Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2016-201734608 nr. 3

34 608 Wijziging van het Burgerlijk Wetboek en het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering teneinde de afwikkeling van massaschade in een collectieve actie mogelijk te maken

Nr. 3 MEMORIE VAN TOELICHTING

ALGEMEEN DEEL

1. Inleiding

Dit wetsvoorstel strekt tot invoering van een collectieve schadevergoedingsactie. Het wetsvoorstel heeft tot doel een efficiënte en effectieve collectieve afwikkeling van massaschade te bevorderen. Gestreefd is naar een balans tussen het belang van gedupeerden om hun rechten te kunnen verwezenlijken en het belang van aangesproken partijen om beschermd te worden tegen ongefundeerde of lichtvaardige massaclaims. Het wetsvoorstel maakt het voor gedupeerden gemakkelijker om schade collectief te verhalen, zonder dat daarmee de positie van de aangesproken partij in het gedrang komt. Het wetsvoorstel verandert het materiële aansprakelijkheids- of schadevergoedingsrecht niet. Waar onder het huidige recht op een partij een verplichting tot schadevergoeding rust, kan daarvoor straks ook een collectieve vordering in de zin van artikel 3:305a BW worden ingesteld. Bestaat die verplichting tot schadevergoeding naar huidig recht niet, dan verandert het wetsvoorstel daar niets in. Voor de massazaken die zich voordoen, biedt het voorstel een duidelijk stramien voor gecoördineerde afdoening. Daarmee kan het voorstel een chaos van vele individuele vorderingen en het in meerdere procedures procederen door verschillende belangenorganisaties over dezelfde gebeurtenis, voorkomen.

2. Hoofdlijnen van het voorstel

Het wetsvoorstel kent de volgende hoofdlijnen:

  • Het voorstel wil schikken aantrekkelijker maken door verbetering van de kwaliteit van collectieve belangenbehartigers, coördinatie van collectieve procedures en meer finaliteit.

  • Er komt één regime voor collectieve acties op grond van artikel 3:305a BW, ongeacht of ze strekken tot schadevergoeding in geld of niet.

  • De ontvankelijkheidseisen voor belangenorganisaties voor het instellen van een collectieve vordering worden aangescherpt op het punt van governance, financiering en representativiteit. Een uitzondering geldt voor bepaalde gevallen waarin het stellen van deze eisen disproportioneel zouden zijn.

  • Een collectieve vordering moet een voldoende nauwe band hebben met de Nederlandse rechtssfeer.

  • Alle collectieve acties moeten als vorderingsprocedure worden aangebracht bij de rechtbank Amsterdam en worden aangetekend in een register voor collectieve acties.

  • Als meer belangenorganisaties een collectieve vordering willen instellen voor dezelfde gebeurtenis of gebeurtenissen over soortgelijke feitelijke en rechtsvragen, wijst de rechter uit hun midden de meest geschikte aan als Exclusieve Belangenbehartiger voor alle gedupeerden.

  • De niet-aangewezen belangenbehartigers blijven wel partij in de procedure.

  • Na aanwijzing van de Exclusieve Belangenbehartiger kunnen gedupeerden zich aan de collectieve belangenbehartiging onttrekken door een opt out.

  • De uitspraak van de rechter in de procedure is bindend voor alle gedupeerden die niet hebben ge-optout.

3. Voorgeschiedenis

Dit wetsvoorstel geeft uitvoering aan de motie Dijksma. In deze motie wordt de regering verzocht «om te komen tot de toekenning van het recht voor representatieve belangenorganisaties om schade collectief te verhalen, door de WCAM en het BW op dit punt per 1 januari 2013 aan te passen». Deze motie is op 8 november 2011 tijdens de begrotingsbehandeling van het Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie aangenomen (Kamerstuk 33 000 XIII, nr. 14). De ambtsvoorganger van de Minister van Economische Zaken heeft vervolgens de uitvoering van de motie aan mij overgedragen (Kamerstuk 33 000 XIII, nr. 164). Een deel van de motie Dijksma is reeds uitgevoerd door de recente invoering van de wijziging van de Wet Collectieve Afwikkeling Massaschade (WCAM) (Stb. 2013, 255). Het onderhavige wetsvoorstel ziet op het verzoek tot aanpassing van het Burgerlijk Wetboek (BW). Aan dit wetsvoorstel is een reeks wetsvoorstellen vooraf gegaan, waarmee het collectieve actierecht en de collectieve schadeafwikkeling in het Burgerlijk Wetboek zijn verankerd (Stb. 269, 1994, Stb. 2005, 340 en Stb. 2013, 525).

Een collectieve schadeafwikkeling voorziet in een behoefte wanneer sprake is van massaschade en de verwezenlijking van rechten in een individuele procedure op problemen stuit of wanneer collectieve afwikkeling een effectiever en efficiënter middel biedt om tot toekenning van schadevergoeding te komen aan een grote groep gedupeerden.

De behoefte aan een collectieve afwikkeling van massaschade is in de laatste decennia toegenomen, ook in Nederland. Hiervoor zijn meerdere redenen. Consumenten nemen steeds meer gestandaardiseerde producten en diensten af, die onder algemene voorwaarden worden verkocht. Dit betekent dat identieke problemen ontstaan wanneer de verkoper tekortschiet. Hetzelfde geldt indien bepaalde goederen of diensten gebrekkig blijken te zijn en een veelheid aan personen daardoor schade lijdt. Ook de gestegen aandacht voor schade door normoverschrijding gedrag van ondernemingen heeft hier aan bijgedragen.

Desondanks is de collectieve schadevergoedingsactie tot op heden niet wettelijk verankerd. Dit in tegenstelling tot de collectieve actie (Stb. 269, 1994). De reden hiervoor is dat bij de totstandkoming van de generieke regeling voor een collectieve actie al duidelijk was dat aan een collectieve vordering tot schadevergoeding bepaalde problemen kleven. Het zonder nadere regeling mogelijk maken van een collectieve schadevergoedingsactie in geld betekent dat in de collectieve actie na beantwoording van de gemeenschappelijke vragen alle individuele gedupeerden in de procedure betrokken moeten worden, teneinde de op hun betrekking hebbende individuele vragen te beantwoorden. Te denken valt aan de omvang van de schade die per benadeelde kan verschillen, maar ook aan vragen van causaliteit, verjaring en eigen schuld. Wat dan begint als een eenvoudige collectieve actie, mondt uit in een bundeling van zeer vele individuele daarop aansluitende procedures. De Amerikaanse praktijk van class actions laat zien dat een dergelijke procedure daardoor onbehandelbaar dreigt te worden en daarmee onaantrekkelijk voor alle betrokkenen.

In het wetsvoorstel voor de invoering van de collectieve actie van het huidige artikel 3:305a lid 1 BW was daarom aanvankelijk gekozen voor een beperking van de mogelijkheid tot het instellen van een collectieve schadevergoedingsactie. Alleen verenigingen mochten ten behoeve van hun leden een dergelijke vordering instellen. Reden hiervoor was dat een vereniging die uitsluitend voor haar leden schadevergoeding vordert, zeer wel in staat is aan te geven voor wie zij optreedt en zo nodig van haar leden de nodige gegevens kan verkrijgen aan de hand waarvan ieders schade te bepalen is. Bovendien spelen er, wanneer bekend is voor wie opgetreden wordt en hoe groot ieders schade is, geen distributieproblemen (Kamerstukken II, 1991–1992, 22 486, nr. 2, p. 30). Als gevolg van het amendement Soutendijk/Korthals is tijdens de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel de slotzin van artikel 3:305a lid 3 BW in het wetsvoorstel opgenomen (Kamerstukken II, 1993–1994, 22 486, nr. 15). Die bepaalt dat een collectieve actie niet kan strekken tot een schadevergoeding in geld. Het aanvankelijke voorstel werd niet wenselijk geacht door de indieners van het amendement. De reden hiervoor was dat de vraag of, en zo ja, in hoeverre een persoon jegens wie onrechtmatig zou zijn gehandeld daardoor schade heeft geleden, in de ogen van de indieners van het amendement slechts individueel beantwoord kan worden.

In de praktijk bleef de behoefte bestaan aan een efficiënte en effectieve methode voor de collectieve afwikkeling van massaschade. Op 27 juli 2005 is daarom de WCAM tot stand gekomen. Deze wet biedt de mogelijkheid om een overeenkomst die voorziet in de afwikkeling van een groot aantal gelijksoortige vorderingen tot schadevergoeding – een massaschade – en die is gesloten tussen een organisatie die de belangen van de gedupeerden behartigt en de aansprakelijke partij of partijen, door de rechter verbindend te laten verklaren voor de gehele groep van gedupeerden (Stb. 2005, 340).

Dat het inzetten op een schikking voor de collectieve afwikkeling van massaschade een effectieve en efficiënte wijze van afwikkeling is, blijkt uit een in 2008 door de Europese Commissie uitgevoerd internationaal rechtsvergelijkend onderzoek naar mechanismen van collectief verhaal. Eén van de onderzoeksvragen was in hoeverre bestaande Europese mechanismen van collectief verhaal resulteerden in daadwerkelijk uitgekeerde vergoedingen aan consumenten. Hoewel het onderzoek slechts een beperkt aantal Nederlandse WCAM-zaken betrof, stak Nederland ver uit boven de andere lidstaten gelet op het totale bedrag aan daadwerkelijk uitgekeerde vergoedingen. Uit het onderzoek bleek dat bijna 100% van het totale bedrag aan daadwerkelijk uitgekeerde vergoedingen via destijds bestaande Europese mechanismen van collectief verhaal, in Nederland waren uitgekeerd (Europese Commissie, DG SANCO, 26 augustus 2008, Evaluation of the effectiveness and efficiency of collective redress mechanisms in the European Union, p. 9 en p. 117 e.v).

Uit de evaluatie van de WCAM in 2008 (Kamerstukken II, 2008–2009, 31 762, nr. 1) is eveneens gebleken dat deze wet in een behoefte voorziet. Kritiekpunt is dat dit niet geldt voor de gevallen waarin de onderhandelingsbereidheid bij de aangesproken partij ontbreekt. In dat geval ontbreekt een «stok achter de deur» om de aangesproken partij alsnog te dwingen om mee werken.

Het ontbreken van de mogelijkheid om schade collectief te verhalen kan er dan in de praktijk toe leiden dat de afwikkeling van massaschade wordt vertraagd. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer een aangesproken partij iedere aansprakelijkheid ontkent of dat essentiële rechtsvragen anders worden beantwoord. Uit de evaluatie komt naar voren dat een collectieve actie op basis van artikel 3:305a lid 1 BW in een dergelijk geval uitkomst kan bieden. Het kan echter lang duren voordat in hoogste instantie over een essentiële rechtsvraag duidelijkheid wordt verkregen, terwijl de aangesproken partij gedurende die periode wellicht niet bereid is over een collectieve regeling te spreken. Ook als aansprakelijkheid vaststaat, is de aangesproken partij niet steeds bereid te onderhandelen over een afwikkeling van de massaschade. Dit kan het geval zijn als de aangesproken partij verwacht dat individuele gedupeerden toch niet de gang naar de rechter zullen maken, bijvoorbeeld omdat hun individuele schade gering is. In een dergelijk geval bestaat behoefte aan een mogelijkheid de aangesproken partij te dwingen aan de onderhandelingstafel plaats te nemen. Uit een in 2010 uitgevoerd onderzoek in opdracht van de Minister van Economische Zaken blijkt dat invoering van een collectieve schadevergoedingsactie ook een effectieve en efficiënte methode kan zijn om strooischade te verhalen voor een groep gedupeerden (Kamerstukken II, 2010–2011, 27 879, nr. 34). Strooischade is massaschade die voor elk van de benadeelden zo gering is, dat een individuele actie met het oog op de kosten daarvan niet loont. Het ontbreken van de «stok achter de deur» was aanleiding voor de hiervoor genoemde motie Dijksma tot toekenning van het recht voor representatieve belangenorganisaties om schade collectief te verhalen. Een «stok achter de deur» kan slechts effectief zijn, wanneer er geen discussie is over het toepasselijke kader of de instantie die met de afdoening van een collectieve schadevergoedingsvordering moet worden belast. Een generieke juridische regeling in de wet voor een collectieve schadevergoedingsactie, waarbij de rechter uiteindelijk vaststelt wat billijk is tussen partijen, biedt hiervoor de meeste zekerheid. De rechter is bij uitstek geëquipeerd voor afdoening van een collectieve vordering, vanwege zijn deskundigheid, onafhankelijkheid en onpartijdigheid. Ook is de rechter in staat om knopen door te hakken, wanneer de betrokken partijen het oneens blijven.

In haar Advies vraagt de Afdeling advisering van de Raad van State in te gaan op de voor- en nadelen van alternatieven voor gerechtelijke afdoening. Uitgangspunt voor mij is dat een collectieve schikking ter afwikkeling van een massaclaim in beginsel de voorkeur heeft boven een gerechtelijke procedure. Alternatieven voor een gerechtelijke afwikkeling kunnen bijdragen aan het bereiken van een collectieve schikking. Zij kunnen ook bijdragen aan deskundige, efficiënte en effectieve afwikkeling van massaschade. Deze alternatieven hebben wel als nadeel dat zij niet effectief kunnen functioneren zonder de vrijwillige medewerking van de betrokken partijen. Dit geldt zowel voor bemiddeling door een toezichthouder of geschilbeslechting door een onafhankelijke geschillencommissie als wanneer uitsluitend deelgeschillen aan de rechter worden voorgelegd en overigens gepoogd wordt om een schikking buiten rechte te bereiken. In al deze gevallen is het weerbarstiger om finaliteit te bereiken, omdat het slagen van de alternatieve geschilbeslechting afhankelijk is van de instemming van beide partijen. Dit vereist bijvoorbeeld dat partijen zich neerleggen bij het oordeel van de geschillencommissie of dat zij instemmen met het bemiddelingsresultaat van een toezichthouder. Het voordeel van een gerechtelijke procedure is dat een finaal en billijk resultaat ook kan worden bereikt als een van de partijen zich verzet tegen collectieve afwikkeling. Naast alternatieven voor een gerechtelijke afwikkeling acht ik een gerechtelijke procedure ter afwikkeling van collectieve schadevorderingen daarom ook nodig.

Op 20 december 2011 is naar aanleiding van de evaluatie van de WCAM een wetsvoorstel tot wijziging van de WCAM ingediend (Kamerstukken II, 2011–2012, 33 126, nr. 2). Op 1 juli 2013 is deze wijziging in werking getreden (Stb. 2013, 255). De wijziging voorziet in een aantal aanpassingen van de WCAM die beogen de collectieve afwikkeling van massaschades te vergemakkelijken. Ter vergroting van de onderhandelingsbereidheid van partijen is daarbij een preprocessuele comparitie ingevoerd. Sinds 1 juli 2012 kan de rechter bovendien in een collectieve actie gebruik maken van de prejudiciële procedure, waarbij de lagere rechter direct bepaalde rechtsvragen aan de Hoge Raad kan voorleggen (Stb. 2012, 65). Het deel van de motie Dijksma dat ziet op wijziging van de WCAM is daarmee uitgevoerd. In mijn brief van 26 juni 2012 (Kamerstukken II 2011–2012, 33 126, nr. 6) heb ik geschetst op welke wijze uitvoering kan worden gegeven aan de motie Dijksma, waarbij rekening wordt gehouden met de problemen die zich kunnen voordoen met de introductie van een collectieve schadevergoedingsprocedure. Daarbij heb ik een collectieve schadevergoedingsprocedure geschetst die zich in twee fasen laat verdelen. In de eerste fase kunnen partijen hun debat beperken tot de vraag of de aangesproken partij onrechtmatig heeft gehandeld. In de tweede fase zou vervolgens de vraag aan de orde kunnen komen die ziet op de omvang van de schade en de schadevergoedingsplichting. Gelet op de destijds demissionaire status van het kabinet zijn in de brief geen definitieve beleidskeuzen gemaakt. Ter uitvoering van de motie Dijksma is in juli 2014 een voorontwerp gepubliceerd. Daarover is tot 15 oktober 2014 een internetconsultatie gehouden. De reacties op het voorontwerp in de internetconsultatie waren divers en aanleiding voor het organiseren van een stakeholdersbijeenkomst op 9 april 2015. Iedereen die een reactie op het voorontwerp had ingestuurd, is voor deze stakeholdersbijeenkomst uitgenodigd. Tijdens deze stakeholdersbijeenkomst bleek er een breed gedragen consensus over een aantal onderwerpen dat geregeld zou moeten worden. Het ging daarbij vooral om de ontvankelijkheidseisen voor representatieve belangenorganisaties en om de mogelijkheid finaliteit te bereiken met een collectieve schadevergoedingsactie. Een groep van juristen die deels in de regel opkomen voor aangesproken partijen deels juist voor gedupeerden, zag in de stakeholdersbijeenkomst voldoende aanleiding om aan te bieden deze onderwerpen verder te doordenken. Ik heb dit aanbod aanvaard. Deze Juristengroep heeft tussen juli en oktober 2015 gewerkt aan een set Aanbevelingen. De Aanbevelingen betreffen de eisen voor ontvankelijkheid van representatieve belangenorganisaties, de coördinatie van een veelheid aan collectieve (schadevergoedings-)acties door aanwijzing van een Exclusieve Belangenbehartiger, het bevorderen van finaliteit door een opt-out procedure, de invoering van een evenwichtige scope rule en de stroomlijning van de voorgestelde procedure ten opzichte van het voorontwerp. Voor de ontvankelijkheid wordt in de Aanbevelingen voorgesteld hieraan in elk geval eisen te stellen op het punt van de kwaliteit, governance, financiering en representativiteit. Over de Aanbevelingen is op 3 november 2015 een tweede stakeholdersbijeenkomst gehouden. Daar bleek dat de in de Aanbevelingen gekozen richting op brede steun kan rekenen.

In het wetsvoorstel heb ik ervoor gekozen om de Aanbevelingen van de Juristengroep zoveel mogelijk te volgen en slechts op een beperkt aantal punten af te wijken, waar ik dat in het kader van de goede rechtsbedeling noodzakelijk acht. Met het in het verleden aangevoerde bezwaar tegen een collectieve schadevergoedingsactie dat causaliteit en schade slechts individueel kunnen worden bepaald, is in het voorstel rekening gehouden. De praktijk met de WCAM heeft laten zien dat ook massaschade zich wel degelijk collectief laat afwikkelen. Door, zoals in de WCAM gebeurt, de schadevergoeding te bepalen aan de hand van een onderverdeling in categorieën van personen kan in geval van collectieve afdoening rekening worden gehouden met vragen van omvang van de schade, causaliteit, toerekening en eigen schuld, die dan deels per groep van personen worden beoordeeld. In het wetsvoorstel is deze systematiek overgenomen (zie artikel 1018i Rv).

4. Uitgangspunten voorgestelde procedure

Aanleiding voor dit wetsvoorstel is de uitvoering van de motie Dijksma voor het deel dat het Burgerlijk Wetboek en het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering betreft. De bij de totstandkoming van de collectieve actie geuite bezwaren tegen het zonder nadere regeling invoeren van een collectieve schadevergoedingsactie hebben niet aan kracht ingeboet. Het enkele schrappen van lid 3 van artikel 3:305a BW biedt geen oplossing voor het risico dat een collectieve schadevergoedingsactie voor de beoordeling van de causaliteit en de hoogte van de schade uitmondt in vele individuele procedures. Schrapping van lid 3 leidt dan ook niet automatisch tot een efficiëntere en effectievere afwikkeling van massaschade. Dit geldt te meer nu de ervaringen uit de praktijk leren dat collectieve procedures complexe zaken zijn, waarbij een veelheid aan juridische vragen kan spelen. Het voeren van meerdere van dergelijke procedures op hetzelfde moment draagt niet bij aan de efficiënte en effectieve afwikkeling van massaschade. De laatste jaren is het aantal belangenorganisaties dat collectieve procedures initieert significant gestegen (Tillema, AA 2016, 337). Voor gedupeerden is vaak onduidelijk welke van de beschikbare belangenorganisaties hun belangen het beste kan vertegenwoordigen. Aangesproken partijen worden geconfronteerd met een veelheid aan organisaties die in meer of mindere mate dezelfde achterban vertegenwoordigen. Daarnaast is niet bij iedere belangenorganisatie op voorhand duidelijk of de organisatie in staat is de achterban op een adequate wijze te vertegenwoordigen. Dit doet de schikkingsbereidheid van aangesproken partijen afnemen omdat zij niet meer weten met wie ze zaken kunnen doen om finaliteit te bereiken. Ook maakt dit een afwikkeling complexer.

Daarom is ervoor gekozen om collectieve procedures met de invoering van een collectieve schadevergoedingsactie verder te stroomlijnen in lijn met de Aanbevelingen. Alle collectieve procedures worden voortaan aangebracht bij de rechtbank Amsterdam. In zaken met meerdere belangenorganisaties die opkomen voor gelijksoortige belangen, kan de rechtbank een Exclusieve Belangenbehartiger aanwijzen die voor alle gedupeerden en de andere belangenorganisaties optreedt in de procedure. De uitspraak van de rechter zal in beginsel bindend zijn voor de gedupeerden die na aanwijzing van de Exclusieve Belangenbehartiger niet expliciet van deelname hebben afgezien (opt-out). Nadien ingestelde individuele procedures kunnen zo nodig worden opgeschort. Dit zorgt ervoor dat een uitspraak een voldoende mate van finaliteit biedt voor gedupeerden en aangesproken partijen. Coördinatie van collectieve procedures en een bindende uitspraak dragen ook bij aan een efficiënte afwikkeling en zijn in het belang van een goede rechtsbedeling voor alle partijen.

Daarnaast worden aanvullende ontvankelijkheidseisen geïntroduceerd om een adequate vertegenwoordiging van gedupeerden in collectieve procedures te garanderen, nu zelfregulering door middel van een door vertegenwoordigers van belangenorganisaties opgestelde «Claimcode»1 niet het gewenste effect heeft. Zeker nu dit voorstel tot doel heeft om één belangenorganisatie aan te wijzen die voor alle gedupeerden en alle andere partijen optreedt in de procedure, is de invoering van dergelijke aanvullende waarborgen gerechtvaardigd. Dit is in het belang van gedupeerden en van de aangesproken partij. Zij weten zo dat ze te maken hebben met kwalitatief goede organisaties die het belang van gedupeerden voorop hebben staan.

Ten slotte is de procedure zelf zodanig vormgegeven dat het feit dat bepaalde bij een massaschade spelende vragen slechts individueel beantwoord kunnen worden, niet aan een efficiënte en effectieve afwikkeling in de weg behoeft te staan. De invoering van een collectieve schadevergoedingsactie heeft niet tot gevolg dat het altijd op de weg van de rechter zal liggen om te komen tot een vaststelling van de schade. De rechter moet partijen waar mogelijk stimuleren om door middel van schikkingsonderhandelingen tot een vaststellingsovereenkomst te komen. Partijen kunnen daarbij gebruik maken van bestaande instrumenten zoals de preprocessuele comparitie, mediation en de WCAM. De rechter kan partijen hierbij helpen door zo nodig een prejudiciële vraag te stellen aan de Hoge Raad.

4.1 Voor welke schades kan een collectieve procedure worden ingesteld?

De voorgestelde procedure kan worden ingezet voor de afwikkeling van alle soorten schade. Ook beperkt de procedure zich niet tot bepaalde vorderingsgerechtigden.

De voorgestelde procedure maakt geen onderscheid naar de oorzaak van de schade. Of deze het gevolg is van wanprestatie, productaansprakelijkheid of een handelen in strijd met de mededingingsregels maakt voor de te volgen procedure geen verschil. Indien de rechter heeft geoordeeld dat de wederpartij onrechtmatig heeft gehandeld, kan de daardoor veroorzaakte massaschade in de voorgestelde procedure worden afgewikkeld. Het mogelijk bijzondere probleem dat speelt bij de vergoeding van massaschade die het gevolg is van een overtreding van de mededingingsregels, te weten, hoe gedupeerden geïdentificeerd kunnen worden en kunnen bewijzen dat zij schade hebben geleden, wijkt in zoverre niet af van andere gevallen van collectieve schadeafwikkeling omdat ook hier een individuele gedupeerde zal moeten aantonen dat hij behoort tot een in de collectieve schadeafwikkeling nader bepaalde categorie gedupeerden. Daarnaast kan gebruik worden gemaakt van de mededeling van de Europese Commissie van 13 juni 2013 over de begroting van schade bij schadeacties wegens inbreuken op het Europese mededingingsrecht (Pb. 2013, C 167, p. 7). Deze mededeling heeft tot doel partijen en rechters te assisteren in het begroten van de schade van mededingingsinbreuken.

4.2 Wie kan de vordering instellen?

Net als bij een collectieve actie kan een collectieve schadevergoedingsactie worden ingesteld door een representatieve belangenorganisatie, die al dan niet voor de desbetreffende collectieve schadevergoedingsactie is opgericht (adhoc-organisatie). Het wetsvoorstel bevat aangescherpte ontvankelijkheidseisen voor belangenorganisaties die een collectieve (schadevergoedings-)vordering instellen. Deze eisen verankeren deels de Claimcode wettelijk en zien op de transparantie en governance van belangenorganisaties. Dit is overeenstemming met de Aanbevelingen van de Juristengroep. In de strengere eisen met betrekking tot de toegang tot de collectieve procedure ligt ook een belangrijke garantie besloten ter voorkoming van uitwassen. In het voorgestelde artikel 3:305a BW worden belangenorganisaties onder andere verplicht om een toezichthoudend orgaan in te stellen en een algemeen toegankelijke internetpagina in stand te houden die relevante informatie voor aangeslotenen bevat zoals het bestuursverslag, de statuten en de bestuursstructuur van de belangenorganisatie. Belangenorganisaties moeten bovendien over voldoende ervaring en deskundigheid beschikken ten aanzien van het instellen van de rechtsvordering en het voeren van de procedure. Ten slotte is bepaald dat iedere belangenorganisatie haar jaarrekening volgens de eisen van Titel 9 van Boek 2 BW moet opstellen. Deze aangescherpte ontvankelijkheidseisen geven de rechter de mogelijkheid om de geschiktheid van de belangenorganisatie indringend te toetsen. Een aanscherping van de ontvankelijkheidseisen is op zijn plaats omdat de invoering van een systeem waarin een Exclusieve Belangenbehartiger wordt aangewezen extra verantwoordelijkheden met zich brengt voor een belangenorganisatie. Hetzelfde geldt wanneer een belangenorganisatie de mogelijkheid krijgt om in een collectieve actie schadevergoeding te vorderen ten behoeve van de gedupeerden voor wie zij de rechtsvordering heeft ingesteld. Ten slotte zijn er de laatste tijd verschillende incidenten geweest rondom commerciële belangenorganisaties. Deze onderstrepen het belang van een betere transparantie en governance van belangenorganisaties die collectieve procedures voeren ter bescherming van de gedupeerden voor wie zij stellen op te komen.

Niet in alle gevallen is het gerechtvaardigd om een dergelijke stringente toetsing in te voeren. Daarom krijgt de rechter de mogelijkheid een belangenorganisatie ontvankelijk te verklaren zonder dat aan de strengere ontvankelijkheidseisen hoeft te zijn voldaan, wanneer de rechtsvordering wordt ingesteld met een ideëel doel en het een zeer beperkt financieel belang betreft, of wanneer de aard van de vordering of de personen tot bescherming van wier belangen de rechtsvordering strekt, daartoe aanleiding geeft. Zie hierover verder de toelichting op het gewijzigde artikel 3:305a BW.

4.3 Waar kan de vordering worden ingediend?

In overeenstemming met de Aanbevelingen worden de collectieve procedures belegd bij één gespecialiseerde rechter. Deze rechtbank kan expertise opbouwen in het naar verwachting beperkt aantal zaken. Concentratie maakt coördinatie mogelijk en voorkomt een processuele chaos van tegelijkertijd op meer plaatsen aanhangige collectieve schadevergoedingsacties voor dezelfde gebeurtenis tegen dezelfde aangesproken partij. De rechtbank Amsterdam heeft wel de mogelijkheid om de zaak te verwijzen naar een andere rechter, wanneer het lokale of regionale karakter van de collectieve vordering daartoe aanleiding geeft. Zie nader de toelichting op artikel 1018e, tweede lid.

4.4 Hoe is de samenloop met individuele procedures en de collectieve actie van lid 1 van artikel 3:305a BW?

Alle collectieve procedures worden door de eisende partij geregistreerd in een centraal register. Dit register zal voor iedereen eenvoudig raadpleegbaar worden. Eisers moeten hun collectieve vordering binnen twee dagen na indiening van de procesinleiding registreren in het register op straffe van niet-ontvankelijkheid. De inhoudelijke behandeling begint pas, nadat andere belangenorganisaties in de gelegenheid zijn gesteld bij de rechtbank Amsterdam een collectieve vordering in te stellen voor dezelfde gebeurtenis over soortgelijke feitelijke en rechtsvragen. Indien zich meerdere belangenorganisaties melden, die alle voldoen aan de ontvankelijkheidscriteria van artikel 3:305a BW, dan wijst de rechter uit hun midden de meest geschikte eiser als Exclusieve Belangenbehartiger aan. De aanwijzing van deze Exclusieve Belangenbehartiger wordt geadviseerd in de Aanbevelingen van de Juristengroep. Bij de aanwijzing neemt de rechter de volgende omstandigheden in aanmerking (a) de omvang van de groep personen voor wie de eiser opkomt, (b) de grootte van het door deze groep vertegenwoordigde financiële belang, (c) andere werkzaamheden die de eiser verricht voor de personen voor wie hij opkomt in of buiten rechte en (d) eerdere door de eiser verrichte werkzaamheden of ingestelde collectieve vorderingen. De belangenorganisatie die als Exclusieve Belangenbehartiger wordt aangewezen, treedt in deze procedure op voor de belangen van alle personen in de door de rechter omschreven groep. De collectieve procedure wordt met voorrang behandeld op individuele procedures die betrekking hebben op dezelfde feiten of rechtsvragen. Deze procedures kunnen zo nodig voor de loop van de collectieve procedure worden opgeschort op verzoek van de meest gerede partij.

De keuze voor de invoering van een Exclusieve Belangenbehartiger vertoont overeenkomsten met het systeem van een lead plaintiff dat bijvoorbeeld in de Verenigde Staten voorkomt. Onder het voorgestelde systeem van een Exclusieve Belangenbehartiger heeft een partij, net als bij het systeem van een lead plaintiff, de mogelijkheid de rechter te adiëren om ten behoeve van de groep een class action in te stellen. Net als bij de «aanwijzing» van een benadeelde als lead plaintiff heeft de aanwijzing van een Exclusieve Belangen Behartiger tot doel dat de rechter zich ervan vergewist dat de partij die zich opwerpt om voor de class op te komen daarvoor over de vereiste kwalificaties beschikt en ook in staat is om in rechte voor de belangen van de gehele class op te komen. De advocaat van de belangenorganisatie kan vervolgens, net als bij een lead plaintiff, opkomen voor de gehele groep. Aspecten van een systeem met een lead plaintiff passen minder goed in het Nederlandse systeem van collectief actierecht, omdat een representatieve belangenorganisatie in het Nederlandse systeem van groepsacties reeds opkomt voor een bepaalde groep. Dit leidt in de praktijk tot een beperking van het aantal betrokken partijen in een procedure. Verschil tussen de voorgestelde procedure en het lead plaintiff systeem is dat alleen een belangenorganisatie en niet een benadeelde zelf zich tot de rechter mag wenden om voor de groep gedupeerden op te komen. Daarmee doe ik mijn toezegging gestand om nader in te gaan op het systeem van een lead plaintiff, zoals toegezegd tijdens de behandeling van het wijzigingsvoorstel van de WCAM (Handelingen TK, 2012–2013, nr. 61-9). Zie ook de toelichting op artikel 1018e.

4.5 Gebondenheid van gedupeerden (opt out)

Het wetsvoorstel gaat uit van een procedure tussen een belangenbehartigende organisatie enerzijds en een aangesproken partij anderzijds. Individuele gedupeerden zijn daarin geen partij. Uit de consultatie en de stakeholdersbijeenkomsten is naar voren gekomen dat er zowel bij eisende als bij aangesproken partijen grote behoefte bestaat aan finaliteit. Dat betekent dat wordt voorkomen dat na het voeren van een collectieve procedure of het sluiten van een collectieve vaststellingsovereenkomst steeds nieuwe belangenorganisaties kunnen opstaan voor soortgelijke feitelijke en rechtsvragen. Veel respondenten wensen een vroeg tijdstip van binding van gedupeerden, liefst aan het begin van de procedure. In de Aanbevelingen pleit de Juristengroep er daarom voor dat er nadere eisen worden gesteld aan de binding van de gedupeerden aan de uitspraak in een collectieve procedure. De Aanbevelingen adviseren een collectieve procedure in principe bindend te maken (opt out), tenzij een individuele gedupeerde expliciet afziet van deelname aan een collectieve procedure die mede voor hem is ingesteld. De reden hiervoor is dat daarmee wordt voorkomen dat de aangesproken partij wordt geconfronteerd met een veelheid aan individuele en collectieve procedures. De Aanbevelingen zijn overgenomen. De procedure in het wetsvoorstel gaat uit van één procedure over een collectieve vordering voor de hele groep van personen voor wie de Exclusieve Belangenbehartiger opkomt. De uitkomst in die procedure bindt al deze personen. Deze vergaande binding van benadeelden vereist dat zij een mogelijkheid hebben om aan te geven niet gebonden te willen worden. Het moment waarop zij dit moeten doen, ligt onmiddellijk na de aanwijzing van de Exclusieve Belangenbehartiger. Zie verder de toelichting op artikel 1018f Rv.

4.6 Samenloop met de WCAM

Sinds 2005 kent Nederland de WCAM. Sinds jaar en dag is het mogelijk dat een of meer belangenorganisaties en een of meer aangesproken partijen buiten rechte een collectieve schikking voor een bepaalde schadeveroorzakende gebeurtenis sluiten. Dit is niet alleen de meest wenselijke wijze waarop massaschade kan worden afgewikkeld. Het is in de praktijk vaak ook de enige wijze waarop een massazaak tot een einde komt. De WCAM maakt het mogelijk dat partijen het gerechtshof Amsterdam samen verzoeken om deze collectieve schikking verbindend te verklaren voor alle personen voor wie de schikking is gesloten. Zo kan finaliteit worden bereikt. Als de schikking verbindend is verklaard, hebben de personen voor wie de schikking is gesloten, de mogelijkheid om te opt outen. Dit wetsvoorstel biedt gedupeerden en belangenorganisaties de mogelijkheid om in rechte om vaststelling van een collectieve schadeafwikkeling te vragen. Zo kunnen zij als het niet lukt om te schikken, toch hun rechten collectief verwezenlijken. Ook gedurende een collectieve procedure op grond van dit wetsvoorstel kunnen partijen te allen tijde een collectieve schikking overeenkomen. Partijen moeten hun collectieve schikking in dat geval ter goedkeuring aan de rechter voorleggen. Die toetst of het een redelijke collectieve schikking is en of de belangen van de gedupeerden daarin voldoende zijn gewaarborgd. Een goedgekeurde collectieve schikking bindt de gehele groep van personen voor wie in de procedure wordt opgekomen en die niet hebben ge-optout. Juist omdat de Exclusieve Belangenbehartiger in de procedure opkomt voor de hele nauw omschreven groep van personen en deze personen ook door de uitkomst van de procedure worden gebonden, is het van belang dat ook op een tussen partijen gesloten schikking rechterlijke controle wordt uitgeoefend. Voor de regeling is zoveel als mogelijk aangesloten bij de bepalingen die gelden voor een vaststellingsovereenkomst waarvan verbindendverklaring wordt verzocht ingevolge de WCAM. Op advies van de Adviescommissie BPR is er, in tegenstelling tot de WCAM-procedure, niet voor gekozen om personen die aan de procedure hebben deelgenomen alsnog een opt-out mogelijkheid te geven, wanneer de rechter een collectieve schikking vaststelt. Daarmee is afgeweken van de Aanbevelingen van de Juristengroep. Zie hierover verder de toelichting op artikel 1018h Rv. Mochten partijen een collectieve schikking verbindend willen maken voor àlle gedupeerden, ook zij die eerder hebben ge-optout uit de collectieve procedure, dan zullen zij een verzoek tot verbindendverklaring onder de WCAM moeten indienen. Lukt het partijen niet om gedurende de procedure tot een collectieve schikking te komen, dan kan de rechter een collectieve schadeafwikkeling vaststellen voor de personen in de nauw omschreven groep voor wie de procedure wordt gevoerd en die niet hebben ge-optout.

4.7 Voldoende band met de Nederlandse rechtssfeer

De Aanbevelingen bepleiten dat in het wetsvoorstel ter uitvoering van de motie Dijksma wordt geregeld dat een effectieve scope rule wordt opgenomen die verenigbaar is met het internationale bevoegdheidsrecht en het Europese recht. Een scope rule moet voorkomen dat een Nederlandse collectieve schadevergoedingsactie kan worden gebruikt voor zaken waarin er feitelijk geen of onvoldoende nauwe band bestaat tussen de collectieve vordering en de Nederlandse rechtssfeer. De scope rule draagt bij aan een goede balans tussen het bieden van een juridische stok achter de deur waar dit thans wordt gemist en het beschermen van de gerechtvaardigde belangen van aangesproken partijen. In het wetsvoorstel is geregeld dat alleen collectieve procedures die een voldoende nauwe band hebben met de Nederlandse rechtssfeer, bij de Nederlandse rechter kunnen worden aangebracht. Dit is een ontvankelijkheidsvereiste in artikel 3:305a BW. Dit voorkomt dat de invoering van collectieve schadevergoedingsactie een aanzuigende werking tot gevolg heeft voor zaken die een onvoldoende band met Nederlands rechtssfeer hebben. Een dergelijke ontwikkeling zou een negatief effect kunnen hebben op de belasting van de rechterlijke macht en het Nederlandse vestigingsklimaat. Van een voldoende nauwe band met de Nederlandse rechtssfeer is sprake, wanneer (i) de rechtspersoon genoegzaam aannemelijk maakt dat het merendeel van de personen tot bescherming van wier belangen de rechtsvordering strekt, zijn gewone verblijfplaats in Nederland heeft, of (ii) degene tegen wie de rechtsvordering zich richt woonplaats heeft in Nederland, of (iii) de gebeurtenis of de gebeurtenissen waarop de rechtsvordering betrekking heeft, in Nederland hebben plaatsgevonden. Een enkele forumkeuze voor de Nederlandse rechter of het enkele feit dat de belangenbehartigende organisatie in Nederland is gevestigd, is een onvoldoende aanknopingspunt om te rechtvaardigen dat in Nederland een dergelijk ingrijpende procedure wordt gevoerd. Op gezamenlijk advies van de Staatscommissie Internationaal Privaatrecht en de Adviescommissie Burgerlijk Procesrecht is besloten om de gedachte achter de scope rule te formuleren als ontvankelijkheidscriterium. Zie hierover artikel 3:305a BW lid 6 BW.

5. Financiering van een collectieve schadevergoedingsactie

De financiering en de kosten van collectieve schadevergoedingsacties spelen een belangrijke rol in de verwezenlijking van het recht collectief schade te kunnen vorderen.

Voor financiering zullen organisaties die een collectieve schadevergoedingsactie instellen vaak afhankelijk zijn van financiering van derden (Third Party Litigation Funding). De financiering van de procedure vindt in dat geval niet door de cliënt (gedupeerde) zelf plaats, maar door externe financiers, die in ruil voor de financiering, aanspraak maken op een deel van de opbrengst. In mijn brief over de claimcultuur (Kamerstukken 2011–2012, 33 126, nr. 6) ben ik reeds uitgebreid ingegaan op het fenomeen Third Party Litigation Funding. Daarin heb ik aangegeven dat Third Party Litigation Funding de toegang tot het recht kan vergroten, doordat procespartijen gemakkelijker in staat zijn procedures te (voor)financieren. Een te ruime beschikbaarheid van financieringsmogelijkheden kan ook negatieve gevolgen hebben, zoals excessief procederen en de mogelijkheid dat gedupeerden zelf nauwelijks profiteren van de resultaten van een collectieve schadevergoedingsactie. Het is daarom van belang dat een balans gevonden wordt tussen het garanderen van toegang tot de rechter en het voorkomen van een ongewenste claimcultuur. Op dit moment is het fenomeen Third Party Litigation Funding niet wijdverbreid in Nederland. Daarom is nog geen goed zicht op de verwachte positieve en negatieve effecten. De verwachting is dat dit fenomeen zich vooral zal voordoen indien er sprake is van massaschade. Om de rechter in voorkomend geval de mogelijkheid te geven zicht te krijgen op de middelen van een belangenorganisatie, wordt in artikel 3:305a lid 2 onderdeel c BW voor een collectieve schadevergoedingsactie ook voorzien in de eis dat de belangenorganisatie over voldoende middelen beschikt om de procedure te voeren. De belangenorganisatie die stelt dat aan dit vereiste is voldaan, kan gevraagd worden om dit te onderbouwen. Toetsing aan dit vereiste in combinatie met het algemene vereiste van voldoende gewaarborgde belangen, biedt de rechter de mogelijkheid ook te kijken naar financieringsconstructies. Zo heeft de rechter een handvat voor het uitsluiten van gevallen waarin de Third Party Litigation Funding de belangen van de gedupeerden negatief kan beïnvloeden, zoals financieringsconstructies die aan een zorgvuldige belangenbehartiging in de weg staan, bijvoorbeeld omdat de financier volledige beslismacht krijgt over instemmen met een eventueel schikkingsvoorstel.

Eventueel positieve of negatieve effecten van derdenfinanciering hangen mede samen met de inrichting van het juridische systeem en de mogelijkheden om bijvoorbeeld een resultaatsafhankelijke beloning te onderhandelen met de advocaat die optreedt voor de gedupeerden. Invoering van resultaatsafhankelijke beloning voor advocaten kan er voor zorgen dat in een situatie van derdenfinanciering, een advocaat eveneens afhankelijk wordt van een te behalen gunstig resultaat. Dit kan er mogelijk toe leiden dat de onafhankelijkheid van de advocaat onder druk komt te staan. Dit omdat er grote financiële belangen spelen voor derden zoals proceskostenfinanciers die op hun beurt weer druk uitoefenen op de advocaat om een voor hen gunstig resultaat te behalen. De combinatie van Third Party Litigation Funding en resultaatsafhankelijke beloning kan er toe leiden dat de belangen van de eiser niet ten volle kunnen worden behartigd. Dit geldt in het bijzonder wanneer het inkomen van de advocaat afhankelijk is van één specifieke massaschadezaak. Daarom heeft de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie bepaald dat het experiment inzake de resultaatgerichte beloning voor de advocaten dat momenteel wordt uitgevoerd ten aanzien van letsel- en overlijdenschadezaken voorlopig beperkt blijft tot individuele afspraken tussen een cliënt en zijn advocaat, totdat meer duidelijkheid bestaat of Third Party Litigation Funding in Nederland een grote vlucht zal nemen en welke effecten er dientengevolge zijn op de relatie tussen cliënt en advocaat (Kamerstukken II, 2013–2014, 31 753, nr. 65). Op deze wijze blijven de belangen en risico’s die in het geding zijn een gezamenlijke verantwoordelijkheid van de advocaat en zijn cliënt, waarbij het voor beiden mogelijk blijft een verantwoorde keuze te kunnen maken in de wijze waarop het geschil wordt beslecht.

Ook de te verwachten kosten van een procedure spelen een rol bij de afweging of het zinvol is een collectieve actie in te stellen. Daarmee kunnen de kosten van een procedure eveneens een garantie vormen tegen lichtzinnig ingestelde procedures. Desalniettemin is het gerechtvaardigd om de mogelijkheid op te nemen dat de aangesproken partij wordt veroordeeld tot een hogere kostenvergoeding dan op basis van artikel 237 Rv gebruikelijk is. Ik acht dit redelijk omdat hiermee de financiële last die op de als Exclusieve Belangenbehartiger aangewezen organisatie komt te rusten door de aanwijzing als Exclusieve Belangenbehartiger, op deze manier kan worden verlicht. In de praktijk van collectieve schikkingen is eveneens gebruikelijk dat de door de belangenorganisatie gemaakte kosten in de schikking worden meegenomen. Deze uitzondering geldt alleen voor de collectieve schadevergoedingsactie. Zie hierover de toelichting in artikel 1018l.

6. Ervaringen in het buitenland en de Europese Unie

Naast de Amerikaanse «damages» class action beschikt inmiddels een aantal Europese landen over een collectieve schadevergoedingsactie. Ik noem als voorbeeld Engeland en Wales, Duitsland, België, Frankrijk en Portugal.

In het merendeel van deze landen gaat het om een collectieve schadevergoedingsactie die beperkt is tot enkele specifieke rechtsgebieden. Zo kennen Engeland en Wales een collectieve schadevergoedingsactie voor mededingingsinbreuken en kent Duitsland een specifieke collectieve schadevergoedingsactie voor misleidende prospectussen (Kapitalanleger-MusterVerfahrensgesetz (KapMuG). Ook de recent tot stand gekomen Belgische en Franse regelingen voor collectieve schadevergoedingsacties hebben een beperkt bereik. De Belgische regeling voor de «rechtsvordering tot collectief herstel» heeft onder andere betrekking op vorderingen op het gebied van intellectueel eigendom, mededinging en financiële producten. De Franse action de groupe beperkt het collectief verhalen van schade tot vorderingen als gevolg van de verkoop van goederen, de levering van diensten of een inbreuk op het mededingingsrecht.

Daarnaast is een collectieve schadevergoedingsactie niet altijd voor iedere vorderingsgerechtigde beschikbaar. In Frankrijk en België is een collectieve schadevergoedingsactie slechts beschikbaar voor consumenten. In Engeland en Wales kan een collectieve schadevergoedingsactie pas worden ingesteld nadat de Engelse mededingingsautoriteit of de Europese Commissie een mededingingsinbreuk hebben vastgesteld (Section 47b, Competition Act 1998). Ook beperken sommige landen de toegang voor ad-hoc opgerichte belangenbehartigers om op te komen voor de belangen van vorderingsgerechtigden. In België en Engeland en Wales kunnen alleen vooraf door de overheid goedgekeurde organisaties een rechtsvordering instellen ten behoeve van een groep vorderingsgerechtigden. De Duitse KapMuG en de Portugese acção popular stellen geen beperkingen. Daar kunnen zowel individuele vorderingsgerechtigden als representatieve belangenorganisaties een actie instellen.

Portugal kent een opt-out procedure. In België, Frankrijk en Verenigd Konikrijk is een opt-out alleen beschikbaar voor nationale onderdanen. Ook beleggen de meeste genoemde landen de afwikkeling van een collectieve schadevergoedingsactie bij een specifieke rechtbank of soort instantie. In België is alleen de Brusselse rechtbank bevoegd. In Engeland en Wales is dit de Competition Appeal Tribunal. In Duitsland zijn alleen Oberlandesgerichte bevoegd.

Ten slotte beschikken sommige landen over procedures om samenloop van verschillende (collectieve) schadevergoedingsacties te regelen. Het Engelse systeem kent een Group Litigation Order. Dit instrument geeft de rechter de mogelijkheid om op verzoek van partijen of ambtshalve, bepaalde gemeenschappelijke en verwante feitelijke en rechtsvragen bij individuele (schade)vorderingen in gezamenlijkheid af te doen. Individuele vorderingen kunnen onderdeel van de Group Litigation Order worden doordat ze bijgeschreven worden in een register. Over de individuele vragen kan vervolgens worden doorgeprocedeerd. Duitsland kent een soortgelijke mogelijkheid bij de KapMuG. Hier bestaat de mogelijkheid een individuele zaak als modelzaak voor te leggen aan het Oberlandesgericht wanneer binnen zes maanden minimaal negen vorderingsgerechtigden zich hierbij aansluiten. Dit gerecht beslist vervolgens over de gemeenschappelijke vragen waarna over de individuele vragen kan worden doorgeprocedeerd.

Op Europees niveau is nog geen specifieke regeling voor collectief verhaal tot stand gekomen. Op 26 november 2014 is wel de richtlijn betreffende bepaalde regels voor schadevorderingen volgens nationaal recht wegens inbreuken op de bepalingen van het mededingingsrecht van de lidstaten en van de Europese Unie vastgesteld (Pb. 2014, L 349, p. 1). Deze richtlijn heeft mede tot doel de privaatrechtelijke handhaving van het mededingingsrecht te bevorderen. In tegenstelling tot een eerder voorstel bevat deze richtlijn geen regeling voor een collectieve schadevergoedingsactie, maar wel specifieke voorschriften ten aanzien van bijvoorbeeld de verjaring van schadevorderingen als gevolg mededingingsinbreuken.

De Europese Commissie heeft op 11 juni 2013 voorts een mededeling en een aanbeveling vastgesteld over een Europees horizontaal kader voor collectief verhaal (Pb. 2013, L 201, p. 60). De doelstelling van de aanbeveling en de mededeling is om lidstaten te bewegen om mechanismen van collectief verhaal in te stellen voor de vergoeding van schades en de vorderingen tot staking van inbreuken. De lidstaten wordt aanbevolen daarbij een aantal in de mededeling en aanbeveling geformuleerde beginselen in acht te nemen. De inzet van de Europese Commissie is erop gericht dat lidstaten binnen twee jaar de in de aanbeveling uitgewerkte beginselen in hun nationale systemen van collectief verhaal implementeren. In 2017 zal de Commissie evalueren of verdere stappen noodzakelijk zijn.

7. Gevolgen voor de lasten

In verband met het bijzondere karakter van het procesrecht, dat een waarborg biedt voor een eerlijke en efficiënte procesvoering, worden vereisten die worden gesteld aan informatie-uitwisseling met de rechter of een wederpartij niet onverkort als administratieve lasten aangemerkt. Deze vereisten hangen namelijk direct samen met de waarborgfunctie. Strikt genomen vallen de lasten die met deze informatieverplichtingen gepaard gaan onder het administratieve lasten-begrip, maar vanwege het bijzondere karakter worden ze niet onverkort als administratieve lasten aangemerkt. Wat betreft de nalevingskosten kunnen de gegevens die belangenorganisaties op hun website moeten plaatsen worden gerekend tot de bedrijfseigen kosten. Een belangenorganisatie zal al deze informatiecomponenten waarschijnlijk reeds openbaar maken om meer mensen te kunnen vertegenwoordigen. Er is daarom geen sprake van extra nalevingskosten. De verplichting om de procesinleiding na indiening in het register te plaatsen kan worden nageleefd door (elektronische) aanbieding aan het register van het stuk zoals dat ook bij de rechtspraak is ingediend. De lasten van deze verplichting zijn zo laag dat deze niet berekend kunnen worden. De verplichting tot het versturen van aankondigingen van de uitspraak waarbij de Exclusieve Belangenbehartiger is aangewezen om gedupeerden te informeren over hun opt out mogelijkheid en de uitspraak waarbij een collectieve schadeafwikkeling is vastgesteld, valt onder de informatie-uitwisseling in het kader van de procedure. Deze verplichting kan daarom niet als administratieve last worden aangemerkt. Ook de WCAM kent een vergelijkbare verplichting van partijen om gedupeerden te informeren. Het voorgaande betekent dat het wetsvoorstel niet leidt tot een verandering in regeldruk.

Het wetsvoorstel heeft tot doel een efficiënte en effectieve afwikkeling van massazaken mogelijk te maken. Het doet dit door in massazaken coördinatie voorop te stellen. Die coördinatie bereikt het wetsvoorstel door massazaken voor dezelfde gebeurtenis of gebeurtenissen over soortgelijke feitelijke of rechtsvragen te behandelen als één zaak, waarvoor de meest geschikte eiser als Exclusieve Belangenbehartiger wordt aangewezen. Verdere coördinatie wordt bereikt doordat de procedure in het wetsvoorstel uitgaat van een opt out door personen die niet gebonden willen worden in de collectieve procedure. Voor de uitvoeringslasten heeft deze opzet tot gevolg dat het aantal individuele procedures over gebeurtenissen die een massazaak zijn, zal verminderen. Ook het aantal collectieve procedures over soortgelijke feitelijke en rechtsvragen voor dezelfde gebeurtenis zal afnemen omdat in het wetsvoorstel al de collectieve vorderingen hierover van alle belangenorganisaties als één zaak worden behandeld. De collectieve procedures ingevolge dit voorstel zullen relatief arbeidsintensief zijn en er zullen enige kosten verbonden zijn aan het houden van het register voor collectieve acties. Deze laatste kosten zullen beperkt zijn, nu de aantekeningen in het register gedaan worden door partijen zelf. Door de gecoördineerde afdoening en de verminderde aantallen procedures kunnen naar verwachting efficiencywinst en een daling van de uitvoeringslasten worden bereikt. Aan de Raad voor de rechtspraak zal hierover een nadere uitvoeringstoets worden gevraagd.

8. Totstandkoming van het voorstel en adviezen

Zoals hierboven is opgemerkt heb ik in mijn brief van 26 juni 2012 (Kamerstukken II 2011–2012, 33 126, nr. 6) geschetst op welke wijze aan de motie Dijksma uitvoering kan worden gegeven. Hierover heeft overleg plaatsgevonden met onder meer de Consumentenbond, VNO/NCW en de Vereniging van Effectenbezitters. Op 22 april 2014 heeft een expertbijeenkomst plaatsgevonden met vertegenwoordigers uit de wetenschap en de rechtspraktijk. Mede naar aanleiding van hetgeen in deze gesprekken naar voren is gekomen is het onderhavige voorstel tot stand gekomen. Op 7 juli 2014 is een voorontwerp in consultatie, nadat dit voorontwerp ter advisering was voorgelegd aan de Adviescommissie Burgerlijk Procesrecht. Daarover is tot 15 oktober 2014 een internetconsultatie gehouden. De reacties op het voorontwerp in de internetconsultatie waren divers en aanleiding voor het organiseren van een stakeholdersbijeenkomst op 9 april 2015. Een groep van juristen heeft tussen juli en oktober 2015 gewerkt aan een set Aanbevelingen2. Over de Aanbevelingen is op 3 november 2015 een tweede stakeholdersbijeenkomst gehouden. Voorts hebben de Adviescommissie Burgerlijk Procesrecht en de Staatscommissie Internationaal Privaatrecht geadviseerd over de scope rule 3. Ten slotte heeft de Adviescommissie BPR op 3 juli 2016 advies uitgebracht over delen van een gewijzigd voorontwerp4, waarin de Aanbevelingen van de Juristengroep waren verwerkt.

9. Inwerkingtreding

Inwerkingtreding van dit voorstel zal plaatsvinden op een van de vaste verandermomenten.

ARTIKELSGEWIJS

ARTIKEL I

Artikel 3:305a BW

Artikel 3:305a BW regelt de collectieve actie. De huidige tweede zin van lid 3 van artikel 3:305a BW verbiedt dat een belangenorganisatie in een collectieve actie voor anderen schadevergoeding in geld vordert. Dit wetsvoorstel brengt daarin verandering. Het wetsvoorstel maakt het mogelijk dat een collectieve actie kan strekken tot schadevergoeding te voldoen in geld.

Een tweede verandering die wordt voorgesteld is dat een uitspraak tussen een belangenorganisatie die opkomt ten behoeve van een groep gedupeerden en een aangesproken partij bindend is voor alle personen die onderdeel uitmaken van de groep gedupeerden, voor wie de belangenorganisatie in rechte opkomt. Dit betekent dat het huidige lid 5 wordt geschrapt. Personen voor wie een belangenorganisatie in rechte opkomt en die niet gebonden willen worden aan een uitspraak in een collectieve procedure, kunnen voortaan gebruik maken van de opt out mogelijkheid in artikel 1018f.

Daarnaast scherpt dit wetsvoorstel de eisen aan voor de ontvankelijkheid van de belangenorganisaties die een collectieve actie voor een groep gedupeerden willen instellen. Deze ontvankelijkheidseisen gelden voor alle soorten collectieve acties, dus zowel voor een collectieve actie die strekt tot schadevergoeding in geld als voor een collectieve actie die daartoe niet strekt. Een uitzondering is mogelijk voor bepaalde collectieve acties waarvoor niet nodig en niet redelijk is de verscherpte ontvankelijkheidseisen te stellen, zie het voorgestelde lid 6 van artikel 3:305a BW.

Artikel 3:305a BW bevat de algemene ontvankelijkheidseisen voor het instellen van een collectieve vordering. Deze eisen zien op de inrichting van de belangenorganisatie en gelden zowel voor de reguliere collectieve actie als de collectieve schadevergoedingsactie. De eisen zijn opgenomen in de gewijzigde leden 1, 2, 3 en 5 van dit artikel. Lid 6 bevat een uitzonderingsregeling die betrekking heeft op belangenorganisaties die voor een bepaald ideëel doel opkomen of slechts een gering financieel belang hebben. Ook regelt dit lid dat de aard van de vordering, van de rechtspersoon of van de personen voor wie wordt opgekomen ertoe kan leiden dat de ontvankelijkheidseisen uit de leden 2, 3 en 5 niet van toepassing zijn.

In het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering wordt daarnaast een nieuwe titel 14A van het Derde Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering ingevoegd. In deze titel is de inrichting van de procedure beschreven voor een collectieve actie. Deze eisen verlangen van de belangenorganisatie dat hij aantoont dat het instellen van een collectieve schadevergoedingsactie effectiever en efficiënter is dan het voeren van een individuele procedure, zie ook de toelichting op artikel 1018c, vijfde lid.

Ik licht de verschillende wijzigingen in artikel 3:305a BW hieronder per onderdeel toe.

Vervallen lid 3, laatste zin

In de nieuwe tekst van artikel 3:305a BW komt de laatste zin van het huidige lid 3, waarin is opgenomen dat een collectieve actie niet kan strekken tot schadevergoeding te voldoen in geld, te vervallen. Daarmee wordt de weg geopend naar een collectieve schadevergoedingsactie waarbij een bedrag in geld kan worden gevorderd. Om te voorkomen dat deze actie of een andere collectieve actie als opmaat voor een collectieve vordering tot schadevergoeding onbehandelbaar wordt of ten onrechte wordt gebruikt, of lichtvaardig of uitsluitend met het doel de wederpartij te schaden, zijn nadere regels nodig voor ontvankelijkheid. Deze nadere regels zijn op genomen in de voorgestelde aanpassingen in de leden 2 en 3 van artikel 3:305a BW in de vorm van aanvullende ontvankelijkheidsvoorwaarden en in de derde afdeling van een nieuwe titel 14A van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering voor zover deze eisen betrekking hebben op de vraag of de collectieve vordering een effectievere en efficiëntere wijze van afwikkeling van massaschade is dan via individuele vorderingen.

Ingevolge het huidige lid 1 van artikel 3:305a BW komt de bevoegdheid om een collectieve actie in te stellen toe aan stichtingen en aan verenigingen met volledige rechtsbevoegdheid. Voorwaarde voor ontvankelijkheid is dat deze rechtspersonen ingevolge hun statuten de belangen behartigen van de personen voor wie zij met de collectieve actie opkomen. Daarnaast moeten ingevolge het huidige lid 2 de belangen van deze personen voldoende gewaarborgd zijn met de collectieve vordering. Bij de aanpassing van de WCAM per 1 juli 2013 (Kamerstukken II, 2011–2012, 33 126, nr. 3, p. 4–6 en 12–13) is deze eis van voldoende gewaarborgde belangen in lid 2 van artikel 3:305a BW ingevoerd.

De eis van zorgvuldige belangenbehartiging wordt ook gesteld in rule 23 (g) van de Amerikaanse Federal Rules of Civil Procedure (de eis dat de belangen van de class «fairly and adequately» worden behartigd). Dit vereiste geeft de rechter een handvat om in gevallen waarin de governance op papier correct geregeld lijkt, toch tot niet-ontvankelijkheid te komen. Dit kan nodig zijn als op andere gronden gerede twijfels bestaan of deze belangenbehartigende organisatie wel op zorgvuldige wijze omgaat met de belangen van de personen voor wie zij opkomt.

Ook de Aanbevelingen voor collectief verhaal die de Europese Commissie in 2013 heeft gepubliceerd, bevatten aanbevelingen voor de inrichting van representatieve belangenorganisaties. Zo adviseert de Commissie dat een representatieve belangenorganisatie een non-profit karakter moeten hebben, dat duidelijk is dat zij de belangen van de personen behartigt waarvoor zij opkomt en dat zij over voldoende deskundigheid en expertise ter zake moet beschikken.

In het voorontwerp is voorgesteld dat belangenorganisaties moeten beschikken over voldoende deskundigheid ter zake van de rechtsvordering en daarnaast op voldoende zorgvuldige wijze zorg moeten dragen voor de belangen waarvoor zij opkomen. In de internetconsultatie van het voorontwerp is er brede kritiek geuit op de formulering van deze en de huidige ontvankelijkheidseisen, die als te vaag en te algemeen werden gezien (Rvdr, NVB, VNO-NCW, Verbond van Verzekeraars, NOvA). Daarmee zouden deze eisen te makkelijk toegang bieden tot een collectieve (schadevergoedings-)actie. De Juristengroep beveelt in Aanbeveling 1 aan strenge en preciezere eisen te stellen aan de ontvankelijkheid van belangenorganisaties in zowel de collectieve actie als collectieve schadevergoedingsactie.

Deze aanbeveling van de Juristengroep is overgenomen. Uitgangspunt voor de toetsing van de ontvankelijkheid blijft dat een collectieve (schadevergoedings-)actie niet zonder overleg kan worden ingesteld én dat de belangen van partijen van de personen voor wie de rechtsvordering is ingesteld, voldoende moeten zijn gewaarborgd. Overeenkomstig de Aanbevelingen, is de Claimcode als leidraad gebruikt bij de nadere invulling van deze eisen. De Claimcode kan ook nu al worden ingezet als leidraad bij de toetsing van de ontvankelijkheid, als gevolg van de aanscherping van de ontvankelijkheidseis uit artikel 3:305a, lid 2, BW in 2013. Toch blijkt uit onderzoek en uit de reacties op de consultatie dat rechters de ontvankelijkheid van belangenorganisaties in de praktijk niet anders zijn gaan toetsen (Tillema, AA, 2016, 337). Slechts in een enkele zaak toetste de rechter daadwerkelijk aan de eisen uit de Claimcode (Rb. Noord-Nederland, 2 september 2015, ECLI:NL:RBNNE:2015:4185). Inzet van dit wetsvoorstel is dat de ontvankelijkheid van een belangenorganisatie intensiever wordt getoetst. Dit mede vanwege de introductie van de collectieve schadevergoedingsactie en de aanwijzing van Exclusieve Belangenbehartiger. Aangezien hiermee een zwaardere rol wordt toegekend aan belangenorganisaties dan thans gebruikelijk, is ook een verdere aanscherping van de ontvankelijkheidseisen op zijn plaats. Doel is verbetering van de kwaliteit van belangenorganisaties ter bescherming van zowel de personen voor wie wordt opgekomen als van aangesproken partijen. Wettelijke verankering van onderdelen uit de Claimcode is daarom op zijn plaats.

Daarnaast heb ik het wetsvoorstel «Bestuur en toezicht stichtingen en verenigingen» voorbereid, dat medio juni 2016 is ingediend bij de Tweede Kamer. In dat voorstel wordt de wijze waarop een toezichthoudend orgaan kan worden ingesteld bij stichtingen en verenigingen nader ingevuld. Ook verschaft het voorstel helderheid omtrent (i) de uitgangspunten die bestuurders en commissarissen bij de vervulling van hun taak in acht moeten nemen, (ii) de positie van bestuurders en commissarissen met een tegenstrijdig belang en (iii) regels over aansprakelijkheid van bestuurders en commissarissen. Ten slotte wordt de regeling voor ontslag van een stichtingsbestuurder door de rechter, gemoderniseerd en verduidelijkt. Deze regeling wordt ook ingevoerd voor het toezichthoudend orgaan.

Deze regels gaan gelden voor alle stichtingen en verenigingen, dus ook voor (al dan niet ad hoc) stichtingen en verenigingen die als belangenorganisatie in een collectieve actie optreden voor een groep gedupeerden.

Lid 1, gewaarborgde belangen

Lid 1 bevat de reeds bestaande ontvankelijkheidseis dat een stichting of vereniging met volledige rechtsbevoegdheid een rechtsvordering kan instellen die strekt tot bescherming van gelijksoortige belangen van andere rechtspersonen voor zover zij deze belangen ingevolge haar statuten behartigt. Aan dit lid is toegevoegd de eis dat de rechtspersoon de belangen van de gedupeerden ten behoeve van wie zij de vordering instelt, voldoende moet waarborgen. Dit is de eis die thans al is opgenomen in artikel 3:305a, lid 2, als gevolg van de wijziging van de WCAM per 1 juli 2013.

Lid 2, nadere ontvankelijkheidseisen governance

Lid 2 preciseert en versterkt deze ontvankelijkheidseisen nader.

Zoals hierboven ook opgemerkt, is uit de literatuur (Tillema, 2016) en de consultatie gebleken dat invoering van de eis van voldoende gewaarborgde belangen er in de praktijk niet toe heeft geleid dat de ontvankelijkheid van een belangenorganisatie anders wordt getoetst. Dit voorstel maakt het mogelijk dat belangenorganisaties in de toekomst een collectieve schadevergoedingsactie kunnen instellen en kunnen worden aangewezen om exclusief op te treden voor een groep gedupeerden. Daarom heb ik besloten om dit vereiste nader in te vullen door aanvullende ontvankelijkheidsvoorwaarden te introduceren.

De laatste jaren is er veel te doen geweest over de wijze waarop sommige representatieve belangenorganisaties in de praktijk opereren. Daarbij richt de kritiek zich vooral op de kwaliteit van ad hoc ingestelde organisaties, die ten behoeve van één specifieke rechtsvordering zijn opgericht of op commerciële organisaties die van het instellen van collectieve vorderingen hun verdienmodel hebben gemaakt en niet zozeer op bestaande belangenbehartigers die reeds een lange staat van dienst hebben. Deze kritiek ziet niet op organisaties zoals de Consumentenbond, VEB en Eumedion en VEH, die zich naast het voeren van collectieve procedures breder inzetten als belangenbehartiger. Deze laatste organisaties zijn veelal als vereniging georganiseerd. In de regel kan worden aangenomen dat deze belangenorganisaties zullen voldoen aan de aangescherpte ontvankelijkheidseisen in artikel 3:305a BW. Bij ad hoc organisaties en commerciële organisaties, veelal als stichting georganiseerd, kunnen de aangescherpte ontvankelijkheidseisen werken als filter. Dit om te voorkomen dat de collectieve (schadevergoedings-)actie een vrijplaats wordt voor commercieel ingestelde organisaties, die de belangen van de personen voor wie zij opkomen op de tweede plaats hebben staan.

Naast de kwaliteit van de belangenorganisatie, is eveneens van belang in hoeverre deze organisatie, gelet op haar achterban, als opkomend voor de groep gedupeerden kan worden gezien. Het gaat dan om de mate waarin een belangenorganisatie als representatief voor deze groep gedupeerden kan worden gezien. Indicaties hiervoor zijn het aantal aangesloten gedupeerden en de omvang van hun vorderingen ten opzichte van het totaal aantal gedupeerden van een massagebeurtenis en de door hen gevorderde schadevergoeding. Voor elke collectieve vordering zal de belangenorganisatie dus duidelijk moeten maken voor wie zij opkomt. Dit betekent niet dat een lijst met namen en andere gegevens van de achterban hoeft te worden overgelegd. Voldoende is dat de belangenorganisatie nauwkeurig omschrijft voor welke groep van personen zij opkomt, bijvoorbeeld «alle consumenten die op datum X bij bedrijf Y product Z hebben gekocht» of «alle personen die wonen op plek X en schade hebben geleden door de brand die plaatsvond op datum Y bij bedrijf Z». Met de omschrijving van de groep van personen voor wie wordt opgekomen is alleen voldaan aan het vereiste dat duidelijk moet zijn voor wie een belangenorganisatie opkomt. Over de vraag of alle personen behorend tot de achterban daadwerkelijk schade hebben geleden, of er aansprakelijkheid bestaat voor deze schade en of voldaan is aan het vereiste van causaal verband tussen de gebeurtenis en de schade, is daarmee nog niets gezegd. Dit moet in de procedure worden vastgesteld.

De eerste zin van lid 2 geeft de rechter de mogelijkheid om te toetsen of een belangenorganisatie voldoende representatief is, gelet op de achterban en de omvang van de vertegenwoordigde vorderingen. Deze eis voorkomt dat een stichting of vereniging een rechtsvordering kan instellen zonder de vereiste ondersteuning van een achterban. Niet iedere willekeurige organisatie kan zich opwerpen als verdediger van de belangen van gedupeerden. Op voorhand moet duidelijk zijn dat zij kwantitatief gezien voor een voldoende groot deel van de groep getroffen gedupeerden opkomt. Wat genoeg is, verschilt per geval en kan alleen bepaald worden in relatie tot het totaal aantal gedupeerden. Dit kan bijvoorbeeld worden getoetst op basis van de bij een vereniging aangesloten leden of door middel van het aantal gedupeerden dat zich actief voor de vordering heeft aangemeld. Het vereiste van representativiteit staat los van de toets die de rechter in een later stadium zal uitvoeren in het kader van de keuze voor een Exclusieve Belangenbehartiger. In dat geval zal de rechter verschillende belangenorganisaties met elkaar vergelijken die elk voldoende representatief zijn. De rechter zal in dat geval bekijken welke belangenorganisatie het meest geschikt is om als Exclusieve Belangenbehartiger op te treden. De omvang van de achterban en het door de achterban vertegenwoordigde financiële belang zijn omstandigheden die de rechter daarbij in aanmerking neemt. Representativiteit alleen is onvoldoende. De belangenorganisatie zal eveneens moeten voldoen aan een aantal andere eisen uit de Claimcode die gecodificeerd zijn in dit lid.

Onderdeel a van het nieuw voorgestelde lid 2 van artikel 3:305a BW verlangt dat de belangenorganisatie die een collectieve actie instelt, beschikt over intern toezicht op het bestuur. Dit is overeenkomstig Principe VI van de Claimcode. Het voordeel van een apart toezichthoudend orgaan is dat er sprake is van een functiescheiding tussen bestuur en toezicht. Dit bevordert een deugdelijk intern toezicht op het functioneren van het bestuur. Aan dit vereiste kan worden voldaan door een raad van commissarissen in te stellen. In dat geval is het toezicht geconcentreerd in een apart orgaan van de rechtspersoon. Het is ook mogelijk om vorm te geven aan het vereiste toezicht in een rechtspersoon met een one tier board structuur. In dat geval worden niet-uitvoerende bestuurders benoemd, die tot taak hebben om toezicht te houden op de uitvoerende bestuurders. Ik verwijs in dat verband naar de toelichting op artikel 2:9a, lid 1 BW (Kamerstukken II, 2015/2016, 33 491, nr. 3).

Onderdeel b van het nieuw voorgestelde lid 2 van artikel 3:305a BW verplicht een belangenorganisatie die een collectieve actie instelt, over doeltreffende en passende mechanismen te beschikken voor de deelname aan of vertegenwoordiging bij de besluitvorming van de personen voor wie de rechtsvordering is ingesteld. Het is aan de belangenorganisatie zelf om te bepalen op welke manier zij invulling wenst te geven aan deze bepaling. Wanneer de belangenorganisatie als vereniging is georganiseerd, kan de vertegenwoordiging bij de besluitvorming worden geregeld via de ledenvergadering. Een stichting beschikt niet over een dergelijke vergadering. Stichtingen zullen daarom op een andere manier moeten borgen dat aangeslotenen voldoende inspraak hebben op de besluitvorming bij de stichting. Een mogelijkheid is om aangeslotenen in de gelegenheid te stellen zich uit te laten over bepaalde besluiten. Wanneer een belangenorganisatie is ingericht overeenkomstig de Claimcode, kan worden aangenomen dat is voldaan het vereiste van dit onderdeel.

Onderdeel c stelt eisen aan de financiële middelen waarover een belangenorganisatie moet beschikken. Dit geeft de rechter de mogelijkheid om te toetsen of een rechtspersoon die een collectieve vordering instelt, beschikt over voldoende middelen om de procedure te kunnen voeren. De rechter kan daarvoor waar nodig inzage vragen in de boeken van de organisatie, zo nodig in te zien door een door hem aan te wijzen derde, zonder dat daarmee de verplichting ontstaat om deze gegevens ook aan de wederpartij te verschaffen. In het geval gekozen wordt voor een constructie met Third Party Litigation Funding kan de rechter op basis van deze eis in combinatie met het algemene vereiste van de voldoende gewaarborgde belangen, onder meer de financieringsovereenkomst opvragen om te bekijken hoe daarin de invloed van de financier op de procedure is geregeld en of die regeling niet in de weg staat aan een zorgvuldige behartiging van de belangen van de benadeelden. De toetsing van dit onderdeel kan vanzelfsprekend slechts marginaal zijn. Voldoende is dat een rechtspersoon kan aangeven dat hij, op het moment van toetsing, over voldoende middelen beschikt of kan beschikken om de procedure te kunnen voeren. Niet nodig is overigens dat ook de wederpartij inzage in de financieringsovereenkomst krijgt (HR 20 december 2002, NJ 2004, 4, Lightning Casino/Antillen).

Onderdeel d bevat verschillende transparantie-eisen waaraan een rechtspersoon die een collectieve vordering instelt, moet voldoen om er voor te zorgen dat de belangen van gedupeerden voldoende zijn gewaarborgd. Deze eisen zijn geïnspireerd op de transparantie-eisen, zoals deze thans al zijn opgenomen in de Claimcode (Principe I, II, III, V, en VI). De eisen verplichten belangenbehartigers om een algemeen toegankelijke website in te richten waarop bepaalde essentiële informatie over hun functioneren te raadplegen is. Op basis van deze informatie kan een gedupeerde een geïnformeerde keuze maken of hij zich al dan niet aansluit bij een bepaalde belangenorganisatie en kan hij op de hoogte blijven van de voortgang van de procedure.

Het bepaalde onder (i) verplicht een belangenbehartiger zijn statuten toegankelijk te maken op de website. Dit geeft een gedupeerde inzicht in de wijze waarop de belangenorganisatie functioneert. Hetzelfde geldt voor de verplichting onder (ii) om de bestuursstructuur van de rechtspersoon inzichtelijk te maken op de website. De eis onder (iii) verplicht een rechtspersoon om via zijn website zijn laatst vastgestelde jaarlijkse verantwoording op hoofdlijnen van het toezichthoudend orgaan openbaar te maken. Onder (iv) is de verplichting opgenomen dat een rechtspersoon een bestuursverslag publiceert op zijn website. Dit bestuursverslag moet zijn opgesteld volgens de eisen van Titel 9 (artikel 3:305a lid 5 BW). De verplichting opgenomen onder (v) verplicht een rechtspersoon die een collectieve vordering instelt, om op zijn website inzicht te geven in de bezoldiging van de bestuurders en leden van het toezichthoudend orgaan. Doel hiervan is een bovenmatige beloning van bestuurders en leden van het toezichthoudend orgaan van een rechtspersoon te voorkomen. De verplichting opgenomen onder (vi) verplicht een belangenorganisatie om op zijn website de doelstellingen en werkwijzen van de rechtspersoon inzichtelijk te maken. Ook moet de rechtspersoon ervoor zorgen dat hij op de website een overzicht verschaft van de lopende procedures (vii).

Wanneer van gedupeerden die zich aansluiten bij een bepaalde actie, een bijdrage wordt gevraagd, dan dient dit eveneens inzichtelijk te worden gemaakt op de website (viii) evenals de wijze waarop een gedupeerde zich kan aansluiten dan wel zijn aansluiting kan beëindigen (ix).

Onderdeel e stelt dat de rechtspersoon moet beschikken over voldoende ervaring en deskundigheid ten aanzien van het instellen van de rechtsvordering en het voeren van de procedure. Dit geeft de rechter de mogelijkheid om de track record te toetsen van belangenorganisaties die voor een groep gedupeerden een rechtsvordering instellen. De eis dat de belangenorganisatie voldoende deskundig moet zijn, betekent dat zij aantoonbaar over expertise beschikt die relevant is voor de collectieve vordering, dan wel daartoe toegang heeft. Welke deskundigheid dit is, zal van geval tot geval verschillen. Gaat het om een collectieve rechtsvordering tot vergoeding van beleggingsschade dan zal enige financiële expertise op dit terrein vereist zijn. Dit kan doordat de organisatie een deskundige op dit terrein in haar bestuur heeft of doordat is voorzien in een goede toegang van de organisatie tot zo’n deskundige. Gaat het om letselschade, dan ligt de vereiste deskundigheid veeleer op het terrein van de mogelijke soorten letsel en de gevolgen daarvan die veroorzaakt zijn door de gebeurtenis. Welke mate van deskundigheid en professionaliteit wordt vereist, kan ook verschillen naar gelang de omvang van de groep wier belangen worden behartigd. Naarmate de groep gedupeerden voor wie de organisatie opkomt, groter is, kan een meer professionele aanpak vereist zijn. Dit betekent overigens niet dat de rechter geen ad hoc organisaties zou kunnen toestaan. Wel zullen deze organisaties moeten aantonen dat zij, bijvoorbeeld door personen met specifieke expertise aan hun organisatie te verbinden, beschikken over voldoende ervaring en deskundigheid. Het vereiste van voldoende ervaring kan blijken uit eerdere werkzaamheden op het terrein van de collectieve vordering voor de achterban, door eerder ingestelde collectieve vorderingen of door deelname aan het bestuur van personen die over deze ervaring beschikken.

Lid 3 aanvullende ontvankelijkheidseisen

Lid 3 bevat een aantal aanvullende ontvankelijkheidseisen voor belangenorganisaties die niet zien op de governance of transparantie van deze organisatie.

Lid 3, onderdeel a, geen winstoogmerk

In onderdeel a wordt voorgesteld dat bestuurders betrokken bij de oprichting van een rechtspersoon en hun opvolgers, geen rechtstreekse of middellijk winstoogmerk mogen hebben, dat via de rechtspersoon wordt gerealiseerd. Hiermee worden één van de Aanbevelingen van de Juristengroep en Principe I van de Claimcode gecodificeerd. Achtergrond van deze bepaling is dat voorkomen moet worden dat oprichters of bestuurders kunnen beschikken over de gelden van de stichting of vereniging als ware het hun eigen gelden. Gewaarborgd moet worden dat met een batig liquidatiesaldo op verantwoorde wijze wordt omgegaan, bijvoorbeeld door uitkering aan de deelnemers van een stichting of aan een instelling in de zin van artikel 6.33, onderdeel b, van de Wet Inkomstenbelasting 2001 (algemeen nut beogende instellingen).

Lid 3 onderdeel b, voldoende nauwe band met de Nederlandse rechtssfeer

Onderdeel b bevat het vereiste dat de collectieve vordering een voldoende nauwe band met de Nederlandse rechtssfeer heeft. Is geen sprake van een voldoende nauwe band met Nederland, dan is de rechtspersoon niet ontvankelijk in zijn collectieve vordering. Onderdeel b is dus een ontvankelijkheidsvereiste.

In het voorontwerp was in een nieuw voorgesteld lid 6 van artikel 3:305a BW opgenomen dat een collectieve schadevergoedingsactie alleen kon worden ingesteld als aan een van de daar opgenomen voorwaarden was voldaan. Deze voorwaarden waren dat ofwel de verweerder woonplaats in Nederland had (sub i) òf het merendeel van de personen tot bescherming van wie de vordering strekt zijn gewone verblijfplaats in Nederland had (sub ii) òf de gebeurtenis of gebeurtenissen in Nederland had respectievelijk hadden plaatsgevonden (sub iii). In de toelichting werd naar de regeling in lid 6 verwezen als een scope rule. Doel van de scope rule was om de collectieve schadevergoedingsactie alleen beschikbaar te maken voor zaken met een voldoende nauwe band met Nederland. In de reacties op het voorontwerp achtten velen een scope rule wel wenselijk, maar het voorgestelde regime niet effectief genoeg. Een minderheid gaf aan dat de scope rule niet te beperkend mocht zijn. Ook werden er vragen gesteld over de Europeesrechtelijke houdbaarheid van een scope rule.

De Juristengroep heeft in Aanbeveling 4 voorgesteld dat de wetgever in het wetsvoorstel ter uitvoering van de motie Dijksma regelt «dat een effectieve scope rule wordt opgenomen die verenigbaar is met het internationale bevoegdheidsrecht en het Europese recht.» Zij merkt op dat «een scope rule moet voorkomen dat een Nederlandse collectieve schadevergoedingsactie kan worden gebruikt voor zaken waarin de Nederlandse rechter wel rechtsmacht heeft, maar er feitelijk geen of onvoldoende nauwe band bestaat tussen de collectieve vordering en de Nederlandse rechtssfeer. De enkele oprichting van een Nederlandse stichting is bijvoorbeeld onvoldoende aanknoping met Nederland als deze stichting opkomt voor uitsluitend buitenlandse gedupeerden en er geen andere aanknopingspunten met Nederland zijn.»

Aan de Staatscommissie voor het internationaal privaatrecht (hierna: Staatscommissie IPR) en de Adviescommissie voor burgerlijk procesrecht (hierna: Adviescommissie BPR) is vervolgens advies gevraagd over de toelaatbaarheid en mogelijkheden van een scope rule in het licht van het internationale bevoegdheidsrecht en het Europese recht. Beide commissies hebben hierover in een gecombineerde vergadering gesproken. Dit heeft geleid tot een gezamenlijk advies van 1 april 2016. De Staatscommissie IPR en de Adviescommissie BPR menen dat het formuleren van een scope rule niet de juiste manier is om het vereiste van een voldoende nauwe band met Nederland vorm te geven. Zij menen dat de formulering in het voorontwerp te sterk doet denken aan aanvullende regels van internationale bevoegdheid, die een beperking vormen van de internationale bevoegdheidsregels van de Verordening Brussel I-bis (Verordening (EU) nr. 1215/2012, PbEU 2012, L 351/1). Deze verordening is voor Nederland in de meeste burgerlijke en handelszaken van toepassing. Een nationale beperking daarvan levert strijd op met het Unierecht. Daarnaast menen beide commissies dat het begrip scope rule teveel doet denken aan een regel van conflictenrecht die de reikwijdte van het materiële aansprakelijkheidsrecht beperkt. Om die reden adviseren zij dit begrip te vermijden. De Staatscommissie IPR en de Adviescommissie BPR achten wel mogelijk om het vereiste van een nauwe band te formuleren als een ontvankelijkheidsvereiste voor de rechtspersoon door in artikel 3:305a BW te bepalen dat een rechtspersoon als bedoeld in het eerste lid slechts ontvankelijk is in een collectieve schadevergoedingsvordering indien naast de overige ontvankelijkheidseisen tevens is voldaan aan het vereiste dat de rechtsvordering die de rechtspersoon instelt, een voldoende nauwe band met de Nederlandse rechtssfeer heeft. De commissies menen dat dit vereiste eventueel ook voor iedere collectieve rechtsvordering als bedoeld in het eerste lid van 3:305a BW zou kunnen gelden. Aan dit vereiste moet dan worden getoetst nadat is vastgesteld dat de Nederlandse rechter ingevolge de Verordening Brussel I-bis dan wel het commuun internationaal bevoegdheidsrecht van de artikelen 1–14 Rv ten aanzien van die rechtsvordering internationale bevoegdheid toekomt. De Staatscommissie IPR en de Adviescommissie BPR wijzen erop dat een dergelijk ontvankelijkheidsvereiste uiteraard geen afbreuk mag doen aan het nuttig effect van het Unierecht. De commissies zien in dat verband een spanningsveld in gebruik van geografisch territoriale aanknopingsfactoren voor het invullen van de voldoende nauwe band, omdat ook de bevoegdheidsbepalingen in de Verordening Brussel I-bis zijn gebaseerd op dergelijke aanknopingsfactoren. Terecht merken zij op dat het uiteindelijk aan het Hof van Justitie van de Europese Unie is om te oordelen of de beoogde ontvankelijkheidsdrempel in het voorstel verenigbaar is met het gesloten stelsel van bevoegdheidsgronden van de Verordening Brussel I-bis.

Concretisering van de voldoende nauwe band achten de commissies in de eerste plaats, of zelfs uitsluitend, mogelijk door te bepalen dat een rechtspersoon als bedoeld in het eerste lid slechts ontvankelijk is in de door hem ingestelde collectieve schadevergoedingsvordering – of zelfs in iedere door hem ingestelde collectieve rechtsvordering – indien hij ingevolge zijn statuten de belangen behartigt van personen van wie het merendeel zijn gewone verblijfplaats in Nederland heeft (vergelijk het voorgestelde art. 3:305a lid 6, aanhef en onder b, BW in het voorontwerp). De collectieve belangenbehartiger moet dan dus reeds bij zijn oprichting in zijn statuten tot uitdrukking brengen dat sprake is van een nauwe band met Nederland. Het is vervolgens aan de rechter om in voorkomend geval te onderzoeken of de collectieve belangenbehartiger daadwerkelijk aan deze voorwaarde voldoet.

Als uitsluitend de gewone verblijfplaats van het merendeel van de benadeelde personen als invulling van de nauwe band voldoende wordt geacht, leidt dit tot een forse beperking van de mogelijkheden voor het instellen van een collectieve actie. Het betekent immers dat ook in gevallen waarin het gaat om een in Nederland wonende verweerder of om een gebeurtenis die in Nederland heeft plaatsgevonden (bijvoorbeeld een milieuramp vlakbij de grens met Duitsland) een collectieve belangenbehartiger van (in merendeel) in het buitenland wonende benadeelde personen dan geen toegang heeft tot de collectieve actie. Ook de Staatscommissie IPR en Adviescommissie BPR achten dit een te vergaande beperking. Zij geven in overweging om te bepalen dat een rechtspersoon als bedoeld in het eerste lid die een collectieve rechtsvordering (al dan niet strekkende tot schadevergoeding) instelt, daarin tevens ontvankelijk is indien degene tegen wie de rechtsvordering zich richt, woonplaats in Nederland heeft dan wel de gebeurtenis of gebeurtenissen waarop de rechtsvordering betrekking heeft, in Nederland heeft respectievelijk hebben plaatsgevonden (vergelijk het voorgestelde art. 3:305a lid 6, aanhef en onder a respectievelijk c, BW in het voorontwerp). De commissies menen dat zo een stelsel in het leven kan worden geroepen dat met behulp van een voldoende concreet en hanteerbaar criterium bewerkstelligt dat de collectieve schadevergoedingsactie uitsluitend openstaat voor zaken die een voldoende nauwe band met de Nederlandse rechtssfeer hebben. Ook menen zij dat dit stelsel geen afbreuk doet aan het recht op effectieve rechtsbescherming en evenmin leidt tot een ongeoorloofd onderscheid. Zij nemen voorshands aan dat dit stelsel strookt met het Unierecht.

In het voorgestelde onderdeel b van lid 3 heb ik ervoor gekozen de door de Staatscommissie IPR en Adviescommissie BPR voorgestelde weg te volgen. Ook de in het advies geopperde mogelijkheid om de eis van de voldoende nauwe band met de Nederlandse rechtssfeer van toepassing te laten zijn op alle soorten collectieve acties, heb ik overgenomen. De voldoende nauwe band met de Nederlandse rechtssfeer is geformuleerd als een ontvankelijkheidsvereiste. Om de rechter voldoende handvat te geven bij de beoordeling of sprake is van een voldoende nauwe band met Nederland is dit criterium nader ingevuld. De tweede zin van onderdeel b van lid 3 bepaalt dat van een voldoende nauwe band sprake is als de rechtspersoon genoegzaam aannemelijk maakt dat het merendeel van de personen tot bescherming van wier belangen de rechtsvordering strekt, zijn gewone verblijfplaats in Nederland heeft (sub (i)) of als de aangesproken partij in Nederland haar woonplaats heeft (sub (ii)) of als de gebeurtenis of gebeurtenissen waarop de rechtsvordering betrekking heeft, zich in Nederland heeft respectievelijk hebben voorgedaan (sub (iii)).

In haar Advies heeft de Afdeling advisering van de Raad van State er begrip voor dat met de voorgestelde bepaling wordt geprobeerd te voorkomen dat een op zichzelf aantrekkelijke procedure voor een collectieve schadevergoedingsactie ongewenste aanzuigende werking krijgt. Tegelijkertijd onderschrijft de Afdeling de opmerking van de Staatscommissie IPR en de Adviescommissie BPR dat het nuttig effect van de Verordening Brussel I-bis verzekerd dient te worden, ook als de geografisch-territoriale aanknopingspunten als ontvankelijkheidseisen zijn geformuleerd. De Afdeling wijst op de mogelijke beperking van de werking van de internationale bevoegdheidsregels en in het bijzonder de Verordening Brussel I-bis door de voorgestelde ontvankelijkheidseisen. De Afdeling geeft het voorbeeld van massaschadezaak waarin partijen een forumkeuze overeenkomen ingevolge artikel 25 van Brussel I-bis. De Verordening stelt niet de eis dat partijen in een EU-lidstaat wonen en evenmin dat de zaak anderszins is verbonden met de rechtssfeer van de forumkeuzerechter, zo stelt de Afdeling. De voorgestelde ontvankelijkheidsbepaling heeft dan tot gevolg dat het instellen van een dergelijke vordering ondanks de forumkeuze niet mogelijk is, omdat niet aan een van de ontvankelijkheidseisen onder (i) tot en met (iii) wordt voldaan, aldus de Afdeling.

In aanvulling op hetgeen hierover is gezegd in het advies van de Staatscommissie IPR en de Adviescommissie BPR, merk ik hierover het volgende op. De Afdeling advisering wijst op een drietal uitspraken van het Europese Hof van Justitie en een uitspraak van de Hoge Raad die alle betrekking hebben op de verhouding tussen Europees (proces)recht en nationaal procesrecht. In zijn arrest van 15 november 1983 (zaak C-288/82, Duijnstee/Goderbauer) heeft het HvJEU bepaald dat (toen nog) het Executieverdrag voorgaat op bepalingen van nationaal procesrecht die daarmee onverenigbaar zijn. In zijn arrest van 15 mei 1990 (C-365/88) gaat het HvJEU hier nader op in. Het HvJEU stelt voorop dat het (toen nog) Executieverdrag ziet op verdeling van de bevoegdheid en vergemakkelijking van de erkenning en tenuitvoerlegging. Daarom moet goed worden onderscheiden tussen de bevoegdheid en de voorwaarden voor de ontvankelijkheid van een vordering. Het HvJEU preciseert dit nader. Het oordeelt dat voor de vraag of de nationale rechter een vrijwaring moet toestaan hij «de ontvankelijkheid van de vordering mag toetsen aan de procesregels van zijn nationale recht mits hij daarbij geen afbreuk doet aan het nuttig effect van het Executieverdrag en, in het bijzonder, [zich] (…) niet baseert op de omstandigheid dat de waarborg zijn verblijf- of woonplaats heeft op het grondgebied van een andere verdragsluitende staat dan die van het gerecht waarbij de oorspronkelijke vordering aanhangig is.» De Hoge Raad heeft in een arrest van 18 maart 2011 (NJ 2011/219) deze rechtspraak voor de Verordening Brussel I bevestigd in zijn oordeel dat de toepassing van nationaal procesrecht geen afbreuk mag doen aan het nuttig effect van de EEX-Verordening. In zijn arrest van 28 januari 2015, zaak C-375/13, Kolassa/Barclays Bank) ten slotte, oordeelt het HvJEU dat de vraag of een nationale rechter voor de vraag of hij internationale bevoegdheid heeft, een uitgebreide bewijsprocedure moet volgen of mag uitgaan van de stellingen van de verzoeker daarover, een vraag van intern procesrecht betreft. Het voegt daaraan (opnieuw) toe dat de toepassing van de relevante regels geen afbreuk mag doen aan het nuttig effect van de verordening Brussel I-bis. Uit deze rechtspraak blijkt dat het HvJEU belang hecht aan de goede werking van de bevoegdheidsregels van Brussel I en dat deze niet opzij kunnen worden gezet door nationale regels van procesrecht.

Voor de voorgestelde ontvankelijkheidseis van een voldoende nauwe band, merkt de Afdeling advisering terecht op dat het hier gaat om een ontvankelijkheidsvereiste. Het gaat hier dus niet om een aanvullende eis voor het aannemen van internationale bevoegdheid. Ook de beide commissies merken in hun Advies op dat de rechter pas over het al dan niet voldaan zijn aan dit ontvankelijkheidsvereiste oordeelt nadat hij zijn internationale bevoegdheid heeft vastgesteld. Doel van dit ontvankelijkheidsvereiste is te voorkomen dat het voorstel een aanzuigende werking heeft voor zaken die niets met Nederland te maken hebben en daarmee leidt tot een ernstige belasting van de rechtspraak en de daarmee gepaard gaande financiële gevolgen. Uit het Kolassa-arrest volgt dat het vereiste van het nuttig effect niet betekent dat voor het interne (proces)recht geen enkele ruimte bestaat voor nadere invulling. Het gaat erom dat de werking van de Verordening Brussel I voldoende is verzekerd. Het voorstel doet aan de goede werking van deze Verordening niet af. Als er internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter bestaat, kan een partij bij de Nederlandse rechter terecht. Het effect van het voorstel is uitsluitend dat die partij niet in alle gevallen gebruik kan maken van deze procedure, te weten als de verweerder buiten Nederland woont èn de schadeveroorzakende gebeurtenis zich buiten Nederland heeft voorgedaan èn het merendeel van de gedupeerden buiten Nederland woont.

De Afdeling advisering noemt in haar Advies nog het voorbeeld van een forumkeuze in een massazaak waarin niet wordt voldaan aan het vereiste van een voldoende nauwe band met Nederland, zoals voorgesteld in artikel 3:305a, lid 3, onder b, BW. Het is juist dat de Verordening Brussel I-bis in artikel 25 een ruime forumkeuzebepaling kent. In theorie kunnen twee of meer buitenlandse partijen die geen woonplaats in de EU hebben, zich op basis van een forumkeuze tot de Nederlandse rechter wenden, ook in een massazaak. Dit voorbeeld zal zich echter in de praktijk niet snel voordoen. Bij de WCAM kan het zeker voorkomen dat partijen die met elkaar een massaschikking hebben gesloten, deze door de Nederlandse rechter voor alle gedupeerden, waar ook ter wereld, verbindend willen laten verklaren. Dit is in het verleden ook al gebeurd, bijvoorbeeld in de Converium-zaak (Gerechtshof Amsterdam 17 januari 2012, ECLI:NL:GHAMS:2012:BV1026). Dit is ook begrijpelijk. Partijen zijn dan immers in staat gebleken tot een overeenkomst over de afwikkeling van de massaschade te komen. Dit ligt anders voor gevallen waarop de procedure in dit wetsvoorstel ziet. Organisaties die opkomen voor gedupeerden zijn er in dat geval juist niet in geslaagd tot overeenstemming te komen met de aangesproken partij of partijen. Het is in zo’n geval nauwelijks denkbaar dat diezelfde aangesproken partijen er vrijwillig mee instemmen om juist voor de Nederlandse rechter een procedure over een collectieve schadevordering te voeren, als een nauwe band met de Nederlandse rechtssfeer ontbreekt. Ook aan de zijde van de buitenlandse gedupeerden zal niet snel de instemming met een forumkeuze mogen worden aangenomen. De instemming van de claimorganisatie mag niet op een lijn worden gesteld met de instemming van individuele gedupeerden. Dit geldt nog meer als het om consumentengedupeerden gaat. Dan rijst vervolgens de vraag of wel sprake is van een geldige forumkeuze. Voor forumkeuzebedingen in overeenkomsten geldt dat deze niet automatisch gelden voor een collectieve vordering van een claimorganisatie, vgl. HvJEU 21 mei 2015 (zaak C-352/13, CDC/Akzo Nobel). Ik verwacht in het licht van het voorgaande niet dat een massazaak via de voorgestelde procedure aan de rechter wordt voorgelegd op basis van een forumkeuze. In het licht van het voorgaande zullen deze partijen, mochten zij wel een geldige forumkeuze hebben gedaan, toegang hebben tot de Nederlandse rechter, maar niet tot de hier voorgestelde procedure voor zover zij niet aan een van de vereisten voor een voldoende nauwe band met de Nederlandse rechtssfeer voldoen.

Ik deel op dit punt de conclusie van de Staatscommissie IPR en de Adviescommissie BPR. Ik meen dat mag worden aangenomen dat dit stelsel strookt met het Unierecht.

Het sub (i) gestelde vereiste dwingt de rechtspersoon ertoe om zich op voorhand ervan te vergewissen dat zijn achterban voor het merendeel bestaat uit personen met gewone verblijfplaats in Nederland en dit te documenteren. Dit kan door dit in de statuten op te nemen maar ook op andere wijze. In afwijking van het advies van de Staatscommissie IPR en de Adviescommissie BPR heb ik ervoor gekozen om niet uitsluitend de statuten doorslaggevend te laten zijn voor het bewijs dat het merendeel van de achterban in Nederland zijn gewone verblijfplaats heeft. Hoewel de statuten een voorspelbaar en eenvoudig aanknopingspunt vormen om vast te stellen voor wie de belangenbehartiger opkomt, acht ik het toch niet gelukkig dit als enig mogelijk bewijs op te nemen. Zo’n statutaire bepaling is nadelig voor bestendige belangenbehartigers die nu eens tegen een Nederlandse verweerder zullen optreden, dan weer tegen een buitenlandse. Niet redelijk lijkt om van hen te eisen dat zij bij een verweerder in Nederland de belangen mogen behartigen van in meerderheid benadeelde personen met gewone verblijfplaats in het buitenland, terwijl zij bij een verweerder in het buitenland in hun statuten moeten hebben staan dat het merendeel van de benadeelde personen voor wie zij opkomen, gewone verblijfplaats in Nederland heeft. Ook kan het vereiste van de statuten tot onnodig formalisme leiden en tot een discrepantie tussen de statuten en de feitelijke situatie. Doorslaggevend voor een voldoende nauwe band is de feitelijke situatie. Om die reden heb ik ervoor gekozen om als criterium op te nemen dat de rechtspersoon genoegzaam aannemelijk maakt dat hij opkomt voor personen van wie het merendeel gewone verblijfplaats in Nederland heeft. Een ad hoc stichting kan dit al in haar statuten op te nemen. Een bestendige belangenbehartiger kan dit op andere wijze genoegzaam aannemelijk maken, bijvoorbeeld doordat zij opkomt voor haar leden, die hoofdzakelijk in Nederland wonen.

Het vereiste sub (i) dat het merendeel van de achterban in Nederland zijn gewone verblijfplaats heeft, voorkomt dat uitsluitend vanwege de beschikbaarheid in Nederland van een collectieve actie een belangenbehartiger in Nederland een procedure begint tegen bijvoorbeeld een Frans bedrijf wegens een Frans gebrekkig product ten behoeve van voornamelijk benadeelde personen in Frankrijk, die in Frankrijk schade hebben geleden door het gebrekkig product. Artikel 7 sub 2 Brussel I-bis schept bevoegdheid van de rechter van de plaats waar de directe schade is geleden. Als er ook een of meer benadeelde personen hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben, die in Nederland schade hebben geleden wegens het gebrekkige Franse product, kunnen deze Nederlandse benadeelden voor hun schade terecht bij de Nederlandse rechter. Als een belangenbehartiger in dat geval stelt op te komen voor de Nederlandse benadeelden èn voor honderden Franse benadeelde personen, heeft de Nederlandse rechter in elk geval bevoegdheid voor de in Nederland geleden schade. Of in dat geval ook bevoegdheid van de Nederlandse rechter bestaat voor de door de Franse benadeelde personen in Frankrijk geleden schade, is een vraag van uitleg van Brussel I-bis. Voor zover in dat geval bevoegdheid van de Nederlandse rechter ingevolge Brussel I-bis bestaat ook voor de in Frankrijk geleden schade, zorgt het vereiste van het merendeel van de benadeelde personen in Nederland ervoor dat de belangenbehartiger in dat geval niet ontvankelijk is. Dit is ook redelijk; de benadeelde personen uit Frankrijk zouden zonder het bestaan van een collectieve actie ook niet in Nederland terecht kunnen met hun vordering jegens de Franse verweerder wegens een gebrekkig Frans product.

De uitbreiding onder (ii) dat de verweerder in Nederland woont, zorgt ervoor dat de belangenbehartiger die opkomt voor benadeelde personen die in meerderheid buiten Nederland wonen, wel ontvankelijk is als zijn collectieve actie zich richt tegen een verweerder in Nederland. Hier is sprake van een voldoende nauwe band met Nederland; ook zonder het bestaan van een collectieve actie zou het instellen van een vordering in Nederland door de buitenlandse benadeelde personen tegen de Nederlandse verweerder voor de hand hebben gelegen.

De uitbreiding onder (iii) dat de gebeurtenis of gebeurtenissen in Nederland heeft respectievelijk hebben plaatsgevonden, brengt mee dat een belangenbehartiger wel mag opkomen voor in meerderheid benadeelde personen van buiten Nederland als de gebeurtenis of gebeurtenissen zich in Nederland heeft of hebben voorgedaan. Ook dit vereiste leidt tot een voldoende nauwe band met Nederland. Stel, een groep buitenlandse toeristen afkomstig uit diverse landen wordt in Amsterdam beroofd door een buitenlandse bende. De bende wordt gepakt en de toeristen willen hun schade op de bendeleden verhalen. Omdat de schadeveroorzakende gebeurtenis (de beroving) zich in Nederland heeft voorgedaan, mag een belangenbehartiger die voldoet aan de eisen van 3:305a BW in Nederland een collectieve actie starten, ook al komt hij op voor de belangen van personen die hun gewone verblijfplaats buiten Nederland hebben.

Het vereiste sub (iii) dat de gebeurtenis of gebeurtenissen heeft respectievelijk hebben plaatsgevonden in Nederland moet worden onderscheiden van het criterium voor internationale bevoegdheid dat het schadebrengende feit zich in Nederland heeft voorgedaan (vgl. artikel 7 sub 2 verordening Brussel Ibis en artikel 6 sub e Rv). Naast de hoofdregel volgens Brussel Ibis (de bevoegdheid van de rechter van het woonplaatsland van de verweerder) is dit een belangrijke alternatieve bevoegdheid. Op basis van jurisprudentie van het Europese Hof van Justitie (HvJEU) in onder meer het arrest van 30 november 1976 (zaak C-21/76, Handelskwekerij G.J. Bier BV/Mines de potasse d'Alsace SA, NJ 1977, 494) en vele zaken daarna, moet dit criterium zo worden uitgelegd dat de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan zowel betrekking kan hebben op de plaats waar de schade is veroorzaakt («Handlungort») als op de plaats waar de directe schade is ingetreden («Erfolgsort»). Het vereiste sub (iii) dat de gebeurtenis of gebeurtenissen heeft respectievelijk hebben plaatsgevonden in Nederland verwijst uitsluitend naar de plaats waar zich daadwerkelijk de gebeurtenis of gebeurtenissen heeft respectievelijk hebben voorgedaan. Het is dus niet tevens een verwijzing naar de plaats waar de directe schade is geleden.

Lid 3 onderdeel c, overlegverplichting

Onderdeel c bepaalt dat een rechtspersoon in de gegeven omstandigheden voldoende heeft getracht het gevorderde door het voeren van overleg met de verweerder te bereiken, wanneer na een termijn van twee weken na de ontvangst door de verweerder van een verzoek tot overleg onder vermelding van het gevorderde, de rechtsvordering wordt ingesteld. Daarmee wordt de huidige twee weken-termijn uit artikel 3:305a, lid 2, BW gehandhaafd. Uit de consultatie van het voorontwerp is gebleken dat het vervangen van deze vaste termijn door de eis dat een rechtspersoon daadwerkelijk heeft getracht het gevorderde door overleg te bereiken, niet op voldoende draagvlak kan rekenen, omdat een dergelijke eis onvoldoende concreet zou zijn (Eumedion, VEB, Rvdr). Voor vorderingen die zijn gebaseerd op de richtlijn tot het doen staken van inbreuken (Richtlijn 98/27/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 mei 1998 betreffende het doen staken van inbreuken in het raam van de bescherming van de consumentenbelangen, Pb.EG nr. L 166 van 11/06/1998 blz. 51–55) volgt de twee-wekentermijn voor overleg bovendien uit artikel 5 van de richtlijn zelf.

Lid 4, ongewijzigd

Lid 4 van artikel 3:305a BW is in het voorstel ongewijzigd ten opzichte van het huidige lid 4 en behoeft daarom geen nadere toelichting.

Lid 5, jaarrekening en bestuursverslag

Lid 5 bepaalt dat een belangenorganisatie jaarlijks een jaarrekening en een bestuursverslag moet opstellen volgens de eisen van Titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. Dit zorgt er voor dat het financiële reilen en zeilen van een belangenorganisatie inzichtelijk wordt voor de aangeslotenen en andere belanghebbenden. Dit betekent overigens niet dat de stichting en de vereniging dit jaarverslag en het bestuursverslag ook altijd openbaar moeten maken. De verplichting tot deponering van het jaarverslag en het bestuursverslag bij het Handelsregister geldt niet voor iedereen. Zie hiervoor artikel 396 lid 7 van Boek 2 BW.

Lid 5 bevat tevens twee artikelen die van overeenkomstige toepassing worden verklaard op rechtspersonen als bedoeld in lid 1 van artikel 3:305a BW. Het gaat om de artikelen 49 (vereniging) en artikel 300 (stichting) die regelen wanneer een vereniging of een stichting, als bedoeld in artikel 2:360 lid 3 BW, een jaarrekening moet opstellen en binnen welke termijn. Zo is gewaarborgd dat ook representatieve belangenbehartigers in de zin van artikel 3:305a BW gehouden zijn tot het vaststellen en ter inzage leggen van een jaarrekening binnen zes maanden na afloop van hun boekjaar. De artikelen 2:49 en 2:300 BW bevatten eveneens een regeling over de aanwijzing van het orgaan dat de jaarrekening moet vaststellen.

Ten slotte is bepaald dat het bestuursverslag in aanvulling op het bepaalde in titel 9 van Boek 2 BW binnen acht dagen na vaststelling op de algemene toegankelijke internetpagina van de rechtspersoon wordt gepubliceerd. Dit zorgt ervoor dat belanghebbenden en aangeslotenen een actueel inzicht in de situatie van de belangenbehartiger kunnen krijgen via de website. Dit laat onverlet dat de belangenorganisatie haar cijfers eveneens bij het handelsregister dient te deponeren, binnen 8 dagen na de vaststelling, wanneer Titel 9 daartoe verplicht (artikel 2:394 BW).

Lid 6, uitzondering op strengere ontvankelijkheidseisen

Lid 6 bevat een uitzondering op de toetsing aan de strengere ontvankelijkheidseisen uit lid 2, 3 en 5 voor bepaalde belangenorganisaties die een collectieve (schadevergoedings-)actie instellen. Niet in alle gevallen is het opportuun om dergelijke indringende ontvankelijkheidseisen te stellen aan een rechtspersoon die opkomt voor een collectief belang. Dit geldt in het bijzonder wanneer er een ideëel doel en een zeer gering financieel belang met de vordering is gemoeid, dan wel indien de aard van de vordering zich daartegen verzet. De Claimcode en de Aanbevelingen van de Juristengroep onderkennen dit eveneens. De Claimcode is bijvoorbeeld niet van toepassing op een rechtspersoon die (i) maximaal 1000 deelnemers heeft, waarbij (ii) de gemiddelde schade per deelnemer niet meer dan 1.000 euro bedraagt en (iii) de gevraagde bijdrage aan deelnemers maximaal 100 euro bedraagt. De wettelijke regeling geeft daarom de ruimte om de ontvankelijkheidseisen niet te toetsen wanneer dit vanwege een bepaald ideëel doel of vanwege de aard van de vordering, van de rechtspersoon of van de personen voor wier belangen wordt opgekomen niet gerechtvaardigd wordt geacht.

Het is uiteindelijk aan de rechter om te beoordelen of een organisatie in de praktijk in aanmerking komt voor de uitzondering in lid 6, waardoor niet aan de ontvankelijkheidseisen uit de leden 2, 3 en 5 behoeft te worden getoetst. Dit laat onverlet dat deze organisatie nog steeds aan de eisen uit de andere leden van artikel 3:305a BW moet voldoen.

De Aanbevelingen pleiten ervoor om de uitzondering op de aanvullende ontvankelijkheidseisen van de leden 2, 3 en 5 te beperken tot belangenorganisaties die voor een bepaald ideëel doel opkomen én slechts een beperkt financieel belang hebben. Een dergelijke toets zou te beperkend zijn, omdat bepaalde collectieve acties naar hun aard niet aan de nieuwe ontvankelijkheidsvoorwaarden zouden kunnen voldoen. Een voorbeeld is een belangenorganisatie die wil dat bepaalde algemene voorwaarden worden aangepast. Lid 6 zoals voorgesteld in de Aanbevelingen zou er voor zorgen dat een belangenorganisatie ook in dit soort gevallen aan strenge ontvankelijkheidseisen zou moeten voldoen. Dit terwijl daar gelet op de aard van de zaak geen aanleiding toe is. Het feit dat uitsluitend een verklaring voor recht door een belangenorganisatie wordt gevraagd, als opmaat naar een collectieve schadevergoedingsactie, zou overigens geen reden zijn om een uitzondering als bedoeld in lid 6 van toepassing te verklaren. Omdat de grond voor het maken van een uitzondering zowel kan liggen in de aard van het gevorderde als in de aard van de rechtspersoon die vordert of zijn achterban, voorziet lid 6 in een uitzonderingsmogelijkheid in al deze gevallen indien daartoe aanleiding bestaat. Het is uiteindelijk aan de rechter om ambtshalve te toetsen of in een concreet geval een uitzondering op de ontvankelijkheidseisen moet gelden. Dit laat onverlet dat de rechter bij iedere collectieve actie zal moeten toetsen aan de ontvankelijkheidseisen uit lid 1 van artikel 3:305a BW. De procedure uit titel 14A is voor het overige van toepassing op een belangenorganisatie die voldoet aan de uitzonderingen van lid 6.

Lid 7, register voor collectieve acties

Lid 7 regelt de instelling van een register waarin alle aanhangig gemaakte collectieve (schadevergoedings-)acties zullen worden geregistreerd. In titel 14A is daartoe een bepaling opgenomen die de eiser verplicht van zijn collectieve vordering binnen twee dagen na indiening van de procesinleiding aantekening in het register te maken. Het register zal worden gehouden door een bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen partij. Zie over de wijze waarop een aantekening moet worden gemaakt de toelichting op de artikelen 1018c en 1018d van de nieuw voorgestelde titel 14A in het Wetboek van Rechtsvordering.

Artikel 3:305b BW

Dit artikel regelt dat een publiekrechtelijke entiteit met rechtspersoonlijkheid eveneens kan opkomen voor de belangen van andere personen. Deze taken kunnen aan hem zijn opgedragen uit hoofde van zijn publieke taak. Gelet op de publieke taak en de waarborgen voor zijn functioneren die zijn opgenomen in de Algemene wet bestuursrecht, kan van een publieke entiteit worden vermoed dat hij de belangen van de personen waarvoor hij opkomt voldoende waarborgt. Daarom is het niet noodzakelijk om de aangescherpte ontvankelijkheidseisen eveneens van toepassing te verklaren op publiekrechtelijke entiteiten die rechtspersoonlijkheid hebben. Ook het uitzonderingsregime zoals opgenomen in lid 6 van artikel 3:305a BW hoeft daarom niet van toepassing te worden verklaard. Een register is evenmin noodzakelijk, omdat er in de regel maar één publiekrechtelijke organisatie zal optreden voor een bepaald belang.

De twee weken overleg termijn uit het vernummerde artikel 3:305a BW lid 3, onderdeel c (was 3:305a lid 2) blijft wel van overeenkomstige toepassing evenals de bepaling dat de rechter een partij kan verplichten het vonnis openbaar te maken (thans 3:305a lid 4, was 3:305a lid 3). Voor beide eisen geldt dat zij nu ook al gelden en niet zien op de ontvankelijkheid van de publiekrechtelijke entiteit.

Artikel 3:305c BW

Dit artikel maakt het mogelijk dat een consumentenorganisatie in een andere lidstaat dan waar zij is gevestigd, een verbod vordert van een inbreuk die haar oorsprong heeft in die lidstaat. Deze verplichting vloeit voort uit het bepaalde in Richtlijn 2009/22/EG betreffende het doen staken van inbreuken in het raam van de bescherming van de consumentenbelangen (Pb. 2009, L 110/30).

De meeste consumentenorganisaties zijn privaatrechtelijk van aard en hebben geen publieke taak. Daarom is het gerechtvaardigd dat artikel 3:305c lid 2 BW aansluit bij de ontvankelijkheidseisen uit lid 2,3,5 en 6 die op basis van artikel 3:305a BW gaan gelden voor stichtingen en verenigingen met volledige rechtsbevoegdheid, die een rechtsvordering op basis van artikel 3:305a BW willen instellen. Net als voor de Consumentenbond kan worden verwacht dat deze organisaties in de regel aan de ontvankelijkheidseisen zullen voldoen. Het overlegvereiste van het vernummerde artikel 3:305a lid 3, onder c, (was 3:305a lid 2) en de bepaling dat de rechter partijen kan verplichten het vonnis openbaar te maken (thans 3:305a lid 4, was 3:305a lid 3), gelden ook al op dit moment en blijven van overeenkomstige toepassing op procedures die op basis van artikel 3:305c worden gestart. Ten slotte wordt ook de eis om een register in te richten van overeenkomstige toepassing verklaard, zodat andere consumentenorganisaties eveneens de mogelijkheid krijgen om zich te melden (3:305a lid 7).

Artikel 3:305d BW

Dit artikel regelt dat stichtingen of verenigingen met volledige rechtsbevoegdheid die krachtens de statuten tot taak hebben het behartigen van collectieve belangen van consumenten, het gerechtshof Den Haag onder meer kunnen verzoeken te bevelen om inbreuken op een aantal van de meest belangrijke wettelijke bepalingen die de consumenten beschermen, onverwijld te doen staken. Het gaat om de beschermende bepalingen die staan opgesomd in onderdeel a van de bijlage bij de Wet handhaving consumentenrechten. Bij een dergelijke vordering moet de twee weken-overlegtermijn uit het vernummerde artikel 3:305a BW, lid 3, onderdeel c, (was 3:305a lid 2) van toepassing blijven.

ARTIKEL II

Titel 14A, derde Boek Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering

Inleiding

Met Titel 14A wordt aan het derde Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Van rechtspleging van onderscheiden aard) een nieuwe titel toegevoegd voor de rechtspleging in zaken betreffende een collectieve actie of een collectieve schadevergoedingsactie. In artikel 3:305a BW wordt geregeld wie een collectieve vordering kan instellen en onder welke voorwaarden. Titel 14A regelt hoe deze vordering moet worden ingesteld en afgewikkeld. De collectieve actie en de collectieve schadevergoedingsactie zijn vorderingsprocedures. De algemene bepalingen uit de eerste titel van het eerste Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en de bepalingen voor vorderingsprocedures uit de tweede titel van het eerste Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zijn daarmee in beginsel van toepassing op collectieve acties. Titel 14A bevat daarnaast een aantal bijzondere voorschriften voor collectieve acties om recht te doen aan de collectieve aard van de procedure. Doel van Titel 14A is om ook een massazaak op een effectieve en efficiënte wijze te kunnen afwikkelen.

In het voorontwerp bevatte Titel 14A een verzoekprocedure die in een aantal stappen was opgedeeld. Elke stap eindigde met een door de rechter gestelde termijn om partijen een vaststellingsovereenkomst te laten bereiken. De procedure ging uit van binding van gedupeerden op basis van opt in aan het einde van de procedure maar vóór het geven van een uitspraak. In de consultatie is hierop de kritiek gekomen dat de procedure te complex was, uit teveel stappen bestond en op teveel momenten een pauze inbouwde om partijen tot schikken te bewegen. Ook bleek uit veel reacties dat de procedure onvoldoende gericht was op het bereiken op finaliteit. In het verlengde daarvan werd in veel reacties opgemerkt dat schikkingsbereidheid van aangesproken partijen er pas is als deze partijen zicht hebben op zoveel mogelijk finaliteit. Voorts werd van verschillende kanten gepleit voor een vorm van lead plaintiff, zoals in de Verenigde Staten in class actions gebruikelijk is. Ook tijdens de stakeholderbijeenkomsten werd een brede behoefte aan een meer gecoördineerde afwikkeling van collectieve vorderingen uitgesproken. Ten slotte concludeerden stakeholders over de hele linie dat de ingewikkeldheid van de procedure in de weg stond aan een efficiënte en effectieve afwikkeling van massaschade en dat het doel van de motie Dijksma en van het wetsvoorstel zo niet kon worden bereikt.

De Juristengroep beveelt aan om bij de inrichting van het wetsvoorstel zo min mogelijk onderscheid te maken tussen een collectieve actie en een collectieve schadevergoedingsactie. De ontvankelijkheidseisen van artikel 3:305a BW en de bijzondere procedurevoorschriften van Titel 14A moeten volgens de Juristengroep in beginsel gelden voor elke collectieve actie, ongeacht of daarin schadevergoeding wordt gevorderd of niet. Achtergrond hiervan is dat veel collectieve acties waarin uitsluitend een verklaring voor recht wordt gevraagd een opmaat (kunnen) zijn voor een (collectieve) schadevergoedingsactie. Als voor de collectieve actie waarin uitsluitend een verklaring voor recht wordt gevorderd, geen nadere (ontvankelijkheids)eisen en procedurevoorschriften gaan gelden, kan hier nog steeds een veelheid aan collectieve acties worden ingesteld voor dezelfde gebeurtenis of gebeurtenissen. Dit staat in de weg aan een efficiënte en effectieve afwikkeling en het bereiken van finaliteit. Alleen door voor beide soorten acties dezelfde eisen en voorschriften te laten gelden, wordt daadwerkelijke stroomlijning mogelijk. Zoals toegelicht bij artikel 3:305a lid 6 BW gelden deze (ontvankelijkheids)eisen niet voor de daargenoemde collectieve acties.

Met het oog op een efficiënte procedure beveelt de Juristengroep in Aanbeveling 2 aan «dat de rechter in een collectieve actie de mogelijkheid krijgt een Exclusieve Belangenbehartiger aan te wijzen.» Daartoe moet van elke collectieve actie in een landelijk register aantekening worden gehouden. Andere geïnteresseerde belangenorganisaties krijgen de kans om binnen een bepaalde termijn bij een daartoe aangewezen rechtbank een collectieve vordering aanhangig te maken die betrekking heeft op dezelfde gebeurtenis of gebeurtenissen en op gelijksoortige rechts- en feitelijke vragen. De Juristengroep beveelt aan dat als geen andere belangenorganisaties zich melden, de procedure bij de oorspronkelijke rechtbank kan worden voortgezet. Melden zich wel een of meer andere belangenorganisaties met hun collectieve vordering, dan moet de rechter van de daartoe aangewezen rechtbank uit hun midden de meest geschikte aanwijzen als Exclusieve Belangenbehartiger. De Juristengroep beveelt aan dat deze moet voldoen aan alle ontvankelijkheidseisen van artikel 3:305a BW en dat de rechter daarnaast let op het aantal gedupeerden voor wie de organisatie zegt op te komen en het door hen vertegenwoordigde financiële belang alsmede andere werkzaamheden in of buiten rechte voor deze gedupeerden en haar ervaring. Een aangewezen Exclusieve Belangenbehartiger is met uitsluiting van anderen bevoegd om de collectieve procedure te voeren over de collectieve vordering in kwestie. Wel beveelt de Juristengroep aan dat de rechter, als daartoe aanleiding bestaat, ook andere exclusieve belangenbehartigers kan aanwijzen (als co- of sub-Exclusieve Belangenbehartiger) en niet aangewezen belangenbehartigers zo nodig in de procedure kan horen. Door sommige stakeholders is in dit verband aandacht gevraagd voor de verschillende achterbannen van verschillende belangenorganisaties en voor de last die het zijn van Exclusieve Belangenbehartiger meebrengt. Daarbij kwam aan de orde dat moet worden nagedacht over de wijze waarop kan worden gewaarborgd dat de (financiële) lasten van het zijn van Exclusieve Belangenbehartiger voor een organisatie ook te dragen zijn.

De Juristengroep acht concentratie van collectieve actie procedures noodzakelijk op het moment dat zich voor dezelfde gebeurtenis meer belangenorganisaties melden met een collectieve vordering. De aanwijzing van een Exclusieve Belangenbehartiger en de verdere afhandeling van de collectieve vordering na die aanwijzing kunnen in de ogen van de Juristengroep het beste door een gespecialiseerde rechter op een plek in Nederland worden afgewikkeld. Omdat in de reacties op de consultatie ook op de voorgestelde concentratie in het voorontwerp kritiek was gekomen en om recht te kunnen doen aan het lokale of regionale karakter van gebeurtenissen die ten grondslag liggen aan een collectieve vordering beveelt de Juristengroep aan dat de daartoe aangewezen rechtbank de collectieve vordering ook op een andere locatie kan afdoen als daartoe aanleiding bestaat.

Om meer finaliteit te kunnen bereiken doet de Juristengroep in Aanbeveling 3 een aanbeveling voor een andere wijze van binding van gedupeerden in de procedure dan in het voorontwerp. De Juristengroep beveelt aan «dat er nadere eisen worden gesteld aan de binding van gedupeerden, zodat een verweerder niet onevenredig wordt belast met een veelheid aan individuele en collectieve procedures over dezelfde schadeveroorzakende gebeurtenis en gedupeerden een duidelijk keuzemoment hebben om al dan niet mee te doen aan de collectieve actie». Ter uitwerking van deze Aanbeveling beveelt de Juristengroep aan dat de Exclusieve belangenbehartiger opkomt voor de hele groep van gedupeerden, behalve voor hen die na aanwijzing van de Exclusieve Belangenbehartiger individueel hebben aangegeven niet aan de collectieve procedure te willen deelnemen (opt out). Voor gedupeerden die niet hebben ge-optout, is de procedure en de uitspraak van de rechter daarin bindend. Gedupeerden die zich hebben onttrokken aan de behartiging van hun belangen in de collectieve procedure kunnen niet meer via een collectieve actie hun recht geldend maken, maar wel via een individuele procedure, zo nodig op basis van volmacht. De Juristengroep beveelt daarnaast aan dat de rechter een eventuele schikking tussen de Exclusieve Belangenbehartiger en de aangesproken partij moet goedkeuren op vergelijkbare wijze als onder de WCAM, waarbij gedupeerden die niet hebben ge-optout hun bezwaren tegen de schikking kenbaar mogen maken. Gedupeerden moeten zich ook aan een goedgekeurde schikking kunnen onttrekken via een opt-outverklaring. Ook beveelt de Juristengroep aan om een regeling voor (de gevolgen van) collectieve stuiting en voor schorsing en hervatting van individuele procedures op te nemen in het wetsvoorstel.

Om tegemoet te komen aan de kritiek dat de procedure in het voorontwerp te ingewikkeld is, heeft de Juristengroep in haar Aanbeveling 5 geadviseerd dat «de collectieve schadevergoedingsprocedure aanzienlijk wordt versimpeld ten opzichte van het voorontwerp». Zij beveelt aan om uit te gaan van een vorderingsprocedure in plaats van een verzoekprocedure, ook voor een collectieve schadevergoedingsactie, omdat zij meent dat dit meer aansluit bij de aard van een collectieve actie. Ook beveelt de Juristengroep aan dat slechts op één moment in de procedure, namelijk na aanwijzing van een Exclusieve Belangenbehartiger, een termijn voor het bereiken van een vaststellingsovereenkomst wordt gegeven. Daarnaast beveelt de Juristengroep aan dat de uitspraak waarbij een collectieve schadevergoeding wordt vastgesteld, niet het eindvonnis is, maar een tussenvonnis. Pas als de collectieve schadeafwikkeling is voltooid, zou dan het eindvonnis moeten worden gewezen. De uitspraak moet volgens de Juristengroep onherroepelijk zijn voordat hierop door gedupeerden een beroep kan worden gedaan.

Ik heb ervoor gekozen om de Aanbevelingen van de Juristengroep zoveel mogelijk te volgen in het voorstel voor Titel 14A en slechts op een beperkt aantal punten af te wijken, waar ik dat in het kader van de goede rechtsbedeling noodzakelijk achtte. Dit betekent dat ik heb gekozen voor één procedure voor alle soorten collectieve acties op basis van 3:305a BW, ongeacht of deze acties strekken tot schadevergoeding in geld of alleen tot verkrijging van een verklaring voor recht of bijvoorbeeld een gebod of verbod. Een uitzondering geldt alleen op het punt van de ontvankelijkheidseisen voor de collectieve acties als bedoeld in 3:305a lid 6 BW. De procedure voor collectieve acties is de vorderingsprocedure, aangevuld met een aantal bijzondere voorschriften vanwege de aard van een collectieve vordering in een nieuwe Titel 14A. Een aantal van de belangrijkste aanvullende bepalingen ziet op de aanwijzing van één belangenorganisatie als de Exclusieve Belangenbehartiger voor een bepaalde collectieve vordering, met een mogelijkheid voor het aanwijzen van een of meer co- of sub-Exclusieve Belangenbehartigers. Ook is geregeld hoe gedupeerden zich van de behartiging van hun belangen in de procedure kunnen bevrijden. Daarnaast regelen enkele andere bepalingen dat een schikking tijdens de procedure door de rechter moet worden goedgekeurd en hoe de rechter tot vaststelling van een collectieve schadevergoeding kan komen. Ten slotte is geregeld dat individuele procedures onder bepaalde voorwaarden worden geschorst. Hierna licht ik de verschillende artikelen van deze titel afzonderlijk toe.

Artikel 1018b toepassingsgebied

Titel 14A bevat bepalingen voor de procedure in een collectieve actie. Artikel 1018b, lid 1, bepaalt daartoe dat de titel van toepassing is op procedures als bedoeld in artikel 3:305a en 3:305c BW. Dit zijn zowel de gewone collectieve acties als de collectieve schadevergoedingsacties en de vorderingen van buitenlandse consumentenorganisaties. Voor een toelichting op de redenen voor een regeling voor beide soorten collectieve acties van artikel 3:305a BW verwijs ik naar hetgeen ik hiervoor opmerkte over titel 14A en naar de inleiding op de artikelsgewijze toelichting bij titel 14A.

Voor het kort geding geldt een uitzondering ingevolge de slotzin van lid 1. Uitgangspunt in kort geding is dat de kortgedingrechter beoordeelt in hoeverre regels van materieel recht en procesrecht toepassing kunnen krijgen. Een collectieve vordering in kort geding leent zich uiteraard niet voor een regime waarbij de zaak gedurende drie maanden wordt aangehouden om andere belangenorganisaties in staat te stellen hun collectieve vordering voor dezelfde gebeurtenis over gelijksoortige feitelijke en rechtsvragen in te dienen. De spoedeisendheid van een vordering in kort geding vereist dat deze ook met spoed kan worden afgewikkeld. Dit geldt ook als het een collectieve vordering betreft. Wel gelden ook in kort geding in beginsel de ontvankelijkheidseisen van artikel 3:305a BW. Ook dient de procesinleiding de aanvullende gegevens van artikel 1018c, eerste lid, te bevatten. De regel van de relatieve bevoegdheid van de rechtbank Amsterdam (artikel 1018b lid 3) is voor collectieve acties in kort geding niet van toepassing verklaard. Een voorziening in kort geding moet worden gevraagd bij de voorzieningenrechter en niet de (civiele kamer van de) rechtbank. Ook kan de voorziening in kort geding worden gevraagd bij de voorzieningenrechter van de plaats waar de voorziening moet worden getroffen. Hiervoor kunnen goede redenen zijn. Er is daarom geen reden om voor een collectieve actie in kort geding de relatieve bevoegdheidsregel van het derde lid van toepassing te verklaren.

Lid 2 van artikel 1018b maakt duidelijk dat op collectieve vorderingen de regels van de vorderingsprocedure van toepassing zijn. Strikt genomen volgt dit al uit het feit dat artikel 3:305a BW in lid 1 verwijst naar «de rechtsvordering». Volgens de KEI-wetgeving volgen alle zaken die zijn aangeduid als vordering de vorderingsprocedure en zaken die zijn aangeduid als verzoek de verzoekprocedure. Omdat titel 14a bijzondere procedurevoorschriften bevat voor procedures inzake collectieve acties, heb ik ervoor gekozen in lid 2 toch de regels van de vorderingsprocedure expliciet van toepassing te verklaren.

Lid 3 regelt de concentratie van collectieve acties bij de civiele kamer van de rechtbank Amsterdam. De reacties op het voorontwerp waren verdeeld over de vraag of het wenselijk is om de rechtspraak over collectieve schadevergoedingsacties te concentreren. In het voorontwerp was voorzien in concentratie van collectieve schadevergoedingsacties bij de rechtbank Den Haag of Midden-Nederland. Wel bleven alle ingestelde collectieve schadevorderingen over dezelfde gebeurtenis afzonderlijke zaken die gevoegd werden behandeld. De Raad voor de rechtspraak en de Adviescommissie waren geen voorstander van deze concentratie. Zij achtten van belang dat juist massazaken zo nodig lokaal kunnen worden afgedaan en meenden dat voldoende coördinatie van te voegen zaken mogelijk was zonder concentratie. Ook vonden zij de toelichting op dit punt te mager. Andere stakeholders zagen wel het belang van een geconcentreerde afwikkeling van collectieve (schadevergoedings)acties. De Aanbevelingen gaan uit van concentratie bij de rechtbank Amsterdam op het moment dat er meer belangenbehartigers voor dezelfde gebeurtenis een vordering over soortgelijke feitelijke en rechtsvragen instellen. Met de Juristengroep deel ik de gedachte dat daarvoor het centraal indienen van collectieve vorderingen voor deze gebeurtenis wenselijk is. Anders dan in het voorontwerp, gaat het voorstel uit van het behandelen van alle collectieve vorderingen over dezelfde gebeurtenis als één zaak. Het behandelen als één zaak is zonder concentratie niet goed te bereiken. Anders dan in het voorontwerp, heb ik ervoor gekozen om voor dit soort zaken de rechtbank Amsterdam aan te wijzen. Mijn verwachting is dat zich per jaar slechts een beperkt aantal zaken zal voordoen. Specialisatie in dit soort zaken, bijvoorbeeld op het punt van het aanwijzen van een Exclusieve Belangenbehartiger, acht ik gewenst. In de Aanbevelingen gaat de Juristengroep ervan uit dat de oorspronkelijke collectieve actie kan worden ingesteld bij de rechter die volgens de gewone bevoegdheidsregels daarvoor bevoegd is. Alleen als binnen de daarvoor gestelde termijn (zie artikel 1018d, lid 1) een andere belangenorganisatie een collectieve vordering in wil stellen, zou hij dit bij de rechtbank Amsterdam moeten doen. In dat geval zou ook de oorspronkelijke zaak daarnaar worden verwezen. Alleen de collectieve acties waarvoor geen enkele andere belangenorganisatie zich meldt, zouden dan nog bij elk van de gerechten kunnen worden aangebracht en afgedaan. Anders dan in het voorontwerp, is het doel van concentratie in dit voorstel het als één zaak afwikkelen van de collectieve vordering voor een bepaalde gebeurtenis door aanwijzing van een Exclusieve Belangenbehartiger. Ook als geen andere representatieve belangenorganisatie zich meldt, leidt de procedure in de collectieve actie tot gebondenheid aan de uitkomst van alle personen voor wie wordt opgekomen, tenzij zij hebben ge-optout. Er is geen goede rechtvaardiging voor onderscheid tussen zaken waarvoor zich slechts een belangenorganisatie heeft gemeld en zaken en zaken waarin dit er twee of meer zijn. Ik heb er daarom voor gekozen dat alle collectieve acties bij de rechtbank Amsterdam moeten worden ingesteld.

Zonder concentratie zou denkbaar zijn om ook eventuele andere collectieve vorderingen voor dezelfde gebeurtenis te laten instellen bij het gerecht waar de eerst ingestelde collectieve vordering ingevolge de gewone bevoegdheidsregels aanhangig is gemaakt. Dit zou echter leiden tot willekeur en degene die als eerste zijn collectieve vordering heeft ingesteld, bevoordelen ten opzichte van degenen die na hem komen. Het systeem van een Exclusieve Belangenbehartiger die via rechterlijke selectie wordt aangewezen is erop gericht een rush to the court te voorkomen. Alle belangenorganisaties die voor dezelfde gebeurtenis tijdig hun collectieve vordering indienen, maken een op voorhand gelijke kans om als Exclusieve Belangenbehartiger te worden aangewezen. De keuze voor de rechtbank Amsterdam leidt tot maximale coördinatie en voor een neutrale en centrale plek voor het proces van selectie en de verdere behandeling van de collectieve vordering.

Een van de naar voren gebrachte bezwaren tegen de in het voorontwerp voorgestelde concentratie betrof de soms lokale of regionale aard van de collectieve vordering. Die zou vereisen dat collectieve vorderingen in dat geval zoveel mogelijk lokaal of regionaal worden afgedaan. Ik deel dit bezwaar. Om hieraan tegemoet te komen is in artikel 1018e lid 2 (slot) bepaald dat de rechter kan bepalen dat een zaak vanwege het plaatsgebonden karakter ervan bij een ander gerecht moet worden afgedaan. Zie ook de toelichting op die bepaling.

De slotzin van lid 3 verklaart artikel 93 buiten toepassing voor collectieve acties. Dit betekent dat een collectieve vordering over een zaak als bedoeld in artikel 93, die normaal gesproken bij de kantonrechter zou moeten worden ingesteld, ingevolge het derde lid bij de rechtbank (civiele kamer) moet worden ingesteld. Collectieve vorderingen inzake bijv. huurkoop of waarbij een collectieve schadevergoeding van minder dan € 25.000 wordt gevorderd, komen dan dus niet terecht bij de kantonrechter maar bij de civiele kamer van de rechtbank. De Juristengroep heeft in haar Aanbevelingen over dit punt niets opgemerkt. De redenen om voor alle collectieve acties te kiezen voor de civiele kamer van de rechtbank zijn meervoudig. Allereerst is de hele opzet van titel 14A gericht op een zo goed mogelijke coördinatie van massazaken. De procedure met een aanwijzing van een Exclusieve Belangenbehartiger is per definitie omvangrijker dan een standaardprocedure, laat staan dan een standaard kantonprocedure. Verwacht mag worden dat deze zaken meervoudig zullen worden behandeld. Meervoudige behandeling in kantonzaken kan alleen door verwijzing naar de meervoudige civiele kamer van de rechtbank met toepassing van artikel 15 lid 2 (vgl. artikel 98). Het buiten toepassing verklaren van artikel 93 voor collectieve acties sluit daarmee aan bij het systeem van Rechtsvordering. Een afzonderlijk argument voor buiten toepassing verklaring van artikel 93 is nog dat anders de gecoördineerde behandeling van alle collectieve vorderingen voor één gebeurtenis in gevaar komt. Zonder de tweede zin van lid 3 zou zich de situatie kunnen voordoen dat de ene belangenorganisatie zijn collectieve vordering baseert op huurkoop en deze instelt bij de kantonrechter terwijl een andere belangenorganisatie zich baseert op onrechtmatige daad en zijn collectieve vordering instelt bij de civiele kamer van de rechtbank. Dit maakt het administreren als één zaak op voorhand onmogelijk. Ook om dergelijke situaties te voorkomen is ervoor gekozen de civiele kamer van de rechtbank aan te wijzen voor de behandeling en beslissing van alle collectieve acties, ongeacht of het een kantonzaak betreft. Een verschillende rechtsgrondslag betekent niet automatisch dat niet langer sprake is van dezelfde gebeurtenis. Zie ook de toelichting op artikel 1018d lid 1.

Artikel 1018c procesinleiding, register en ontvankelijkheid

Artikel 1018c regelt de aanvang van een collectieve actie en de ontvankelijkheid van de eiser in een collectieve actie. Op het aanhangig maken van de procedure zijn uiteraard de algemene regels van de eerste en tweede titel van het eerste Boek van toepassing. De regels over de procesinleiding en de indiening ervan, zoals gewijzigd in onder meer artikel 30a KEI, gelden onverkort voor het indienen van een procesinleiding voor een collectieve actie. Artikel 1018c bevat daarnaast een aantal bijzondere voorschriften voor procedures inzake collectieve acties. Deze voorschriften zien op aanvullende eisen voor de informatie die de eiser in de procesinleiding op moet nemen en op een centraal register voor collectieve acties, zodat ook andere belangenorganisaties op de hoogte zijn van een ingediende collectieve vordering en zich kunnen melden om als Exclusieve Belangenbehartiger te worden aangewezen (artikel 1018d en 1018e).

Lid 1 schrijft voor dat de procesinleiding, naast de informatie van artikel 30a, derde lid, expliciet informatie bevat over de gebeurtenis of gebeurtenissen waarop de collectieve vordering betrekking heeft (sub a), de personen tot bescherming van wier belangen de collectieve vordering strekt (sub b), de mate waarin de feitelijke en rechtsvragen gemeenschappelijk zijn (sub c) en de wijze waarop aan de ontvankelijkheidseisen van het eerste tot en met het derde lid van artikel 3:305a BW is voldaan, dan wel de gronden op basis waarvan het zevende lid van toepassing zou zijn (sub d). Deze informatie stelt de rechter in staat om te beoordelen of de vordering zich leent voor een collectieve actie en of de eiser voldoet aan de eisen voor ontvankelijkheid die artikel 3:305a BW daaraan stelt (zie ook de toelichting op dat artikel).

Het vereiste sub e houdt in dat de eiser in zijn procesinleiding ook de gegevens moet vermelden die de rechter in staat stellen om voor de collectieve vordering een Exclusieve Belangenbehartiger aan te wijzen, voor het geval andere collectieve vorderingen voor dezelfde gebeurtenis overeenkomstig artikel 1018d worden ingesteld. Dit vereiste geldt voor elke belangenorganisatie die een collectieve vordering instelt. Het betekent dat in het geval er meer collectieve vorderingen voor dezelfde gebeurtenis worden ingesteld, elke belangenorganisatie kàn worden aangewezen als Exclusieve Belangenbehartiger op te treden voor alle personen die geraakt worden door de gebeurtenis en voor wie gelijksoortige feitelijke en rechtsvragen beantwoord moeten worden. In de Aanbevelingen is opgenomen dat denkbaar is dat een organisatie als sub- of co-Exclusieve Belangenbehartiger wordt aangewezen als de aard van de collectieve vordering en de daardoor getroffen personen daartoe aanleiding geeft. Een sub-Exclusieve Belangenbehartiger is bijvoorbeeld denkbaar als het gaat om een organisatie met een heel specifieke achterban wiens belangen niet op alle fronten geheel parallel lopen met die van de rest van de getroffen personen. Ik ga ervan uit dat een belangenbehartiger bij het indienen van zijn collectieve vordering ingevolge dit artikel kan aangeven als hij meent bij uitstek geschikt te zijn om als sub-, co- of gewone Exclusieve Belangenbehartiger te worden aangewezen. Een reden kan bijvoorbeeld zijn dat een partij ook in andere situaties voor de belangen van de getroffen gedupeerden opkomt, dat de grootste groep gedupeerden zich bij deze organisatie heeft aangesloten of dat de organisatie veel middelen heeft geïnvesteerd in de juridische voorbereiding van de zaak. Zie ook verder de toelichting op artikel 1018e. Een andere mogelijkheid is de bundeling van krachten van verschillende belangenorganisaties. Denkbaar is dat zij ervoor kiezen om gezamenlijk, via een gezamenlijke rechtspersoon als bedoeld in artikel 3:305a BW, mee te dingen naar de positie van Exclusieve Belangenbehartiger. Het kan zijn dat zij hopen daardoor meer kans te maken, gezien de daardoor grotere omvang van hun gezamenlijke achterban en het door die gezamenlijke achterban vertegenwoordigde financiële belang. Ook kunnen zij op deze manier de financiële en andere lasten die het zijn van Exclusieve Belangenbehartiger meebrengt, samen delen. Zolang de organisatie die de collectieve vordering indient, voldoet aan alle ontvankelijkheidseisen van artikel 3:305a BW, zijn er geen belemmeringen voor dit soort samenwerkingsverbanden.

Lid 2 van artikel 1018c regelt dat de eiser op straffe van niet ontvankelijkheid binnen twee dagen na indiening van zijn procesinleiding daarvan een aantekening maakt in het centrale register voor collectieve acties. Het bestaan van dit nieuw in te richten register wordt geregeld in artikel 3:305a lid 7 BW, zie ook de toelichting op die bepaling. Doel is dat centraal wordt bijgehouden welke collectieve acties aanhangig worden gemaakt en dat deze voor geïnteresseerden eenvoudig terug te vinden zijn. Het register moet eenvoudig raadpleegbaar zijn om andere belangenorganisaties in staat stellen te bepalen of zij voor een ingestelde collectieve vordering als Exclusieve Belangenbehartiger aangewezen willen worden en zelf ook een collectieve vordering voor dezelfde gebeurtenis willen instellen. Om andere belangenorganisaties een goede afweging te kunnen laten maken, wordt bij de aantekening van de ingediende collectieve vordering ook een uittreksel van de ingediende procesinleiding gevoegd. Daaruit kan worden afgeleid waartoe de collectieve vordering strekt, op welke feitelijke stellingen deze is gebaseerd, de namen van de eiser en de verweerder en een zo nauwkeurig mogelijke omschrijving van de personen tot bescherming van wier belangen de collectieve vordering strekt. De mogelijkheid om de ingediende procesinleiding te raadplegen werd ook door de Juristengroep van belang geacht (Aanbeveling 2, p. 6, tweede punt) om te zorgen dat eventuele andere belangenorganisaties kunnen beoordelen of zij het nodig vinden zelf een collectieve vordering aanhangig te maken voor dezelfde gebeurtenis, bijvoorbeeld omdat de collectieve vordering gebaseerd is op een onrechtmatige daad terwijl zij menen dat evengoed of beter wanprestatie of onverschuldigde betaling als grondslag kan worden gekozen, of menen dat de belangen van hun achterban onvoldoende met de eerder ingediende collectieve vordering zijn gedekt. Om het doel van een efficiënte en effectieve afwikkeling van collectieve vorderingen te kunnen bereiken is het belangrijk dat elke ingestelde collectieve vordering daadwerkelijk in het centrale register terechtkomt. Alleen zo kan een gecoördineerde afwikkeling worden gewaarborgd en kunnen andere belangenorganisaties daadwerkelijk de kans krijgen voor dezelfde gebeurtenis over soortgelijke feitelijke en rechtsvragen ook een collectieve vordering in te stellen. Dit rechtvaardigt dat de verplichting van de eiser om binnen twee dagen na indiening van zijn procesinleiding de aantekening in het register te maken, geldt op straffe van niet ontvankelijkheid van eiser in zijn collectieve vordering. Om zeker te stellen dat andere geïnteresseerde belangenorganisaties daadwerkelijk op de hoogte raken van een aantekening in het centrale register, zal het register eenvoudig online raadpleegbaar worden.

Lid 3 regelt dat de collectieve actie na aantekening in het register komt stil te liggen gedurende een periode van drie maanden. Daartoe houdt de rechter de zaak aan. Of de aantekening (tijdig) is gemaakt, kan de griffie eenvoudig controleren door raadpleging van het centrale register. Is de aantekening niet gemaakt, dan kan de rechter de eiser niet ontvankelijk verklaren in zijn vordering. Tijdens de periode van aanhouding worden geen proceshandelingen verricht. De verweerder kan in de tussenliggende periode wel gewoon verschijnen in de procedure binnen de termijn ingevolge de procesinleiding (artikel 30a, derde lid, onder c, KEI). De periode van aanhouding is bedoeld om andere belangenorganisaties in staat te stellen een collectieve vordering voor dezelfde gebeurtenis over gelijksoortige feitelijke en rechtsvragen in te stellen, zie ook de toelichting op artikel 1018d. Zij dienen dit binnen de termijn van drie maanden kenbaar te maken door het instellen van hun collectieve vordering. In dat geval wijst de rechter na het verstrijken van de termijn hiervoor uit de verschillende belangenbehartigers de meest geschikte belangenbehartiger aan als Exclusieve Belangenbehartiger voor de collectieve vordering. Zijn er geen andere belangenbehartigers die zich binnen de termijn met hun collectieve vordering hebben gemeld, dan wordt de behandeling van de zaak na het verstrijken van de termijn voor aanhouding hervat in de stand waarin zij zich bevindt.

Lid 4 bevat een bepaling over het oproepingsbericht van de griffier in de aanhangig gemaakte zaak over de collectieve vordering. Omdat de collectieve vordering na indiening in het centrale register wordt opgenomen en de zaak vervolgens wordt aangehouden voor drie maanden (of maximaal zes, in geval van verlenging), kunnen voor de verweerder niet de gewone termijnen voor verweer gelden. Die gewone termijnen voor verweer zijn opgenomen in artikel 111, tweede lid, onder c. Daarin is bepaald dat de griffier in zijn oproepingsbericht melding maakt van de dag waarop de verweerder zich ten laatste kan verweren en dat deze dag ten laatste ligt in kantonzaken vier weken na verschijning van de verweerder in de procedure en in andere zaken zes weken na die verschijning. Deze bepaling levert problemen op als de verweerder hierdoor tijdens de periode van aanhouding zijn verweer zou moeten indienen. Als zich immers ook anderen melden als belangenbehartiger voor een collectieve vordering voor dezelfde gebeurtenis, zou de verweerder ervoor moeten kunnen kiezen om zich in één verweerschrift tegen de collectieve vordering van elk van de belangenbehartigers te verweren. Bovendien moet de verweerder ervan op de hoogte worden gebracht dat de eiser van zijn ingediende procesinleiding aantekening moet maken in het centrale register en dat daarmee een termijn is gaan lopen voor andere belangenbehartigers om voor dezelfde gebeurtenis een collectieve vordering over gelijksoortige feitelijke en rechtsvragen in te dienen. In lid 4 van artikel 1018c is daarom bepaald dat de griffier in het oproepingsbericht naast de gegevens bedoeld in artikel 111, tweede lid, de verplichting van de eiser vermeld om van de collectieve vordering aantekening te maken in het daartoe bestemde register en wat daarvan de gevolgen zijn. Daarnaast is bepaald dat in afwijking van artikel 111, de termijn voor verweer zes weken na het verstrijken van de termijn van drie maanden (of bij verlenging zes maanden) ligt. De verweerder mag met andere woorden afwachten tot de termijn voor andere belangenbehartigers om voor deze gebeurtenis nog een collectieve vordering over gelijksoortige feitelijke en rechtsvragen in te dienen, is verstreken. Dit kan betekenen dat de termijn voor het verschijnen in de procedure voor de verweerder wordt vervroegd. Dit is het geval als de termijn voor verschijning in de procedure ingevolge artikel 30a, derde lid, onder c, op het maximum van zes maanden na indiening van de vordering respectievelijk betekening van de procesinleiding is gesteld en de termijn van drie maanden na aantekening in het register niet is verlengd. De verweerder moet dan binnen zes weken na het verstrijken van de drie maanden termijn zijn verweerschrift indienen voor alle collectieve acties. Ingevolge artikel 111, tweede lid, onder c, zou de verweerder pas zes weken na zijn verschijning in de procedure (maximaal zes maanden na indiening van de vordering resp. na betekening van de procesinleiding ingevolge artikel 113) een verweerschrift hebben moeten indienen.

Lid 5 van artikel 1018c zorgt ervoor dat de rechter eerst beslist over de ontvankelijkheid en pas daarna de collectieve vordering inhoudelijk behandelt (Aanbeveling 1, p. 5 bovenaan), vgl. artikel 30j KEI. Doel van deze bepaling is om een lang en kostbaar debat over de inhoudelijke collectieve vordering te voorkomen in gevallen dat de collectieve vordering toch niet tot toewijzing kan leiden. De rechter toetst dus zo nodig ambtshalve of zich een van de gronden a tot en met c voordoet. Dit kan het geval zijn als de belangenbehartigende organisatie niet voldoet aan de ontvankelijkheidseisen van artikel 3:305a BW (sub a) of als het instellen van een collectieve vordering niet efficiënter en effectiever is dan een individuele vordering (sub b) of omdat de collectieve vordering summierlijk ondeugdelijk blijkt te zijn (sub c). De toets of het voeren van deze collectieve vordering efficiënter en effectiever is dan het instellen van een individuele vordering (sub b) zorgt ervoor dat voorafgaand aan de inhoudelijke behandeling wordt bekeken of de afwikkeling als collectieve procedure wel een meerwaarde heeft. Doel van de procedure in het wetsvoorstel is dat massazaken op een efficiëntere en effectievere manier collectief kunnen worden afgewikkeld dan thans het geval is. Dat kan alleen als in de procedure de te beantwoorden feitelijke en rechtsvragen in voldoende mate gemeenschappelijk zijn. Als de in de procedure te beantwoorden vragen niet voldoende gemeenschappelijk zijn, is het ook niet efficiënter en effectiever om deze collectief af te doen. Ook moet het aantal personen tot bescherming van wier belangen de vordering strekt, voldoende zijn om behandeling in een collectieve procedure te rechtvaardigen en moet, indien de vordering strekt tot schadevergoeding, het vertegenwoordigde financieel belang hebben, voldoende groot zijn. Dit kan alleen van geval tot geval worden bepaald. De toets van summierlijk ondeugdelijkheid (sub c) is in het Nederlandse procesrecht alleen bekend in het beslagrecht. Artikel 705 bepaalt dat een beslag wordt opgeheven als summierlijk blijkt van de ondeugdelijkheid van de vordering waarvoor beslag is gelegd. De bepaling vertoont verwantschap met de in het Amerikaanse recht bekende motion to dismiss. Doel van de bepaling is om in uitzonderlijke gevallen een collectieve vordering al voor de inhoudelijke behandeling ervan van tafel te krijgen omdat deze niet deugt. Een voorbeeld zou kunnen zijn het geval dat een collectieve vordering wordt ingesteld voor de burgerlijke rechter terwijl overduidelijk is dat alleen de bestuursrechter over de vordering kan oordelen op basis van de regels voor de scheiding tussen de bestuursrechter en de burgerlijke rechter. In al deze gevallen a tot en met c acht ik het met de Juristengroep onwenselijk dat eerst de hele inhoudelijke behandeling van de vordering plaatsvindt, voordat de rechter alsnog tot niet ontvankelijkheid concludeert of de vordering als summierlijk ondeugdelijk afwijst. Ingevolge artikel 30q KEI geldt hiervoor in beginsel een beslistermijn van zes weken.

Het slot van lid 5 regelt dat de verweerder zijn verweer mag beperken tot de punten (a) tot en met (c). Zo wordt voorkomen dat de verweerder veel kosten maakt voor een uitvoerig inhoudelijk verweer tegen de collectieve vordering en de daarbij eventueel gevorderde schadevergoeding, terwijl de rechter daar niet aan toekomt omdat de zaak al daarvoor strandt op een van de sub (a) tot en met (c) genoemde punten in lid 5.

Lid 6 bevat een regeling voor het geval een tweede collectieve actie voor dezelfde gebeurtenis over gelijksoortige feitelijke en rechtsvragen wordt ingediend nà het aanhangig worden van een andere collectieve vordering hiervoor, maar voordat er een aantekening in het register is gemaakt en de termijn van drie maanden is aangevangen. Ook al bedraagt de termijn voor het maken van de aantekening maar twee dagen na indiening van de procesinleiding, in de praktijk kan zich toch voordoen dat binnen deze twee dagen een andere collectieve vordering voor dezelfde gebeurtenis over soortgelijke feitelijke en rechtsvragen wordt ingesteld. Om te voorkomen dat deze zaak niet meegaat in de behandeling van de collectieve vorderingen voor dezelfde gebeurtenis over gelijksoortige feitelijke en rechtsvragen, is nodig om hiervoor een regeling op te nemen. Daartoe bepaalt lid 6 dat deze zaak wordt gevoegd met de reeds ingediende collectieve vordering. Voor de hand ligt dat de verweerder hiertoe het initiatief neemt op het moment dat tegen hem een tweede collectieve vordering wordt ingediend.

Artikel 1018d Termijn andere collectieve vorderingen voor dezelfde gebeurtenis(sen)

Lid 1 van artikel 1018d regelt dat na indiening van een collectieve actie andere belangenorganisaties die voor dezelfde gebeurtenis met gelijksoortige feitelijke en rechtsvragen een collectieve vordering zouden willen instellen, hiervoor een termijn van drie maanden krijgen na aantekening van de eerst ingestelde vordering in het centrale register (behoudens een eventuele verlenging ingevolge lid 2). Ingevolge de algemene regel van artikel 1018b, derde lid, moeten deze collectieve vorderingen worden ingesteld bij de rechtbank Amsterdam, onder vermelding van de aantekening in het register. De bedoeling is om voor eenzelfde gebeurtenis die voor een grote groep van personen gevolgen heeft, deze gevolgen zoveel mogelijk in één zaak af te wikkelen. Dit geldt ongeacht of het gaat om een collectieve vordering tot schadevergoeding in geld of om een andere collectieve vordering op basis van artikel 3:305a BW. Door deze bepaling worden andere potentiële belangenorganisaties voor een collectieve vordering ten aanzien van deze gebeurtenis gedwongen te bepalen waarom zij geschikt zijn om voor deze gebeurtenis in rechte op te komen met een collectieve vordering. Het is aan de rechter om te bepalen welke eiser hij het meest geschikt acht voor deze collectieve vordering als Exclusieve Belangenbehartiger op te treden. Hij is daarbij niet gebonden aan de wensen van de diverse eisers, zie ook de toelichting op artikel 1018e, eerste lid.

Het instellen van een collectieve vordering ingevolge lid 1 kan alleen door een rechtspersoon als bedoeld in artikel 3:305a BW. Elke indiener moet dus voldoen aan de ontvankelijkheidseisen die daar zijn opgenomen, zie ook de toelichting op de wijziging van artikel 3:305a BW. Daarnaast is vereist dat het gaat om een collectieve vordering voor dezelfde gebeurtenis of gebeurtenissen. Gaat het om bijvoorbeeld misleidende informatie van een bedrijf, dan kan deze misleiding gevolgen hebben voor zowel beleggers (door een koersdaling) als voor consumenten (door bijvoorbeeld niet-waargemaakte claims t.a.v. een product). In beginsel is hier sprake van dezelfde gebeurtenis, ook al heeft deze gebeurtenis verschillende gevolgen voor verschillende groepen personen. Ook moet het gaan om gelijksoortige feitelijke en rechtsvragen. In het genoemde voorbeeld is de vraag welke feitelijke informatie het bedrijf naar buiten heeft gebracht voor de verschillende soorten vorderingen van verschillende soorten gedupeerden in beginsel gelijk. De vraag of hierbij sprake is van misleidende informatie is een rechtsvraag die mogelijk verschillend wordt ingevuld, afhankelijk van de vraag of het gaat om een vordering wegens misleidende koersinformatie of wegens een oneerlijke handelspraktijk. Dit staat op zichzelf niet in de weg aan voldoende gelijksoortigheid. Het hoeft dus niet te gaan om precies dezelfde vordering. Als bijvoorbeeld de oorspronkelijke collectieve vordering gebaseerd is op wanprestatie, dan kan een andere belangenorganisatie ervoor kiezen voor dezelfde gebeurtenis een collectieve vordering in te dienen die is gebaseerd op onrechtmatige daad of onverschuldigde betaling, als zij meent dat dit de meer geëigende grondslag is. Waar het om gaat is of de collectieve vorderingen voldoende betrekking hebben op gelijksoortige feitelijke en rechtsvragen voor dezelfde gebeurtenis, zodat het de voorkeur heeft deze als één zaak af te wikkelen.

In zijn collectieve vordering moet de eiser de aantekening in het register vermelden. Deze vermelding is nodig om de collectieve vordering te kunnen verbinden aan de reeds ingediende collectieve vordering waarvan de eiser in de eerst ingestelde collectieve vordering aantekening in het register heeft gemaakt. Zo kan de griffie terstond na indiening vaststellen dat de collectieve vordering is ingediend in het kader van artikel 1018d en zorgen dat deze afzonderlijk wordt geadministreerd met het oog op de aanwijzing van een Exclusieve Belangenbehartiger.

Ingevolge de slotzin van lid 1 is artikel 1018c, eerste lid, van toepassing op het instellen van eventuele andere collectieve vorderingen voor dezelfde gebeurtenis. Dit brengt mee dat de procesinleidingen voor deze vorderingen moeten voldoen aan alle daar gestelde eisen. Zie ook de toelichting op dat artikel.

Lid 2 van artikel 1018d bepaalt dat de termijn waarbinnen andere belangenorganisaties voor dezelfde gebeurtenis een collectieve vordering kunnen instellen, kan worden verlengd met maximaal drie maanden. Voorwaarde voor verlenging is dat een belangenorganisatie al wel heeft gemeld dat hij een collectieve vordering voor dezelfde gebeurtenis wil instellen, maar dat de termijn van drie maanden voor hem niet volstaat. Deze melding moet hij doen ter griffie binnen een maand na de aantekening in het register en onder vermelding van de aantekening. De termijn van drie maanden in lid 1 is gekozen om geïnteresseerde andere belangenorganisaties in staat te stellen om hun eigen collectieve vordering voor dezelfde gebeurtenis voor te bereiden en in te dienen. Het kan voorkomen dat vanwege de aard van de collectieve vordering of vanwege het samenwerkingsverband dat organisaties willen aangaan om een gezamenlijke collectieve vordering in te dienen ingevolge dit artikel, meer dan drie maanden nodig is om de collectieve vordering voldoende voor te bereiden en in te dienen. Voor die gevallen maakt lid 2 het mogelijk om de termijn te verlengen. Om te voorkomen dat de behandeling van de collectieve vordering onnodig veel vertraging oploopt, is een verlenging beperkt tot maximaal drie maanden. Als zich binnen een maand na de aantekening in het centrale register niemand heeft gemeld, is na drie maanden duidelijk of er andere collectieve vorderingen voor dezelfde gebeurtenis zijn ingesteld. Heeft zich binnen een maand na aantekening wel een belangenorganisatie gemeld met de mededeling dat de termijn van drie maanden niet volstaat, dan is na uiterlijk zes maanden na de aantekening duidelijk welke andere belangenorganisaties voor dezelfde gebeurtenis een collectieve vordering hebben ingesteld. In dat geval mag worden aangenomen dat er in elk geval één andere collectieve vordering is ingediend, namelijk die van de belangenorganisatie die om verlenging van de drie maanden termijn heeft verzocht.

Lid 3 van artikel 1018d regelt dat alle collectieve vorderingen die voor dezelfde gebeurtenis overeenkomstig lid 1 worden ingediend, als één zaak worden behandeld. Dit is wenselijk met het oog op de aanwijzing van de Exclusieve Belangenbehartiger en de behandeling van de collectieve vordering na die aanwijzing. Lid 3 bepaalt dat de behandeling als één zaak pas geldt na indiening en bezorging of betekening van de procesinleiding ingevolge artikel 112. Er zijn verschillende redenen voor deze toevoeging. Allereerst zorgt de bepaling ervoor dat elk van de eisers zelf verantwoordelijk is voor het op de hoogte stellen van de verweerder van zijn collectieve vordering. De slotzin van lid 3 zorgt er daarbij voor dat in plaats van de door eiser zelf overeenkomstig artikel 30a, derde lid, onder c, te bepalen termijn voor verschijning, een wettelijk voorgeschreven termijn geldt van vier weken na het verstrijken van de termijn voor het indienen van andere collectieve vorderingen voor dezelfde gebeurtenis overeenkomstig lid 1 en 2. Dit brengt mee dat de verweerder maar één keer hoeft te verschijnen om zich te verweren tegen elk van de ingediende collectieve vorderingen voor dezelfde gebeurtenis. De toevoeging is ook van belang voor de heffing van griffierecht ingevolge de Wet griffierechten. Zonder de toevoeging zou van de eisers van elk van de ingediende collectieve vorderingen gezamenlijk één griffierecht moeten worden geheven volgens de Wet griffierechten in burgerlijke zaken (Wgbz), waarvoor zij hoofdelijk aansprakelijk zouden zijn. Ten eerste acht ik het redelijk om van elk van de eisers een griffierecht te heffen. Daarnaast acht ik de onderlinge verhouding tussen de verschillende eisers die een collectieve vordering voor dezelfde gebeurtenis hebben ingesteld, niet zodanig dat het redelijk is om hen op te zadelen met vragen van draagplicht en regres voor het griffierecht in hun onderlinge verhouding.

Artikel 1018e Aanwijzing Exclusieve Belangenbehartiger

Artikel 1018e is een centrale bepaling in het voorstel. Hierin wordt de aanwijzing van één Exclusieve Belangenbehartiger geregeld uit alle belangenorganisaties die voor dezelfde gebeurtenis een collectieve vordering hebben ingesteld overeenkomstig dit wetsvoorstel. Met de Juristengroep ben ik van mening dat deze aanwijzing kan bijdragen aan een betere en efficiëntere afwikkeling van een massazaak. Zowel voor de verweerder als voor de gedupeerden en de rechter wordt met de aanwijzing duidelijk wie in de procedure over de collectieve vordering de leiding heeft aan de zijde van eiser. De Exclusieve Belangenbehartiger draagt de verantwoordelijkheid om op te komen voor de belangen van de hele groep van personen voor wie de procedure over de collectieve vordering wordt gevoerd. Hij is daarmee ook het aanspreekpunt voor de verweerder. De verwachting van de Juristengroep is dat dit bijdraagt aan het vergroten van de schikkingsbereidheid van aangesproken partijen. Ik deel deze verwachting.

Lid 1 regelt hoe de rechter tot aanwijzing van een Exclusieve Belangenbehartiger komt. Om voor aanwijzing als Exclusieve Belangenbehartiger in aanmerking te komen moet een belangenorganisatie die overeenkomstig artikel 1018d een collectieve vordering voor dezelfde gebeurtenis heeft ingesteld, in elk geval voldoen aan de ontvankelijkheidseisen van artikel 3:305a (eerste tot en met derde lid) BW. Uit de belangenorganisaties die daaraan voldoen, wijst de rechter vervolgens de meest geschikte aan om op te treden als Exclusieve Belangenbehartiger. Om de rechter in staat te stellen de meest geschikte eiser aan te wijzen als Exclusieve Belangenbehartiger moeten alle eisers de hiervoor relevante gegevens verschaffen in hun procesinleiding (artikel 1018c, eerste lid, onder e). De onderdelen a tot met e van lid 1 bevatten de omstandigheden die de rechter daarbij in aanmerking neemt. Ze geven de rechter een handvat om tot oordeel te komen. Onderdeel a ziet om de omvang van de groep personen voor wie de eiser opkomt. Niet altijd zal de exacte omvang van de groep personen te bepalen zijn. Omdat elke belangenorganisatie in zijn procesinleiding een omschrijving moet opnemen van de groep van personen voor wier belangen hij opkomt, bestaat op basis hiervan ten minste een indicatie van het aantal bij een bepaalde belangenbehartiger aangesloten personen. Ook kan hieruit worden afgeleid of bijvoorbeeld wordt opgekomen voor alle consumenten die een bepaald gebrekkig product hebben gekocht of alleen voor een deel daarvan. Naast de omvang van de groep personen moet ook de grootte van het door deze groep vertegenwoordigde financiële belang als omstandigheid in aanmerking worden genomen. Een belangenbehartiger die opkomt voor een groep beleggers die allen slechts enkele aandelen hebben (en dus beperktere schade) kan minder geschikt zijn dan een belangenbehartiger die opkomt voor een veel groter financieel belang. Een andere omstandigheid betreft de eventuele andere werkzaamheden die de eiser verricht voor de personen voor wie hij opkomt in of buiten rechte. Die andere werkzaamheden kunnen bijvoorbeeld zien op het optreden als spreekbuis voor benadeelden of andere activiteiten op basis waarvan juist deze belangenbehartiger in beeld komt om voor de hele groep personen op te treden. Ten slotte vormen ook eerdere door de eiser verrichte werkzaamheden of ingestelde collectieve vorderingen een omstandigheid die de rechter in aanmerking neemt bij het aanwijzen van de meest geschikte belangenbehartiger als Exclusieve Belangenbehartiger. Die eerdere werkzaamheden kunnen wijzen op de benodigde deskundigheid en ervaring voor het voeren van een collectieve vordering en het optreden daarin als Exclusieve Belangenbehartiger. Het is aan de rechter om te beoordelen welke waarde hij in een concreet geval toekent aan elk van de omstandigheden a tot en met d. Wel moet de rechter zijn keuze motiveren in de uitspraak.

Uit het systeem van artikel 1018d en 1018e volgt dat elke belangenorganisatie die voldoet aan de ontvankelijkheidseisen van 3:305a BW kan worden aangewezen als Exclusieve Belangenbehartiger, ongeacht of deze belangenorganisatie daarom verzoekt. Het is dus niet zo dat de eiser die zelf hiervoor het meest in aanmerking denkt het komen, daarop meer kans maakt dan een eiser die dit minder graag wil. Het gaat om de meeste geschikte partij. Wel is in de praktijk moeilijk voorstelbaar dat de rechter als Exclusieve Belangenbehartiger een eiser aanwijst die zelf vindt dat hij daarvoor niet in aanmerking komt. In voorkomend geval kan de rechter, als geen van de belangenorganisaties een duidelijke belangstelling heeft om als Exclusieve Belangenbehartiger te worden aangewezen, gebruik maken van de mogelijkheid om twee van hen als co-Exclusieve Belangenbehartiger aan te wijzen, zie lid 4. Tegen de uitspraak tot aanwijzing als Exclusieve Belangenbehartiger staat geen rechtsmiddel open.

Lid 2 bepaalt dat de rechter ook beoordeelt wat de collectieve vordering, zoals die in de procedure behandeld en beslist zal worden, precies inhoudt en voor welke nauw omschreven groep personen de Exclusieve Belangenbehartiger de belangen in deze collectieve vordering behartigt. Deze afbakening is van belang omdat de uitkomst in de procedure bindend is voor alle personen binnen de groep, behalve voor hen die hebben ge-optout (zie artikel 1018f).

Ten slotte moet de rechter ook beoordelen of de aan een bepaalde plaats gebonden aard van de collectieve vordering aanleiding geeft voor behandeling van de zaak bij een ander gerecht. In de reacties op de consultatie kwam aan de orde dat concentratie van collectieve acties in sommige gevallen geen recht doet aan het lokale of regionale karakter van de collectieve vordering. Enkele reacties pleitten er daarom voor om af te zien van concentratie. Om redenen van coördinatie en specialisatie heeft het toch mijn voorkeur om de procedure, zoals voorgesteld in het wetsvoorstel, onder te brengen bij één vaste rechtbank, zie ook de toelichting op artikel 1018d, lid 1. Tegelijkertijd deel ik de gedachte dat lokaal of regionaal gebonden zaken ook zoveel mogelijk ter plaatse moeten kunnen worden afgedaan. De vuurwerkramp in Enschede en de gaswinningsschade in Groningen zijn voorbeelden van massazaken met een plaatsgebonden karakter. Voor de lokale bevolking kan lokale afdoening van een eventuele collectieve vordering bijdragen aan een gevoel van procedurele rechtvaardigheid. Ik acht het daarom van groot belang dat in dergelijke gevallen recht kan worden gedaan aan dit plaatsgebonden karakter. De slotzin van lid 2 dwingt de rechter ertoe te beoordelen of aanleiding bestaat voor een dergelijke lokale afdoening. Komt de rechter tot de slotsom dat de zaak inderdaad beter bij een ander gerecht kan worden behandeld, dan kan de behandeling van de zaak bij dit andere gerecht worden voortgezet. De rechtspraak beschikt over voldoende mogelijkheden om hieraan een praktische invulling te geven.

Lid 3 regelt de gevolgen van een aanwijzing als Exclusieve Belangenbehartiger. De aanwijzing leidt ertoe dat de aangewezen eiser vanaf het moment van aanwijzing in de procedure optreedt voor de belangen van alle personen in de nauw omschreven groep personen, bedoeld in het tweede lid. Ook treedt hij op als vertegenwoordiger van de niet als Exclusieve Belangenbehartiger aangewezen eisers. De Exclusieve Belangenbehartiger is daarmee «hoofdeiser» in de procedure en degene die door de rechter en verweerder verantwoordelijk kan worden gehouden voor de handelingen die in de procedure moeten worden verricht, zoals het tijdig indienen van stukken etc. Ook is de Exclusieve Belangenbehartiger de spreekbuis voor de benadeelde personen die tot de nauw omschreven groep behoren. De niet als Exclusieve Belangenbehartiger aangewezen eisers blijven wel partij in de procedure. De Exclusieve Belangenbehartiger is degene die de proceshandelingen verricht. In beginsel dienen de andere eisers dus geen processtukken in. Het uitgangspunt is coördinatie door de Exclusieve Belangenbehartiger. De rechter heeft echter ruimte om ook andere eisers aan het woord te laten doordat hij kan bepalen dat ook de niet aangewezen eisers proceshandelingen mogen verrichten. De rechter zal zich bij zijn beslissingen hieromtrent laten leiden door de noodzaak van coördinatie van de collectieve procedure enerzijds en de rechten van de niet als Exclusieve Belangenbehartiger aangewezen eisers onder artikel 6 EVRM anderzijds. Die rechten brengen mee dat ook deze eisers onder meer recht hebben op hoor en wederhoor en een eerlijke procesgang. De algemene beginselen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bieden de rechter voldoende middelen om hieraan tegemoet te komen. Op deze manier zijn de rechten van de niet als Exclusieve Belangenbehartiger aangewezen eisers op een voldoende toegang tot de rechter, zoals vastgelegd in artikel 6 EVRM, voldoende gewaarborgd.

In de Aanbevelingen van de Juristengroep was dit laatste niet het geval en kregen de niet als Exclusieve Belangenbehartiger aangewezen eisers slechts een recht om te worden gehoord voor zover daartoe aanleiding bestond. Bij de uitwerking in dit wetsvoorstel bleek dat dit vragen oproept over de positie van de niet als Exclusieve Belangenbehartiger aangewezen eisers zowel in hun onderlinge verhouding als in hun verhouding tot de Exclusieve Belangenbehartiger en in hun relatie tot de bij hen aangesloten personen, ook in het licht van artikel 6 EVRM. Ook het waarborgen van de doorlopende controle op de ontvankelijkheid van de Exclusieve Belangenbehartiger en het machtsevenwicht tegenover de personen wier belangen in de procedure worden behartigd, was in de Aanbevelingen niet uitgewerkt. In haar Advies van 11 juli 2016 gaat de Adviescommissie BPR hier ook op in. De Adviescommissie BPR adviseert in de toelichting aandacht te besteden aan de verhouding tussen de Exclusieve Belangenbehartiger en de niet aangewezen belangenbehartigers en hun recht op een effectieve toegang tot de rechter onder artikel 6 lid 1 EVRM. Zij wijzen erop dat de Aanbevelingen kiezen voor een systeem dat mogelijk een inbreuk vormt op het recht op een effectieve toegang tot de rechter voor de niet aangewezen belangenbehartigers met elk hun eigen achterban. De Adviescommissie BPR vraagt zich af of deze inbreuk gerechtvaardigd wordt door het belang van een mogelijke afwikkeling van massaschade in een collectieve actie. Ook vraagt de Adviescommissie BPR zich af in hoeverre de mogelijkheid dat de rechter een niet aangewezen belangenbehartiger kan horen, het verlies van het recht van die partij kan compenseren om zelf te procederen over de aanhangig gemaakte vordering. Het Advies van de Adviescommissie is aanleiding geweest om af te wijken van de Aanbevelingen op dit punt. Door de overige eisers wel partij in de procedure te laten blijven, is de positie van hen als belangenbehartiger gewaarborgd en kunnen zij hun rol tegenover hun achterban blijven spelen. Omdat de Exclusieve Belangenbehartiger wel de «hoofdeiser» en vertegenwoordiger van de andere, niet aangewezen eisers wordt, komt toch de gecoördineerde en efficiënte en effectieve afwikkeling niet in gevaar. De niet aangewezen eisers kunnen hun positie als partij gebruiken om hun opmerkingen in de procedure te maken als zij dit nodig achten. Zo kunnen zij de Exclusieve Belangenbehartiger waar nodig bijsturen. Zo nodig kunnen zij bij de rechter aan de orde stellen dat de Exclusieve Belangenbehartiger niet langer aan de ontvankelijkheidseisen voldoet. De verweerder heeft deze mogelijkheid ook, maar kan er in theorie bij gebaat zijn dat de Exclusieve Belangenbehartiger zijn rol niet optimaal vervult. Uiteraard is het aan de rechter om over eventuele klachten een oordeel te vellen. Met chicaneuze klachten over de Exclusieve Belangenbehartiger zal de rechter korte metten maken. Betreft het een serieuze klacht, bijvoorbeeld dat de Exclusieve Belangenbehartiger op het punt staat failliet te gaan, dan kan de rechter ingrijpen en de Exclusieve Belangenbehartiger zijn rol ontnemen. Doordat de andere eisers partij in de procedure zijn gebleven, kan de rechter in dat geval een van hen benoemen als Exclusieve Belangenbehartiger ter vervanging van de oorspronkelijke Exclusieve Belangenbehartiger. Op deze manier is de positie van de Exclusieve Belangenbehartiger beter in evenwicht. Ook kan zo beter invulling worden gegeven aan de Aanbeveling dat de controle op de ontvankelijkheid doorlopend is zonder dat de rechter hierover zelf gedurende de gehele procedure ambtshalve informatie hoeft te verzamelen.

De Afdeling advisering van de Raad van State vraagt in haar Advies wat de betekenis is van het feit dat de niet aangewezen belangenbehartigers partij blijven in de procedure. De Afdeling wil weten op welke wijze deze partijen opmerkingen in de procedure kunnen maken en in hoeverre de rechter hiervoor ruimte moet bieden, juist gelet op de coördinerende rol van de Exclusieve Belangenbehartiger. Ik merk hierover het volgende op. Het zijn van partij in de procedure brengt in elk geval mee dat de niet aangewezen belangenbehartigers kunnen beschikken over de in de procedure gewisselde stukken. Om recht te doen aan zowel de coördinerende rol van de Exclusieve Belangenbehartiger als aan de positie van de overige eisers, bepaalt het wetsvoorstel in de laatste zin van artikel 1018e lid 3 dat «de rechter kan bepalen dat ook de niet aangewezen eisers proceshandelingen mogen verrichten». Deze bepaling stelt de rechter in staat regie te voeren op de wijze waarop recht wordt gedaan aan de positie van de niet aangewezen belangenbehartigers als partij. Zo kan hij bijvoorbeeld bepalen dat deze eisers wel een processtuk kunnen indienen, maar regels geven over de volgorde waarin partijen dit mogen doen. De rechter kan bijvoorbeeld bepalen dat eerst de Exclusieve Belangenbehartiger zijn processtuk indient en dat de andere eisers vervolgens in staat worden gesteld om een aanvullend stuk in te dienen uitsluitend voor zover deze andere eisers menen dat een bepaald gezichtspunt ten onrechte niet naar voren is gebracht. De verweerder kan vervolgens op alle stukken tegelijk reageren. De KEI-wetgeving biedt de rechter en partijen voldoende ruimte om hier op een pragmatische manier mee om te gaan. Met name de nieuwe artikelen 19 lid 2 en 30o geven de rechter ruime bevoegdheden om regie op maat te voeren. Dit kan ook in een collectieve procedure als geregeld in dit wetsvoorstel. Ik heb er daarom voor gekozen de wijze waarop invulling wordt gegeven aan het zijn van partij van de niet aangewezen belangenbehartigers, over te laten aan de rechter. Het zal immers afhangen van de concrete collectieve procedure wat de meest geschikte aanpak is. Dit hangt onder meer af van de vraag of er slechts een andere belangenbehartiger is of juist vele en of zij een overlappende achterban hebben, of juist een verschillende. Richtsnoer voor de rechter bij het bepalen van deze aanpak zijn, zoals gezegd, artikel 6 EVRM en het daarin neergelegde recht op een effectieve toegang tot de rechter en daarnaast de algemene beginselen in ons burgerlijk procesrecht, waaronder het beginsel van hoor en wederhoor, de waarheidsvinding en de verplichting om te waken tegen onredelijke vertraging.

Lid 4 van artikel 1018e maakt mogelijk dat de rechter niet één Exclusieve Belangenbehartiger aanwijst, maar twee of meer co- of sub-Exclusieve Belangenbehartigers. De bepaling geeft invulling aan de Aanbeveling van de Juristengroep dat, indien de aard van de collectieve actie of de daarin behartigde belangen of van de belangenorganisatie daartoe aanleiding geeft, meer (co- of sub-) Exclusieve Belangenbehartigers kunnen worden benoemd. Als voorbeeld noemen de Aanbevelingen het geval dat een van de belangenorganisaties zo bepaalde deelbelangen kan vertegenwoordigen. In de Aanbevelingen moet deze mogelijkheid van een co- of sub-Exclusieve Belangenbehartiger worden gezien tegen de achtergrond van het feit dat de andere eisers na aanwijzing van de Exclusieve Belangenbehartiger niet langer partij zijn in de procedure, maar ten hoogste kunnen worden gehoord. Zoals toegelicht bij lid 3, slotzin, heb ik er in dit voorstel voor gekozen om de niet aangewezen eisers partij te laten blijven in de procedure. Ook in die opzet kan het nog nuttig zijn om in voorkomend geval een co- of sub-Exclusieve Belangenbehartiger aan te wijzen. Ik heb deze mogelijkheid daarom opgenomen in lid 4 van artikel 1018e.

Lid 5 van artikel 1018e regelt de aantekening in het register van de uitspraak waarbij de Exclusieve Belangenbehartiger wordt aangewezen en wordt bepaald wat de vordering precies inhoudt en voor welke nauw omschreven groep personen in de procedure wordt opgekomen. Zo is deze uitspraak makkelijk raadpleegbaar voor geïnteresseerden.

Artikel 1018f Opt out na aanwijzing Exclusieve Belangenbehartiger

Artikel 1018f regelt de mogelijkheid voor personen wier belangen in de collectieve procedure worden behartigd om zich daarvan te bevrijden. De procedure in het wetsvoorstel gaat uit van één procedure over een collectieve vordering voor de hele groep van personen voor wier belangen de Exclusieve Belangenbehartiger opkomt. De uitkomst in die procedure bindt al deze personen. Deze vergaande binding van benadeelden vereist dat zij een mogelijkheid hebben om aan te geven niet gebonden te willen worden. Het moment waarop zij dit ingevolge dit artikel moeten doen, is na de aanwijzing van de Exclusieve Belangenbehartiger. Op dat moment is bekend wie als hoofdeiser gaat optreden, waarop de collectieve vordering precies betrekking heeft en wat de nauw omschreven groep personen is voor wier belangen in de procedure wordt opgekomen (vgl. artikel 1018e lid 2). Op dat moment moeten individuele personen de afweging maken of zij meegaan in de collectieve procedure of dat zij verwachten individueel een beter resultaat te kunnen halen.

Lid 1 bepaalt dat de procedure in de collectieve vordering geen gevolg heeft en niet tot gebondenheid leidt voor personen behorend tot de nauw omschreven groep personen wier belangen in deze collectieve vordering worden behartigd, als zij hebben gekozen voor opt out. Daartoe moeten zij binnen een door de rechter te bepalen termijn door een schriftelijke mededeling aan de griffie hebben laten weten zich van de behartiging van hun belangen in deze collectieve vordering te willen bevrijden. De termijn bedraagt ten minste een maand nadat de uitspraak waarbij de Exclusieve Belangenbehartiger is aangewezen, ter inzage is gelegd overeenkomstig lid 2 van dit artikel. Lid 1 bepaalt daarnaast, overeenkomstig de Aanbeveling daartoe van de Juristengroep, dat een eerdere collectieve stuiting van de vordering niet langer gevolg heeft voor deze personen. Dit betekent dat deze personen rechten aan een geldige collectieve stuiting kunnen ontlenen tot het moment dat zij gebruik maken van hun mogelijkheid tot opt out. Om te voorkomen dat hun rechtsvordering daarna in het zwaard van de verjaring valt, zullen zij zelf binnen zes maanden na hun opt out opnieuw een individuele stuitingshandeling moeten verrichten. Het spreekt voor zich dat als de collectieve stuitingshandeling niet geldig was en de rechtsvordering daardoor al was verjaard op het moment van opt out, deze rechtsvordering niet herleeft door alsnog een individuele stuitingshandeling te verrichten. Was de collectieve stuiting wel geldig, dan werkt zij voor de optouters door totdat uiterlijk zes maanden na hun opt out is verstreken of tot een eerder moment voor optouters die al eerder hun individuele stuitingshandeling hebben verricht. Is het aantal personen dat kiest voor opt out te groot om de voorzetting van de procedure te rechtvaardigen, dan kan de rechter beslissen dat deze niet wordt voortgezet.

Leden 2 en 3 van artikel 1018f regelen de bekendmaking van de uitspraak waarbij de Exclusieve Belangenbehartiger is aangewezen en waarbij de collectieve vordering en de nauw omschreven groep personen wier belangen de Exclusieve Belangenbehartiger in deze collectieve vordering behartigt, staan omschreven. Om individuele benadeelden daadwerkelijk in staat te stellen zich aan de behartiging van hun belangen in de collectieve procedure te onttrekken, is van het grootste belang dat zij op de hoogte raken van de uitspraak waarbij de Exclusieve Belangenbehartiger is aangewezen. De uitspraak moet daarom ter griffie ter inzage van deze personen worden gelegd. Ook wordt de uitspraak aangetekend in het in artikel 1018c, tweede lid, bedoelde register. De rechter kan bevelen dat de uitspraak en zo nodig een vertaling hiervan in één of meer andere talen dan de Nederlandse taal op één of meer door hem aan te wijzen internetadressen worden geplaatst, waaronder de internetpagina van de Exclusieve Belangenbehartiger. De Exclusieve Belangenbehartiger moet ingevolge artikel 3:305a, lid 2, onder d, een website hebben waarop relevante informatie voor de collectieve vordering te vinden is. Naast deze publieke bekendmakingen moet de Exclusieve Belangenbehartiger ingevolge lid 3 bij gewone brief aan de bekende personen wier belangen de Exclusieve Belangenbehartiger in deze collectieve vordering behartigt, zo spoedig mogelijk mededeling doen van de aanwijzing van de Exclusieve Belangenbehartiger en de collectieve vordering en nauw omschreven groep personen wier belangen de Exclusieve Belangenbehartiger in deze collectieve vordering behartigt. De rechter kan bepalen dat dit op andere wijze dan bij gewone brief moet. Ook moet de Exclusieve Belangenbehartiger de uitspraak aankondigen in één of meer door de rechter aan te wijzen nieuwsbladen. Cruciaal is dat hierbij telkens op een door de rechter aan te geven wijze melding wordt gemaakt van de wijze waarop deze personen kunnen opt outen. Daarom moet ook worden vermeld hoe deze personen «zich overeenkomstig het eerste lid van de behartiging van hun belangen in deze collectieve vordering kunnen bevrijden». Ook moet worden vermeld op welke wijze inzage of afschrift kan worden verkregen van de uitspraak. De rechter kan bevelen dat ook van andere gegevens melding wordt gemaakt. De rechter kan bepalen dat de meldingen en aankondigingen niet door de Exclusieve Belangenbehartiger hoeven te worden gedaan (maar bijvoorbeeld door de verweerder). Tot slot kan de rechter gelasten dat de gegevens ook op andere wijze bekend worden gemaakt. Voor benadeelden die geen woonplaats of verblijf in Nederland hebben, bevat de slotzin van lid 3 een regeling voor het geval er geen internationale of Unie-voorschriften een wijze van aankondiging voorschrijven. In dat geval gelast de rechter aankondiging op een door hem te bepalen wijze ten behoeve van deze personen, zo nodig in één of meer andere talen dan de Nederlandse taal. De bepaling sluit aan bij de bepaling voor de aankondiging van de uitspraak ingevolge de WCAM (artikel 1017).

Lid 4 van artikel 1018f regelt dat na een opt out niet een collectieve vordering gebaseerd op 3:305a BW voor de optouters kan worden ingesteld over soortgelijke feitelijke en rechtsvragen voor dezelfde gebeurtenis of gebeurtenissen. Dit sluit aan bij de Aanbeveling van de Juristengroep dat de procedure met de Exclusieve Belangenbehartiger voorrang moet krijgen op andere procedures over soortgelijke feitelijke en rechtsvragen gebaseerd op dezelfde gebeurtenis of gebeurtenissen.

Artikel 1018g termijn voor schikken en aanvullen vordering en verweer

Artikel 1018g regelt dat een korte pauze wordt ingelast na de aanwijzing van de Exclusieve Belangenbehartiger. Die pauze is bedoeld om partijen in de gelegenheid te stellen tot een schikking te komen. Door de aanwijzing van de Exclusieve Belangenbehartiger is voor de verweerder duidelijk geworden met wie hij «zaken kan doen». De verweerder weet immers dat de Exclusieve Belangenbehartiger door de rechterlijke aanwijzing opkomt voor de hele groep van personen wier belangen in de procedure worden behartigd. Artikel 1018g biedt ook de mogelijkheid dat de Exclusieve Belangenbehartiger de gronden van de vordering aanvult, bijvoorbeeld naar aanleiding van de gronden die andere niet aangewezen eisers in hun procesinleiding hebben genoemd. Ook kan de verweerder zijn gronden van verweer aanvullen, voor zover de verweerder gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om zijn verweer in eerste instantie te beperken tot de ontvankelijkheid van de eisers ingevolge artikel 1018c, vijfde lid, laatste zin.

Artikel 1018h Goedkeuring vaststellingsovereenkomst

Artikel 1018h regelt dat een door partijen gesloten schikking moet worden goedgekeurd door de rechter. Juist omdat de Exclusieve Belangenbehartiger in de procedure opkomt voor de hele groep van personen en deze personen ook door de uitkomst van de procedure worden gebonden, is het van belang dat ook op een tussen partijen gesloten schikking rechterlijke controle wordt uitgeoefend. Voor de regeling is zoveel als mogelijk aangesloten bij de bepalingen die gelden voor een vaststellingsovereenkomst waarvan verbindendverklaring wordt verzocht ingevolge de WCAM. Toch is de situatie niet op alle punten dezelfde. De WCAM maakt het mogelijk dat partijen die buiten rechte een collectieve schikking hebben gesloten het gerechtshof Amsterdam samen verzoeken om deze schikking verbindend te verklaren voor alle personen voor wie de schikking is gesloten. Als de schikking verbindend is verklaard, hebben de personen voor wie de schikking is gesloten, de mogelijkheid om te opt outen. Bij de goedkeuring van een collectieve schikking op grond van dit artikel werkt het net iets anders. Hier wordt de collectieve schikking bereikt hangende een procedure die wordt gevoerd voor een nauw omschreven groep personen. Deze nauw omschreven groep personen bestaat op dat moment uit de personen voor wie de procedure wordt gevoerd en die niet hebben ge-optout na aanwijzing van de Exclusieve Belangenbehartiger.

Lid 1 bepaalt dát een gesloten vaststellingsovereenkomst aan de rechter ter goedkeuring wordt voorgelegd. De bepaling verwijst naar een vaststellingsovereenkomst, als bedoeld in de WCAM (artikel 7:907 lid 2 BW).

Lid 2 van artikel 1018h bepaalt dat op de goedkeuring de bepalingen van de WCAM (artikelen 1013, eerste en tweede lid, en vierde tot en met achtste lid, 1014, 1016 en artikel 7:907 BW) van overeenkomstige toepassing zijn op de goedkeuring van de overeenkomst. Dit zijn de rechtsvorderlijke bepalingen waarin onder meer is voorgeschreven dat partijen gezamenlijk de overeenkomst ter goedkeuring moeten voorleggen, welke gegevens daarbij moeten worden vermeld, hoe de personen voor wie de overeenkomst gaat gelden, moeten worden opgeroepen, wie een verweer kunnen indienen en dat de rechter kan bevelen dat een of meer deskundigen berichten over bepaalde punten in het verzoek. Bij goedkeuring van een schikking in het kader van dit voorstel gaat het daarbij om de personen voor wie in de collectieve procedure wordt opgekomen en die niet hebben ge-optout. Artikel 7:907 BW bevat de inhoudelijke voorschriften voor (het verbindend verklaren van) een WCAM-overeenkomst.

Lid 3 van artikel 1018h verklaart op een goedgekeurde overeenkomst de regels van de WCAM voor bekendmaking daarvan (artikel 1017, tweede tot en met vierde lid) en de bepalingen van de WCAM over de gevolgen daarvan (artikelen 7:908, 7:909 en 7:910 BW) van overeenkomstige toepassing. De rechter kan nadere aanwijzingen geven voor de in artikel 1017 bedoelde meldingen en aankondigingen. Van artikel 7:908 BW zijn alleen de leden 1, 3 en 5 van overeenkomstige toepassing verklaard. Artikel 7:908 lid 1 BW regelt dat een verbindend verklaarde overeenkomst tussen partijen en de gerechtigden onder de overeenkomst de gevolgen van een vaststellingsovereenkomst heeft. Voor een goedgekeurde overeenkomst op grond van dit artikel 1018h geldt hetzelfde. Artikel 7:908 lid 3 BW bevat een regeling voor personen bij wie de schade pas later bekend wordt. Een persoon die op het moment van de aankondiging van de beschikking tot verbindendverklaring van een overeenkomst onder de WCAM zijn schade niet kende, wordt niet gebonden als hij na het bekend worden van zijn schade schriftelijk aangeeft niet gebonden te willen worden. Het gaat dus om personen die niet hebben ge-optout omdat zij geen weet hadden van hun schade. Ook voor een ingevolge dit artikel goedgekeurde overeenkomst is het niet redelijk om deze personen tegen hun zin te binden. De verweerder kan wel een termijn van ten minste zes maanden stellen waarbinnen die mededeling moet worden gedaan. Lid 5 van artikel 7:908 BW ziet op de onmogelijkheid om na verbindendverklaring onder de WCAM op de vernietigingsgronden van artikel 3:44 lid 3 BW (bedrog) en 6:228 BW (dwaling) en 7:904 BW (naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar). Voor een goedgekeurde overeenkomst op grond van dit artikel 1018h bestaan gelijke argumenten om het beroep op deze vernietigingsgronden uit te sluiten.

Artikel 7:908 lid 2 BW wordt niet van overeenkomstige toepassing verklaard. Die bepaling regelt de mogelijkheid van opt out voor personen die niet door de verbindend verklaarde overeenkomst gebonden willen worden. De Aanbevelingen adviseerden om ook in de procedure in het wetsvoorstel een opt out van een goedgekeurde overeenkomst mogelijk te maken. Ook de Afdeling advisering van de Raad van State adviseerde in haar Advies over dit wetsvoorstel om te voorzien in een opt out mogelijkheid na de goedkeuring van de vaststellingsovereenkomst.

In het licht van het advies van de Adviescommissie BPR van 3 juli 2016, heb ik bij de uitwerking in dit wetsvoorstel uiteindelijk een andere afweging gemaakt. Ik meen dat voor een dergelijke tweede opt out mogelijkheid op dit moment onvoldoende toegevoegde waarde heeft. Ik onderschrijf dat de voorgestelde opt out na de aanwijzing van de Exclusieve Belangenbehartiger, anders dan de opt out op grond van de WCAM, geen betrekking heeft op de tussen partijen gesloten overeenkomst. De Adviescommissie BPR wijst er echter op dat personen die aan de uitkomst van de procedure zijn gebonden, reeds tijdens de procedure de mogelijkheid hebben gehad om eventuele bezwaren tegen een collectieve schikking aan de rechter kenbaar te maken. Daarmee bevat het wetsvoorstel adequate waarborgen voor het behartigen van de belangen van de personen voor wie de overeenkomst wordt gesloten. Daarnaast geeft het voorgestelde systeem gedupeerden een duidelijker keuzemoment dan een systeem waarbij wordt voorzien in een tweede opt out.

Ik heb er daarom voor gekozen niet te voorzien in een opt out mogelijkheid nadat een overeenkomst tussen de Exclusieve Belangenbehartiger en de verweerder is goedgekeurd. Om die reden is artikel 7:908 BW niet van overeenkomstige toepassing verklaard.

Lid 4 van artikel 1018h regelt dat de Exclusieve Belangenbehartiger de goedgekeurde overeenkomst meldt op zijn internetpagina die hij ingevolge artikel 3:305a, lid 2, onder d BW moet aanhouden. Ook moet hij zorgen dat de goedgekeurde overeenkomst in het register wordt aangetekend.

Lid 5 van artikel 1018h bevat een regeling voor hoger beroep en cassatie gelijk aan de regeling voor verbindend verklaarde WCAM-overeenkomsten. Uitsluitend tegen de weigering van de goedkeuring staat beroep in cassatie open. Bovendien kan dit beroep uitsluitend door partijen gezamenlijk worden ingesteld. Artikel 1018, tweede lid, inzake de herroeping van een verbindend verklaarde WCAM-overeenkomst is van overeenkomstige toepassing verklaard.

Artikel 1018i Vaststelling schadevergoeding

Artikel 1018i regelt de vaststelling van een collectieve schadeafwikkeling door de rechter. Dit doet zich uiteraard alleen voor bij een collectieve vordering waarbij ook schadevergoeding wordt gevorderd. Om de rechter zo goed mogelijk in staat te stellen een collectieve schadevergoeding vast te stellen, is het van belang dat partijen zoveel mogelijk de daarvoor benodigde informatie aan hem verschaffen. Vaak zal het nodig zijn om daarnaast de hulp van een deskundige in te roepen om tot een vaststelling te komen. Afhankelijk van het soort vordering en het soort schade kan dit een financieel deskundige zijn of bijvoorbeeld een medisch deskundige. De deskundige kan helpen om een indeling in categorieën personen te maken als dit nodig is.

Lid 1 regelt dat de rechter bij een collectieve vordering tot schadevergoeding in geld de Exclusieve Belangenbehartiger en de verweerder kan bevelen elk een voorstel voor een collectieve schadeafwikkeling over te leggen. De rechter is hiertoe niet verplicht. Het kan zijn dat de eerder gewisselde procestukken voldoende informatie bevatten voor de rechter om, zo nodig met hulp van deskundigen, een collectieve schadeafwikkeling vast te stellen. Als de rechter wel behoefte heeft aan nadere voorstellen van partijen op dit punt, biedt lid 1 hem een handvat om overlegging van een voorstel voor een collectieve schadeafwikkeling te bevelen.

In dit voorstel moeten partijen in ieder geval alle gegevens opnemen die ook een WCAM-overeenkomst moet bevatten (artikel 7:907, tweede lid, onderdelen b tot en met e, BW). Het gaat dan om een omschrijving van de gebeurtenis of de gebeurtenissen waarop de overeenkomst betrekking heeft (a); een omschrijving van de groep dan wel groepen van personen ten behoeve van wie een collectieve schadeafwikkeling moet worden vastgesteld, naar gelang van de aard en de ernst van hun schade (b); een zo nauwkeurig mogelijke aanduiding van het aantal personen dat tot deze groep of groepen behoort (c); de vergoeding die aan deze personen wordt toegekend (d); de voorwaarden waaraan deze personen moeten voldoen om voor die vergoeding in aanmerking te komen (e); de wijze waarop de vergoeding wordt vastgesteld en kan worden verkregen (f). Voor de omschrijving van de gebeurtenis of gebeurtenissen en van de totale nauw omschreven groep personen voor wie de schadeafwikkeling moet worden vastgesteld, is bepalend wat de rechter daarover in zijn beslissing ingevolge artikel 1018e, lid 2, heeft bepaald. Op basis van die bepaling heeft de rechter beoordeeld wat de collectieve vordering precies inhoudt en van welke nauw omschreven groep personen de belangen in de procedure door de Exclusieve Belangenbehartiger worden behartigd. Dit is het uitgangspunt voor het voorstel van partijen voor een collectieve schadeafwikkeling. Het voorstel moet dus betrekking hebben op alle personen tot bescherming van wier belangen de collectieve vordering in deze procedure strekt en die zich niet hebben ge-optout overeenkomstig artikel 1018f.In hun voorstel moeten zij voor deze nauw omschreven groep personen onder meer aangeven hoe deze naar gelang de aard en ernst van hun schade moeten worden onderverdeeld en hoeveel personen in die onderverdeling tot elk van de onderverdeelde groepen behoort en welke vergoeding daarbij hoort.

Bij zijn bevel tot overlegging van een voorstel bepaalt de rechter de termijn waarbinnen dit moet gebeuren. Medewerking van partijen aan een bevel tot overlegging van een voorstel is verplicht. Werkt een partij toch niet mee en legt zij geen voorstel over, dan kan de rechter daaruit de gevolgtrekking maken die hij geraden acht. Welke gevolgen de rechter wil verbinden aan het niet overleggen van een voorstel voor een collectieve vaststellingsovereenkomst, zal per geval kunnen verschillen. Als alleen de aangesproken partij geen voorstel overlegt, zal het van de situatie afhangen of de rechter daaraan de conclusie wil verbinden dat deze kennelijk geen bezwaar heeft tegen vaststelling van een collectieve schadeafwikkeling overeenkomstig het voorstel van de Exclusieve Belangenbehartiger. Mogelijk vindt de rechter die conclusie te ver gaan, maar maakt hij wel de gevolgtrekking dat het voorstel van de Exclusieve Belangenbehartiger een goede basis is voor de rechterlijke uitspraak waarbij de collectieve schadeafwikkeling wordt vastgesteld. Ik verwacht overigens dat niet vaak zal voorkomen dat een partij weigert een voorstel voor een collectieve schadeafwikkeling over te leggen. Partijen zijn dan al in een vergevorderd stadium in het proces. Zij weten dat de rechter niet alleen de gevolgtrekking mag maken die hij geraden acht maar ook mede op basis van hun voorstellen zelf een collectieve schadeafwikkeling vaststelt.

Lid 2 van artikel 1018i regelt dat de rechter mede aan de hand van de voorstellen van partijen een collectieve schadeafwikkeling vaststelt voor de personen tot bescherming van wier belangen de collectieve vordering in deze procedure strekt en die niet hebben ge-optout overeenkomstig artikel 1018f. De rechter moet er daarbij voor zorgen dat hij de collectieve schadeafwikkeling voor deze personen waar mogelijk in categorieën vaststelt. Artikel 6:97 BW bepaalt dat rechter de schade begroot op de wijze die het meest met de aard ervan in overeenstemming is. Dit laat ruimte om in geval van een collectieve schadevergoedingsactie de schade te begroten aan de hand van schadecategorieën. De indeling in categorieën in de voorstellen van partijen kan de rechter hierbij mede als basis gebruiken. Hij is daaraan uiteraard niet gebonden.

Een door de rechter vastgestelde collectieve schadeafwikkeling moet de onderdelen a tot en met f van artikel 7:907 lid 2 BW bevatten. Daarnaast moet de rechter er zorg voor dragen dat de toegekende vergoeding redelijk is en dat de belangen van de personen voor wie de collectieve schadeafwikkeling wordt vastgesteld ook anderszins voldoende gewaarborgd zijn. De belangen van de gedupeerden liggen immers niet uitsluitend in de hoogte van de toegekende vergoeding. Minstens zo belangrijk is of zij deze op eenvoudige, snelle wijze op basis van de regeling kunnen verkrijgen. Dit betekent bijvoorbeeld dat het mechanisme voor toekenning zo moet zijn ingericht dat gedupeerden zich op eenvoudige wijze met hun vordering kunnen melden, dat voorspelbaar en gemakkelijk kan worden vastgesteld in welke schadevergoedingscategorie zij horen en dat deze vaststelling gebeurt door een voldoende onafhankelijke organisatie. Mocht de rechter twijfel hebben over of een bepaalde schadecategorie moet worden opgenomen of over de redelijkheid van de hoogte van de vergoeding voor een bepaalde categorie, dan kan hij een deskundige raadplegen, zie artikel lid 3 van dit artikel. In voorkomend geval kan de rechter ook in dit stadium nog een prejudiciële vraag aan de Hoge Raad stellen, als hij dit nodig acht om tot vaststelling van een goede regeling voor een collectieve schadeafwikkeling te komen. De regeling mag een termijn bevatten waarbinnen een gedupeerde aanspraak moet hebben gemaakt op vergoeding onder de regeling. Dit volgt uit het van overeenkomstige toepassing verklaarde lid 6 van artikel 7:907 BW.

Anders dan de Aanbevelingen van de Juristengroep voorstellen heb ik er niet voor gekozen dat de uitspraak van de rechter waarbij een collectieve schadeafwikkeling wordt vastgesteld, een tussenvonnis is. Ik acht het niet nodig en niet wenselijk dat de rechter de zaak zou moeten aanhouden totdat de executie daarvan is voltooid. Dit past ook niet in het stelsel zoals dat voor elke andere rechterlijke uitspraak geldt. Uiteraard kunnen partijen zich wel met een executiegeschil tot de rechter wenden als zij menen dat aan de uitspraak niet op een juiste wijze uitvoering wordt gegeven. Ook kan de rechter aan zijn uitspraak waarbij hij een collectieve schadeafwikkeling vaststelt bepaalde voorwaarden verbinden.

Lid 3 van artikel 1018i bepaalt dat de rechter alvorens een collectieve schadeafwikkeling vast te stellen, kan bevelen dat één of meer deskundigen zullen berichten over de voor de inhoud van de collectieve schadeafwikkeling van belang zijnde punten. Afhankelijk van de aard van de gebeurtenissen en de schade en de wijze waarop in de regeling in schadevergoeding moet worden voorzien, zal de rechter meer of minder behoefte hebben aan voorlichting of advies van een deskundige. Het kan zijn dat de rechter in de voorstellen van partijen voor een collectieve schadeafwikkeling verschillen ziet in de behandeling van bepaalde categorieën gedupeerden als het gaat om de hoogte van de vergoeding of over de vraag of een bepaalde categorie wel als afzonderlijke categorie moet worden aangemerkt. Over dit soort vragen kan de rechter bij uitstek een deskundige raadplegen die hem kan berichten over dit soort punten.

Artikel 1018j Bekendmaking rechterlijke collectieve schadeafwikkeling

Artikel 1018j regelt de bekendmaking van een uitspraak waarbij een collectieve schadeafwikkeling is vastgesteld. Het is belangrijk dat de personen voor wie de collectieve schadeafwikkeling is vastgesteld, hiervan zo goed mogelijk op de hoogte raken.

Lid 1 regelt dat bij gewone brief aan de bekende personen ten behoeve van wie de collectieve schadeafwikkeling is vastgesteld, zo spoedig mogelijk mededeling wordt gedaan van de uitspraak. De rechter kan anders bepalen als hij meent dat een gewone brief niet volstaat. Ook wordt van de uitspraak zo spoedig mogelijk aankondiging gedaan in één of meer door de rechter aan te wijzen nieuwsbladen. De personen voor wie de collectieve schadeafwikkeling is vastgesteld, moeten zo kunnen weten of zij op basis daarvan recht hebben op een vergoeding en hoe zij deze vergoeding van de verweerder kunnen verkrijgen of anderszins een beroep op de collectieve schadeafwikkeling kunnen doen. Ook moeten zij weten of binnen een bepaalde termijn aanspraak dient te worden gemaakt op een vergoeding onder de collectieve schadeafwikkeling en op welke wijze inzage en afschrift kan worden verkregen van de uitspraak. De rechter kan bevelen dat ook van andere dan de in dit lid genoemde gegevens melding wordt gemaakt. Ook kan de rechter gelasten dat de gegevens nog op andere wijze bekend worden gemaakt. Voor personen zonder woonplaats of verblijf in Nederland en voor wie geen internationale betekeningsvoorschriften gelden, bepaalt de rechter de wijze van aankondiging. Daarbij gelast hij zo nodig aankondiging in één of meer andere talen dan de Nederlandse taal. Tenzij de rechter anders bepaalt, draagt de verweerder zorg voor de in dit lid bedoelde melding en aankondiging.

Lid 2 van artikel 1018j bepaalt dat de uitspraak ook op de internetpagina van de Exclusieve Belangenbehartiger wordt geplaatst en wordt aangetekend in het register. Hiervoor is de Exclusieve Belangenbehartiger verantwoordelijk.

Artikel 1018k Verbindendheid uitspraak en aanspraak op de vergoeding

Artikel 1018k regelt de verbindendheid van een uitspraak en de aanspraak op een vergoeding als een collectieve schadeafwikkeling is vastgesteld.

Lid 1 bepaalt dat een uitspraak ingevolge titel 14A verbindend is voor alle partijen èn voor de personen ter bescherming van wier belangen de collectieve vordering in deze procedure strekt en die niet overeenkomstig artikel 1018f hebben ge-optout, zodra deze uitspraak onherroepelijk is geworden. Vanaf het moment van onherroepelijk worden kan ingevolge deze bepaling aanspraak op een vergoeding worden gedaan voor zover in de uitspraak een collectieve schadeafwikkeling is vastgesteld. Als de uitspraak uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, kunnen de personen voor wie de collectieve schadeafwikkeling is vastgesteld hierop al eerder aanspraak maken, namelijk vanaf het moment van de uitspraak. Of uitvoerbaarheid bij voorraad wenselijk is, zal afhangen van de omstandigheden van het geval. Partijen kunnen zich hierover uitlaten en de rechter beslist hierover vervolgens. Onder omstandigheden is denkbaar dat de rechter het restitutierisico bij een uitvoerbaar bij voorraad verklaring onaanvaardbaar groot acht. In dat geval zal hij uitvoerbaarheid bij voorraad achterwege laten.

Betreft de uitspraak goedkeuring van een collectieve schikking ingevolge artikel 1018h, dan kan de collectieve vaststellingsovereenkomst zelf voorzien in een eerder moment waarop aanspraak op een vergoeding onder de vaststellingsovereenkomst kan worden gedaan. De aanspraak moet steeds worden gedaan op de wijze en onder de voorwaarden vermeld in de uitspraak. De uitspraak zal zelf duidelijkheid moeten verschaffen over het moment vanaf wanneer en eventueel de termijn waarbinnen de aanspraak moet worden gedaan.

Lid 2 van artikel 1018k regelt voor uitspraken ingevolge deze titel hetgeen voor een WCAM-overeenkomst is geregeld in artikel 7:908 lid 3 BW voor personen bij wie de schade pas later bekend wordt. Een persoon die op het moment van de aankondiging van de opt out mogelijkheid zijn schade niet kende, wordt niet gebonden als hij schriftelijk aangeeft niet gebonden te willen worden. Het is niet redelijk om de uitspraak bindend te laten zijn voor iemand die niet wist dat een procedure ook op hem betrekking had omdat hij op dat moment nog geen schade had, maar verder wel binnen de nauw omschreven groep personen valt voor wie de collectieve procedure wordt gevoerd. Met dit lid 2 kan een dergelijk persoon na het bekend worden van zijn schade zich alsnog aan gebondenheid van de uitspraak onttrekken. De verweerder kan wel een termijn van ten minste zes maanden stellen waarbinnen die mededeling moet worden gedaan. Gaat het om een uitspraak ingevolge titel 14A waarbij een collectieve schadeafwikkeling is vastgesteld (artikel 1018i), dan moet de verweerder daarbij ook mededeling doen aan de in artikel 7:907 lid 2 onder g bedoelde persoon.

Artikel 1018l Kostenveroordeling

Artikel 1018l bevat een regeling voor een proceskostenveroordeling die afwijkt van artikel 237 e.v. De regeling geeft de rechter de mogelijkheid om een kostenveroordeling uit te spreken die afwijkt van het liquidatietarief. Door de woorden «Een uitspraak ingevolge artikel 1018i…» geldt de afwijkende proceskostenregeling alleen voor het geval de rechter een uitspraak doet waarbij hij een collectieve schadeafwikkeling vaststelt. In dat geval wordt de collectieve vordering dus (in elk geval deels) toegewezen. Bij andere uitspraken van de rechter waarbij bijvoorbeeld uitsluitend een verklaring voor recht wordt gegeven of de vordering daartoe wordt afgewezen, gelden de gewone regels van artikel 237 e.v. onverkort.

De voorgestelde regeling brengt mee dat een toegewezen proceskostenveroordeling ingevolge dit artikel steeds ten laste van de verweerder in de collectieve actie zal zijn. Ik acht dit redelijk omdat hiermee de financiële last die op de als Exclusieve Belangenbehartiger aangewezen organisatie komt te rusten door de aanwijzing als Exclusieve Belangenbehartiger, op deze manier enigszins kan worden verlicht. In de praktijk van collectieve schikkingen is eveneens gebruikelijk dat de door de belangenorganisatie gemaakte kosten in de schikking worden meegenomen. De regeling in dit voorstel voor artikel 1018l moet voorkomen dat een verweerder niet wil schikken om zo de kosten die de Exclusieve Belangenbehartiger in de procedure heeft gemaakt, uit te sparen. Met de voorgestelde regeling is duidelijk dat de verweerder ook bij een uitspraak van de rechter waarbij een collectieve schadeafwikkeling wordt vastgesteld, het risico loopt in deze kosten te worden veroordeeld. Zonder deze regeling zouden alleen de buitengerechtelijke kosten voor volledige vergoeding in aanmerking komen op basis van artikel 6:96 BW. Overigens behoudt de rechter de mogelijkheid om nodeloos aangewende of veroorzaakte kosten voor rekening te laten van de partij die ze heeft veroorzaakt.

Artikel 1018m Schorsing individuele procedures

Artikel 1018m regelt de schorsing en hervatting van individuele procedures. De Aanbevelingen van de Juristengroep stellen dat de collectieve procedure voorrang moet hebben op individuele procedures die later zijn ingesteld. Die voorrang kan volgens de Aanbevelingen worden geregeld door het mogelijk te maken dat later ingestelde procedures worden geschorst op verzoek van de meest gerede partij.

Lid 1 regelt dat individuele procedures kunnen worden geschorst zolang de procedure over collectieve vordering duurt. Op verzoek van de meest gerede partij kan de rechter een procedure schorsen tussen de degene of degenen tegen wie de collectieve vordering zich richt, en een persoon voor wie in de procedure over de collectieve vordering wordt opgekomen en die heeft ge-optout. Schorsing kan indien de individuele procedure betrekking heeft op gelijksoortige feitelijke en rechtsvragen voor dezelfde gebeurtenis of gebeurtenissen, ook indien reeds de dag is bepaald waarop het vonnis, het arrest of de beschikking zal worden uitgesproken.

Lid 2 van artikel 1018m regelt de hervatting van een geschorste individuele procedure. Ook in de Aanbevelingen van de Juristengroep werd niet redelijk geacht als een individuele partij lang zou moeten wachten op voortzetting van zijn procedure in afwachting van een einduitspraak in procedure over de collectieve vordering. Na een jaar zou de schorsing daarom moeten kunnen eindigen. In het voorgestelde lid is daarom bepaald dat het geschorste geding wordt hervat overeenkomstig artikel 227, eerste lid, indien de schorsing langer dan een jaar heeft geduurd en de meest gerede partij om opheffing van de schorsing heeft verzocht. Als geen van partijen om voortzetting verzoekt, kan de schorsing dus ook langer dan een jaar duren. Ook als de uitspraak in de procedure over de collectieve vordering onherroepelijk is geworden, moet het geding worden hervat. Daarin voorziet lid onder b. Op schorsing en hervatting zijn de algemene schorsings- en hervattingsbepalingen van de artikelen 225, tweede lid, tweede zin, en derde lid en 227, tweede en derde lid, van toepassing.

Artikel III

Artikel III bevat de inwerkingtredingsbepaling.

De Minister van Veiligheid en Justitie, G.A. van der Steur


X Noot
2

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer

X Noot
3

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer

X Noot
4

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer