixatie op rapporteren. De collega van de ChristenUnie wees er al op. De Inspectie Ontwikkelingssamenwerking Beleidsevaluatie beveelt daarom aan om op zoek te gaan naar andere manieren van selectie en financiering. Het kabinet gaat hier ook op in en geeft aan dat het hiernaar op zoek zal gaan. Ik vraag de Minister om dat toe te lichten. Aan wat voor manieren denkt zij dan en hoe gaat het parlement hierover geïnformeerd worden?

Daarnaast heb ik een vraag over de Power of Voices Partnerschappen. In haar brief staat dat het aantal partnerschappen door de gekozen thematische focus teruggebracht zal worden naar maximaal twintig. Welke partnerschappen zullen verdwijnen, vraag ik aan de Minister. Is dat al bekend? Hoe gaat zij de beoordeling daarvan doen? Gaat zij daarbij ook rekening houden met de impact en kijkt zij niet alleen maar of het past binnen het kader? Hoe flexibel is dat kader?

Even heel specifiek over de interpretatie. Er staat: verduurzaming van waardeketens. Bedoelt de Minister echt verduurzaming in brede zin, dus people, planet en profit? Bedoelt zij dus niet alleen maar vergroening en richt zij zich dus ook op de sociale aspecten in die waardeketens?

Ten slotte over de zogenaamde focuslanden. De Minister wil haar inzet vooral richten op focusregio's uit haar beleidsnota. Zoals ik in een interruptiedebat met D66 al aangaf: het lijkt erop dat het vooral de regio's zijn waarin het Nederlands belang het grootst is. Het blijft nu onduidelijk of maatschappelijke organisaties in andere regio's ook kunnen blijven vertrouwen op steun uit Nederland, ook al doen ze nuttig werk. Neem een land als Chili, waar ook op is gewezen. Daar staat de bevolking op tegen corruptie en ongelijkheid. Maatschappelijke organisaties spelen daar vaak een belangrijke rol in. Artikel 90 van onze Grondwet zegt: «De regering bevordert de ontwikkeling van de internationale rechtsorde.» Nederland is een van de weinige landen die dit in de Grondwet heeft staan. Maatschappelijke organisaties dragen daaraan bij. Een sterke geografische focus past niet bij dit artikel in onze Grondwet. Kan de Minister dus toelichten hoe flexibel zij hierin is, en wat de verdeling van middelen zal zijn over de focusregio's enerzijds en de andere landen anderzijds?

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Alkaya. Een vraag van de heer Bouali.

De heer Bouali (D66):

Ik wil toch wel wat verheldering van de heer Alkaya over het bedrijfsleven. U zet het bedrijfsleven weg als een soort eng, groot monster aan de andere kant. Ik snap heel goed dat er bedrijven betrokken zijn bij mensenrechtenschendingen. In Colombia hebben we dat kunnen zien. Dat moet je natuurlijk aanpakken. Maar er zijn ook heel veel bedrijven, ook multinationals, die gezamenlijk met ons en civilsocietyorganisaties kijken hoe we de wereld een beetje beter kunnen maken, door bijvoorbeeld internationaal maatschappelijk verantwoord ondernemen hoog op de agenda te zetten. Ik hoop dat u dat onderscheid maakt en multinationals en het Nederlandse en internationale bedrijfsleven niet alleen maar als één grote boze boeman wil wegzetten.

De heer Alkaya (SP):

Zeker, er zijn ook bedrijven die goede zaken doen, maar dat doen ze vaak onder druk van maatschappelijke organisaties, van vakbonden of van overheden die met wetgeving komen. Bedrijven die in landen zonder sterke vakbonden, zonder sterke overheid en zonder beschermende wetten vanuit een intrinsieke motivatie alleen maar goed bezig zijn, zijn op één hand te tellen. Dat zijn vaak bedrijven die wel onder druk staan, omdat het moederbedrijf in een land staat waar de vakbonden en overheid wel sterk zijn. Daarom vraag ik hier aandacht voor de aanwezigheid van een sterke overheid en sterke vakbonden, die tegenmacht kunnen bieden aan multinationals. Deze multinationals richten bij afwezigheid van dat soort tegenmachten heel veel misstanden aan. Dat gaat niet om alle bedrijven, maar ik wil niet helemaal met D66 meegaan en de suggestie wekken dat er alleen bij uitzondering misstanden worden begaan. Het is onderdeel van een systeem, waarin de afwezigheid van vakbonden en de overheid bijna automatisch leidt tot misstanden bij dat soort bedrijven.

De heer Bouali (D66):

Wij verschillen daarover van mening, want dat automatisme zie ik niet altijd meteen. U was gisteren ook aanwezig bij het CETA-overleg, over een handelsverdrag met een belangrijk, gelijkgezind land. U bent tegen dat verdrag. Daar noemde een van de sprekers het voorbeeld van een meneer die een bedrijf begonnen was en die uiteindelijk vanuit zichzelf goeie projecten in Ethiopië deed. U bekijkt het altijd van een zwarte kant. U ziet aan die kant veel gevaar. Volgens mij gaat het inderdaad om bedrijven, mensen en overheden. Daarom zijn samenspraak en tegenspraak ook belangrijk. Maar ik ga niet mee met uw verhaal dat het bedrijfsleven één groot gevaar is en deze hele wereld ten gronde richt.

De heer Alkaya (SP):

Een korte reactie. Ik zeg niet dat er geen bedrijven zijn die goede dingen doen. Ik zeg alleen dat er bij afwezigheid van tegenmacht geheid een bedrijf zal zijn dat daar misbruik van zal maken. Dus daarom is het belangrijk om tegenmacht te organiseren, ofwel door de overheid, ofwel door maatschappelijke organisaties.

De voorzitter:

Dank u wel. Ik geef het voorzitterschap even over aan de heer Bouali, die de volgende spreker het woord gaat geven.

Voorzitter: Bouali

De voorzitter:

Dank u wel. Dat doe ik met heel veel plezier. Ik geef nu het woord aan de heer Arne Weverling van de VVD voor zijn inbreng.

De heer Weverling (VVD):

Dank u wel, voorzitter. «Minder Pretentie, Meer Realisme.» Het had zo een verkiezingsslogan van de VVD kunnen zijn, maar dat is het niet. Het is de titel van het rapport dat de IOB-ambtenaren van de Minister over het subsidiebeleid van de afgelopen jaren hebben geschreven. Het rapport is zeer kritisch over de manier waarop wij in de afgelopen jaren subsidiegeld hebben gegeven aan ngo's. Er wordt een beeld geschetst van ngo's die elkaar in de strijd om subsidiegeld de tent uit vechten. Aangedikte resultaten leiden tot een papieren werkelijkheid, waarin resultaten niet kritisch worden beoordeeld.

Onder deze omstandigheden gaan wij nu 1,5 miljard belastinggeld uitgeven aan het maatschappelijk middenveld. Dat is een enorme smak geld. Ik deel de mening van de Minister dat een sterk maatschappelijk middenveld van belang is, bijvoorbeeld bij het aanpakken van de grondoorzaken van migratie. Ik ben dus niet tegen het doel van de Minister. Laat dat duidelijk zijn. Maar wij zijn het aan de Nederlandse belastingbetalers verplicht om te verantwoorden of hun geld aan de juiste dingen en op de juiste manier besteed wordt.

Voor de VVD zijn drie zaken van belang bij publieke uitgaven, dus ook bij die aan ontwikkelingssamenwerking: transparantie, doelmatigheid en verantwoording. Langs deze meetlat heb ik de aanstaande uitgaven van 1,5 miljard gelegd. Dan valt één ding op: het plan van de Minister doet weinig met de oproep voor minder pretentie en meer realisme. Het rapport bevat vier duidelijke aanbevelingen: minder fragmentatie, een focus op concrete resultaten, betere monitoring en alternatieve financieringsvormen.

Ik wil met het eerste punt beginnen. Het rapport hekelt de grote versnippering aan activiteiten en pleit voor een consistente geografische focus. Dat is sinds jaar en dag de analyse van de VVD. Het staat ook zo in het regeerakkoord. In haar beleidsreactie op het rapport wil de Minister alleen toezeggen dat het subsidiegeld «voor een belangrijker deel» naar focusregio's zal gaan. Dat is bij lange na niet concreet genoeg en doet geen recht aan de oproep in het IOB-rapport. Hoe is de Minister van plan dit verder te concretiseren? Is zij bereid om concrete doelstellingen te geven over hoeveel geld in focusregio's moet worden besteed? Is de Minister het met mij eens dat eerst gekeken moet worden of een project in een focusregio valt voordat de verdere inhoud aan bod komt? En kan zij uitleggen waarom Nederlands belastinggeld uitgegeven zou moeten worden aan projecten in hoge-middeninkomenslanden zoals China?

Over de focus op concrete resultaten is het rapport heel helder: we moeten kijken naar de resultaten die bereikt zijn in plaats van naar wat de inspanning is geweest, dus meer outcome in plaats van alleen de output. Kan de Minister toelichten hoe deze duidelijke aanbeveling van het rapport vorm moet krijgen in de nieuwe subsidieronde? Welke toezeggingen is zij bereid te doen ten aanzien van de aanbeveling om bij subsidietenders heldere doelstellingen op outcome te formuleren?

Dan de betere monitoring en de manier van financieren. De conclusies van de IOB hierover zijn ontluisterend. Volgens het rapport wordt een papieren werkelijkheid gecreëerd omdat gesubsidieerde organisaties hun resultaten aandikken. Ik heb begrip voor de moeilijke omstandigheden waarin sommige organisaties moeten opereren – laat dat duidelijk zijn – maar als wij de uitgaven willen kunnen controleren, moeten we op de gerapporteerde resultaten kunnen vertrouwen. Welke concrete eisen gaat de Minister stellen aan de eindevaluaties van ngo's? Kan zij meer duidelijkheid geven over haar inzet op monitoring en evaluatie voordat er subsidie beschikbaar gesteld wordt? Hoe kunnen de ambassades op locatie een meer controlerende rol krijgen? En welke consequentie verbindt zij aan het feit dat sommige organisaties hun resultaten aandikken? Kunnen die wat haar betreft nog wel subsidie ontvangen?

De heer Voordewind (ChristenUnie):

We weten dat de VVD geen enthousiaste aanhanger is van ontwikkelingshulp. Ze wilden 1,5 miljard bezuinigen in hun verkiezingsprogramma. Ik begrijp de kritische toon ook nog wel, maar ik wil die ook recht doen. De heer Weverling baseert zich op een IOB-evaluatie, maar ik wil hem erop wijzen dat die evaluatie ging over de rechtsorde en veiligheid. Dat is een specifiek onderdeel van het maatschappelijk middenveld, ook nog eens een keer gericht op chronische crisisgebieden. Heeft hij in ogenschouw genomen dat hij niet alle conclusies zomaar een-op-een op alle projecten en partnerschappen voor het maatschappelijk middenveld kan toepassen?

Twee. De heer Weverling zegt dat er meer outcome moet komen. Dat begrijp ik; het is ook een van de conclusies. Maar de Minister en het IOB-rapport zeggen ook: daar moeten we eens naar gaan kijken, want misschien moeten we de OS-organisaties elkaar niet kapot laten concurreren en moeten we naar een andere vorm van financiering. Is hij dat met de Minister eens?

De heer Weverling (VVD):

Wij stellen de uitgave die voorligt niet ter discussie. Wij vinden het wel van belang dat er draagvlak blijft voor de uitgaven. We moeten dus weten welke impact de inzet die gepleegd wordt heeft, met welke resultaten. Natuurlijk is dat niet helemaal achter de komma duidelijk te maken, maar het gaat om een cultuur waarin we dat met elkaar willen doen, om uiteindelijk draagvlak te houden in de samenleving. Meer focus betekent ook dat niet alles meer kan, dus moet je keuzes maken. Daarom vind ik eerlijk gezegd de titel van het rapport wel helder: liever zaken goed doen dan vele zaken voor de helft doen.

De heer Voordewind (ChristenUnie):

Ik had ook een concrete vraag gesteld over de financieringsvorm, waar de heer Weverling ook over viel. Hij zegt: de output is oké, maar we moeten naar de outcome, oftewel de impact van de programma's. Het waren trouwens conclusies gericht op de geëvalueerde projecten, niet op alle projecten. Daarover geeft de Minister een voorschotje. Ik ben dus wel benieuwd. We kunnen kritiek hebben op de bestedingen en op de aanbestedingen, maar we zitten hier ook om met elkaar oplossingen te bedenken. In welke richting denkt hij dan als hij de Minister vraagt om alternatieve financieringsvormen?

De heer Weverling (VVD):

Dat is een goede vraag. Daar heb ik, eerlijk gezegd, te weinig concreet beeld bij. Ik sta open om daar met u over na te denken. Wat zijn nou alternatieve mogelijkheden? In die zin is het gewoon interessant om te horen hoe daarover door het ministerie wordt gedacht.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan mevrouw Van den Hul van de Partij van de Arbeid.

Mevrouw Van den Hul (PvdA):

Op hetzelfde punt, voorzitter. We kennen dit standpunt van de VVD natuurlijk al langer. Het is op zich geen nieuw standpunt dat we goed moeten kijken naar de doelmatigheid. Ik denk dat we het ook commissiebreed eens zijn dat welke overheidsuitgaven dan ook altijd goed moeten worden gecontroleerd. Ik wil het beeld dat de VVD hier en al eerder heeft geschetst, wel iets nuanceren. We praten nu over maatschappelijke organisaties, organisaties die vaak opereren in een hele moeilijke context, denk aan een lhbti-organisatie in Uganda. Ik gaf dat voorbeeld net al, omdat daar gesproken wordt over het invoeren van doodstraffen. Dan praat je dus over een situatie waarin je niet als een ngo hier kan functioneren. Ik had het over een activist in Egypte, waar wetten zijn aangenomen die ervoor zorgen dat je niet eens meer geld kan ontvangen, omdat je geen geld mag ontvangen van een buitenlandse donor. Dan praten we dus over een context die zo anders is dan het perspectief hier in Nederland op hoe je bijvoorbeeld zou kunnen evalueren, dat het eigenlijk het vergelijken van appels en peren is. Ik zou de VVD willen vragen of de VVD dat ook meeneemt in haar afweging van wat outcome en wat een goede gedegen evaluatie is? Wij krijgen signalen dat voor kleine grassrootsorganisaties, zeker als die zich bezighouden met onderwerpen die raken aan de meest gemarginaliseerde groepen in de samenleving, die evaluatievoorwaarden soms zelfs een drempel zijn om toegang te krijgen tot financiering. We spreken dan over zulke kleine organisaties dat ... Nou ja, ik zei al dat die moeten opereren in zo'n ingewikkelde structuur dat dit al een drempel opwerpt. Is de VVD bereid om ook dat perspectief mee te wegen in haar beoordeling van wat een visie op succes is?

