Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2016-201734532 nr. 100

34 532 Wijziging van de Meststoffenwet in verband met de invoering van een stelsel van fosfaatrechten

Nr. 100 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN ECONOMISCHE ZAKEN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 12 juli 2017

In de debatten met uw Kamer over de introductie van het fosfaatrechtenstelsel voor de melkveehouderij heb ik toegezegd uw Kamer na 1 juli 2017 te informeren over het zogenaamde generieke kortingspercentage. Dit kortingspercentage zal worden toegepast als het stelsel van fosfaatrechten op 1 januari 2018 in werking treedt. De inwerkingtreding van het stelsel is, mede als gevolg van het amendement Lodders (Kamerstuk 34 532, nr. 50), nog afhankelijk van de gesprekken met de Europese Commissie over uitzicht op een nieuwe derogatie voor de periode 2018–2021 en over staatssteun.

Ik heb de Commissie van Deskundigen Meststoffenwet (CDM) gevraagd mij over het kortingspercentage te adviseren. De CDM heeft recent advies uitgebracht. Het kortingspercentage dient in samenhang gezien te worden met het advies van de «Commissie knelgevallen fosfaatrechten», zoals dit op 1 juli jongstleden aan mij werd aangeboden. De beide rapporten zijn als bijlage bij deze brief gevoegd1.

Advies Commissie van Deskundigen Meststoffenwet

De CDM berekent aan de hand van gegevens van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl) over het aantal gehouden stuks melkvee op 2 juli 2015 (de peildatum) en de wettelijk vastgestelde excretieforfaits voor fosfaat de totale fosfaatproductie op de peildatum op 89,4 miljoen kilogram. De forfaitaire fosfaatproductie ligt daarmee 4,5 miljoen kilogram boven het sectorplafond voor melkvee van 84,9 miljoen kilogram. In mijn brief van 3 maart 2016 (Kamerstukken 33 979 en 33 037, nr. 108) heb ik al aangegeven dat de fosfaatproductie in de melkveehouderij op de peildatum het plafond overschreed. De berekeningen uit het advies van de CDM bevestigen dit.

Het doel van het stelsel van fosfaatrechten is te borgen dat de fosfaatproductie door melkvee vanaf 2018 onder het sectorplafond van 84,9 miljoen kilogram fosfaat blijft. Daarom kan ik geen fosfaatrechten toekennen voor de gehele fosfaatproductie op de peildatum, maar moet direct bij toekenning van de rechten ook een korting plaatsvinden.

Op grond van de situatie op de peildatum zou een generieke korting van 5,1% noodzakelijk zijn. Echter, met het amendement Dik-Faber en Koçer Kaya (Kamerstuk 34 532, nr. 31) en het subamendement Van Gerven (Kamerstuk 34 532, nr. 55) is in de wet (Wet van 29 mei 2017 tot wijziging van de Meststoffenwet in verband met de invoering van een stelsel van fosfaatrechten; Staatsblad 2017, nr. 229) een voorziening opgenomen waarmee bedrijven met melkvee die in 2015:

  • grondgebonden waren, ontzien worden van de generieke korting;

  • een «relatief» klein fosfaatoverschot hadden, niet verder worden gekort dan tot het punt waarop het betreffende bedrijf in 2015 grondgebonden zou zijn.

Doordat grondgebonden bedrijven volledig worden ontzien bij de generieke korting, stijgt het kortingspercentage voor de overige bedrijven van 5,1 naar 6,7%. Het gedeeltelijk ontzien van bedrijven met een relatief klein overschot levert een verdere stijging van het kortingspercentage op tot 7,3%.

Uit de rapportage van de CDM blijkt dat iedere additionele toekenning van 1 miljoen kilogram fosfaatrechten een verhoging van het kortingspercentage met 1,5% tot gevolg heeft.

Advies Commissie knelgevallen fosfaatrechten

Ter uitvoering van het amendement Geurts c.s. (Kamerstuk 34 532, nr. 85) heb ik de Commissie knelgevallen fosfaatrechten ingesteld, onder voorzitterschap van de heer drs. C.J. Kalden. Over de opdracht aan en de samenstelling van deze commissie heb ik uw Kamer per brief van 12 mei 2017 geïnformeerd (Kamerstuk 33 037, nr. 203). De commissie beschrijft «de opdracht lastig te hebben gevonden vanwege het bijzondere samenspel van politieke, sociaaleconomische en maatschappelijke aspecten rond de melkveehouderij en het mestprobleem. De lastigste was de afweging tussen individuele verantwoordelijkheid en collectieve afwenteling bij de groei van de veestapel en de bijbehorende mestproductie».

De commissie heeft, conform haar opdracht, afgewogen of categorieën van bedrijven voldoende concreet en nauwkeurig af te bakenen zijn en zowel individueel als buitensporig op een dusdanige wijze geraakt worden dat dit niet alleen buiten de voor de sector te verwachten bedrijfsrisico’s gaat, maar ook de afwenteling op de sector als geheel – in de vorm van een noodzakelijke verhoging van het generieke kortingspercentage – rechtvaardigt.

De commissie adviseert in de eerste plaats om maximaal zeker te stellen dat het effect van het op basis van een generieke voorziening honoreren van individuele bedrijven als knelgeval, wordt beperkt tot een stijging van het generieke kortingspercentage met maximaal 1%.

De commissie heeft verschillende categorieën van bedrijven beoordeeld en komt tot het advies om de knelgevallenvoorziening bij algemene maatregel van bestuur uit te breiden met de volgende twee categorieën van bedrijven:

  • 1. Nieuw gestarte bedrijven: het gaat hierbij om bedrijven die op basis van een aantal (cumulatieve) criteria aan kunnen tonen dat sprake is van een nieuw gestart bedrijf. De commissie adviseert bij deze categorie een compensatie van 50% van het verschil tussen de feitelijke melkveebezetting op 2 juli 2015 en de op die datum aanwezige stalcapaciteit. De commissie stelt tevens voor een bedrijf uitsluitend als knelgeval te bestempelen als op 2 juli 2015 minimaal 10% (drempel) minder kilogrammen fosfaat met melkvee op het bedrijf werd geproduceerd dan, op grond van de te overleggen bewijsstukken, voorzien werd bij volledige benutting van de capaciteit.

  • 2. Bedrijven in een buitengewone situatie vanwege realisatie van een natuurgebied, de aanleg of het onderhoud van publieke infrastructuur of vanwege een algemene nutsvoorziening; het gaat om bedrijven die, veelal in overleg met decentrale overheden, afspraken hebben gemaakt over bijvoorbeeld een bedrijfsverplaatsing in verband met natuurontwikkeling of infrastructurele projecten, of hun bedrijf extensiveren ten behoeve van natuurontwikkeling, en die op de peildatum van 2 juli 2015 om die reden nog geen of een onvolledige veebezetting hadden of die op de peildatum tijdelijk niet-grondgebonden waren. Er moet sprake zijn van een veebezetting op de peildatum van 2 juli 2015 die, conform de knelgevallenvoorziening in artikel 23, zesde lid, van de wet, aantoonbaar 5% lager lag dan zonder de buitengewone omstandigheid en als direct gevolg van de ontwikkeling van het publieke project.

De commissie concludeert dat met de toevoeging van bovenstaande categorieën aan de knelgevallenvoorziening, de generieke korting met ongeveer 1% zal stijgen.

Ik neem het advies van de commissie over. Ik zal de twee genoemde categorieën in een algemene maatregel van bestuur opnemen die per 1 januari 2018 van kracht moet worden.

Conclusie: generiek kortingspercentage fosfaatrechtenstelsel

Beide adviezen gecombineerd resulteren in een generiek kortingspercentage van 8,3%.

Op 6 en 11 juli jl. heb ik overleg gevoerd met de sector. We hebben onder andere gesproken over de wenselijkheid van het hanteren van een veiligheidsmarge bovenop een generiek kortingspercentage van 8,3%. Die veiligheidsmarge kan van pas komen om tegenvallers op te vangen die zich kunnen voordoen bij de toekenning van fosfaatrechten (bijvoorbeeld door toekenning van extra rechten als gevolg van bezwaar- en beroepsprocedures) of als gevolg van een hogere fosfaatproductie door hogere gehalten fosfaat in het ruwvoer.

De vertegenwoordigers van de sectororganisaties verwachten dat de fosfaatproductie met een korting van 8,3% onder het sectorplafond van 84,9 miljoen kilogram fosfaat komt en dat daarom een veiligheidsmarge niet nodig is. Ik heb hen erop gewezen dat indien de totale fosfaatproductie alsnog hoger uit lijkt te gaan vallen dan het sectorplafond van 84,9 miljoen kilogram fosfaat, een additionele generieke korting volgend jaar noodzakelijk is. De sectororganisaties begrijpen die consequentie van het niet-hanteren van een veiligheidsmarge.

Ik heb besloten het kortingspercentage vast te stellen op 8,3%. Dit percentage zal worden vastgelegd in een algemene maatregel van bestuur.

De Staatssecretaris van Economische Zaken, M.H.P. van Dam


X Noot
1

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl