Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2016-201733037 nr. 203

33 037 Mestbeleid

Nr. 203 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN ECONOMISCHE ZAKEN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 12 mei 2017

Op 4 mei 2017 heeft de Voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag vonnis gewezen in zes kort gedingen die door verschillende combinaties van veehouders zijn aangespannen tegen de Regeling fosfaatreductieplan 2017 (hierna: de regeling). Met deze brief informeer ik uw Kamer over de uitspraak en de consequenties die ik daaraan verbind. Tevens beantwoord ik in deze brief de vragen die naar aanleiding van de uitspraak van de voorzieningenrechter door uw Kamer zijn gesteld tijdens het AO Landbouw- en Visserijraad op dinsdag 9 mei jl.

Fosfaatreductieplan melkveehouderij 2017

Het Fosfaatreductieplan melkveehouderij 2017 (hierna: fosfaatreductieplan) heeft tot doel de fosfaatproductie in Nederland voor het einde van 2017 terug te brengen tot het niveau dat is toegestaan op basis van de derogatiebeschikking Nitraatrichtlijn. Dit is noodzakelijk voor het behoud van de huidige derogatie en om met de Europese Commissie te kunnen spreken over voortzetting van de derogatie vanaf 2018. De derogatie is van groot belang voor de veehouderijsectoren, omdat op basis van de derogatie binnen de kaders van de Nitraatrichtlijn meer dierlijke mest in de Nederlandse landbouw kan worden aangewend. Verlies van de derogatie heeft (financiële) consequenties voor de hele veehouderij.

Het fosfaatreductieplan bestaat uit drie maatregelen: het voerspoor melkveehouderij, de subsidieregeling beëindiging melkveehouderij en de Regeling fosfaatreductieplan 2017 (Kamerstuk 33 037, nr. 189).

De regeling voorziet in vijf periodes waarin een ten opzichte van een vaste peildatum een oplopend kortingspercentage kan worden opgelegd (respectievelijk 5, 10, 20 en 40%). Deze kortingspercentages gelden voor melkveebedrijven die op 1 oktober 2016 ten opzichte van de bedrijfstaakstelling met deze percentages zijn gegroeid. De bedrijfstaakstelling bedraagt voor niet-grondgebonden bedrijven het aantal grootvee-eenheden op 2 juli 2015 verminderd met 4%. Voor de grondgebonden bedrijven wordt deze korting van 4% niet toegepast. Dit betekent dat een grondgebonden bedrijf, dat met 10% was gegroeid op 1 oktober 2016 ten opzichte van zijn bedrijfstaakstelling, de melkveestapel in 2017 maximaal met 10% dient te reduceren. Daarnaast is in de regeling conform het oorspronkelijke plan van de zuivelondernemingen rekening gehouden met de belangen van en de effecten voor starters en investeerders/groeiers. Zij worden gedeeltelijk ontzien in de systematiek van de oplopende kortingspercentages, omdat zij in 2017 slechts een gedeelte van hun groei moeten reduceren. De mate waarin zij worden gekort hangt af van de voortgang van het totale fosfaatreductieplan.

De regeling legt alleen een reductieopgave op aan de melkveehouderij, omdat in deze sector het sectorale fosfaatproductieplafond is overschreden. Op basis van de derogatieschikking is Nederland gehouden aan het nationale fosfaatproductieplafond van 172,9 miljoen kilogram. Het plafond is gebaseerd op de feitelijke fosfaatproductie in 2002. De betrokken veehouderijsectoren hebben zich er in onderling overleg aan gecommitteerd in enig jaar niet meer fosfaat te produceren dan in 2002, omdat daaruit automatisch volgt dat het totale plafond niet wordt overschreden. In het AO Landbouw- en Visserijraad op 9 mei jl. was aan de orde of de reductieopgave ook voor de vleesveesector zou moeten gelden. De categorie «overige rundvee», waar de vleesveehouderij toe behoort, heeft een sectorplafond van 12,5 miljoen kilogram fosfaat. In 2015 bedroeg de feitelijke productie 10,8 miljoen kilogram en op basis van voorlopige cijfers wordt de fosfaatproductie in 2016 geraamd op 10,1 miljoen kilogram. Er was geen aanleiding om een reductieopgave aan de vleesveesector op te leggen.