De heer Weverling (VVD):

Goed geformuleerd. Wat is een visie op succes? Dat kan je inderdaad op vele manieren interpreteren. Wij kijken hiernaar vanuit het perspectief dat wij 1,5 miljard Nederlands gemeenschapsgeld gaan besteden. En dat is, denk ik, ook het verschil in hoe wij naar de wereld kijken. Dat stel ik niet ter discussie, maar ik wil wel dat dat doelmatig gebeurt. Dus ja, dat zijn gewoon twee verschillende visies op hoe je naar deze portefeuille kunt kijken.

Mevrouw Van den Hul (PvdA):

Dat wij twee verschillende visies op deze portefeuille hebben, zal ik nooit bestrijden! Dat blijkt ook nu maar weer. De heer Weverling heeft mijn vraag daarmee nog steeds niet helemaal beantwoord. Is hij zich ervan bewust dat de lokale context vaak een drempel opwerpt voor de organisaties waar we het vandaag over hebben? Die drempels van operationele en infrastructurele aard zijn vaak zo groot dat voldoen aan sommige van die criteria lastiger is dan het soms lijkt vanuit onze Nederlandse luie stoel.

De heer Weverling (VVD):

ik snap dat die drempels vervelend zijn. We hebben ook een imvo-presentatie gekregen en toen heb ik een vraag gesteld over mkb-bedrijven. Die voelen ook dat er drempels zijn om zaken te doen, doordat ze moeten voldoen aan die SDG's. Ik vind dat je, wanneer je bijvoorbeeld waterpompen verkoopt in een land, al voldoet aan maatschappelijk verantwoord ondernemen, omdat die pomp nou eenmaal een middel is om in zo'n land een doel te bereiken. Dus ja, wij kijken daar gewoon anders naar, mevrouw Van den Hul.

De voorzitter:

Daarmee ronden wij deze discussie af. Ik geef het woord met veel plezier terug aan de heer Weverling.

De heer Weverling (VVD):

Ik wil nog even vijf regels zeggen, voorzitter.

De heer Bouali (D66):

Dan krijgt u van mij nog vijf regels om af te ronden.

De heer Weverling (VVD):

Ik zie dat ik zelf nog ruim een minuut heb!

Ik kom tot een conclusie. Als de Minister het advies van haar eigen ambtenaren serieus neemt, dan moet zij daar ook zeker naar luisteren. En dat advies is volgens mij glashelder: kies voor effectief en verdedigbaar beleid en minder pretentie en meer realisme. Daar is uiteindelijk iedereen mee gebaat.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Weverling. Ik geef u het voorzitterschap terug.

Voorzitter: Weverling

De voorzitter:

Dank u wel. Het is 12.58 uur. Wij schorsen tot 13.10 uur en dan gaan wij verder met de beantwoording door de Minister.

De vergadering wordt van 12.58 uur tot 13.12 uur geschorst.

De voorzitter:

Het is 13.10 uur geweest. We gaan verder, met uw welnemen. Ik geef graag het woord aan de Minister voor de beantwoording in eerste termijn.

Minister Kaag:

Hartelijk dank, meneer de voorzitter. Dank aan de Kamerleden voor de enorme interesse, de vragen, de kanttekeningen en de kritiek. Het is vandaag een bijzonder moment, omdat we voor een OS-bespreking een hele volle zaal hebben. Dat geeft ook de belangstelling en deelname van velen weer. Het komt helaas niet vaak meer voor dat we een volle zaal hebben bij OS. Ook dit sterkt mij. We zitten hier samen in, juist om het goede te bereiken – met steun, directe leiding en stem van het maatschappelijk middenveld vanuit Nederland met betrekking tot het globale Zuiden – om reële veranderingen teweeg te brengen, gestoeld op de SDG's en passend binnen het mensenrechtenframe, vooral en juist ook in deze tijd. Nederland heeft een mooie, trotse geschiedenis in dit kader.

Meneer de voorzitter. Ik wil eerst een algemene inleiding houden, ook gelet op de brede belangstelling. Dit verhaal is, denk ik, de moeite waard om ook nog even door mij verteld te worden. Dan ga ik door op een heel aantal vragen. Ik zal zo belichten welke thema's, welke kopjes ik zal gebruiken. Voor ik met mijn algemene inleiding van start ga, wil ik ook nog even de kanttekening maken dat dit voorstel van de regering voortkomt uit de «Beleidsnota Investeren in Perspectief» van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking. Het doet ook recht aan een aantal moties, van Bouali, Becker maar ook Van Haga, waarin wordt gevraagd om focus, verschuiving en complementariteit. Het maakt natuurlijk ook, zoals wordt verwacht, gebruik van de evaluatie en de studie, om te kijken hoe we het best een nieuw partnerschap kunnen inrichten.

Dit verklaart dat het, helaas, toch wat langer op zich heeft moeten laten wachten. We wilden de evaluatie en de studie, die pas in de eindfase van de besluitvorming beschikbaar waren, meenemen om recht te doen aan wat we hebben geleerd. Dan gaat het niet alleen om «less pretension, more realism», maar ook om andere informatie en kennis die beschikbaar zijn op het departement, op de ambassades en natuurlijk ook in gesprekken met ngo's. Dit vereist altijd een zorgvuldige afweging. Dat heeft de nodige tijd gekost, vooral van de ambtenaren, maar het kwam ook door de verschillende gesprekken. Dat was nodig om echt recht te doen aan de lessen die zijn geleerd en om daadwerkelijk aan de slag te gaan met de aanbevelingen. Dat betekent natuurlijk ook dat we kijken hoe we er het best invulling aan kunnen geven. Dat vergt balans. Balans is een afweging. Dat merk ik ook heel duidelijk uit de vragen, uit de verschillende invalshoeken en uit de additionele prioriteiten die vermeld worden. Maar als regering moeten we uiteindelijk keuzes maken. Als alles belangrijk is, is niets belangrijk. Veel aanvliegroutes, om het zo maar te noemen, zijn ook een middel om de SDG's breed gezien te bereiken.

Last but not least: de SDG-agenda. Nederland is heel actief op de SDG's 1,3 en 5, maar ook op de SDG's 16 en 17. We profileren ons niet op alle SDG's. Vanuit een coherentie, zoals ik ook herken in alle partnerschappen die we hebben met het maatschappelijk middenveld, kom je vanuit de theory of change, zo zeg ik ook voor alle professionals die hier in de zaal zitten, weer uit bij een uitwerking waarbij je vanuit één of twee SDG's het bredere pakket raakt en daadwerkelijk nastreeft.

Dit was mijn inleidende opmerking. Nogmaals wil ik het belang onderstrepen dat wij hechten aan de rol van maatschappelijke organisaties in het bereiken van rechtvaardigheid en gelijkwaardigheid binnen en tussen landen, waarbij het gaat om een samenleving waarin mensenrechten worden gerespecteerd en de menselijke waardigheid centraal staat, en dat alles gericht op het bereiken van duurzameontwikkelingsdoelen. Dit bereiken wij allen alleen met een sterk maatschappelijk middenveld, dat het maatschappelijk onbehagen vertegenwoordigt, vertolkt, kanaliseert en dat dus ook in positieve zin een effectieve rol speelt in de verkleining en op sommige punten hopelijk de totale verdwijning van de maatschappelijke problemen. We kunnen dat echter niet overal doen. En we kunnen dat ook niet op alle onderwerpen effectief doen. Dat kan nooit de bedoeling zijn. We hebben daarom weer keuzes gemaakt op thema's, op plekken waar we zullen pleiten en beïnvloeden, en op manieren om dat effectief te doen, om daadwerkelijk resultaat te bereiken. Dat gebeurt in samenhang met Buitenlandse Zaken als partner.

Zoals we weten – de voorbeelden zijn de revue ook al gepasseerd – is niet iedereen de mening toegedaan dat het maatschappelijk middenveld een rol van betekenis vervult. Sterker nog, het maatschappelijk middenveld wordt steeds meer als vijand behandeld en geïntimideerd. Mensenrechtenvertegenwoordigers en journalisten worden bedreigd of vermoord. Zie het trieste voorbeeld van vandaag. Ik sluit mij aan bij de condoleances daarvoor. Maatschappelijke organisaties worden gedwongen om hun deuren te sluiten. En de repressie van groeperingen en gemeenschappen neemt toe. Ik noem in het bijzonder de lhbti-rechten, maar ook religieuze minderheden. Het is afhankelijk van de situatie van een land wie of wat het meest onder druk staat, maar het komt altijd voort uit repressie. De onafhankelijke rol van maatschappelijke organisaties als pleiter en beïnvloeder blijft dan ook hard nodig. Ik denk dat de data ons altijd een goede spiegel voorhouden. Op dit moment leeft slechts 4% van de wereldbevolking in een land waar de fundamentele burger- en mensenrechten worden gerespecteerd. De uitdaging blijft dus enorm. En dat is nog eufemistisch gezegd, denk ik. Juist om die reden moeten we samen – ik herhaal: samen – slimmer en strategischer te werk gaan om resultaat en impact te boeken.

Meneer de voorzitter. Nederland is een van de weinige donoren die het maatschappelijk middenveld actief ondersteunen in zijn rol als pleiter en beïnvloeder. Ik wil nog even benadrukken, en dat is heel belangrijk, dat dit partnerschap puur gaat over pleiten en beïnvloeden, niet over alle andere zaken die we ook met het maatschappelijk middenveld doen in de uitvoering via andere kanalen. We worden dus ook genoemd en geroemd. Dat gebeurt al decennialang, dus ere wie ere toekomt, ook aan al mijn voorgangers. Nederland wordt door de OESO als voorbeeld voor andere donoren genoemd. Maar we moeten ook kijken wat we beter kunnen doen. Als wij een van de weinige koplopers zijn en als wij zelfs ook als voorbeeld worden genoemd, dan is het aan ons als koploper ook om te kijken naar verbetering en om die niet te schuwen.

In het nieuwe Beleidskader Versterking Maatschappelijk Middenveld hebben we de ervaringen met partnerschappen tot nu toe verwerkt. Een belangrijke les is dat we niet alles overal met iedereen kunnen doen. We kunnen ook niet alles zijn voor alle mensen overal te allen tijde. Dat is helaas zo. Daarom leggen we geografische en thematische accenten en zetten we in op vier S'en binnen de strategische partnerschappen. Dat zijn, zoals iedereen waarschijnlijk al goed weet: Samenspel, Samenhang, Slagkracht en Samenwerken. Samenspel duidt op de cruciale relatie tussen lokale zuidelijke organisaties en hun counterparts in Nederland. Ze hebben elkaar nodig, bouwen op elkaar en bouwen samen aan een nieuwe, betere toekomst. Wij willen vooral de zeggenschap en de capaciteit van lokale zuidelijke maatschappelijke organisaties versterken. Dat moet ook de inzet zijn van de organisaties in het Noorden. Hiermee worden veranderingen beter ingebed in de lokale context, waardoor impact wordt vergroot en resultaten beter beklijven, ook na ons – «ons» in collectieve zin – vertrek. Samenwerken in een partnerschap op basis van gelijkwaardigheid betekent dat we als partners zoeken naar complementariteit, met respect voor ieders rol en de autonomie van maatschappelijke organisaties. Het ministerie en de posten zijn ook een partner. Dat betekent niet, zo wil ik absoluut onderstrepen, dat we het met elkaar eens moeten zijn. In een partnerschap is gezonde tegenspraak nodig. Naast het verstrekken van financiële middelen zijn juist ook de posten en hun netwerken kanalen of conveyor belts voor het opschalen van resultaten. Er is dus een samenhang. Maar ik kom nog op Samenhang. Slagkracht duidt op de noodzaak om versnippering tegen te gaan. We doen minder projecten in minder landen. Maar bij een gelijkblijvend budget betekent dat grotere programma's kunnen worden geleverd en eventueel, en hopelijk, betere resultaten kunnen worden opgeleverd, vooral daar waar de nood groot is. Samenhang, tot slot. Ik kom nog op het punt van complementariteit, autonomie, tegenspraak et cetera en de vragen die daarover gesteld zijn.

De voorzitter:

We hebben even ruimte voor een interruptie. Mevrouw Van den Hul.

Mevrouw Van den Hul (PvdA):

De Minister had het over de rol van de posten. Komt ze daar later in haar betoog nog op terug? Dat is het geval, begrijp ik. Prima, dan houd ik mijn interruptie even voor mij.

Minister Kaag:

De vragen van de Kamerleden waren dusdanig helder dat ik durfde te anticiperen op waar de interruptie over zou gaan; in dit geval dan.

Samenhang duidt op de relatie tussen het werk van de maatschappelijke organisaties en het bredere BuHa-OS-beleid in landen. In samenhang met het landenbeleid, de posten en het ministerie ontstaat er een synergie tussen de programma's – dat is het doel – en kunnen en willen we proberen netwerken aan elkaar te koppelen, uit vrije keuze uiteraard, en kennis en kunde waar nodig, gevraagd en gewenst met elkaar verbinden. Zo kunnen we samen sneller en beter resultaat bereiken. Papier is geduldig, dat begrijp ik. Maar het daadwerkelijk bereiken van effectief samenspel, samenhang, slagkracht en samenwerking kunnen we niet overal. Dan komt altijd een van deze elementen in het gedrang. Wij moeten dus keuzes maken. We kiezen voor een focus op de regio's in de nota. Over de motie-Van Haga zijn we met uw Kamer overeengekomen dat er een verschuiving van middelen gerealiseerd zal worden in deze kabinetsperiode. Maar er blijft ruimte bestaan buiten de regio's voor het maatschappelijk middenveld, vooral waar dat onder druk staat. Hier is het realiseren van synergie en resultaat vaak moeilijker, ook als je kijkt naar de presentie van Nederlandse posten. Wij kijken naar aanvullend werk in de focusregio's maar wij kijken ook naar de mogelijkheid van inzet in andere landen, al is die mogelijkheid door de keuzes beperkter dan voorheen.

Ik kom nu bij de partnerschappen zelf. Onderdeel van het beleidskader is Power of VoicesPartnerschappen, de opvolger van Samenspraak en Tegenspraak. Om fragmentatie zo beperkt mogelijk te houden, hebben we gekozen voor een aantal thema's waarvan wij denken dat een partnerschap gericht op bepleiten en beïnvloeden effectief kan zijn en ook hard nodig is. U kent de thema's: klimaatmitigatie en -adaptatie – dit is een grote Nederlandse en internationale prioriteit – verduurzaming van waardeketens, voedselzekerheid, duurzaam waterbeheer en off wash, watersanitatie en hygiëne, vrijheid van meningsuiting of vrijheid van religie en levensovertuiging – dit was een vraag van de heer Voordewind – gelijke rechten van lhbti's, veiligheid en rechtsorde, vrouwenrechten en gendergelijkheid. Ik ben me ervan bewust dat dit niet alle thema's van de nota omvat, maar we hebben prioritaire thema's gekozen waar ook nog andere financieringsinstrumenten open voor staan. Ik kom hier nog op terug.

Nederland staat natuurlijk pal voor vrouwenrechten en gendergelijkheid en zal dit blijven steunen. In een wereld van toenemend conservatisme is dit ontzettend belangrijk; nog meer dan voorheen, zou ik zeggen. Al onze opvattingen worden tegengewerkt. U heeft het gezien bij de discussies over SRGR in de marge van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties. Het nieuwe beleidskader maakt dit ook mogelijk via de Power of VoicesPartnerschappen, alsmede via het SDG 5-fonds. Dat is vernoemd naar een duurzameontwikkelingsdoel. Het streven naar gelijkwaardigheid tussen de seksen en empowerment, zoals dat heet, van vrouwen en meisjes is hierin vastgelegd. Daarmee wordt dit een van de grootste fondsen ter wereld op het gebied van vrouwenrechten en gendergelijkheid. Ik denk dat we dit met elkaar kunnen vieren, want dit biedt enorm veel kansen voor heel veel Nederlandse maatschappelijke organisaties om hieraan te werken. Verandering in een samenleving vindt juist plaats via het realiseren van gendergelijkheid en vrouwenrechten. Veel andere SDG's zijn hieraan gerelateerd.

Gezien het grote belang van dit onderwerp, blijf ik ook in het nieuwe kader lobby and advocacy-activiteiten op het gebied van seksuele en reproductieve rechten steunen. Dit is een uitbreiding en een voortzetting van het beleid onder mijn voorgangster Liliane Ploumen, getiteld SheDecides. Dit is altijd al een prioriteit van Nederland geweest.

Meneer de voorzitter, ik rond mijn introductie af. Ik beschouw een krachtig maatschappelijk middenveld als een onmisbare steunpilaar voor de democratie. Het is noodzakelijk voor het bereiken van de duurzameontwikkelingsdoelen en onmisbaar in de strijd tegen ongelijkheid en armoede. Alle programma's onder het nieuwe beleidskader richten zich op het versterken van het maatschappelijk middenveld. Dat is uniek. Het is een erkenning van de autonome rol en de meerwaarde van maatschappelijke organisaties.

Ik ga nu graag door met de specifieke vragen die gesteld zijn.

De voorzitter:

Doet u dat per woordvoerder? Of doet u dat per thema?

Minister Kaag:

Dank. Ik wilde net zeggen dat ik het per thema ga doen. Ik heb kennelijk een kopje thema's, maar ik begin met geografische focus, dan het thema autonomie, het thema continuïteit, de IOB-evaluatie over de wederopbouw, de rol van de posten en ambassades. Dan zijn er nog tal van vragen die thematisch geordend zullen zijn: het thema ChristenUnie ... Ik bedoel: ChristenUnievragen. De ChristenUnie is altijd een goed thema, daarom permitteer ik me deze categorisatie ook, voorzitter. Vervolgens gender, civic space. Dan hebben we nog het thema thema's. Ik zal even kijken of dat beter georganiseerd kan worden, maar misschien is het allemaal met elkaar verbonden. Vervolgens is er nog een thema diversen.

De voorzitter:

Oké. Nou, we hebben tot drie uur, dus ga uw gang.

Minister Kaag:

We houden de spanning voor het thema ChristenUnie erin en ik begin met de geografische focus. Terecht is gevraagd waarom we in dit kader inzetten op landen in de focusregio's en de landen waar Nederland een OS-relatie mee heeft. Ik wil meteen ontkrachten dat wordt uitgegaan van een migratiebeperking et cetera, et cetera. Het regeerakkoord is duidelijk, net als de BuHa-OS-agenda. Het gaat om grondoorzaken van armoede, om de gevolgen van klimaatverandering en ook irreguliere migratie wat mijn inzet van OS-middelen betreft. Dat heeft te maken met mensensmokkel, humane behandeling, capaciteitsopbouw en ook terreur en radicalisering. Maar wij blijven zuiver in de integraliteit van de nota. Ik heb al benoemd dat dit een uitwerking is van de nota en de motie-Becker/Bouali van 28 juni 2018 en de motie-Van Haga uit november of december 2018. Wij hebben gekeken waar Nederland een verschil kan maken. Een beperkte inzet buiten de landen in de focusregio's blijft echter nodig. Het gaat er echt om waar impact gerealiseerd kan worden. Met beperkte inzet blijft het ook mogelijk om nationaal, regionaal en internationaal verbinding en samenwerking tussen maatschappelijke organisaties tot stand te brengen. In de beoordeling is de kwaliteit van de voorstellen leidend. Daarbij wordt een ietwat zwaardere weging toegekend aan de inzet in focusregio's en in de overige landen die in de BuHa-OS-nota worden genoemd en waar Nederland een OS-relatie mee heeft. De thema's klimaatmitigatie, -adaptatie en verduurzaming waardeketens, die ook genoemd worden als prioriteit, zijn in het bijzonder grensoverschrijdend en specifiek qua karakter. Ze kunnen in alle landen worden ingezet: lage-, midden- en hoge-inkomenslanden. Klimaat is namelijk een global public good en waardeketens bijvoorbeeld bevinden zich voornamelijk in Azië. Het is dus afhankelijk van het thema. Er is ook een aparte landenlijst: Afghanistan, Burundi, Colombia en een aantal andere landen worden ook genoemd in een subdoelstelling. Er is dus veel meer ruimte dan op het eerste oog misschien lijkt.

Dan nog een laatste opmerking, en dan geef ik het woord aan u, voorzitter. Hoe flexibel is het kader? Dat kan namelijk belangrijk zijn. Er wordt dus ingezet op focusregio's, maar wel met ruimte, al naar gelang de kwaliteit van het voorstel, de noden, de weging en hoe anderen erin zitten, hoe de post dit weegt. Hierin is een flexibele weging.

De voorzitter:

Ben ik? Dank u. Eerst mevrouw Van den Hul, die een interruptie had.

Mevrouw Van den Hul (PvdA):

Dit roept bij mij wel weer vervolgvragen op en leidt ook tot zorgen. In mijn inbreng zei ik al dat er veel zorg is in het veld naar aanleiding van de brief van afgelopen maandag. Ik snap die zorg ook. We lezen dat alleen de thema's klimaatmitigatie en verduurzaming waardeketens in midden- en hoge-inkomenslanden kunnen worden ingezet en andere thema's niet. Ik vraag de Minister om die afweging wat nader in te kleuren. Waarom deze twee wel en bijvoorbeeld een thema als gender niet, waarvan de Minister zelf concludeerde dat het nog steeds een heel relevant thema is, een thema dat wereldwijd onder druk staat, ook in midden- en hoge-inkomenslanden? Wat is daarvan de achtergrond? Kan zij ons meenemen in die weging? De Minister zegt dat er altijd nog een mate van flexibiliteit is, maar kan zij die flexibiliteit wat nader inkleuren? Wat kunnen organisaties verwachten? Hoe kansrijk zijn aanvragen van organisaties die niet helemaal binnen de hokjes kleuren? En ook: waarom deze keuze? Dat mis ik nog steeds in de toelichting.

Minister Kaag:

De keuze lijkt mij eigenlijk wel duidelijk. Twee dingen. Er zijn thema's die wij belangrijk vinden. Die vloeien voort uit onze internationale afweging. Klimaatadaptatie en -mitigatie is ontzettend belangrijk. Het is een van de vier grondoorzaken die worden genoemd in het regeerakkoord. Het staat helder in onze nota. Het is ook helder om coherentie en consistentie in je eigen beleid aan te brengen; dat koppel ik ook terug naar onze belastingbetaler. We kunnen niet een beleid richting VN of bilateraal voeren en daarbuiten ineens 50 andere thema's steunen. Wij hebben een weging gemaakt in de agenda van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking. Binnen de SDG's en mensenrechten zijn keuzes gemaakt. Die voeren we uit. Er is een zekere consistentie. Bij de Power of Voices gaat het over beïnvloeding en bepleiting. Dit is een van de kanalen, niet het ultieme, unieke. Dit is hét kanaal voor beïnvloeding en bepleiting. We weten dat klimaatadaptatie en -mitigatie iets mondiaals is.

Dan zijn er de waardeketens. Bij internationaal maatschappelijk verantwoord ondernemen kijk je naar Azië. Maar vanuit de agenda van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking gezien zijn er niet veel landen waarmee wij nog een directe ontwikkelingsrelatie hebben. Wij maken daar ruimte voor. Neem gender. We financieren ook UN-Women, Unicef, UNFPA. We doen genderactiviteiten via de Wereldbank. We doen het bilateraal. Het feit dat het niet in het beïnvloedings- en bepleitingspartnerschap zit qua land, wil niet zeggen dat het niet op een andere manier geraakt wordt. We kunnen gewoon niet reëel en resultaatbeogend de boterham zo dun besmeren en dan verwachten dat we opeens, op dezelfde manier, betere resultaten boeken. Dit is gewoon niet verdedigbaar. Ik denk dat het heel goed is en ook juist een mooie kans is voor organisaties uit het maatschappelijk middenveld om in dit nieuwe kader mee te werken en de uitdaging aan te gaan. Verandering is altijd pijnlijk, maar de voorspelbaarheid dat een organisatie een project kan indienen dat sowieso, ongeacht waar en met wie, gefinancierd wordt, past niet bij de professionele manier van werken in de 21ste eeuw. Dat verwacht ik ook niet, want de ngo's zijn top. Ze kunnen dit en ze kunnen dat ook heel goed.

Twee, en dan kom ik al op het kopje continuïteit; daar kom ik nog op, meneer de voorzitter, maar dit is een voorbode. Continuïteit betekent dat je organisaties ook laat groeien. Je hebt voorspelbaarheid, maar nooit honderd procent garantie dat je sowieso financiering kan en mag verwachten. Dat hoort daar niet bij. Als organisatie kun je ook kijken – en dat zullen ze ongetwijfeld al doen sinds het ngo-kader van destijds, heel vroeger, is losgelaten – naar het volgende. Er is een deelfinanciering van de Nederlandse overheid. Die kan ingezet worden in land A, B of C, want dat past bij de gezamenlijke prioriteiten. De EU heeft misschien een ander kader waar diezelfde ngo in wil meedingen. Dan zijn er ook nog financieringsmomenten via de VN of anderen. De ngo's hebben een aantal jaren geleden een hele zware transformatie meegemaakt tijdens kabinetten van een andere constellatie. Dat veranderingsproces hebben ze doorlopen. Ze kunnen dus op een goede, professionele manier die weging maken. Het is aan ons om op basis van de inschatting waar de nood het hoogst is, van relevantie, consistentie en beleidscoherentie, die weging te maken. Ik zie dit als een moeilijke veranderingsstap, maar wel als een stap vooruit. We kunnen met zo'n IOB-evaluatie, een studie en allerlei andere studies zeggen dat we precies hetzelfde gaan doen omdat er niks mis zou zijn, maar dat is niet zo.

De voorzitter:

Mevrouw Van den Hul, een korte vraag. Dat lokt ook vaak een kort antwoord uit.

Mevrouw Van den Hul (PvdA):

Een korte vervolgvraag. Ik hoor wat de Minister zegt, maar ik ben nog steeds niet gerustgesteld. Ik neem aan dat een heleboel organisaties die hun zorgen hierover hebben geuit ook niet gerustgesteld zijn. Ik pak dan toch even gender als voorbeeld. De Minister zegt: wij focussen op klimaat en waardeketens. Maar alle dingen die zij zegt over pleitbezorging en inspraak gelden net zozeer voor gender. Dat is net zozeer een globaal thema, net zozeer een thema dat hoog op de SDG-lijst staat. Ik wil de Minister nogmaals vragen of zij ons kan meenemen in de afweging en ook het afwegingskader om te komen tot juist deze thema's, die wel globaal zijn ingestoken, en andere die gefocust zijn op onze focuslanden.

Minister Kaag:

Ik kan het niet anders uitleggen. De weging is een analyse van onze eigen prioriteiten. Die zijn helder, die zijn bediscussieerd. De verschuiving is aangenomen door de Kamer. Er zijn ook thema's waarvan wij vinden dat onze toegevoegde waarde nog groter is als wij daarop inzetten. Wat betreft gender: een van de grootste vrouwenfondsen ooit wordt nu gelanceerd via dit thema. Ga er maar aan staan, er is geen enkel ander land dat dit doet! Dit partnerschap pleiten en beïnvloeden dat, maar dat is niet het enige kanaal. We hebben zo veel andere momenten. We hebben accountability, het Mensenrechtenfonds, ambassadefondsen. Er zijn zo veel andere manieren, overal ter wereld, waarop diezelfde maatschappelijke organisaties ook aan de slag kunnen. Daarnaast vallen onder veel SDG's de sub-targets indicators. Er is heel veel ruimte om nog veel meer te doen. Maar in de echte wereld met beperkte middelen moeten we keuzes maken, tenzij u kunt regelen dat we opeens 1% van het bruto nationaal product voor OS krijgen. Dat is nu eenmaal zo.

De voorzitter:

Dank u wel, Minister. We gaan naar mevrouw Diks toe voor haar eerste interruptie in de eerste termijn.

Mevrouw Diks (GroenLinks):

Ik begrijp de zorgen die mevrouw Van den Hul net uitte eerlijk gezegd wel. In haar inleiding ging de Minister niet in op de omgang met de IOB-evaluaties, waarvan de een in de brief die ze laatstelijk heeft gestuurd wel is meegenomen, maar de ander helemaal niet. Dat vind ik jammer, want dat had ik wel verwacht. Dat is een beetje tragisch, want die ene evaluatie, die heel erg uitgewerkt is, was niet zo relevant voor de mensen die hier nu zitten, terwijl de andere evaluatie dat wel was. Die wonderlijke afweging is dus een beetje raadselachtig voor mij.

De voorzitter:

En uw vraag?

Mevrouw Diks (GroenLinks):

Het klinkt op zich heel logisch als je zegt dat je af moet van fragmentatie en dat je moet focussen. Alleen, het sluit niet erg aan bij het feit dat organisaties autonoom zijn. Die maatschappelijkmiddenveldorganisaties staan op zichzelf en hebben vaak niet alleen ondersteuning van het ministerie maar ook van donateurs. Ze willen een eigenstandige keuze maken in zaken die ze willen aanpakken. Daarom kan ik die benauwde keuze voor maar een paar thema's niet begrijpen. Waarom heeft de Minister dat op deze manier ingericht?

Minister Kaag:

Dat benauwde herken ik niet. Misschien krijgt u het benauwd van het lezen van de brief. Het gaat om acht thema's en daarnaast hebben we nog al die andere fondsen en kanalen. Er wordt hier nu net gedaan alsof de wereld is ingekort, eingeschränkt zoals dat in het Duits zo mooi heet, tot «maar» acht thema's. Acht is al heel veel, zeker als je binnen de thema's ontzettend veel ruimte hebt om uitleg te geven hoe je aan dat thema gaat werken. Twee. Organisaties zijn uiteraard autonoom. Dat waarderen en respecteren we. Dat is een fundamentele manier van werken in Nederland. Sterker nog, er zijn veel landen die niet begrijpen hoe we onze eigen continue kritiek organiseren. Ik kijk bijvoorbeeld naar CETA. Geweldig, dat hoort erbij! Dat is de kracht van ons land en van de democratie. Dat wensen we ook andere maatschappijen en landen toe. Maar bij autonomie hoort ook dat je de keuze maakt om mee te dingen of niet, om mee te doen of niet. Daar zijn organisaties volkomen autonoom in. Als partner zijn we niet alleen donor. Wij willen graag meedenken. Er wordt gebruikgemaakt van ambassades, netwerken, ondersteuning, van deuren openen et cetera, ook voor thema's waarvan je kunt zeggen dat Nederland daar weinig aan doet. Maar als een ngo dat buiten de regio wil doen of alleen op dat thema wil werken en de ambassade niet, dan is dat nog steeds heel belangrijk als het is goedgekeurd – binnen het bredere kader.

Er is dus duidelijk autonomie, maar bij autonomie hoort ook verantwoordelijkheid, management en keuzes maken. Dat betekent niet dat alles terug komt te rusten op de schouders van de overheid. Het is een two-way process, zoals dat heet. Ik kom nog terug op het thema autonomie, maar ik denk dat het hier verkeerd wordt geïnterpreteerd. Wellicht leven er, nu het kader nog niet is gepubliceerd, veel angsten en zorgen die in de realiteit eigenlijk heel anders zullen uitpakken. Ik wil hier echt geruststellende woorden aan koppelen. Niemand hoeft dat te geloven, maar ik denk dat in de aanpassing en de uitwerking veel partners dat zullen herkennen en hun rol zullen oppakken. Maar nogmaals, Nederland hoeft niet alles te financieren. Een ngo kan er strategisch en selectief mee omgaan: de EU voor deze thema's en de Nederlandse overheid voor die, in alliantie. Zo kun je echt impact organiseren.

Verder is er verschil tussen de evaluatie en de studie. Die worden de hele tijd door elkaar gehaald, denk ik. De IOB-evaluatie gaat over de impact en de resultaten. Nou, die waren dus duidelijk niet zoals we zouden verwachten of hopen. Ongeacht waar je nou staat, ik denk dat iedereen die graag beter zou willen zien. De IOB-studie gaat over de tussentijdse peilstok. Dat zegt iets over het proces, maar nog niet iets over resultaat en impact. Daarom hebben we natuurlijk veel meer gekeken naar de impact. In veel studies – die doen we sowieso al, naast die van de IOB – maar ook in deelstudies van de IOB, die deze Kamer ook heeft, wordt gesteld dat het bereiken van duurzame resultaten echt vereist dat je focus aanbrengt, een langjarige inzet levert en samenspel nastreeft tussen partners, inclusief het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Dat is een constant thema. Dat nemen we ook mee, en dat is ook een onderdeel geweest van de afweging.

De voorzitter:

Nog een vervolgvraag van mevrouw Diks.

Mevrouw Diks (GroenLinks):

Ik begrijp dat de beantwoording lastig is, omdat heel veel zaken in die zin ook een beetje door elkaar lopen. U zei net dat u nog zou terugkomen op autonomie. Ik denk dat die heel erg belangrijk is. U zegt dat organisaties in die zin toch helemaal niet alleen maar afhankelijk zijn van het ministerie en toch gewoon hun eigen keuzes kunnen maken. Eerlijk gezegd, begrijp ik de zorg van de organisaties dan nog veel beter. Dit is wel een megaprogramma binnen het systeem. Als de Minister zegt «als je je niet geroepen voelt tot deze thema's, dan kan je je gewoon bij andere programma's melden», dan begrijp ik wel dat mensen daar heel erg nerveus van worden. En terecht. Ik wil de Minister dan ook nog weleens horen over de zoektocht naar die thema's en over het betrekken van de partijen in het maatschappelijk middenveld bij de keuze voor die thema's. Over autonomie hebben we het dan zo dadelijk nog, begrijp ik.

De voorzitter:

Heeft u de vraag gehoord, mevrouw de Minister?

Minister Kaag:

Ja, ik wel.

Mevrouw Diks (GroenLinks):

In hoeverre heeft u de keuze voor deze thema's nu afgestemd met de organisaties in het maatschappelijk middenveld die hier in de zaal zitten?

Minister Kaag:

Wij zijn continu in gesprek met organisaties in het maatschappelijk middenveld. Er zijn ook afdelingen waarop men bij elkaar komt en overlegt over alle thema's, projecten en evaluaties, ook als het misgaat, over malversaties, en, en, en. Gesprekken worden aan de lopende band gevoerd, maar dit is natuurlijk wel een eigenstandige kabinetsafweging. Dat is ook de rol en de verantwoordelijkheid van het kabinet.

Het tweede is dat ik denk dat we toch echt een beetje voorzichtig moeten zijn met de formulering. Ik denk dat we aan verwachtingenmanagement moeten doen, en daarom is er ook voor alle organisaties meer dan een jaar aanlooptijd, zodat ze kunnen kijken waar ze wel en niet aan mee willen doen en hoe ze dat willen doen. Het is verder al jaren geleden dat het gebruikelijke kader van de verdeling van de financiën van OS voor de gebruikelijke club maatschappelijke organisaties is veranderd en dat de ngo's zelf de markt op zijn gegaan. Dat is een aantal jaren geleden gebeurd. Ik weet zelf niet meer hoe lang geleden, misschien een jaar of acht of tien, misschien iets korter. Maar dat hoort er al lang bij, en dat hoort ook bij de professionalisering van de rol die het maatschappelijk middenveld kan spelen. Je kunt echt niet verwachten dat er één bron van financiering is waar je ongeacht resultaat of impact op kunt rekenen. Dat is in de successievelijke kabinetten allang niet meer de manier van werken. De meeste van de ngo's die zo werken in Nederland zijn onderdeel van een alliantie. Zij werken internationaal en vooral met EU-financiering, met steun van andere landen, en, en, en. We moeten er weer op terugkomen: dit gaat over bepleiten en over beïnvloeding. Dat is één vorm van financiering door de Nederlandse overheid. Er zijn nog heel veel andere kanalen via welke diezelfde ngo's nog steeds aanspraak kunnen maken op financiering. Wij kijken naar kwaliteit, relevantie van thema's en uitvoering en naar het waar en met wie. Dit is echt een verandering. Die kan pijnlijk zijn, maar ik denk en hoop echt dat we daar betere resultaten mee gaan boeken. Want anders vrees ik dat er grote vraagtekens zullen staan achter hetgeen dan geleverd wordt. En dat moet in dit tijdperk ook politiek meegenomen worden.

De voorzitter:

Mevrouw Diks, ik wil eigenlijk naar uw buurman. Een korte dan.

Mevrouw Diks (GroenLinks):

Ik wil echt iets even heel duidelijk krijgen. De keuze uit de thema's die nu voorliggen is dus als zodanig niet besproken met de organisaties die daarbij eventueel betrokken zouden zijn. U geeft aan dat het de keuze is van het kabinet. Dat is op zichzelf waar, maar ik zou toch verwacht hebben dat u die keuze had besproken met de organisaties die het betreft of zou kunnen betreffen.

Minister Kaag:

Weet u, in de hele aanloop – gedurende, tijdens en na de formulering van de nota over buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking – hebben we uitvoerig overleg gevoerd. Deze thema's zullen dus absoluut geen verrassing zijn. Ze sluiten aan bij en komen voort uit veel van de thema's waarop veel ngo's actief zijn. Dit is dus eigenlijk heel coherent. Onze thema's komen niet uit de lucht vallen. Wat eigenlijk nieuw is, zijn bijvoorbeeld de inclusie van de religieuze minderheden en een duidelijke inclusie van een focus op de lhbti-gemeenschap – beide ook regeerakkoord. Er is grote aandacht voor vrouwenrechten en meisjesrechten; ook heel belangrijk. Het grootste fonds. En, en, en. Waardeketens: ook heel duidelijk. Veel ngo's werken al met ons, dus dit is een kans. Ze staan aan de uitvoerende kant van het imvo, maar nu staan ze ook aan de beïnvloedingskant. Er is dus heel veel continuïteit. Ik vrees dat we aan de publicatie van het kader heel veel tijd besteden. Dat is heel belangrijk, maar het is toch ten dele een theoretische exercitie aan het worden. Dit zijn geen thema's die zomaar uit de lucht komen vallen. Ze zijn volkomen logisch en vloeien voort uit alle prioriteiten die hier voortdurend worden besproken en waar we samen aan werken. Dat is dus inclusief het recht, volkomen legitiem en noodzakelijk op tegenspraak.

De voorzitter:

Dank u, Minister. We gaan naar de heer Bouali voor zijn interruptie. Ik wijs allen erop dat wij nog zeven mapjes te gaan hebben. Denk daaraan bij uw interrupties.

De heer Bouali (D66):

Dat is een goede waarschuwing, voorzitter. Ik hoor van mijn collega van GroenLinks dat de ChristenUnie het kort houdt.

Ik hoor de Minister heel goed. Zij spreekt over de professionaliseringsslag. In een ver verleden heb ik zelf veel van deze projecten mogen doen. Ik zie die fragmentatie ook wel. Ik zie dat we dit moeten professionaliseren. Ik hoor ook heel goed dat er andere fondsen en kanalen zijn. Ik hoor de Minister ook zeggen dat, als we meer willen en als we het anders willen, we naar de OS-begroting zullen moeten kijken. Mijn collega van het CDA bracht het punt op van die focus. In aanvulling daarop het volgende. Hoor ik de Minister goed zeggen dat er gewoon nog wel ruimte blijft? Een belangrijk deel gaat naar de focusregio. Daar ben ik zelf ook voor. Hoor ik de Minister goed zeggen dat in die beperkte ruimte in ieder geval kwaliteit de richtsnoer is? Als er een kwalitatief goed programma is, dan kunnen gewoon projecten uitgevoerd worden?

Minister Kaag:

Het antwoord is ja.

De voorzitter:

Dank u wel. De heer Voordewind.

De heer Voordewind (ChristenUnie):

Ik probeer het toch nog even goed te begrijpen. Ik heb de brief van 20 juni er nog eventjes bij genomen. Daarin zijn de thema's niet gelimiteerd. Er worden wel thema's genoemd, maar op pagina 3 wordt heel duidelijk gezegd dat de mensenrechtenbenadering en de SDG's de uitgangspunten zijn. Er wordt verder geen rijtje genoemd met thema's. En dan krijgen we de brief van 4 november. Daarin zien we opeens een limitatieve lijst van zeven thema's. Wat is er nou in de tussentijd gebeurd? Ik begrijp best dat er een IOB-evaluatie is geweest en dat de IOB het een en ander heeft gezegd, maar de IOB-evaluatie ging specifiek over rechtsorde en chronische crisisgebieden. Waarom interpreteert de Minister die evaluatie nu zodanig dat we op 4 november een nieuwe brief krijgen waarin uiteindelijk de conclusie wordt getrokken dat we nog maar doorgaan op zeven thema's? Kan de Minister die ommezwaai en het schijnbaar heel erg in de breedte trekken van het IOB-rapport verklaren?

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Voordewind.

Minister Kaag:

Ja. We hebben heel veel andere studies en wegingen meegenomen. Het is dus geen ommezwaai. Het is gewoon een detaillering in de brief van november. Dat verklaart ook het uitstel dat we gevraagd hadden. We vonden het dusdanig belangrijk – dat was ook een conclusie – dat we echt niet op de oude voet voort konden. Zoals ik al zei, als je op dezelfde manier doorgaat, dan bereik je dezelfde resultaten, en dat is klaarblijkelijk niet het geval. We hebben heel veel studies op thema's en sub-thema's, niet alleen die van de IOB. Die worden ook altijd met uw Kamer gedeeld. Daaruit blijkt altijd dat er fragmentatie is en gebrek aan focus en complementariteit, gebrek aan samenwerking of samenspel, en, en, en. Dit is toch wel een belangrijk kanaal. Hierbij is het nu aan ons, aan het kabinet, om te proberen dit op een verantwoorde manier te bewerkstelligen. Ik noem zeven thema's zonder uitsluiting van andere, mits die worden bewezen door de kwaliteit van het voorstel en de noden. Dat noem ik niet echt limitatief. Twintig thema's is ook weer geen keuze maken. Dat is te veel. Binnen de thema's is er zo veel werk aan de winkel, zijn de noden zo hoog. Die rol kan gespeeld worden door het maatschappelijk middenveld, juist om de zuidelijke ngo's te versterken. Laten we wel wezen: het gaat niet om ons hier, het gaat om de stem in het zuiden, om de stem daar, om de kracht, de activiteit en de aansluiting daar. Dus alles is in transitie en dan is dat belangrijk. Dus dit zijn al grote koepelthema's waaronder je heel veel ruimte gaat krijgen. Dat is ook de autonomie. Het is aan de organisatie zelf om te zeggen: ik zie dit thema zo; zo zal mijn rol zijn. Wij gaan daar niet actief op sturen. Dit is niet het kader «o, het is niet klimaatadaptatie 1.01. op die locatie met een gps erbij». Nee. Dat is ook de ervaring van Buitenlandse Zaken in onze eigen professionaliteit. Dan het tweede. In de discussie met ambassades en met lokale partners gaat het altijd om de local needs assessment, net zoals bij de VN. Het gaat erom wat lokaal wordt vereist. En daar zit flexibiliteit in, want ook situaties veranderen. Het derde waarbij die ruimte zal bestaan is als de situatie in een land politiek verandert, dus verslechtert. Dan willen wij het kader nog steeds zo inrichten dat er ruimte wordt gelaten voor een appel of voor een noodsituatie waarin je kunt ageren juist omdat het gaat om bepleiting en stem. Er is dus voldoende ruimte. Ik begrijp het ook wel. Ik zei al: het wordt heel lastig om voor de lancering of de publicatie van het kader allerlei casussen naar voren te halen, want het kader moet eerst gepubliceerd zijn. Ik denk dat dat rust gaat geven. Maatschappelijke organisaties hebben meer dan een jaar om juist in goed overleg aan de slag te kunnen gaan. Maar we houden bewust ruimte.

De voorzitter:

Een vervolgvraag van de heer Voordewind.

De heer Voordewind (ChristenUnie):

Het stelt enigszins gerust dat de Minister zegt dat het lijstje met die zeven thema's geen limitatief lijstje is dat in cement is gegoten. Bij mij kwam ook meteen de vraag op: hoe zit het dan met kinderrechten, hoe zit het dan met good governance et cetera? Maar als de Minister nu zegt dat er natuurlijk andere thema's op kunnen komen, dan geeft dat waarschijnlijk al wat meer lucht. Volgens mij waren de organisaties flink verbaasd over de lijst die er op 4 november lag – zo heb ik het ook begrepen – want zij gingen uit van de continuering van de brief van 20 juni. Daar konden zij zich goed in vinden. Het was dus wel een verrassing. Maar de Minister relativeert dat. Ik vraag de Minister dan nog wel hoe die weging dan gaat, want de Minister zegt wel dat zij de geografische focus gaat meewegen. Op de proposals die niet onder dat landenlijstje vallen, krijgt men dus drie keer een min. Hoe wordt dit nou uiteindelijk gewogen, zowel geografisch als qua thema?

De voorzitter:

Dank u wel. Een duidelijke vraag. We gaan naar de Minister.

Minister Kaag:

Twee dingen. Als ik zeg dat de thema's breed zijn gedefinieerd, dan wil dat niet zeggen dat we er vijf andere thema's bij willen hebben. Dat wil ik wel even helder stellen. Het gaat om ruimte binnen de thema's. Daar wil ik wel helder in zijn. Dat is de aanzet. Maar wordt over landen of crisismomenten gezegd dat er urgentie is, dan is daar ruimte voor. Dat kan allemaal in overleg. Eerlijk gezegd, alle maatschappelijke organisaties spreken denk ik meer ambtenaren die hiermee bezig zijn dan waarvoor ik zelf de tijd heb. Er is continu overleg. Er is echt sprake van samenspraak, samen denken en meedenken en oplossingen bedenken. Die scheidslijn tussen BZ en veel van de ngo's zie ik niet in de realiteit, en daar hoor ik ook niet over. Verre van. Het tweede. Het kader zal gepubliceerd worden. Daar horen een aantal richtlijnen bij. Een element is eerst kwaliteit en relevantie van het voorstel. Dat is het zwaarstwegend. In de weging wordt wat extra overweging gegeven als het binnen de focusregio is. Maar op basis van de relevantie en de kwaliteit van het voorstel kan er ook gewoon binnen BZ worden gekeken naar juist een landensituatie: we weten allemaal dat het verslechtert; dat is enorm belangrijk; het laatste ngo staat ook nog onder druk. Dat is dan uiteindelijk ook een soort politieke weging. Daar ga ik nu niet in detail over speculeren. Dat moet zich gaan vertalen in de uitwerking. Maar er is een jaar de tijd. We moeten eerst dat kader publiceren. Het is belangrijk dat de ngo's daarna allemaal in overleg gaan met de betrokken ambtenaren om te kijken hoe het past en hoe het werkt. We kunnen daar workshops over organiseren. Eerlijk gezegd denk ik dat de soep niet zo heet zal worden gegeten als ze, in de perceptie, wordt opgediend.

De voorzitter:

We gaan naar de heer Alkaya van de SP.

De heer Alkaya (SP):

Gaandeweg de discussie wordt steeds meer duidelijk. De Minister had het over een voor een groot deel theoretische exercitie. Daar wil ik inderdaad een beetje van weggaan. We hebben natuurlijk een thematische focus. Voor een deel begrijp ik dat je die op basis van de evaluatie wilt aanbrengen. Ik heb gevraagd naar de interpretatie daarvan, bijvoorbeeld of onder de verduurzaming van de waardeketens ook sociale aspecten kunnen vallen. Daarnaast heb je een geografische focus. Eerlijk gezegd, heb ik daar meer moeite mee. Binnen de thema's die hier staan, kunnen er natuurlijk projecten zijn waarbij de problemen nijpender zijn in de focusregio's. De Minister geeft nu aan dat daar flexibel mee zal worden omgegaan. Dat is in principe geruststellend, maar het valt of staat wel met hoe dat in de praktijk zal werken. Ik wil de Minister wel vragen om dat meer toe te lichten. Gaat zich dat bijvoorbeeld ook vertalen naar het budget? Kan een project worden ingediend waarvan de onderwerpen onder de focusgebieden vallen, maar dat niet plaatsvindt in een focusregio? Stel dat dan al buiten de focusregio's heel veel geld is besteed, kan het ministerie dan straks als argument noemen: we hebben al heel veel geld besteed aan regio's buiten de focusgebieden, en ook al heeft u een goed plan, al is de kwaliteit leidinggevend en al valt het binnen de focusonderwerpen, we gaan dit toch niet doen, want het valt niet binnen de focusregio's? Dat moeten we hier toch wel kunnen uitsluiten.

Minister Kaag:

Eerlijk gezegd kan ik daar niet zomaar ja of nee op zeggen. Het lijkt mij een logische vraag. Ik kom daar even in tweede termijn op terug. Dan moet je namelijk weer in kaart brengen welke andere instrumenten je ook hebt. Het gaat echt niet alleen maar om geld. Het gaat er eerst om wat je wilt bereiken en hoe je dat bereikt. Nederland moet dan ook bekijken of het dit eigenlijk al doet via een andere organisatie: doen we dat al bilateraal, hebben we daarop ingezet in de EU? Wij moeten dan ook die weging maken en dat inzicht in en overzicht over een bepaalde casus in een land hebben. Als de EU daar al met een miljard aan werkt, ook via de versterking van het maatschappelijk middenveld – er gebeurt heel veel via een aantal instrumenten die de EU heeft – heeft het dan nog zin dat wij daar met € 50.000 achteraangaan? Misschien niet, misschien wel. Ik kan dat niet zeggen. Dat hangt dan af van wat in kaart wordt gebracht. Daar zijn de landenmedewerkers voor, de ambassade, en natuurlijk ook de thematische directies. Zij kijken daar dan samen naar: wat is dan de toegevoegde waarde van dit kanaal? Sorry, ik kom er toch weer op terug: ik kan er theoretisch in meegaan, maar ik kan nu niet zeggen «ja, nee, uiteraard, absoluut», want je moet alles in de totaliteit afwegen. Zo heb ik de heer Alkaya ook begrepen. Het gaat altijd om de toegevoegde waarde, om resultaat. Maar het is een politieke stem, en dat begrijp ik ook.

De voorzitter:

Nog een opmerking. De heer Alkaya.

De heer Alkaya (SP):

Heel kort, want ik denk dat we wel tot elkaar komen. Dan vraag ik om een politieke uitspraak van de Minister, ofwel in deze termijn, ofwel in de volgende: is zij het in ieder geval met mij eens dat puur en alleen een focusregio geen grond mag zijn? Natuurlijk komen bij de afweging dus ook andere zaken kijken. Puur en alleen de focusregio mag dus geen afweging, geen criterium, zijn om een goed project dat bijdraagt aan allerlei andere nuttige zaken af te wijzen. Zo mag het niet werken.

De voorzitter:

Daar komt de Minister.

Minister Kaag:

Ja, dat kan ik uitsluiten, want we beginnen altijd met kwaliteit. Maar de thema's zijn wel een richting. Ik denk dat niemand tegen het geven van richting moet zijn, want dan hebben we een veel groter dilemma met het hele OS-budget, zou ik zeggen.

De voorzitter:

Oké. Dan even een punt van orde. Het is 14.00 uur. We gaan om 14.15 uur stemmen in de plenaire zaal. Dat betekent dat wij hier zeker een kleine tien minuten weg zijn. En om 15.00 uur moeten wij klaar zijn. Ik wil de Minister dus vragen om door te gaan. Tenzij het echt heel belangrijk is. Mevrouw Kuik?

Mevrouw Kuik (CDA):

Graag, voorzitter, want dan hebben we dit blokje misschien gehad. Anders kom ik achteraf weer met een vraag.

Ik ben blij met de ruimte die de Minister hier geeft. Het is niet zo rigide als je misschien denkt als je de brief leest. Ik zit nog wel met een vraag als het erom gaat dat organisaties zich maar op één thema mogen inzetten. De Minister geeft aan dat er binnen zo'n thema de ruimte is, maar het kan toch niet anders dan dat daar overlap in zit? Hoe moeten wij dat dan lezen?

Minister Kaag:

Organisaties kunnen in heel veel allianties meedoen, zoveel als ze willen, maar het idee is dat je één keer penvoerder bent. In de praktijk is het ook zo dat veel organisaties echt expertise hebben op één groot thema. Dan is het natuurlijk vaak zo dat in alle samenwerkingen die ze hopelijk met elkaar vinden, één van hen de penvoerder wordt, maar ze kunnen ongelimiteerd meedoen in de allianties die worden aangevoerd door anderen. Je hebt ook vaak dat bepaalde organisaties inzake 'n SDG of thema meer capaciteit of expertise hebben of in landen zitten, terwijl een andere veel beter is in het besturen en beïnvloeden vanuit Den Haag. Ik verzin maar wat.

De voorzitter:

Dank u wel. We gaan tempo maken. Mevrouw de Minister.

Minister Kaag:

Ze zitten allemaal in de zaal. Ze weten het allemaal beter.

Ik zal proberen om heel snel te gaan. Het thema autonomie. We hechten aan de onafhankelijke rol en dat blijft. We zoeken dus complementariteit en autonomie en we zetten in op de strategische dialoog. Maar men moet eigen keuzes maken. Dat is ook autonomie. Verder bemoeien wij ons niet, om het zo maar plat te zeggen, met de uitvoering te lande. We zoeken naar de resultaten. Dus de keuze is aan het begin. Is dat dan een beknotting? Nee, wat ons betreft niet. Dat is ook zeker niet de bedoeling, verre van. Kunnen ze inschrijven op meerdere thema's of is er een beperking van die autonomie? Dat betreft de vraag van de heer Voordewind. Ik kom nog bij het kopje Voordewind.

De thematische focus is aangebracht om fragmentatie te reduceren. Over impact hebben we het al gehad. Nogmaals, de thema's zijn breed gedefinieerd. We hopen dat dat genoeg ruimte geeft. We kijken ook echt naar the theory of change. Dat heb ik al genoemd. Verder is er totale autonomie voor de ngo's. En dat willen we ook voor de zuidelijke ngo's. Dat is uiteindelijk onze opzet.

De bureaucratische neiging van de heer Bouali. Er wordt gelachen. Hij stelde daarover een vraag, bedoel ik. Ik probeer snel te gaan, meneer de voorzitter. Als ik de hele vraag voorlees, verlies ik tijd. Het is dus niet de bureaucratische neiging ván de heer Bouali, maar zoals opgemerkt dóór de heer Bouali. Iedereen heeft zijn eigen doelstellingen en activiteiten. De financiering staat daarvoor open, maar het is geen vrijbrief voor alles en voor iedereen en voor overal. Dat was al duidelijk.

Goed bestuur. Daarover gaat de vraag van mevrouw Diks. Daarbij gaat het natuurlijk ook om SDG 16, waarbij Nederland koploper is. We hebben daar ook een conferentie over georganiseerd. Het komt ook via andere kanalen terug. Politiek bestuur en democratie zijn onderdeel van het thema veiligheid en rechtsorde. Democratie is een integraal deel van het gehele kader. We maken daar geen uitzondering voor. Dat zijn dus ook weer momenten waarop maatschappelijke organisaties juist mee kunnen doen, want je hebt goed bestuur nodig voor de uitvoering, de ondersteuning en de verantwoording bij eigenlijk alle thema's die we hebben genoemd.

Mevrouw Diks heeft ook nog gevraagd naar het thema. Wat ons betreft hoort het erbij. Democratisering is een integraal onderdeel van het hele kader, zoals ik net al heb gezegd. Niet benoemen betekent dus niet uitsluiting. Verre van, het is een integraal onderdeel.

Ik heb twee keer dezelfde tekst voor me. Excuus voor de verwarring.

Dan een vraag van mevrouw Van den Hul over het thema vrouwenrechten en gendergelijkheid. Hoe stuur ik op gender binnen de zeven thema's? Hoe wordt hierover gerapporteerd? Wij willen ervoor zorgen dat gender mainstreaming plaatsvindt onder alle programma's. Dat weet u ook. Dat is dé rode draad in mijn beleid. Het wordt ook meegenomen in de monitoring. En dat verwacht ik al helemaal van de organisaties in het maatschappelijk middenveld. Als die het niet doen, dan denk ik dat we veel zwakker staan op het gebied van gendergelijkheid en vrouwenrechten. De rapportage zelf vindt plaats via www.osresultaten.nl.

Dan is er nog een vraag van mevrouw Diks: is de Minister het ermee eens dat vrouwenrechten onder druk staan in en buiten de focusregio's? Ja. Daarom is inzet ook buiten de focusregio's mogelijk. Ik val ontzettend in herhaling, maar ik zeg weer dat we keuzes moeten maken. We zoeken dus naar complementariteit, maar ook bij vrouwenrechten geldt dat we heel veel mogelijkheden hebben om een aanpak te realiseren: bilateraal, via het maatschappelijk middenveld en multilateraal. U ziet het ook terug in de financiering en in het grootste vrouwenfonds.

Mevrouw Van den Hul vroeg wat verduurzaming inhoudt. In de nota staat beleid gericht op de verduurzaming van de waardeketen als prioriteit genoemd. We kijken natuurlijk naar de productie van goederen en diensten: hoe duurzaam zijn we? We nemen mee: leefbaar loon, internationaal maatschappelijk verantwoord ondernemen, naleving OESO-richtlijnen. En er is heel veel mogelijk. Ik noem ook kinderarbeid en al die andere thema's: die vallen daaronder. Daar zit ook weer de flexibiliteit. Ook als je een aantal thema's noemt, kun je niet een hele pagina volschrijven over wat daar allemaal eventueel onder valt. Dat is de autonomie; dat is de keuze. Het is aan de organisaties om te zeggen «wij geven daar uitvoering aan» of «wij willen aan dat stem geven». Dat is dus breed gedefinieerd. Daar vallen dus bijvoorbeeld ook kinderrechten onder. Als een organisatie daarmee komt en daarvoor een kwalitatief goed voorstel heeft, dan kan dat onder waardeketens. En dat is globaal.

Mevrouw Van den Hul vroeg: waarom zeven thema's? Nou, dat hebben we eigenlijk al eerder besproken.

Het gesprek: ook dat hebben we al eerder gedaan.

Een vraag van mevrouw Diks: wat waren de thema's? Door alle interrupties hebben wij daar volgens mij uitvoerig over gewisseld.

Dan was er een vraag van mevrouw Kuik van het CDA: kunnen thema's worden toegevoegd? Ik wil eigenlijk alleen maar bevestigen dat de organisaties binnen de thema's heel veel ruimte hebben om hun eigen inzet te bepalen, en die wordt dan ook gerespecteerd. Het gaat om kwaliteit.

Dan een aantal vragen over continuïteit. Meneer de voorzitter, ik probeer de tijd in te halen.

De voorzitter:

U doet het voortreffelijk. Ik vind het knap hoe u alles weet te ontcijferen.

Minister Kaag:

Dat vergt nog wat inderdaad, maar ik heb een bril. Dat scheelt.

Mevrouw Van den Hul vraagt hoe ik kan garanderen dat de continuïteit van de al geleverde prestaties van het maatschappelijk middenveld, de financiering natuurlijk en de inzet van de buitenlanden op de landenlijst onder eerdere programma's niet verloren gaat. Dit is natuurlijk een zorg, want netwerken zijn opgebouwd en resultaten zijn behaald, maar daarom blijft dus die beperkte inzet van buitenlanden in focusregio's mogelijk. En er is ruimte om de huidige inzet eventueel te continueren en verbindingen te maken. Maar eerder zei ik al dat de huidige partnerschappen zijn aangegaan voor een periode van vijf jaar. Dat is ook het tijdpad waarbinnen bijvoorbeeld organisaties kijken naar additionele of andere financiering bij particulieren en donoren. En dat doen velen van hen ook. Het is niet zo dat iedereen alleen maar zit te wachten op die 100%-financiering uit Nederland. Dat is van een relatief ver verleden. We kijken dus wel hoe we in de toekomst nog steeds succesvolle programma's voor langere tijd kunnen steunen. Dat is ook de inzet van dit nieuwe kader. We willen daarbij kijken naar een langere looptijd met tussentijdse evaluaties, zodat er voor beide partijen geen verrassingen zijn.

Mevrouw Van den Hul (PvdA):

Heel kort. Mochten er nou organisaties zijn die door de aard van hun activiteiten echt buiten de boot vallen bij andere financieringsmogelijkheden, is de Minister dan bereid om voor deze organisaties extra coulance te betrachten? Zij kunnen door de aard van hun werkzaamheden dus niet multilateraal ... Is de Minister bereid om daar extra kritisch op te blijven controleren en om dat te monitoren, opdat zij niet buiten de boot vallen?

Minister Kaag:

Hier wordt een te generieke toezegging verwacht. Ik begrijp het wel, maar dit is te algemeen en te open. En dat kan niet. Ik zeg dat er ruimte is en dat we willen kijken naar continuïteit. Veel van de organisaties die het goed doen en kwaliteit leveren, zullen binnen dit kader echt gewoon weer terugkomen. Dat is gewoon mijn verwachting, want een aantal van hen hebben op bepaalde thema's echt een reputatie opgebouwd, ook vaak internationaal, door wat zij doen in moeilijke landen en lastige omstandigheden. Ik kan dus niet zomaar zeggen: «als nou blijkt dat a, b, c, dan ...» Dat zou weer zo'n theoretische exercitie zijn. Wat ik zeg, is het volgende. Publiceer het kader. Ga aan de slag. Er is continu overleg. Op basis van wat blijkt, zal het ministerie op een gegeven moment waarschijnlijk een weging maken. Het is een inzet, kan ik aangeven, maar meer dan dat kunt u niet van mij verwachten.

Een vraag van de heer Voordewind. Hoe kun je impact bewerkstelligen in drie tot vier jaar? De evaluatie van de IOB laat zien dat impact wel gemeten kan worden als je heldere doelen hebt. Wat ook vaak bleek, was dat er gewoon te ambitieuze doelstellingen werden bepleit die nooit gerealiseerd zouden kunnen worden en die je ook niet in vier jaar of bij crisis of bij verandering kunt halen. Ik heb alle respect voor organisaties die in heel moeilijke omstandigheden werken. Daarom moeten we dus kijken naar langdurige projecten. Daarom zei ik ook: vijf jaar of meer dan dat, met een tussentijdse evaluatie, waarbij je ook aanpassingen kunt doorvoeren. Dat is ook de doelstelling van dit partnerschap. Het is dus veel langer. Daarin zit ook continuïteit, voorspelbaarheid, voor de toekomst.

Langdurige samenwerking met organisaties. Dat heb ik net gezegd: daar willen we eigenlijk wel naartoe. Een periode van acht tot tien jaar is eigenlijk de inzet. Dan is het ook de moeite. Dat is ook de richting die organisaties dan eventueel moeten doormaken. Daarna zal die transformatie zich dan lonen – in organisatorische zin, moet ik zeggen.

Hoe borgen we de behaalde resultaten? Dat heb ik net eigenlijk al gezegd.

De heer Alkaya stelde een vraag over verduurzaming in brede zin: zijn dat ook sociale aspecten? Ja, want die horen duidelijk bij het imvo. Ik heb net ook leefbaar loon, kinderarbeid en arbeidsvoorwaarden genoemd. Weer invulling door organisaties.

Nog een vraag van de heer Alkaya. Welke partnerschappen verdwijnen er en wat is de impact? Dat kan ik nog niet zeggen. Dat hangt af van hoe de indiening zal gaan en van de keuze van de organisaties zelf: doen zij mee of niet?

De voorzitter:

Dank u wel, mevrouw de Minister. Wij gaan even schorsen voor de stemmingen in de plenaire zaal. We zijn zo spoedig mogelijk terug.

De vergadering wordt van 14.12 uur tot 14.25 uur geschorst.

Minister Kaag:

Een vraag van de heer Alkaya was of deze aanpak nou leidt tot onderlinge concurrentie en dus eigenlijk op een andere manier onbedoeld fragmentatie bevordert. Ook vroeg hij hoe het zit met de rapportage. Wij hopen eigenlijk dat de organisaties meer en meer in allianties gaan werken. Dat doen ze ook al. Ook blijkt dat als je heldere afspraken maakt aan het begin, bij het uitschrijven van de tender, er mogelijkheden zijn voor aanpassing van projecten en gezamenlijke veldbezoeken zodat dit goed voorkomen kan worden. Verder is er natuurlijk ook een scherpe leeragenda. Ik denk dus dat dit bij een slimme insteek van de organisaties zelf, die al veel samenwerken, de facto geen probleem hoeft te worden. Maar we moeten altijd keuzes maken; dat is nu eenmaal zo.

De voorzitter:

Er is een interruptie van de heer Alkaya.

De heer Alkaya (SP):

Ja, een korte vraag daarover. Ik bedoelde daarmee het volgende. De Minister geeft zelf aan op zoek te gaan naar nieuwe manieren van financieren en selectie, dus de tenders, op een manier dat het niet puur om concurrentie gaat. Wil ze ons op de hoogte houden daarvan? Wat voor manieren zullen dat zijn? Worden die nog uitgewerkt of wat dan ook?

Minister Kaag:

Ik word geadviseerd door mijn ambtenaren dat we ermee bezig zijn. Het kan, maar we zijn er nu met name mee bezig in fragiele staten, omdat het daar heel pertinent aan de orde is, zoals u zich kunt voorstellen. Het gaat om beperkte capaciteit en veiligheid. We zijn er dus mee bezig. Ik kan nog even niet zeggen op welke termijn we u kunnen informeren, maar er zijn genoeg AO's om dat te doen.

Dan was er nog een vraag van de heer Alkaya. Aan welke manieren van selectie en financiering denken we? Wij willen gaan proberen vaker direct te financieren. Dan kijk je natuurlijk vooral naar organisaties uit het zuiden. Daar gaat het uiteindelijk ook weer om versterking van de stem van het maatschappelijk middenveld. De tenderprocedures moeten goed vorm krijgen, zoals al eerder besproken. Verder moet alles natuurlijk ook juridisch kloppen, maar dat is altijd zo, ook om malversaties tegen te gaan. Je moet de afspraken goed hebben en er moet een goede aanpak zijn.

Mevrouw Diks vroeg waarom ik niet refereerde aan de IOB-studie over strategische partnerschappen. De uitkomsten van deze studie zijn meegenomen en gewogen in de vormgeving van het kader. Het gaat om zuidelijk zeggenschap, complementariteit, versterking van de rol van de ambassades en erkenning van de autonomie binnen het partnerschap en de autonomie van de organisaties.

Dan ben ik bij het kopje Voordewind. Kan ik erkennen dat faith-based organisaties worden meegenomen? Ik hoef het niet te erkennen, meneer Voordewind. Ja, ze kunnen uiteraard indienen. Bovendien is er het belang van religie. Ook in het regeerakkoord worden religieuze minderheden erg onderstreept als belangrijk. Het thema «vrijheid van religie en levensovertuiging», waaronder Power of Voices, is ook genoemd. Er zijn dus een aantal mogelijkheden. Dat is nu expliciet en prominenter, maar niet nieuw.

De heer Voordewind vroeg ook waarom religieuze minderheden niet expliciet worden meegenomen. Ze worden meegenomen als thema onder Power of Voices. Dit is nieuw. Daarnaast is het nog steeds mogelijk onder het accountabilityfonds en het Mensenrechtenfonds, zoals ik net al tegen de heer Alkaya zei. Er is natuurlijk ook recent een gezant voor vrijheid van religie aangesteld. Voor Voice zijn ook andere groepen gekozen. Dat houd ik ook zo.

De voorzitter:

Het is weliswaar het blokje ChristenUnie, maar misschien vinden mevrouw Diks en de heer Bouali het toch interessant om te luisteren. Meneer Voordewind.

De heer Voordewind (ChristenUnie):

Bij Voice worden er wel etnische minderheden genoemd, maar dan weer niet specifiek religieuze minderheden. Ik begreep het specifieke onderscheid daar even niet.

Minister Kaag:

We hebben het accountabilityfonds, het Mensenrechtenfonds en de gezant. Er zijn heel veel mogelijkheden. Ik weet niet of je overal religieuze minderheden moet meenemen. Ik weet niet of dat het ’m doet. Ook daar moeten we ons op een paar kanalen sterk maken. Ik denk dat we dan al een heel eind komen; helaas misschien nog niet in de praktijk met wat we willen veranderen, maar dit is een enorm belangrijke ambitieuze aanzet. We hoeven niet elk thema overal terug te vinden, want dan verliezen we weer de kracht van wat we willen gebruiken. Er zijn overal keuzes te maken.

De heer Voordewind vroeg of de 100 miljoen euro voor SRGR niet ten koste gaat van gender binnen Power of Voices. Naar onze inschatting niet, want gender mainstreaming vindt plaats in alle programma's binnen Power of Voices. Vrouwenrechten en gendergelijkheid zijn een apart thema binnen Power of Voices. Eigenlijk wordt er dus nog veel meer gedaan aan vrouwenrechten en gendergelijkheid dan voorheen.

De heer Voordewind vroeg naar de inperking van partnerschappen. Is dit een capaciteitsprobleem? We hebben de studie en de evaluatie, en ook onze eigen ervaring, al eerder genoemd. We willen het goed vormgeven. We willen samenwerking tussen organisaties juist aanmoedigen, waardoor we hopelijk ook grotere en meer impactvolle partnerschappen te berde kunnen brengen.

De heer Voordewind stelde een vraag die volgens mij een beetje retorisch was. Hij is zelf natuurlijk heel belangrijk geweest in de formatie, samen met ik meen D66, wat betreft het ophogen van geld voor ontwikkelingssamenwerking. Hij vroeg of er nog geld bij zou komen voor OS. Ik weet niet of hij nog een antwoord van mij verwacht?

De heer Voordewind (ChristenUnie):

Tegelijkertijd loopt er nu een debat over de begroting van Defensie, waar ook de 2%-norm speelt en waar de Minister de lead neemt om te kijken hoe we tot die 2% kunnen komen. Dat gebeurt misschien niet in deze kabinetsperiode, maar de Minister van Defensie is daarin heel actief. De Minister verwijst weer naar de coalitie. Die handschoen pakken wij op, samen met de collega's, maar steun in het kabinet en plannen van het kabinet, die wij dan weer kunnen steunen, helpen natuurlijk ook.

De voorzitter:

Ja, we moeten de verwachtingen wel even temperen, hoor! De Minister.

Minister Kaag:

U begrijpt mijn dilemma, maar in de BuHa-OS-nota staat in ieder geval het streven naar 0,7%. Ik verwelkom altijd een vroegere invulling van dit streven, maar ik denk dat er andere momenten zijn om dit te bespreken met elkaar.

De heer Voordewind vroeg ook nog aan welke andere manieren van selectiefinanciering wij denken. Ik meldde daarnet al dat wij kijken naar alternatieven voor de financieringsprocedures, ook juridisch gezien. Wij willen proberen goede plannen nog sneller direct te financieren. Ook denken wij aan het verlengen en optoppen van goedlopende programma's. De tender moet daarbij vooral goed overdacht worden. Het moet wel de juiste modaliteit zijn. Nog steeds kijken we natuurlijk ook welke andere kanalen er zijn. Het gaat niet altijd om en-en-en; het gaat om de juiste keuzes en de afweging.

De heer Weverling vroeg hoeveel geld er wordt vrijgemaakt voor de focusregio's. Moet er niet eerst naar de focusregio's worden gekeken en daarna pas worden beoordeeld? In het nieuwe kader wordt er gestuurd op een verhoogde inzet in de focusregio's. Dat is al de verschuiving conform de moties die zijn aangenomen, maar we blijven kijken naar kwaliteit. We sturen wat dat betreft niet op een percentage, want dan krijgen we waarschijnlijk het onbedoelde effect van een vertekende markt.

De heer Weverling vroeg ook waarom er belastinggeld wordt uitgegeven in midden- en hogeinkomenslanden. De inzet richt zich op de focusregio's – sommige daarvan zijn overigens middeninkomenslanden, maar vele niet – met een beperkte inzet in lage-, lagemidden- en hogeinkomenslanden. Dat is vooral voor de globale thema's zoals klimaat en waardeketens. De landen staan altijd op vastgestelde overeenkomsten: OESO-DAC-lijsten. Die hanteren wij ook. Ook de inzet van ODA is een OESO-DAC-principe.

De heer Alkaya vroeg naar de verdeling van de middelen tussen focusregio's en de rest van de wereld, om het zo maar te noemen. Ik heb net de verhoogde inzet al genoemd. Ik kan pas na de definitieve verdeling zeggen wat de selectie is of daar een inschatting van maken. Op dit moment kan ik niet zeggen wat de verdeling wordt, want we sturen ook weer niet op verdeling. We kijken naar kwaliteit, relevantie, rol, situatie et cetera. Anders zou het heel makkelijk zijn.

Dan de heer Bouali over de EU. U kwam terug op uw vraag of we niet veel meer kunnen doen. Mevrouw Van den Hul heeft ook in een eerder kader een vraag gesteld over de rol van de EU en EU-monitoring. We trekken heel veel op in EU-verband. U verwees naar de Benelux. Als Benelux-landen doen we dit binnen de EU. Wij zetten erop in om het thema civic space nog relevanter te maken, maar de EU doet ook heel veel via een programma over civil societies en local authorities. Er is een EU-instrument voor mensenrechten, democratie en human rights. Ngo's voeren ongeveer 14% van de EU-ontwikkelingssamenwerkingsprogramma's uit. Dat is een fors bedrag. We hebben overigens geen steun gevonden voor de EU-monitoring voor de civil society. Wij kunnen er altijd weer op terugkomen, maar we zetten nu in op een guidance note bij EU-richtlijnen voor de verdediging van mensenrechtenverdedigers, steun voor het maatschappelijk middenveld en een versterking. Wij kunnen dat in Benelux-kader doen, maar ik zou zeggen: wij zoeken onze bondgenoten waar mogelijk om gewoon een meerderheid te krijgen. Dat is uiteindelijk belangrijk.

De heer Bouali (D66):

Heel veel dank voor dit antwoord. Ik had ook een specifieke vraag gesteld over de Europese organisaties die als partner kunnen optreden in een alliantie. Ik weet niet of die vraag nog wordt beantwoord; anders doen we dat in het tweede deel. Ik denk dat dit een belangrijk onderwerp is. Ik noemde al de aids-alliantie, waarin Europees partnerschap mogelijk is. Is dat nog steeds mogelijk binnen dit kader?

Minister Kaag:

Ja. Die angst of zorg is niet terecht, gelukkig. Net zoals zuidelijke organisaties kunnen natuurlijk ook Europese ngo's gewoon meedingen. Dit blijft helemaal open. Dat is ook tamelijk uniek. Dat hebben niet alle landen. Daar zijn wij als Nederland genereus in, denk ik, en slim.

De heer Alkaya stelde een vraag over artikel 90 van de Grondwet, over het bevorderen van een sterke rechtsorde. Hij vroeg of dit daar wel bij past, als je kijkt naar een geografische focus. Het thema veiligheid en rechtsorde speelt hier sterk op in. Ik denk dat we door focus te hebben, keuzes maken, maar we steunen natuurlijk ook SDG 16 en alles wat daarbij hoort via de VN en het global rule of law-programma van het UNDP. We steunen ook de IDLO. Er zijn ook heel veel andere kanalen om dit te bevorderen, dus dit is niet het enige. Je zou denken, in het debat, dat dit het enige is wat we doen met BuHa-OS, maar dat is niet zo. Maar het is wel heel belangrijk.

Dan had de heer Alkaya nog een andere vraag. Zoals ik al zei, kunnen ook organisaties buiten Nederland gewoon deelnemen. Ze kunnen óf aan een alliantie deelnemen óf zelfstandig een voorstel indienen. Wij willen juist nog meer aandacht vragen voor zuidelijke organisaties. Dit is ook belangrijk voor de stem, voor diversiteit, voor cultuurdraagkracht en uiteindelijk, zoals dat heet, duurzaamheid wat betreft lokaal leiderschap. Daar gaat het ook om als je kijkt naar stem.

Mevrouw Kuik vroeg wat binnen dit programma de mogelijkheden zijn voor mensen met een beperking. Dat wordt absoluut meegenomen. Niet alles wat niet expliciet wordt genoemd, wordt uitgesloten; verre van dat. Dit is het thema kwetsbaarheid, en hierop richten wij ons. Dat kan onder gender en dat kan zelfs onder verduurzaming, dus arbeidsplekken voor mensen met een beperking, et cetera. Het ligt wat dat betreft een beetje aan de creativiteit, ervaring en innovativiteit van de organisaties die indienen hoe ze hier uitvoering aan willen geven.

De laatste vraag gaat over diasporaorganisaties. Die hebben al toegang tot financiering via een subsidie-instrument dat Peace and Security for All heet. Dat loopt eind 2019 af en zal apart worden geëvalueerd. Daarna gaan we kijken hoe we verdergaan, in het bijzonder met diasporaorganisaties, erkennende dat ze een belangrijke rol kunnen spelen.

De voorzitter:

U bent zover, mevrouw de Minister. Er zijn geen interrupties meer in eerste termijn. Ik vraag mij voor mijzelf af of ik nu het voorzitterschap moet overdragen, want ik heb nog geen interrupties gepleegd en ik heb nog wel wat te vragen. Ik zit namelijk nog om een antwoord verlegen bij het punt van de aanbevelingen uit het IOB-rapport over subsidierondes. Mijn vraag is of u van plan bent om bij de subsidietenders meer te gaan sturen op outcome in plaats van output. Er zijn resultaten aangedikt. Dat komt natuurlijk omdat er concurrentie is. Dat is allemaal begrijpelijk, maar gaat u daar nog consequenties aan verbinden? Hoe gaat u daarmee om? Dus dat was mijn interruptie in eerste termijn. Dan gaan we zo de eerste termijn afronden, als u heeft geantwoord.

Minister Kaag:

Ja, we gaan veel meer kijken naar outcome in plaats van output. Dat is natuurlijk ook een consequentie van de IOB-evaluatie. Dat wordt in het kader meegenomen. Daarom refereerde ik al eerder in dit debat aan the theory of change. Dat hoort daar allemaal bij. Dat is lastiger. Dat betekent dat er inderdaad veel specifieker bekeken moet worden, door organisaties, maar ook door onszelf bij de afweging van de ingediende voorstellen, wat de resultaten zijn die beoogd worden, hoe die worden gemeten, hoe die worden geborgd en welke mitigerende maatregelen een organisatie kan nemen wanneer dat niet zo blijkt te zijn. Dus het gaat om realisme in de resultaten. Dan kan je ook echt gaan kijken naar outcome. Dat is natuurlijk ook waarom we kijken naar een keuze van thema's en waarom we graag allianties bevorderen, want ook in de uitvoering van programma's kun je ervoor zorgen dat je daadwerkelijk resultaat kunt boeken, door de manier waarop je je organiseert. Daarin willen we af van die verspreiding, want dan zullen we waarschijnlijk hetzelfde concluderen.

Dan het tweede. Wat gaan we doen met de zogenaamde aangedikte resultaten? Er is één specifieke casus. Daar is nu een apart onderzoek op gezet om te kijken of daar niet sprake is van malversatie. Dat gaat om één project, met twee componenten, twee waterputten, met een ingeschat totaalbedrag van € 25.000. Dat volgt het gebruikelijke onderzoek. Mocht er sprake zijn van malversatie, dan zijn er vervolgstappen, waaronder niet alleen rapportage aan u, maar ook terugvordering.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan gaan we naar de tweede termijn van de Kamer.

Ik geef graag het woord aan mevrouw Diks van GroenLinks. Wij hebben daarvoor anderhalve minuut, denk ik, mevrouw de griffier? Nou, dan houdt u het kort, mevrouw Diks.

Mevrouw Diks (GroenLinks):

Hou het kort, zei de beul zeker.

Focus in het OS-beleid is natuurlijk heel erg belangrijk en het goed opvolgen van IOB-studies ook. We hebben die instantie natuurlijk niet voor niks. Naar ons idee plakken we nu de lessen uit één context op een compleet andere context. Wij zien dat als een verkeerde reflex. De IOB-aanbeveling over focus gaat over programma's van het ministerie waar maatschappelijke organisaties een uitvoerende rol bij hebben. Daar moeten we dan ook zeker mee aan de slag. Maar dit kader gaat over maatschappelijke organisaties in hun rol als pleiters en beleidsbeïnvloeders, zoals de Minister zelf ook meerdere keren heeft aangegeven. Dan gaat het wat ons betreft natuurlijk juist om kruisverbanden tussen mondiale thema's en trends en om verbanden tussen regio's. Dan is die focus in die zin misschien wat minder relevant. De Minister zegt de IOB-studie over partnerschappen ook te hebben meegenomen, maar wij zien daar gewoon te weinig van terug. Er staat letterlijk in dat Buitenlandse Zaken mee ruimte zou moeten geven aan organisaties om hun autonomie niet te ondermijnen en dat het ministerie tegenspraak gericht op beleidscoherentie moet aanmoedigen. Ik zie deze zaken gewoon niet terug in het verhaal van de Minister. Dat vind ik zorgwekkend. Ze wil thema's en landenkeuzes voorschrijven en laat te weinig ruimte om ook tegen landenstrategieën van ambassades in te gaan, als dat nodig is.

De Minister geeft aan dat er veel ruimte is binnen de thema's, maar als die ruimte zo breed is als zij lijkt aan te geven, begrijp ik eigenlijk de noodzaak om überhaupt thema's aan te geven niet. Ik ben dan ook alsnog bang dat sommige belangrijke thema's buiten de boot zullen vallen, bijvoorbeeld mondiale ongelijkheid of belastingontwijking. Ik zou eigenlijk nu een punt van orde willen maken. Er is wat mij betreft verwarring over hoe we die brief nou precies moeten lezen. Hoe zit het nou precies met al die thema's? Ik zou eigenlijk een punt van orde willen maken en daarin willen zeggen: waarom schorten we de tweede termijn niet verder op en laten we de Minister niet een brief schrijven met een nadere duiding van die thema's, heel snel, zodat we volgende week de tweede termijn op dit onderwerp kunnen doen?

De voorzitter:

Ik kijk even rond. De voorzitter zou hier geen voorstander van zijn. Ik zie de heer Bouali nee schudden. Ik zie de heer Voordewind ook twijfelen.

De heer Voordewind (ChristenUnie):

Voorzitter, ik heb nog niets gezegd, maar u interpreteert. Ik voel wel wat mevrouw Diks zegt over meer duidelijkheid krijgen, want het beleidskader moet er nog komen en dat is natuurlijk wel afhankelijk van wat de Kamer precies zegt. Maar ik ben tegelijkertijd wel bang dat we tijd gaan verliezen, want de limits zijn natuurlijk ook al gesteld. Het kader is maar tot 2020. Dan moet er een nieuw kader komen. Ik zou zelf voorstellen om toch naar een VAO te gaan en dan de dingen die onduidelijk zijn via een motie af te kaarten.

De voorzitter:

Mevrouw Kuik.

Mevrouw Kuik (CDA):

Voorzitter, ik heb nog vragen in mijn tweede termijn en als de Minister die gewoon helder kan beantwoorden, wil ik dat dán beoordelen.

De voorzitter:

Ja. De heer Alkaya.

De heer Alkaya (SP):

Er is in ieder geval geen meerderheid. Dat kunnen we wel constateren, ongeacht wat ik zeg. Maar ik vraag me ook af of we onszelf daarmee helpen, als de Minister aangeeft dat juist bij deze brede formulering heel veel thema's daaronder zouden kunnen vallen. Zou een nadere specificering daarvan juist niet een beperking kunnen opleveren? Ik heb het juist als toezegging van de Minister geïnterpreteerd dat alles wat hieronder zou kunnen vallen – ze doet een beroep op de creativiteit van organisaties – daar dus onder zou kunnen vallen. Dat is juist volgens mij de meest brede interpretatie mogelijk. Ik weet niet of een verdere specificering de organisaties zal helpen. Dus ik twijfel, maar het maakt sowieso niet uit wat ik zeg, want er is geen meerderheid.

(Hilariteit)

De voorzitter:

Nou, het is te makkelijk om dat te beamen, dus dat doe ik zeker niet. Uw woord is van belang, meneer Alkaya. Mevrouw Diks, trekt u uw voorstel in?

Mevrouw Diks (GroenLinks):

Nee, zeker niet. Ik heb gewoon een voorstel gedaan. Dan wordt dat wel of niet aangenomen. Ik heb er moeite mee, omdat dit voor de organisaties ontzettend belangrijk is en omdat er veel tijd overheen gegaan is om tot dit punt te komen. Aanvankelijk werd aangenomen dat het eigenlijk best een beetje een nauw beleidskader was, maar door de interpretatie van de Minister nu wordt het opeens best wel opengegooid en kan er heel veel onder vallen. Dat betekent dus dat het nog verwarrender is dan het was. Dat lijkt mij persoonlijk niet positief. Ik zie coalitiepartijen vrolijk knikken dat zij blijkbaar een andere interpretatie van «nauw» hebben dan ik, maar ik zie dat er verwarring is. Ik denk dat het ons meer tijd kost als we nu doorgaan en een besluit nemen over dit kader en vervolgens met workshops en alles moeten gaan uitleggen hoe we dit kader nou precies moeten gaan interpreteren. Ik denk dat dat ons meer tijd gaat kosten dan nu een heldere uitleg te krijgen over hoe we dit nou precies moeten zien.

De voorzitter:

Mevrouw Diks, dank u wel. Uw punt van orde is niet aangenomen, als ik het zo mag beoordelen. U bent klaar met uw tweede termijn?

Mevrouw Diks (GroenLinks):

Ik moet weg, want ik ga weer naar de Defensiebegroting.

De voorzitter:

U bent de eerste spreker. Wilt u een VAO?

Mevrouw Diks (GroenLinks):

Ja. Dan wil ik graag een VAO aanvragen.

De voorzitter:

Dan bent u daar ook de eerste spreker, maar dat komt natuurlijk alleen maar doordat de voorzitter eigenlijk daar zat en nu hier zit, waardoor ik geen VAO kon aanvragen. Maar ik gun u natuurlijk het recht om dit VAO aan te vragen. Mevrouw Diks, een hele succesvolle middag nog.

We gaan naar de heer Bouali van D66.

De heer Bouali (D66):

Voorzitter, dank u wel. Jammer dat de collega van GroenLinks weg moet en jammer dat er ook verwarring bij GroenLinks is over dit onderwerp. Ik heb de Minister goed gehoord. Het was een duidelijke uitleg. Er waren ook zorgen aan deze kant van de tafel en die zijn allemaal goed geadresseerd. Ik hoor dat er binnen de thema's ruimte is en dat er ook geografisch ruimte blijft. Bij de continuïteit is er ook ruimte. Een ander belangrijk thema is dat er ook op Europees niveau opgetrokken wordt. Wat mij betreft gaan we zo snel mogelijk naar dit kader, zodat de organisaties ook aan de slag kunnen. We zitten er al zo lang op te wachten. Ik zit eerlijk gezegd ook niet te wachten op verdere vertragingen. Onder dankzegging aan de Minister hoop ik dat we snel aan de slag kunnen.

De voorzitter:

Dank u wel. De heer Voordewind, aan u het woord in tweede termijn.

De heer Voordewind (ChristenUnie):

Voorzitter. Ik dank de Minister dat zij meer duiding heeft gegeven aan de brief van 4 november en daarmee geeft ze ook meer ruimte. Ze zegt dat kwaliteit vooropstaat en dat er bij de weging van de voorstellen wordt gekeken naar geografische focus en naar de thema's die ze noemt. Die partnerschappen worden teruggebracht van 25 naar 20. Dat is aan de ene kant focus en aan de andere kant een inperking van de autonomie van de organisaties.

Ik twijfel erover hoe verder te gaan, maar goed, we krijgen een VAO, dus we kunnen kijken of we tot een specifiekere duiding kunnen komen van die limitering van de thema's. Ik denk dat de belangrijkste vraag is of er een limiet komt van zeven thema's of dat er meer thema's nodig zijn. Kan het alleen binnen de zeven thema's die genoemd zijn? Daarover verwacht ik nog wat meer duidelijkheid. Als dat in tweede termijn kan, hoor ik dat graag.

Mevrouw Kuik (CDA):

Voorzitter, dank. De Minister heeft de brief echt verduidelijkt. Het is jammer dat dat niet direct aan de voorkant is gebeurd, maar de Minister heeft duidelijkheid gegeven over de ruimte en gezegd dat het niet zo rigide is als wij dachten toen we de brief lazen. Ik denk dat dat een hoop heeft geholpen. De vraag is in hoeverre dat wordt vastgelegd, misschien in het subsidiekader, zodat het ook echt duidelijk is voor het maatschappelijk middenveld. Zoals de heer Alkaya in het ordedebatje al aangaf, is er ruimte gegeven, maar dat moeten we niet verder gaan preciseren waardoor we het meer rigide maken.

Tot slot had ik een opmerking gemaakt over het postennetwerk. Zouden we hierover voor de begroting een brief kunnen krijgen? Dat verzoek doe ik mede namens de PvdA.

De voorzitter:

Is dat voldoende duidelijk? Kunt u nog even specificeren wat u wenst?

Mevrouw Kuik (CDA):

Ik kan die alinea nog een keer herhalen. Wij zouden graag beter inzichtelijk hebben wat ambassades precies kunnen en moeten doen om dat middenveld verder te versterken en welke middelen ze daarvoor hebben.

De heer Alkaya (SP):

Voorzitter. In eerste termijn heb ik aandacht gevraagd voor het feit dat in onze Grondwet staat dat Nederland wereldwijd de rechtsorde bevordert. Maatschappelijke organisaties zijn heel belangrijk bij het bepleiten en beïnvloeden van het beleid in die landen. Daarin worden ze niet alleen beperkt door overheden, maar ook door bedrijven, juist als de overheid afwezig, zwak of corrupt is. Daar heb ik de Minister niet over gehoord. Dat ging niet per se over het beleidskader, maar over het maatschappelijk middenveld an sich. Wil zij daar aandacht voor behouden bij contacten in landen waar dat aan de orde is? Dan gaat het niet alleen om Colombia, maar ook over landen als India, waar maatschappelijke organisaties geïntimideerd worden, niet alleen door overheden, maar ook door andere maatschappelijke actoren, soms in samenwerking met multinationals. Graag nog een reactie daarop.

Juist vanwege de focus op economische actoren ben ik ook blij met de brede opvatting van het tweede thema, verduurzaming van waardeketens. Dat gaat ook over goed, verantwoord ondernemerschap, zonder belastingontwijking, zonder met kinderarbeid aan de slag te gaan en dergelijke. Die organisaties kunnen dat soort misstanden aan de orde blijven stellen in helaas nog te veel landen. Dank voor de toezegging om het niet te beperken tot de focusregio's, want dit soort misstanden spelen nog in veel meer landen.

De voorzitter:

Ik vraag me af of die toezegging zo is gedaan, maar goed, dat gaan we zo horen van de Minister. Ik vraag even aan de heer Bouali om mij het woord te geven.

Voorzitter: Bouali

De voorzitter:

Ik geef het woord aan de heer Weverling.

De heer Weverling (VVD):

Dank u wel, voorzitter. Bij de voorbereiding op dit AO heb ik als nieuwe woordvoerder op dit dossier met veel interesse alles tot mij genomen. Ik neem even tot mij wat de Minister zojuist heeft gezegd. Nederland is genereus. Volgens mij moeten we dat op het wereldtoneel niet vergeten. We zijn genereus en niet alles kan. Het moet effectief en kwalitatief goed besteed worden, als wij geld uitgeven. Volgens mij is dat het kader waar het om gaat.

Met wat ik nu zeg, wil ik niemand schofferen en de ngo's niet tekortdoen, maar de ngo's zijn geen doel op zich, maar een middel om de doelen in de landen te bereiken. Zo staan wij erin. Als de ngo's autonoom zijn, zoals door de Minister wordt onderschreven, dan vind ik ook dat de impact van het belastinggeld in die landen ook goed uitgelegd moet kunnen worden, vandaar mijn pleidooi voor outcome in plaats van output. Dan kan de autonomie ook het meest gewaarborgd zijn. Ik ga ervan uit dat het geld van de Nederlandse belastingbetaler goed besteed wordt door de ngo's.

Ik ben enthousiast over de focus op thema's en regio's. Ik ben minder enthousiast over de ruimte die de Minister biedt, die genereus wordt omarmd door mijn collega's in de Kamer. Nogmaals, Nederland is genereus in de wereld en laten we dat vooral effectief en kwalitatief goed besteden, omdat gewoon niet alles kan.

Tot zover mijn tweede termijn, voorzitter.

Voorzitter: Weverling

De voorzitter:

De Minister kan gelijk doorgaan met de tweede termijn. Aan haar het woord.

Minister Kaag:

Dank u wel, voorzitter. Ik bevestig tegenover mevrouw Diks dat de ambtenaren van het ministerie niet alleen de IOB-studie en -evaluatie maar ook heel veel andere studies hebben meegenomen, dus het is niet echt een nauw proces. Dit is het moment om de verantwoordelijkheid te nemen om te zeggen dat we dit meenemen met alles wat we al weten, over alle jaren, landen en programma's. Dit is het moment om een kader te scheppen. We kunnen niet doen alsof we al die kennis niet hebben. De IOB-evaluatie was een aanscherping naar een hele duidelijke richting; geen fragmentatie maar kwaliteit en keuzes maken, dat komt altijd weer terug. Het was nu de verantwoordelijkheid van het kabinet om te zeggen dat dit de richting wordt. Het paste bij de agenda en de moties.

Ik bevestig nog maar een keer dat de autonomie van de organisaties heel duidelijk is geborgd. Uiteindelijk staat Nederland voor een progressief beleid als het gaat om de stem van het maatschappelijk middenveld. Ongeacht de kleur van de partijen omarmen wij allemaal de kracht en de rol die organisaties spelen. Zoals ik al zei, willen wij dat juist ook in landen waar het maatschappelijk middenveld onder druk staat. Maar bij autonomie hoort niet dat men automatisch recht heeft op financiering, zonder vragen, zonder richting en zonder vereisten vooraf van de overheid. Dat zou onverantwoord zijn. Dat kan ook niet. Ik kan me niet voorstellen dat ngo's dat willen. Laten we heel voorzichtig zijn met hoe we het thema autonomie benoemen, want in de realiteit ligt de bal bij de organisaties.

Het derde punt betreft de partnerschappen. Het zijn er uiteindelijk toch maar twee minder van de 25. Er zijn er drie overgegaan naar SRGR-partnerschappen, dus dan is er ook een verschuiving van geld. In plaats van de 22 die er overbleven, zijn het er nu 20, dus zo dramatisch is het niet. Het blijft echt weer een kwestie van het kader kunnen publiceren, zodat iedereen weet waar hij aan toe is en zich erop kan instellen.

Hiermee wil ik ook zeggen dat het helemaal aan de Kamer is om te besluiten over een VAO, maar dat het maatschappelijk middenveld dan wordt benadeeld. We lopen hiermee een vertraging op en die moet worden ingehaald door de organisaties zelf. Dat zou eventueel kunnen leiden tot contractuele problemen, dus ik zou hier voorzichtig mee omgaan, als een politieke winstwaarschuwing voor diegenen die dit graag willen.

Dan de vraag van de heer Voordewind over de thema's. We gaan de thema's niet verder definiëren. Ik heb deze bewust breed gehouden, want daar ligt juist de ruimte voor creativiteit en innovatie, maar ook voor continuïteit voor organisaties. Er zijn ook andere thema's die vallen onder de nota van BuHa-OS en die we elders aanpakken, zoals onderwijs en landbouw. Bij klimaatactie wordt er heel groots uitgepakt, ook op andere manieren. Jeugd, werk, onderwijs is een groot thema. Er komt een jeugdstrategie, maar die hebben we bewust niet genoemd. Ook daar ligt eventueel ruimte. Ik denk dat iedereen moet onthouden dat dit een groot partnerschap is, maar absoluut niet het enige. Het is 25% van de financiering waar maatschappelijk middenveld en ngo's aanspraak op kunnen maken, dus het is niet «the winner takes all». Het is ook heel belangrijk om dat te onthouden.

Dan de brief over het postennetwerk. Ik begrijp dat de vraag is wat de rol is van de ambassades en de invulling daarvan. Ik wil dit wel overleggen met mijn collega Blok, want hij is verantwoordelijk voor de posten. Er is een accountabilityfonds van 15 miljoen voor vijf jaar. Er is een decentraal Mensenrechtenfonds. Verder zijn er een toolkit en allerlei andere ondersteuningsmechanismen in Den Haag om mensen bij alle ambassades te trainen en mee te nemen bij het bevorderen van het maatschappelijk middenveld in landen, in samenspraak met onze partners, die uit het Zuiden kunnen komen of Nederlands zijn. Als daar een korte aparte brief over moet komen, is dat absoluut geen probleem, maar ik vrees dat we niet zo veel meer te melden hebben.

De voorzitter:

Mevrouw Kuik, bent u tevreden?

Mevrouw Kuik (CDA):

Het gaat mij ook om de context, om er iets meer beeld bij te krijgen.

De voorzitter:

Bij de rol van de posten?

Mevrouw Kuik (CDA):

Hoe zij het middenveld kunnen gaan versterken en welke middelen zij daarvoor hebben.

Minister Kaag:

Ik ben een beetje bang dat het heel contextspecifiek is, maar dat weet mevrouw Kuik ook. Als we het hebben over een post in een fragiele staat of in een fragiele situatie, is het werk dat zij doen anders dan bij een post in een lage-inkomensland, een LDC. Het hangt af van de programma's en van de situatie. U zult wellicht teleurgesteld worden door de brief die u dan krijgt, want die zal generiek worden, tenzij we per land een beschrijving sturen. Maar ik weet dat dat ook niet uw opzet is. U wilt gewoon een verheldering daarbij. Ik vrees dat ik niet begrijp wat die brief gaat toevoegen.

Mevrouw Kuik (CDA):

Ik ga nog even overleggen met mijn collega van de PvdA, maar die is er nu niet.

De voorzitter:

Dank u. De Minister.

Minister Kaag:

Veel dank voor het begrip. Begrijp mij goed, ik ben absoluut niet tegen het schrijven van brieven, maar ik wil wel dat de brief voldoet aan de vraag of aan de verwachting die leeft.

De voorzitter:

Dat de outcome er is en niet alleen de output.

Minister Kaag:

Ja, dank, mijnheer de voorzitter.

Er was ook een vraag of opmerking over dat het thema belasting niet in het partnerschap zit. Dit is een kader voor een aantal thema's, maar als iets er niet in zit, wil dat niet zeggen dat het niet belangrijk is of niet elders wordt aangepakt. Wij werken met Transparency International en verlenen technische steun. We doen dat ook multilateraal, bijvoorbeeld via UNCTAD en andere kanalen om belastingontduiking en corruptie aan te pakken, onder het SDG 17, en ook in het kader van OESO en de verantwoordelijkheden die multinationals of andere bedrijven hebben. Belasting is ook een belangrijke vorm van domestic resource mobilisation voor ontwikkelingslanden om hun eigen ontwikkeling op te starten en dat willen wij juist ook.

Ik moet mezelf corrigeren, maar gelukkig niet helemaal: er komt een brief van Minister Blok over het postennetwerk. Ik kan even kijken of er een aanscherping of aanvulling over de regio's in meegenomen kan worden. Dat zijn dan misschien twee vliegen in één klap.

De voorzitter:

Fantastisch. Hartelijk dank. Ook hartelijk dank aan meneer Voordewind.

Ik heb twee toezeggingen gehoord.

  • De Minister informeert de Kamer over alternatieve manieren van financieren in fragiele staten, op verzoek van de heer Alkaya.

Minister Kaag:

Nee, nee, nee.

De voorzitter:

Ik heb hier staan, maar ik lees slechts voor, dat de Minister de Kamer informeert over alternatieve manieren van financieren in fragiele staten.

Minister Kaag:

Nee hoor.

De voorzitter:

Die wens lag er ook niet, dus die schrappen we door.

We wachten de brief af van meneer Blok, waarbij mevrouw Kaag kijkt wat zij kan toevoegen over wat er vandaag is gewisseld.

Minister Kaag:

Ik verwelkom enige verduidelijking wat betreft de wensen die zijn geuit door mevrouw Kuik, ook namens mevrouw Van den Hul, zodat we de gestelde vraag helder kunnen beantwoorden.

De voorzitter:

Er is dus één toezegging, over die brief. Dank aan de Kamer. Hartelijk dank voor de Minister en haar gevolg voor alle beantwoording van de vragen. De Minister wil graag het laatste woord.

Minister Kaag:

Ik had eigenlijk een vraag aan u willen stellen. Het is mij nog niet helder. Ik weet niet of er een VAO komt. Als dat er komt, veroorzaakt dat een vertraging van de publicatie van het beleidskader. Dank.

De voorzitter:

Ik vind het niet netjes om het nu in te trekken, maar ik snap uw opmerking en de zorg die er leeft. Ik denk dat wij dat nog even gaan checken bij mevrouw Diks. Vooralsnog staat er een VAO, maar de boodschap is duidelijk. We kijken wat we kunnen doen.

Nogmaals, hartelijk dank aan de Minister, aan de collega's, aan de griffie en ook aan de mensen op de publieke tribune. Dank u wel.

Sluiting 15.02 uur.