Voortgang fosfaatreductieplan en de regeling

Ik heb uw Kamer op 28 april jl. geïnformeerd over de stand van zaken van de uitvoering van het fosfaatreductieplan (Kamerstuk 33 037, nr. 202). Een belangrijke conclusie op basis van de eerste kwartaalrapportage van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) is dat de realisatie van fosfaatreductie voorspoedig verloopt. In totaal is de fosfaatproductie in het eerste kwartaal met 4,5 miljoen kilogram gereduceerd. De ambitie voor het fosfaatreductieplan is 8,2 miljoen kilogram. Ik concludeer dat er gunstige perspectieven zijn voor het realiseren van de totale reductiedoelstelling van het fosfaatreductieplan als de geboekte resultaten in de resterende maanden van dit jaar ook worden bestendigd.

Ook de monitoringsresultaten van de regeling zijn gunstig. In de regeling zijn de kortingspercentages voor de eerste periode (maart/april: 5%) en de tweede periode (mei/juni: 10%) vastgesteld. De noodzaak voor het verhogen van de reductieopgave in een volgende periode wordt bepaald op basis van de monitoringsgegevens over de voorbije periode.

Ik heb in dit verband met de betrokken sectorpartijen afgesproken op basis van de volgende CBS-rapportage, die wordt verwacht in de tweede helft van mei, duidelijkheid te geven over de kortingspercentages voor de derde, vierde en vijfde periode (juli/augustus, september/oktober en november/december). Dat geeft maximale duidelijkheid voor melkproducerende bedrijven over de inspanning die nog van hen wordt gevraagd en die nodig is om het fosfaatreductiedoel te realiseren. Ik verwacht dat het kortingspercentage fors lager zal liggen dan de maximale 40%. Ik zal uw Kamer hierover eind mei nader informeren.

Essentieel hierbij is dat de geboekte resultaten in de resterende maanden van dit jaar worden bestendigd en dat er geen terugval optreedt in de reductie. De sectorpartijen en ik hebben vertrouwen in de uitgezette koers. Wij blijven het doel van de maatregelen benadrukken. Behoud van de derogatie is van essentieel belang voor een duurzame en sterke melkveehouderijsector in Nederland.

Overzicht wijzigingen Regeling fosfaatreductieplan 2017

Tijdens het AO Landbouw- en Visserijraad van 9 mei jl. is verzocht om een overzicht van de wijzigingen van de regeling en een duiding van de consequenties voor de beoogde reductiedoelstelling. De regeling is op 17 februari jl. gepubliceerd in de Staatscourant. Met deze regeling heb ik het plan dat eerder door de zuivelsector is ontwikkeld geborgd in een ministeriële regeling onder de Landbouwwet. De regeling is in nauw overleg met LTO, NZO, NMV en NAJK tot stand gekomen.

Het doel van de regeling is het stapsgewijs verkleinen van de melkveestapel waarmee de fosfaatproductie door de melkveehouderij met 5 miljoen kilogram wordt verminderd (Kamerstuk 33 037, nrs. 189 en 202). De regeling stuurt voor het realiseren van de beoogde reductie van fosfaat op melkproducerende bedrijven. De regeling zag daarnaast op niet-melkproducerende bedrijven, om te voorkomen dat rundvee naar deze bedrijven wordt verplaatst om aan de doelstelling voor vermindering van dieren te voldoen, zonder dat feitelijk sprake zou zijn van fosfaatreductie. Om «weglekeffecten», die de effectiviteit van de regeling negatief beïnvloeden, te voorkomen bevatte de regeling bepalingen om de toename van rundvee op niet-melkproducerende bedrijven te maximeren. Aan niet-melkproducerende bedrijven werden geen reductiedoelstellingen opgelegd omdat de fosfaatproductie door de niet-melkveecategorieën de afgelopen jaren niet is gegroeid.

Na het van kracht worden van de regeling op 1 maart 2017 bleek de regeling een aantal onbedoelde effecten te sorteren en onevenredig zwaar uit te pakken voor sommige ondernemers. Om daaraan tegemoet te komen is de regeling tweemaal gewijzigd. De wijzigingen zijn gepubliceerd op 30 maart en 28 april 2017. Uw Kamer is over beide wijzigingen geïnformeerd (Kamerstuk 21 501-32, nr. 992 en Kamerstuk 33 037, nr. 202).

De wijziging van de regeling die op 30 maart jl. is gepubliceerd, had met name betrekking op de volgende punten:

  • De definitie van grondgebondenheid is aangepast. In de regeling werd voor de bepaling of een bedrijf grondgebonden was uitgegaan van een gemiddelde forfaitaire excretienorm. Door het hanteren van deze norm kon uit berekeningen volgen dat bedrijven met laagproductieve koeien niet grondgebonden waren, terwijl ze dat in berekeningen op basis van het wetsvoorstel fosfaatrechtenstelsel wel zouden zijn. Door de wijziging van de regeling wordt voor de bepaling van grondgebondenheid in het kader van de regeling uitgegaan van de berekeningswijze in het fosfaatrechtenstelsel als dat voor het betreffende bedrijf gunstiger is.

    De beoogde fosfaatreductie werd hierdoor verminderd met 0,1 miljoen kilogram.

  • Er is een alternatieve peildatum voor het bepalen van het aantal grootvee-eenheden op niet-melkproducerende bedrijven opgenomen. Na het van kracht worden van de regeling bleek dat de eerdere peildatum van 15 december 2016 voor een deel van de vleesveebedrijven onbedoeld zwaar uitpakte. Door de regeling te wijzigen werd beter rekening gehouden met het normale jaarlijkse productieverloop op vleesveebedrijven. Nog steeds werd voorkomen dat vee van melkproducerende bedrijven buiten de werking van de regeling kon worden gebracht door verplaatsing naar vleesveebedrijven. De introductie van een alternatieve peildatum had geen gevolgen voor de effectiviteit van de regeling.

  • Zogenoemde quarantainestallen zijn uitgezonderd van de regeling om belemmeringen in de export van hoogwaardig fokvee te voorkomen. Het gaat om een groep van circa 37 stallen met een stalcapaciteit van 12.000 dieren. Omdat dieren die tijdelijk in de quarantainestallen worden gehouden alleen mogen worden geëxporteerd of, indien dit in uitzonderlijke situaties niet mogelijk is, ter slachting worden aangeboden, had deze voorziening geen gevolgen voor de effectiviteit van de regeling.

De wijziging van de regeling die op 28 april jl. is gepubliceerd, had met name betrekking op de volgende punten:

  • De aanwas van runderen van zeldzame rassen (kalveren die na 1 oktober 2016 zijn of worden geboren) is vrijgesteld van de regeling. Hiermee wordt de groei van de populatie van deze bijzondere rassen niet door de regeling belemmerd. Dit is een stimulans om zowel de kalveren als de drachtige dieren van deze rassen aan te houden.

    Voorwaarde voor het vrijstellen van de aanwas is dat de Stichting Zeldzame Huisdierrassen in samenwerking met de stamboeken de dieren merkt in het I&R-systeem. Daar wordt op dit moment nog aan gewerkt. Naar verwachting is het merken van de dieren eind juni gereed. Dit betekent dat de melkproducerende bedrijven die runderen van zeldzame rassen houden op dit moment nog niet als zodanig te onderscheiden zijn in het I&R-systeem. De betreffende houders ontvangen derhalve wel een beschikking tot betaling van een geldsom, maar verrekening zal plaatsvinden bij de volgende heffingsperiode.

    De gevolgen van de vrijstelling voor de effectiviteit van de regeling zijn niet exact vast te stellen maar zeer beperkt van omvang.

  • De niet-melkproducerende bedrijven zijn uitgezonderd van de regeling. De voorziening voor niet-melkproducerende bedrijven in de eerste wijziging van de regeling bleek ontoereikend om alle onbedoelde negatieve effecten van de regeling voor de niet-melkproducerende bedrijven in voldoende mate weg te nemen. In overleg met de sector is besloten de regeling te beperken tot de melkproducerende bedrijven. Om het eerder genoemde «weglekeffect» te voorkomen, is in het bestuurlijk overleg met de zuivelsector op 26 april jl. besloten het zogenoemde jongveegetal in de regeling op te nemen.

Over de introductie van het jongveegetal in de regeling is onrust ontstaan in de sector. Het jongveegetal geeft per bedrijf de verhouding weer tussen het jongvee (vrouwelijk rundvee tussen 0 en 1 jaar en vrouwelijk rundvee ouder dan 1 jaar maar nog niet afgekalfd) en het aantal koeien. Afvoer van jongvee telt alleen mee als reductie zolang het melkproducerende bedrijf blijft voldoet aan het jongveegetal.

De betrokken sectorpartijen hebben in een deze week gehouden bestuurlijk overleg aangegeven dat de effecten van het jongveegetal zijn onderschat. Zij geven nu aan dat het jongveegetal negatief kan uitwerken in twee situaties, namelijk als door natuurlijke aanwas op het bedrijf de verhouding tussen jongvee en melkkoeien wijzigt en als bedrijven de afgelopen periode vooral melkkoeien hebben afgevoerd met de bedoeling om de komende periode vooral jongvee af te voeren om aan de reductiedoelstelling te voldoen. Deze laatste bedrijven hebben een relatief hoog jongveegetal. Het jongveegetal brengt in deze situaties met zich mee dat afvoer van jongvee de komende periode alleen kan plaatsvinden als er tegelijkertijd extra melkkoeien worden afgevoerd.

Samen met de sectorpartijen constateer ik dat het draagvlak voor de regeling hiermee onder druk komt te staan. Ik heb de sector uitgenodigd op korte termijn te onderzoeken of er draagvlak is voor een alternatieve invulling van het jongveegetal die niet ten koste gaat van de effectiviteit van de regeling, juridisch haalbaar is en geen ongewenste markteffecten voor andere sectoren geeft.

Ik zal uw Kamer op zeer korte termijn informeren over de uitkomsten en de eventuele consequenties voor de regeling.

Uitspraak voorzieningenrechter

Tegen de Regeling fosfaatreductieplan 2017 hebben zes combinaties van veehouders een kort geding aangespannen. Op 4 mei jl. heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag vonnis gewezen in deze zaken. De rechter heeft geoordeeld dat de regeling ten aanzien van de eisende melkveehouders buiten toepassing dient te blijven. Ten aanzien van de vleesveehouders is geconcludeerd dat deze geen belang meer hadden bij de vorderingen omdat de regeling is gewijzigd in die zin dat deze eisers niet langer door de regeling worden geraakt.

Het oordeel van de rechter dat de Regeling fosfaatreductieplan 2017 jegens de eisende partijen buiten toepassing dient te blijven, is gestoeld op de volgende overwegingen. De regeling betreft de regulering van eigendom in de zin van artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag ter bescherming van de Rechten van de Mens (verder: 1 EP). Bij de regulering van eigendom in het kader van 1 EP moet worden voldaan aan een drietal eisen: de regulering moet bij de wet worden voorzien, een gerechtvaardigd algemeen belang dienen en proportioneel zijn. De voorzieningenrechter concludeert dat de Regeling fosfaatreductieplan 2017 is voorzien bij wet en dat het algemeen belang voldoende is onderbouwd. Hij constateert evenwel dat op de eisers – ten opzichte van andere melkveehouders – een onevenredige last wordt gelegd.

Zonder dat precies duidelijk wordt welke feiten of omstandigheden in de individuele gevallen van de eisers tot dit oordeel leiden, gaat de voorzieningenrechter in zijn vonnissen er van uit dat alle eisers op de peildatum (2 juli 2015) onomkeerbare investeringen hadden gedaan in grond of stallen en dat zij hun veestapel nog niet op de op die investeringen afgestemde omvang hadden gebracht. De voorzieningenrechter oordeelt dat de eisers alleen aan de uit de investeringen voortvloeiende financieringsverplichtingen kunnen voldoen als zij hun veestapel uitbreiden. De regeling staat daar volgens de rechter feitelijk aan in de weg. De voorzieningenrechter is van oordeel dat voor eisers, als grondgebonden en biologische melkveehouders, niet voorzienbaar was dat in de productieomvang zou worden ingegrepen als het fosfaatproductieplafond zou worden overschreden. Daarom hoefden eisers bij hun beslissing om uit te breiden geen rekening te houden met toekomstige productiebegrenzende maatregelen, aldus de voorzieningenrechter.

Voorts wijst de voorzieningenrechter op de werkzaamheden van de adviescommissie knelgevallen die als gevolg van amendement-Geurts c.s. is ingesteld (Kamerstuk 34 532, nr. 85). De voorzieningenrechter lijkt de opdracht aan deze adviescommissie als indicatie te beschouwen dat in het kader van het wetsvoorstel fosfaatrechten nog een voorziening zal worden getroffen voor bedrijven die op de peildatum onomkeerbare financiële verplichtingen zijn aangegaan. Ook de omstandigheid dat de Afdeling advisering van de Raad van State eerder in het kader van dat wetsvoorstel heeft gewezen op onomkeerbare investeringsverplichtingen die voor 2 juli 2015 zijn aangegaan, wordt hierbij meegewogen.

De Staat heeft de mogelijkheid om uiterlijk op 1 juni 2017 (spoed)appèl in te stellen tegen het vonnis van de voorzieningenrechter. Het Hof moet instemmen met een verzoek om spoedbehandeling.

Er zijn goede gronden voor het instellen van (spoed)appèl. Het oordeel van de voorzieningenrechter dat de regeling disproportioneel uitpakt voor de eisende melkveehouders, is aanvechtbaar. Ik meen dat de voorzieningenrechter met zijn oordeel teveel getreden is in de ruime beoordelingsvrijheid die de overheid op dit punt heeft. Daarbij komt dat de regeling in mijn optiek voor alle melkveehouders voorzienbaar was, ook voor eisers. Verder ben ik er niet van overtuigd dat in alle aan de voorzieningenrechter voorgelegde gevallen sprake was van onomkeerbare financieringsverplichtingen, die – als gevolg van de regeling – niet zouden kunnen worden nagekomen. Met de bijzondere positionering van eisers miskent de voorzieningenrechter bovendien dat elke kilogram fosfaat er in het licht van het productieplafond één is. Het productieplafond waaraan Nederland zich heeft te houden voorziet niet in een bijzondere positie voor specifieke bedrijven.

Om deze redenen heb ik besloten om hoger beroep in te stellen tegen het vonnis van 4 mei 2017. Deze beslissing heeft onmiskenbaar gevolgen voor bedrijven die door de voorzieningenrechter in het gelijk zijn gesteld. Zoals eerder is aangegeven, is het uitvoeren en slagen van het fosfaatreductieplan 2017 van groot belang voor de melkveehouderij. De inzet is om de derogatie ook na 2017 te kunnen continueren. Het is dit belang dat prevaleert boven de onzekerheid die als gevolg van het hoger beroep voor de betrokken bedrijven zal ontstaan. Door te verzoeken om spoedappèl zal worden getracht deze onzekerheid tot een minimum te beperken.

Zolang op het spoedappèl niet is beslist, geldt het vonnis van de voorzieningenrechter en dient de regeling ten aanzien van 52 eisers buiten toepassing te blijven. De regeling zal op de overige bedrijven onverkort worden toegepast. Zowel eisers waarvan is bepaald dat de regeling buiten toepassing moet blijven als bedrijven die als gevolg hiervan menen dat voor hen hetzelfde geldt, dienen zich te realiseren dat het Hof tot een ander oordeel kan komen. Concreet betekent dit dat als de Staat in hoger beroep in het gelijk wordt gesteld, ook ten aanzien van hen alsnog volledig toepassing wordt gegeven aan de regeling, ook over de periode waarin geen uitvoering is gegeven aan de regeling in verband met het vonnis van de voorzieningenrechter. Bedrijven die naar aanleiding van dit vonnis besluiten geen gevolg te geven aan de regeling, nemen daarmee dus een risico, dat voor hun rekening komt.

Het vonnis is van toepassing op de Regeling fosfaatreductieplan 2017. In de communicatie over het vonnis wordt echter veelvuldig de parallel gezocht met de knelgevallen die in het kader van het aankomende fosfaatrechtenstelsel worden onderzocht. Ook in het vonnis zelf wordt gewezen op het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State over het wetsvoorstel fosfaatrechten en op de knelgevallencommissie die naar aanleiding van het eerder aangehaalde amendement-Geurts c.s. wordt ingesteld. Daarmee loopt de voorzieningenrechter vooruit op het onderzoek van de knelgevallencommissie en de daarop volgende besluitvorming. Ik hecht er aan te benadrukken dat de Regeling fosfaatreductieplan 2017 en het wetsvoorstel fosfaatrechten (Kamerstuk 34 532) zoals dat op dit moment in behandeling is bij de Eerste Kamer twee te onderscheiden maatregelen zijn. Maatregelen die op onderdelen ook aanzienlijk van elkaar verschillen. Zo heeft de regeling uitsluitend betrekking op het jaar 2017 en werkt deze met een systeem van financiële prikkels (heffingen en bonussen), terwijl het stelsel van fosfaatrechten beoogt de fosfaatproductie door de melkveehouderij langdurig te beperken met door straffen te handhaven productierechten. Aangezien het gaat om duidelijk te onderscheiden maatregelen, en de vraag naar proportionaliteit ervan (en in vervolg daarop de definitie van knelgevallen) er altijd een is van een afweging tussen de doelstelling van de maatregel en de uitwerking daarvan in een individueel geval, kan onmogelijk in abstracto en van tevoren een één-op-één parallel tussen beide stelsels op dit punt worden aangenomen.

Adviescommissie knelgevallenvoorziening fosfaatrechten

In het wetsvoorstel fosfaatrechten is voorzien dat melkveehouders fosfaatrechten krijgen toegekend op basis van het aanwezige melkvee op de peildatum 2 juli 2015. Het wetsvoorstel bevat een voorziening om landbouwers die onevenredig benadeeld worden door de toepassing van de peildatum te compenseren. De knelgevallenvoorziening is beperkt omdat iedere extra toekenning van fosfaatrechten de omvang van de noodzakelijke generieke afroming vergroot. Via het amendement-Geurts c.s. (Kamerstuk 34 532, nr. 85) is in het wetsvoorstel de mogelijkheid opgenomen om de knelgevallenvoorziening te verruimen. Dat kan door bij algemene maatregel van bestuur categorieën van bedrijven vast te stellen waarvoor de hoeveelheid toe te kennen fosfaatrechten kan worden verhoogd. Het amendement bepaalt dat de regering zich hierbij dient te laten adviseren door een conform de Kaderwet adviescolleges ingestelde adviescommissie. Hierbij informeer ik uw Kamer over de instelling van de in het amendement bedoelde adviescommissie.

De Commissie knelgevallenvoorziening fosfaatrechten (hierna: de commissie) krijgt de taak om op basis van individuele casussen advies uit te brengen over het al dan niet verruimen van de knelgevallenvoorziening. De commissie dient vast te stellen of er groepen bedrijven zijn die disproportioneel worden geraakt door de invoering van het stelsel van fosfaatrechten en te adviseren over de mate waarin bedrijven hiervoor gecompenseerd dienen te worden.

In haar adviestaak dient de commissie met een drietal zaken rekening te houden. Allereerst dient de commissie in haar afweging de consequenties van verruiming van de knelgevallenvoorziening voor andere melkveehouders expliciet mee te wegen. De toedeling van extra fosfaatrechten moet immers opgebracht worden door de fosfaatrechten voor andere melkveehouders met eenzelfde hoeveelheid af te romen. Ten tweede wordt de adviescommissie gevraagd te bezien of de groepen melkveehouders die disproportioneel worden geraakt voldoende duidelijk zijn af te bakenen. Ten derde wordt de commissie gevraagd ook het risico op oneigenlijk gebruik in haar advies te wegen en te bezien of en hoe dit risico afdoende kan worden beperkt.

In haar eindadvies dient de commissie

  • heldere criteria te formuleren waaraan melkveehouders moeten voldoen om als knelgeval te worden aangemerkt;

  • aan te geven in welke mate melkveehouders die voldoen aan de beschreven criteria worden gecompenseerd;

  • een indicatie te geven van de totale omvang van de verruiming en de consequenties voor de hoogte van de generieke afroming voor álle melkveehouders;

  • aan te geven voor welke groepen melkveehouders de commissie adviseert af te zien van verruiming van de knelgevallenvoorziening en aan te geven op grond van welke overwegingen dit wordt geadviseerd.

Conform het amendement Geurts c.s. wordt de commissie gevraagd in haar eindadvies bijzonder oog te hebben voor bedrijven die voor 2 juli 2015 onomkeerbare financiële verplichtingen zijn aangegaan en voor biologische melkveehouders die op 2 juli 2015 in een bedrijfsontwikkelproces zaten dat zich moeilijk laat combineren met fosfaatrechten, bijvoorbeeld door het proces van omschakeling van gangbaar naar biologisch of vice versa.

De commissie wordt gevraagd om uiterlijk op 1 juli 2017 advies uit te brengen zodat de wet met de knelgevallenvoorziening per 1 januari 2018 in werking kan treden. Mocht dit – bijvoorbeeld uit het oogpunt van zorgvuldigheid – niet haalbaar zijn, dan kan de commissie in overleg met mij tot een nieuwe datum komen.

De commissie bestaat uit een voorzitter en drie commissieleden, die worden benoemd op grond van relevante deskundigheid en ervaring. Zij treden niet op als belangenvertegenwoordiger. De commissie bestaat uit de heren drs. C.J. Kalden (voorzitter), G.J. Doornbos en ing. D.S. Schoonman en mevrouw mr. J.L.D. Heukers.

Op donderdag 20 april 2017 is de gewijzigde motie-Geurts c.s. (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1014) over de Commissie knelgevallen fosfaatrechten aangenomen. Ik kan deze motie niet uitvoeren. De opdracht aan de commissie heeft nadrukkelijk alleen betrekking op de knelgevallenvoorziening onder het fosfaatrechtenstelsel die uiteindelijk wordt vastgelegd in een algemene maatregel van bestuur. De basis voor deze algemene maatregel van bestuur is, zoals reeds aangegeven, het wetsvoorstel fosfaatrechten. Pas nadat het fosfaatrechtenstelsel in werking is getreden, kan de algemene maatregel van bestuur in werking treden. Dat maakt dat melkveehouders niet voor 1 januari 2018 kenbaar kunnen maken dat zij van de verruimde knelgevallenvoorziening gebruik willen maken. Beoordeling van deze meldingen en de eventuele toekenning van extra fosfaatrechten zal zo spoedig mogelijk, maar dus ook pas in 2018 kunnen plaatsvinden.

Daarnaast is het de opdracht aan de commissie om, op basis van individuele casussen, categorieën van bedrijven te formuleren die van de knelgevallenvoorziening gebruiken moeten kunnen maken. De commissie gaat niet toetsen of individuele casussen voldoen aan criteria. Die beoordeling gebeurt, nadat de algemene maatregel van bestuur in werking is getreden, door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl). Tegen de besluiten van RVO.nl is bezwaar en beroep mogelijk.

Ik zal uw Kamer zo snel mogelijk nadat ik het advies heb ontvangen informeren over het advies en mijn voornemens ten aanzien van de op te stellen algemene maatregel van bestuur.

De Staatssecretaris van Economische Zaken, M.H.P. van Dam