33 910 Wijziging van de Wet op de bedrijfsorganisatie en andere wetten in verband met de opheffing van de bedrijfslichamen (Wet opheffing bedrijfslichamen)

Nr. 6 NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG

Ontvangen 1 juli 2014

I. Algemeen

1. Inleiding

Met belangstelling heb ik kennis genomen van de vragen en opmerkingen van de leden van verschillende fracties over het wetsvoorstel opheffing bedrijfslichamen. Ik dank de leden van de commissie voor hun inbreng. Graag ga ik hieronder, mede namens de Staatssecretaris van Economische Zaken, in op de gestelde vragen. Ik spreek de hoop uit dat het wetsvoorstel met deze beantwoording van de gestelde vragen op korte termijn kan worden geagendeerd voor plenaire behandeling.

De leden van diverse fracties vroegen naar de mogelijkheden voor producenten- en brancheorganisaties en de algemeen verbindend verklaring van voorschriften van deze organisaties. Inmiddels heb ik uw Kamer bij brief van 28 mei jl. in reactie op de motie-Geurts geïnformeerd over de voorwaarden voor erkenning van producenten- en brancheorganisaties en voor algemeen verbindend verklaring van regels van erkende producenten- en brancheorganisaties.

In de nieuwe integrale Gemeenschappelijke Marktordening (verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad, PbEU 2013 L 347) is een belangrijke rol weggelegd voor (unies van) producentenorganisaties en brancheorganisaties. Met deze organisaties wordt beoogd de positie van de primaire producenten in de keten te versterken. Producenten kunnen in producentenorganisaties de krachten bundelen en samenwerken op diverse terreinen voor hun product. Brancheorganisaties kunnen samenwerking tussen de schakels in de keten bevorderen door goede praktijken en markttransparantie te stimuleren. Daarnaast kunnen producentenorganisaties en brancheorganisaties gedurende periodes van ernstige marktverstoring bijdragen aan herstel van de markt: bij wijze van crisismaatregel kan de Europese Commissie bepalen dat bepaalde in de Europese verordening vastgelegde collectieve activiteiten van deze organisaties tijdelijk worden vrijgesteld van de mededingingsregels mits deze activiteiten worden ingezet ten behoeve van marktstabilisatie. In de nieuwe integrale Gemeenschappelijke Marktordening wordt lidstaten bovendien de mogelijkheid geboden om de werking van producenten- en brancheorganisaties te versterken door sommige voorschriften van dergelijke organisaties onder bepaalde voorwaarden tijdelijk van toepassing te verklaren voor niet bij die organisaties aangesloten marktdeelnemers, het zogenaamde algemeen verbindend verklaren.

De Europese verordening bepaalt als minimumeis aan de omvang van een brancheorganisatie dat deze een aanzienlijk deel van de economische activiteiten van de beroepsgroepen die van de brancheorganisatie deel uitmaken vertegenwoordigt. De brancheorganisatie kan aan deze minimumeis voldoen indien deze, via de constituerende vertegenwoordigende organisaties, ten minste 25% van de betrokken primaire producenten en ten minste 25% van de betrokken ondernemers actief in de verwerking van en/of handel in de betrokken producten vertegenwoordigt.

Op grond van de Europese regels moet de lidstaat de minimumeisen voor de omvang van een producentenorganisatie vaststellen. Zoals ik in mijn brief van 28 mei jl. heb aangegeven ben ik voornemens bij ministeriële regeling vast te stellen dat, met uitzondering van de sectoren zuivel en groenten en fruit, een producentenorganisatie tenminste over 15 leden moet beschikken die werkzaam zijn in de betrokken specifieke sector zoals blijkt uit de gegevens die zijn verstrekt in het kader van de Landbouwtelling. Voor de sectoren zuivel en groenten en fruit bestonden reeds minimumeisen voor de omvang van een producentenorganisatie. In de zuivelsector is het minimum ledenaantal reeds vastgesteld op 150 leden actief in deze sector, of, indien de producentenorganisatie zich uitsluitend richt op geitenmelk dan wel biologische koemelk, 20 leden die rauwe geitenmelk dan wel biologische koemelk produceren. In de sector groenten en fruit geldt als erkenningsvoorwaarde reeds dat een producentenorganisatie minimaal over 10 leden beschikt die gezamenlijk 25 miljoen euro aan waarde verkocht product vertegenwoordigen. Ik stel geen aanvullende eisen voor de erkenning van producenten- en brancheorganisaties.

Op grond van de Europese verordening kunnen de lidstaten het instrument van algemeen verbindend verklaring openstellen voor erkende producenten- of brancheorganisaties. De betrokken organisatie moet dan wel voor het product of de producten waarop het voorschrift betrekking heeft waarvoor het verzoek tot algemeen verbindend verklaring wordt gedaan voldoen aan de Europese representativiteitseis. Dit betekent dat de representativiteitseis per verzoek moet worden getoetst en gerelateerd is aan het toepassingsgebied van de maatregel of activiteit. De representativiteitseis houdt in dat een producentenorganisatie tenminste 50% van de betrokken producenten moet vertegenwoordigen én een aandeel heeft van tweederde in de productie van het betrokken product of de betrokken producten. In het geval van een brancheorganisatie geldt dat deze tenminste een aandeel van tweederde in de productie en verwerking en/of handel moet vertegenwoordigen (al naar gelang de schakels in de keten die in de brancheorganisatie vertegenwoordigd zijn).

Ten aanzien van het instrument van algemeen verbindend verklaring geldt dat dit niet mag leiden tot herintroductie van mechanismen die mede reden vormen voor de opheffing van de bedrijfslichamen. Ik zal per geval beoordelen of een verzoek tot algemeen verbindend verklaring wordt gehonoreerd. Bij die beoordeling wordt gekeken of er al een wettelijke grondslag aanwezig is voor de betreffende maatregel. Als dat het geval is, wordt het verzoek niet gehonoreerd. Ik zal dan overwegen of de maatregel in regelgeving van de centrale overheid dient te worden opgenomen. In het geval het verzoek tot algemeen verbindend verklaring betrekking heeft op een maatregel waarvoor geen wettelijke grondslag is, is naast het sectorale belang tevens een wegingsfactor in hoeverre de maatregel het effectief vrij ondernemerschap verhindert of beperkt. Het kan daarbij bijvoorbeeld gaan om de beoordeling in hoeverre de betreffende maatregel invloed heeft op de kwaliteit van op de markt te brengen producten, de productiewijze of op de wijze van afzet van producten in de markt. Met een algemeen verbindend verklaring worden immers niet-georganiseerde ondernemers door een publiekrechtelijk besluit (het besluit tot algemeen verbindend verklaring) met bindende voorschriften of heffingen geconfronteerd die zijn geïnitieerd door organisaties van bedrijven.

In samenhang met een algemeen verbindend verklaring kan alleen collectieve financiering worden opgelegd indien aangetoond wordt dat de betreffende maatregel of activiteit van algemeen economisch belang is voor alle marktdeelnemers wiens activiteiten met het betrokken product of de betrokken producten verband houden. Verder geldt dat de hoogte van de verplichte financiële bijdragen van niet bij de organisatie aangesloten marktdeelnemers niet meer mag zijn dan nodig voor de financiering van de kosten die rechtstreeks uit de betrokken maatregel of activiteit voortvloeien.

2. Algemeen

De leden van de VVD-fractie vroegen welke publieke taken voortkomen uit Europese regelgeving en welke uit nationale regelgeving. De publieke taken ten aanzien van de volgende onderwerpen komen voort uit Europese regelgeving: marktordening slachtrunderen en slachtvarkens, marktordening zuivel, marktordening garnalen en visserijproducten, marktordening groente en fruit, schoolfruit, marktordening suiker, marktordening wijn, marktordening olijfolie, schoolmelk, ureumgehalte in koemelk, identificatie en registratie van paarden, classificatie van runderen, in- en uitvoer van bevroren rundvlees, in- en uitvoer van hennep, interventie in aanbod en prijzen van landbouwproducten, registratie van kwaliteitsaanduidingen van landbouwproducten, uitvoering superheffing, controle (zee)visserij, erosiebestrijding door landbouwers, gemedicineerd diervoerder, verpakkingsvolumes van wijn, identificatie en registratie van pluimvee, TSE bij schapen, ziekte van Aujeszky, productie van en handel in broedeieren en levend pluimvee, uitbetaling boerderijmelk naar kwaliteit, verpakkingsvolumes gedistilleerde dranken, productiegebieden levende tweekleppige weekdieren, keuring spuitapparatuur gewasbeschermingsmiddelen.

De publieke taken ten aanzien van de volgende onderwerpen komen voort uit nationale regelgeving: plantenziekten/teeltvoorschriften, dierenwelzijnsregels voor ouderdieren van vleeskuikens, kalkoenen, konijnen en nertsen, bijzondere slachtpluimveehouderijsystemen, antibiotica, genetisch gemodificeerde organismen, landbouwzaaizaden, varkensleveringen, Leukose bij runderen, aanduidingen gedistilleerde dranken, bier, bewaring en vervoer gekoelde bakkerswaren, hoeveelheid droge stof in brood, uitlekgewichten verduurzaamde champignons en zuurkool, reinigen verpakkingen gewasbeschermingsmiddelen, co2-sectorsysteem glastuinbouw.

Een aantal publieke taken komt gedeeltelijk voort uit Europese regelgeving en gedeeltelijk uit nationale regelgeving. Dit betreft de onderwerpen Mycoplasmose, Aviaire influenza, Newcastle disease, fokkerij, niet zoönotische salmonellose en zoönotische salmonellose. Met deze taken wordt uitvoering gegeven aan de Europese regelgeving inzake de bestrijding van deze dierziekten, maar daarnaast gelden nationaal extra maatregelen. Dit betreft bijvoorbeeld extra monitoringsverplichtingen en de bestrijding van serotypen waarvoor geen Europese verplichtingen gelden.

De leden van de VVD-fractie vroegen naar de belemmeringen waar ondernemers tegenaan kunnen lopen bij het overnemen van niet-publieke taken. Het is primair aan het bedrijfsleven om te bezien of, en op welke wijze, niet-publieke taken worden georganiseerd. Het valt niet uit te sluiten dat ondernemers daarbij tegen belemmeringen aanlopen, omdat bijvoorbeeld de collectieve financiering van deze taken wegvalt. In uitzonderlijke en specifieke gevallen kan ik een algemeen verbindend verklaring overwegen. Met betrekking tot dit instrument verwijs ik naar de informatie hierover in hoofdstuk I, paragraaf 1.

De leden van de CDA-fractie vroegen naar de blauwdruk voor producenten- en brancheorganisaties en welke mogelijkheden deze organisatievormen bieden voor samenwerking in de landbouwsector. Bij brief van 28 mei jl. is het kader voor de erkenning van producenten- en brancheorganisaties en algemeen verbindend verklaring (de blauwdruk) aan uw Kamer gestuurd. In reactie op de vragen van de CDA-fractie over de blauwdruk verwijs ik naar de informatie hierover in hoofdstuk I, paragraaf 1.

Voorts stelden de leden van de CDA-fractie een aantal vragen over de planning voor de overname van publieke taken en of er alternatieven voor handen zijn als 1 januari 2015 niet haalbaar blijkt te zijn. De planning voor de overname van de taken, zoals die in mijn brief van 21 november jl. (Kamerstukken II 2013/14, 32 615, nr. 15) is gegeven, is niet gewijzigd en de overname van de publieke taken ligt op schema. Een aantal taken kan pas worden overgenomen als er een wettelijke grondslag voor is. Hiertoe worden in het wetsvoorstel enkele wetten gewijzigd. Met de inwerkingtreding van het wetsvoorstel kunnen deze taken worden overgenomen. Ik acht 1 januari 2015 daarvoor realistisch en haalbaar. Tot die tijd blijven de productschappen de desbetreffende taken nog uitvoeren. Na 1 januari 2015 zullen de productschappen deze taken niet zonder problemen kunnen voortzetten. Voor de afbouw van de schappen zijn de noodzakelijke stappen gezet: contracten zijn opgezegd, personeel is afgevloeid en de financiële afwikkeling is gestart, bij sommige bedrijfschappen nagenoeg afgerond. Ik stel daarom alles in het werk om de inwerkingtreding van het wetsvoorstel per 1 januari 2015 te realiseren. Mocht dat onverhoopt toch niet mogelijk blijken, dan zal ik mij tot het uiterste inspannen om de continuïteit van de uitvoering van de resterende taken door de schappen te borgen.

De leden van de CDA-fractie vroegen naar meer gedetailleerde informatie over de voortgang bij de overname van publieke taken en eventuele knelpunten en risico’s die zich daarbij voordoen. Voor een overzicht van de publieke taken die worden overgenomen, verwijs ik naar de bijlage bij voornoemde brief van 21 november 2014 (Kamerstukken II 2013/14, 32 615, nr. 15). De taken die daarin genoemd zijn voor overname per 1 januari 2014 (dit betreft met name medebewindstaken met betrekking tot marktordening) zijn op die datum overgenomen. De uitvoering verloopt naar tevredenheid, hierbij hebben zich geen knelpunten voorgedaan.

Per 1 juli 2014 worden taken overgenomen met betrekking tot gemedicineerd diervoeder, wijn, Aviaire influenza en Newcastle disease. De benodigde regelgeving is gereed, de laatste ministeriële regelingen worden binnenkort gepubliceerd. De overname van de plantenziektentaken waarvoor in eerste instantie overname per 1 juli 2014 was voorzien, wordt uitgesteld tot 1 januari 2015. Hiervoor is gekozen op verzoek van de sector en in overleg met de NVWA, omdat dit aansluit bij de overname van de andere taken op het gebied van plantenziekten (de zogenaamde teeltvoorschriften), waarvoor eerst een wettelijke basis moet worden gecreëerd. Overname als één pakket, na het groeiseizoen, is duidelijker voor de sector en komt de uitvoerings- en handhavingspraktijk ten goede. Voor zorgvuldige overname van de taken met betrekking tot bier, gedistilleerde dranken en de ziekte van Aujeszky was meer tijd nodig, daarom worden deze taken niet per 1 juli 2014 overgenomen, zoals eerder voorzien, maar per 1 januari 2015. De taak met betrekking tot eetbare oliën en vetten wordt op verzoek van de branche bij nader inzien niet overgenomen.

Aan de overgang van de andere taken per 1 januari 2015 wordt nog volop gewerkt. De benodigde algemene maatregelen van bestuur zijn nagenoeg gereed en een aantal daarvan is of wordt aan uw Kamer gezonden in het kader van een voorhang- of nahangprocedure. Ik voorzie geen knelpunten die een goede uitvoering vanaf 1 januari 2015 in de weg staan.

De leden van de CDA-fractie vroegen naar de private organisaties die voor uitvoerende werkzaamheden in aanmerking komen. Gedacht moet worden aan organisaties die nu reeds werkzaamheden uitvoeren zoals de Gezondheidsdienst voor Dieren (analyse/monstername diergezondheid) en organisaties die paardenstamboeken bijhouden (registratie van paarden en afgifte paardenpaspoorten) en bestaande of nieuwe private databanken (registratie van antibioticagebruik en identificatie en registratie van pluimvee).

De leden van de CDA-fractie vroegen waarom één op één overname van publieke taken niet op alle onderdelen mogelijk is. Dit heeft te maken met het gegeven dat de voorschriften van de productschappen moeten worden ingepast in bestaande wettelijke systemen. Dit kan bijvoorbeeld gevolgen hebben voor gebruikte begrippen. Ook kan dit betekenen dat bepaalde bepalingen uit productschapsverordeningen niet meer nodig zijn, omdat daarmee bevoegdheden worden geregeld waarin een bestaande wet al voorziet. Ook kunnen kleine verschillen optreden omdat bij de omzetting de gebruikelijke uitgangspunten voor opzet en vormgeving van regelgeving van de rijksoverheid zijn gevolgd. Eén van de aspecten hiervan is dat, anders dan soms in productschapsverordeningen gebeurt, voorschriften uit Europese verordeningen niet worden overgeschreven in nationale regelgeving. Dit kan ertoe leiden dat de regelgeving op onderdelen wijzigt. Ook wordt de regelgeving in sommige gevallen geactualiseerd en worden in specifieke gevallen in overleg met de sector beperkte inhoudelijke wijzigingen doorgevoerd.

De leden van de fractie van het CDA vroegen of verzoeken tot algemeen verbindend verklaring worden gehonoreerd bij het overnemen van publieke taken en aan welke voorwaarden deze verzoeken moeten voldoen. In samenwerking met de bedrijfslichamen is geïnventariseerd welke taken en activiteiten als publiek zijn aan te merken. Deze publieke taken worden door de overheid overgenomen. Bij de overname van taken door de overheid worden de door de bedrijfslichamen gestelde materiële voorschriften opgenomen in regelgeving van de centrale overheid. Verzoeken tot algemeen verbindend verklaring zijn voor deze taken dus niet nodig.

De leden van de fractie van het CDA vroegen op basis van welk onderzoek de conclusie is getrokken dat de verplichte heffingen van de product- en bedrijfschappen toetreding tot een specifieke sector moeilijker maken. Hieraan ligt geen specifiek onderzoek ten grondslag. Het is een feit dat op het moment dat in een bepaalde sector verplicht heffingen moeten worden afgedragen aan een bedrijfslichaam, hierdoor de opstartkosten voor nieuwe ondernemingen worden verhoogd. Dit betekent dat meer geld nodig is om een bedrijf op te starten, wat zorgt voor een extra drempel voor ondernemingen om toe te treden tot een markt. Overigens zijn het afgelopen decennium veel klachten van ondernemers ontvangen over deze verplichte heffingen, waarbij ondernemers aangaven vaak al te moeten betalen voordat zij hun werkzaamheden waren gestart en dus voordat zij inkomen hadden, wat belemmerend werkte bij het opstarten van hun bedrijf.

De leden van de CDA-fractie vroegen of er bij het vaststellen van nieuwe retributies rekening wordt gehouden met het feit dat algemene heffingen van product- of bedrijfschappen het voor nieuwe ondernemingen moeilijker maken om toe te treden tot een specifieke sector. Het is kabinetsbeleid om kostendekkende tarieven vast te stellen in het kader van de retributies. Deze retributies zijn van een andere aard dan de algemene heffingen van bedrijfslichamen. In tegenstelling tot die heffingen houden de retributies rechtstreeks verband met de kosten van de uitvoering van concrete overheidsactiviteiten in het kader van publieke taken. Daarbij worden de werkelijke kosten van de desbetreffende overheidsactiviteit, zoals bijvoorbeeld het uitvoeren van een keuring, in rekening gebracht. Overeenkomstig het rapport van de interdepartementale werkgroep Herziening Maat houden (Kamerstukken II 2013/14, 24 036, nr. 407) wordt de doorberekening beperkt indien deze zou leiden tot onaanvaardbare negatieve gevolgen voor bedrijven.

De leden van de CDA-fractie vroegen of de toetredingsmogelijkheden voor nieuwe ondernemingen ook leidend zijn geweest in de beslissing van de regering om de retributies van de Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit (NVWA) structureel te verhogen. De fusiedienst NVWA kende door de samenvoeging van meerdere inspectiediensten een complex en niet transparant retributiestelsel. De herziening van het retributiestelsel van de NVWA strekt ertoe het retributiestelsel eenvoudiger, transparant en kostendekkend te maken. In tegenstelling tot de heffingen van de productschappen houden de retributies rechtstreeks verband met de kosten van de uitvoering van concrete overheidsactiviteiten in het kader van publieke taken. Daarbij worden de werkelijke kosten van de desbetreffende overheidsactiviteit in rekening gebracht.

De leden van de CDA-fractie vroegen naar de medewerking van het bedrijfsleven bij de uitvoering van publieke taken. Met het bedrijfsleven wordt gesproken over de wijze waarop publieke taken worden overgenomen en uitgevoerd. In sommige gevallen worden afspraken gemaakt over uitvoeringswerkzaamheden die door private organisaties worden gedaan. Voor het overige zal de betrokkenheid van het bedrijfsleven bij de uitvoering van de taken niet anders zijn dan voor andere overheidstaken het geval is.

De leden van de fractie van de ChristenUnie vroegen of tot een stelsel van bedrijfslichamen kan worden gekomen waarbij ook tegemoet wordt gekomen aan bezwaren van ondoelmatigheid van het stelsel. De kritiek op de product- en bedrijfschappen spitst zich met name toe op twee aspecten: het bindende karakter van verordeningen en vooral heffingen en het gebrek aan democratische legitimatie bij de schappen. In de memorie van toelichting heb ik aangegeven de kritiek op het stelsel van zodanig principiële aard blijkt, dat het kabinet heeft geconcludeerd dat het enkel om doelmatigheidsredenen voortzetten van het stelsel niet opportuun is.

De laatste jaren waren doelmatigheidsredenen juist de aanleiding om het stelsel voort te zetten. Het enkel om redenen van doelmatigheid voortzetten van het stelsel is echter niet langer opportuun, nu er fundamentele kritiek is op de kerneigenschappen van het stelsel.

De leden van de Groen Links-fractie vroegen naar de bezwaren van het huidige stelsel van bedrijfslichamen in relatie tot het Bosschap. De bezwaren tegen het huidige stelsel van bedrijfslichamen, te weten het bindende karakter van verordeningen en vooral heffingen en het gebrek aan democratische legitimatie bij de schappen, zijn ook van toepassing op het Bosschap. Het afzonderlijk regelen van de wijziging van de Boswet is niet overwogen, omdat de desbetreffende wijziging van de Boswet onlosmakelijk samenhangt met de opheffing van het Bosschap, waarin onderhavig wetsvoorstel voorziet. De Boswet (artikel 15) regelt dat provincies en gemeenten niet bevoegd zijn om regels te stellen ter bewaring van houtopstanden buiten de bebouwde kom behorende bij bosbouwondernemingen die zijn geregistreerd bij het Bosschap. Omdat met de opheffing van het Bosschap ook de registratie van bosbouwondernemingen door het Bosschap vervalt, moet artikel 15 van de Boswet worden aangepast.

Door de leden van de SGP-fractie werd gevraagd naar de verhouding tussen het opheffen van de product- en bedrijfschappen en het permanent maken van de bedrijveninvesteringszones.

Er is inderdaad een parallel aan te wijzen tussen publiekrechtelijke bedrijfsorganisaties en instelling van een bedrijveninvesteringszone, omdat het in beide gevallen gaat om behartiging van het collectieve belang van bepaalde ondernemingen. Zowel de formele status en positie als de reikwijdte van de organisaties verschilt echter wezenlijk. Bedrijfslichamen zijn publiekrechtelijke organisaties met regelgevende bevoegdheden. Zij opereren op landelijke schaal en zijn gericht op een specifieke sector. Een bedrijveninvesteringszone is een stichting of vereniging die volgens de normale regels van het privaatrecht op initiatief van lokale ondernemers is opgericht en subsidie ontvangt van de gemeente. Een bedrijveninvesteringszone richt zich op alle ondernemers in een bepaald gebied en heeft een tijdelijk karakter. Bijzonder aan een bedrijveninvesteringszone is slechts dat de subsidie die van de gemeente wordt ontvangen, gefinancierd wordt door een gemeentelijke heffing. Hiervoor geldt een extra procedure die waarborgt dat de heffing op draagvlak onder de ondernemers kan rekenen. Op deze wijze wordt met gebruikmaking van reguliere kaders (stichting, gemeentelijke heffing, subsidie) zowel het collectieve belang van de ondernemers als het algemene belang van de gemeente gediend.

De voornaamste kritiek op de bedrijfslichamen betreft het bindende karakter van verordeningen en vooral heffingen van de bedrijfslichamen, in combinatie met de ontbrekende democratische legitimatie. In tegenstelling tot een bedrijfslichaam, kan een bedrijveninvesteringszone geen bindende voorschriften en heffingen opleggen. De subsidie die de bedrijveninvesteringszones ontvangen wordt gefinancierd uit een reguliere gemeentelijke heffing. De redenen om te komen tot opheffing van de bedrijfslichamen zijn daarom niet van toepassing op de bedrijveninvesteringszones.

De leden van de SGP-fractie vroegen naar de consequenties als het wetsvoorstel wordt verworpen. Voor de overname van een aantal publieke taken zal er dan geen wettelijke basis zijn. Voor de afbouw van de schappen zijn al veel noodzakelijke stappen gezet: contracten zijn opgezegd, personeel is afgevloeid en de financiële afwikkeling is gestart, bij sommige bedrijfschappen nagenoeg afgerond. Om die reden zullen de productschappen deze taken na 1 januari 2015 niet zonder problemen kunnen voortzetten. Indien het wetsvoorstel onverhoopt wordt verworpen dan zal ik mij tot het uiterste inspannen om de continuïteit van de uitvoering van de resterende taken door de schappen voor de eerste periode te borgen. Voorts zal ik dan bezien hoe deze taken voor de langere termijn belegd kunnen worden.

3. Overname taken

De leden van de VVD-fractie vroegen naar de taken die worden overgenomen omdat ze onmisbaar zijn voor een goede uitoefening van een publieke taak, maar die niet onder de publieke taken vallen. Alle taken die worden overgenomen worden beschouwd als publieke taken. Voor specifieke deeltaken, zoals bepaalde monitoringstaken en administratieve verplichtingen, kan de relatie met het publieke belang minder rechtstreeks zijn dan voor andere taken. Deze deeltaken zijn echter noodzakelijk voor de goede uitvoering van publieke taken en worden daarom als publieke taak beschouwd.

De leden van de VVD-fractie vroegen of de sancties die op basis van het wetsvoorstel kunnen worden opgelegd in verhouding staan tot de regelgeving. In de regelgeving waarmee publieke taken van de productschappen worden overgenomen, wordt geregeld welke sanctie-instrumenten beschikbaar zijn. Voor de meeste taken geschiedt sanctionering via de Wet op de economische delicten. De sancties die onder de Wet op de economische delicten kunnen worden opgelegd verschillen naar hun aard van de tuchtrechtelijke maatregelen zoals die kunnen worden toegepast bij overtreding van productschapsvoorschriften, met uitzondering van de geldboete. Het verschil in type sancties is te verklaren door de aard van het sanctieregime. Bij tuchtrechtelijke handhaving van productschapsverordeningen gaat het om handhaving in relatief gesloten kring, van voorschriften met een groot sectoraal belang. Daarbij passen andere sancties (zoals berisping en openbaarmaking van de uitspraak op kosten van de betrokkene) dan bij handhaving van algemeen geldende wettelijke regels die juist ook vanwege het algemeen belang worden gesteld. Voor de geldboete geldt dat de maximale boete onder de Wet op de economische delicten hoger is dan onder het tuchtrecht, maar dat wordt aangesloten bij de maximumhoogte die geldt voor overtreding van soortgelijke voorschriften. Ik ben van oordeel dat er geen reden is om voor publieke taken afkomstig van de productschappen een lager boetemaximum te hanteren dan voor andere publieke taken van soortgelijke aard. De daadwerkelijke hoogte van de boete is bovendien afhankelijk de omstandigheden van het geval en deze kunnen worden getoetst door de rechter, die bij het bepalen van de sanctie ook in het concrete geval nog eens afweegt of de sanctie in verhouding staat tot de aard van de overtreding.

De leden van de SP-fractie vroegen naar de mogelijkheid om in de toekomst verscherpte controle op kosten van de betrokkenen als sanctie op te leggen. Verscherpte controle is in de wetten waaronder de productschapsverordeningen worden overgenomen niet beschikbaar als sanctie, maar wel mogelijk in het kader van het toezicht. Het constateren van een overtreding kan aanleiding zijn om intensiever toezicht te houden op het betrokken bedrijf. Afhankelijk van de wet waarop toezicht wordt gehouden worden toezichtskosten al dan niet doorberekend en kan het intensiveren van het toezicht tot hogere kosten leiden voor het betrokken bedrijf.

De leden van de CDA-fractie vroegen of bij het één op één overnemen van publieke taken ook de controlefrequentie van eenmaal per jaar wordt aangehouden, of de NVWA in staat is een controlefrequentie van eenmaal per jaar te hanteren en zo niet, welke consequenties dat heeft voor de naleving. Bedrijven die deelnemen aan private kwaliteitssystemen zijn onderworpen aan jaarlijkse controles van het desbetreffende kwaliteitssysteem. Bij dat bedrijfsbezoek wordt geverifieerd of aan alle eisen wordt voldaan om het kwaliteitslabel te mogen voeren. De private kwaliteitssystemen worden niet overgenomen. De controlefrequentie van de NVWA zal worden gebaseerd op een risico-analyse. Bij het risicogebaseerde overheidstoezicht zal de NVWA rekening houden met de deelname van bedrijven aan private kwaliteitssystemen. Een gevolg hiervan kan zijn dat het toezicht van de NVWA intensiever is bij bedrijven die niet deelnemen aan kwaliteitssystemen.

De leden van de CDA-fractie vroegen wanneer de mogelijkheid van bestuurlijke boetes en last onder dwangsom wettelijk verankerd zal zijn. Voor de sanctionering van de publieke taken die worden overgenomen wordt aangesloten bij de instrumenten die zijn gekozen in de wet waaronder de productschapsregelgeving wordt overgenomen. Het gaat daarbij om bestaande wetten met bestaande handhavingsinstrumenten, die toepasbaar zijn vanaf het moment van overname van de taak. Afhankelijk van de wet waaronder de taak wordt overgenomen kan een sanctie via de Wet op de economische delicten, een last onder bestuursdwang of een bestuurlijke boete worden opgelegd.

Deze leden vroegen voorts een overzicht van de gevolgen voor ondernemers van het vervallen van het tuchtrecht. In de regelgeving waarmee publieke taken van de productschappen worden overgenomen, wordt geregeld welke sanctie-instrumenten beschikbaar zijn en wat de maximale hoogte van de op te leggen sanctie is per delict. Voor een beperkt aantal taken is de bestuurlijke boete beschikbaar. Voor de meeste taken geschiedt sanctionering via de Wet op de economische delicten (WED). Beschikbare sancties voor economische delicten zijn gevangenisstraf, taakstraf en geldboete, alsmede een aantal bijkomende straffen. Daarnaast bestaat in veel gevallen de mogelijkheid tot oplegging van een last onder bestuursdwang.

Welk instrument wordt gekozen uit de beschikbare instrumenten en welke hoogte de sanctie krijgt wordt bepaald door het bevoegde bestuursorgaan (in geval van bestuursrecht) of de bevoegde rechter (in geval van strafrecht en tuchtrecht). Dit geldt zowel voor het thans geldende tuchtrechtelijke regime als voor het toekomstige bestuursrechtelijke of strafrechtelijke regime. De financiële gevolgen voor ondernemers zijn om die reden niet vooraf te kwantificeren. Zoals is de huidige situatie niet voorspeld kan worden welke maatregel de tuchtrechter zal opleggen en wat de hoogte daarvan zal zijn, kan dat ook voor de toekomstige situatie niet worden voorspeld. Wel kan een overzicht worden gegeven van de maximale bedragen van de toekomstig beschikbare financiële sancties (boete onder de WED of bestuurlijke boete) voor de wetten die als basis dienen voor de overname van het grootste deel van de regels uit de productschapsverordeningen. Dat overzicht is hieronder opgenomen. De bedragen voor bestuurlijke boetes zijn standaardbedragen, die afhankelijk van bepaalde omstandigheden verhoogd of verlaagd kunnen worden. De bedragen voor WED-boetes zijn maximumbedragen. Benadrukt wordt dat het hier om maxima gaat; van geval tot geval zal de daadwerkelijke boete worden afgewogen. De huidige tuchtrechtelijke boete bedraagt ten hoogste een bedrag van de derde categorie, dat wil zeggen maximaal € 8.100.

 

Bestuurlijke boete

WED-boete

Wet dieren

Dierenwelzijn: € 1.500

Diervoeders:

– € 2.500 (administratief voorschrift)

– € 5.000 (overige overtredingen)

Afhankelijk van het delict:

– max. € 20.250 (4e categorie)

– max. € 81.000 (5e categorie)

Gezondheids- en welzijnswet voor dieren

n.v.t.

Afhankelijk van het delict:

– max. € 20.250 (4e categorie)

– max. € 81.000 (5e categorie)

Plantenziektenwet

n.v.t.

Max. € 20.250 (4e categorie)

Landbouwwet

n.v.t.

Afhankelijk van het delict:

– max. € 20.250 (4e categorie)

– max. € 81.000 (5e categorie)

Zaaizaad- en plantgoedwet 2005

n.v.t.

Max. € 20.250 (4e categorie)

Warenwet

– € 525 (minder dan 50 werknemers)

– € 1.050 (meer dan 50 werknemers)

Max. € 20.250 (4e categorie)

Wet milieubeheer

n.v.t.

Afhankelijk van het delict:

– max. € 20.250 (4e categorie)

– max. € 81.000 (5e categorie)

De leden van de CDA-fractie stelden voorts een aantal vragen over de sanctionering door privaatrechtelijke kwaliteitssystemen en de problematiek van artikel 5 van de Wet op de economische delicten (WED). De Hoge Raad kwam in de SKV-arresten tot het oordeel dat de Stichting Kwaliteitsgarantie Vleeskalversector (SKV) gezien moest worden als «verlengde arm» van de overheid, zodat artikel 5 van de Wet op de economische delicten (WED) van toepassing werd geacht. Dat artikel bepaalt dat met betrekking tot economische delicten geen andere sancties mogen worden opgelegd dan krachtens de WED, tenzij bij wet anders is bepaald. Hierdoor was het opleggen van een boete door SKV niet toegestaan.

Dit onderwerp is diverse keren besproken met de sector, laatstelijk in de werkgroep van de Taskforce Voedselvertrouwen die zich bezig houdt met privaatrechtelijke kwaliteitssystemen. In dat kader is inderdaad advies gevraagd aan de landsadvocaat. Dit advies, dat ook in de Taskforce-werkgroep is besproken, wordt u hierbij aangeboden1. Ook is het onderwerp ambtelijk besproken met het Ministerie van Veiligheid en Justitie.

Ik ben van oordeel dat een effectieve sanctionering door privaatrechtelijke kwaliteitssystemen thans al mogelijk is en dat die sanctionering niet wordt belemmerd door artikel 5 WED. Met betrekking tot economische delicten mogen door de overheid geen andere sancties worden opgelegd dan krachtens de WED, tenzij bij wet anders is bepaald. SKV werd door de Hoge Raad gezien als «verlengde arm» van de overheid, gelet op de toen bestaande institutionele koppeling (via taakopdracht, statuten, bestuurssamenstelling en financiering) van SKV en haar kwaliteitssysteem aan de overheid, met name aan de betrokken bedrijfslichamen. Zolang kwaliteitssystemen op de genoemde punten niet aan de overheid zijn gekoppeld spelen de factoren die in de SKV-arresten aanleiding waren om artikel 5 WED van toepassing te achten niet. Oplegging van sancties in het kader van private kwaliteitssystemen is dus in de ontkoppelde situatie mogelijk zonder dat artikel 5 WED daaraan in de weg staat. Met die sanctionering hoeft de sector niet langer terughoudend om te gaan.

4. Elementen van het wetsvoorstel

De leden van de VVD-fractie vroegen of de uitvoering van taken op het gebied van antibiotica en de teelt van gewassen bij het bedrijfsleven belegd blijven en, indien niet, waarom niet. Ik maak onderscheid tussen uitvoering en handhaving. Voor uitvoeringswerkzaamheden geldt dat rekening wordt gehouden met de bestaande uitvoeringspraktijk.

De taken op het gebied van plantgezondheid omvatten onder meer voorschriften op het gebied van de teelt van bepaalde gewassen. Deze teeltvoorschriften die van belang zijn voor het behoud van de plantgezondheid worden overgenomen omdat deze worden beschouwd als publieke taak. Handhaving van de status van de plantgezondheid is ook van belang voor behoud van de Nederlandse exportpositie. Bij de uitvoering van deze taken wordt rekening gehouden de bestaande uitvoeringspraktijk.

Ook de activiteiten van de productschappen op het terrein van antibiotica zijn als publieke taak aangemerkt die wordt overgenomen en daarmee publiekrechtelijk wordt geregeld. Bij de uitvoering van deze taak wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de reeds bestaande uitvoeringspraktijk, zoals de bestaande private databanken voor de verplichte antibioticaregistratie. Private organisaties die nu de uitvoeringswerkzaamheden verrichten, zoals de genoemde private databanken voor registratie, zullen deze activiteiten voor zover mogelijk binnen het wettelijk kader waar hun activiteiten worden ondergebracht, blijven uitvoeren. De wijze van uitvoering wordt in nauwe samenwerking met het bedrijfsleven momenteel uitgewerkt. De verantwoordelijkheid voor de handhaving ligt bij de NVWA. De NVWA zal in goed overleg met private kwaliteitssystemen de handhaving risicogebaseerd vormgeven, onder andere gericht op frequente controle van niet-deelnemers aan private kwaliteitssystemen.

De leden van de VVD-fractie vroegen waarom de vermogensbestanddelen naar de staat worden overgeheveld en niet worden verdeeld onder het bedrijfsleven. De overgang van vermogensbestanddelen naar de staat houdt verband met het feit dat het vermogen van de bedrijfslichamen moet worden vereffend en dat de Minister van Economische Zaken in het wetsvoorstel wordt aangewezen als vereffenaar. Die vereffening is nodig omdat de bedrijfslichamen hun vermogens voor de opheffing niet volledig zelf kunnen afwikkelen. Met name het afwikkelen van werkgeversverplichtingen zal nog geruime tijd vergen na de opheffing van de bedrijfslichamen. Pas na afronding van de vereffening is duidelijk of er sprake is van een resterend positief vermogen van het desbetreffende bedrijfslichaam. Een resterend positief saldo krijgt een bestemming ten gunste van het bij het desbetreffende bedrijfslichaam betrokken bedrijfsleven.

De leden van de SP-fractie vroegen naar de bestemming van batige saldi en om een inschatting van de financiële positie van de bedrijfslichamen na de vereffening. Overeenkomstig de regelgeving van de SER hebben alle bedrijfslichamen opheffingsbegrotingen opgesteld. De kerndoelstelling bij het opstellen van de opheffingsbegroting is dat op het moment van opheffing aan alle verplichtingen is voldaan en dat alle mogelijke toekomstige verplichtingen financieel zijn afgedekt. Tevens dienen de bedrijfslichamen ervoor te zorgen dat nauwelijks tot geen vermogen resteert. Op basis van de begrotingen 2014 is de inschatting dat, onder meer door het opleggen van lagere heffingen dan wel het niet meer opleggen van heffingen, de financiële positie van de bedrijfslichamen ultimo 2014 zodanig is dat na vereffening nauwelijks of geen reserves meer zullen resteren. In de uiteindelijke jaarrekeningen 2014 van de bedrijfslichamen zal de daadwerkelijke financiële positie blijken en zal tevens helder zijn wat de omvang van de verschillende vermogensbestanddelen van de afzonderlijke bedrijfslichamen is. Met dit vermogen wordt de vereffening gestart. Een eventueel resterend positief saldo na vereffening krijgt een bestemming ten gunste van het bij het desbetreffende bedrijfslichaam betrokken bedrijfsleven. Bedrijfslichamen kunnen mij nu al suggesties doen voor een eventuele bestemming. De bestemming van de resterende publieke middelen kan niet bestaan uit een uitkering aan specifieke groepen van ondernemers, omdat dan sprake zou zijn van staatssteun, maar zal een meer algemeen karakter moeten hebben.

De leden van de CDA-fractie vroegen naar de financiële en personele gevolgen van de opheffing voor de SER. Door de opheffing zullen de bestuurlijke en toezichthoudende taken van de SER met betrekking tot de product- en bedrijfschappen vervallen. Concreet is bij de SER momenteel ca. 7 fte op jaarbasis betrokken bij de uitvoering van deze taken. De SER heeft dit werk de afgelopen tijd al deels afgebouwd en heeft medewerkers naar andere taakvelden overgeplaatst. Het verdwijnen van deze taken heeft voor het overige geen consequenties voor de positie van de SER met betrekking tot zijn doelstelling en taakgebieden (advisering, bestuurlijke taken en zelfregulering). Wel zijn er implicaties voor de inhoudelijke samenstelling van de bestuurlijke taken van de SER. Gezien de ontwikkelingen ten aanzien van andere bestuurlijke taken, zoals enkele wettelijke taken met betrekking tot medezeggenschap, die recentelijk bij de SER zijn belegd, leidt de opheffing van de bedrijfslichamen echter per saldo niet tot een grote wijziging van de omvang van de totale bestuurlijke taken van de SER.

De leden van de CDA-fractie vroegen naar de overname van bepaalde productschapregelgeving en of er geen gaten vallen. Bij brieven van 1 mei 2013 en 21 november 2013 (Kamerstukken II 2013/14, 32 615, nrs. 8 en 15) is uw Kamer geïnformeerd over onder meer de omzetting van de productschapregelgeving met betrekking tot de publieke taken. Waar mogelijk wordt de desbetreffende regelgeving één op één overgenomen. De overname van taken loopt volgens planning.

Met betrekking tot de in de vraag genoemde onderwerpen hobbydierhouders en monitoring wilde zwijnen is er geen specifieke productschapsregelgeving. De regels van de bedrijfslichamen over monitoring kritische stoffen wordt niet als publieke taak overgenomen. In overleg met het bedrijfsleven wordt synergie gezocht tussen het Nationaal Plan Residuen en de monitoring in het kader van de private kwaliteitssystemen. De regels van de bedrijfslichamen over antibiotica worden overgenomen per 1 januari 2015.

De leden van de CDA-fractie vroegen om een overzicht van de algemene maatregelen van bestuur (amvb’s) die nog gemaakt zullen worden naar aanleiding van het wetsvoorstel en de procedure die daarvoor wordt gevolgd.

Eén amvb ten behoeve van de overname van taken van de bedrijfslichamen is reeds gepubliceerd in het Staatsblad (Besluit van 14 april 2014, houdende wijziging van diverse besluiten in verband met de overname van taken van de bedrijfslichamen). Deze amvb bevat bepalingen in verband met gemedicineerd diervoeder, plantenziekten en verpakkingsvolumes van wijn. Deze amvb treedt in werking op 1 juli 2014 en vindt zijn juridische basis niet in het wetsvoorstel.

Daarnaast is reeds één amvb aangeboden aan de Staten-Generaal in het kader van de voorhangprocedure (ontwerpbesluit, houdende wijziging van het Besluit houders van dieren in verband met de opheffing van de product- en bedrijfschappen en de overname van de welzijnsregels voor ouderdieren van vleeskuikens, vleeskalkoenen, konijnen en nertsen, Kamerstukken II 2013/14, 28 286, nr. 725). Ook deze amvb vindt zijn juridische basis niet in het wetsvoorstel.

Naast deze twee amvb’s ben ik voornemens nog zes andere amvb’s te maken. Drie daarvan zullen na vaststelling worden aangeboden aan de Staten-Generaal in het kader van de nahangprocedure. Dit betreft:

  • Amvb betreffende heffingen in verband met de bekostiging van het weren van dierziekten. Deze amvb vindt zijn juridische basis niet in het wetsvoorstel.

  • Amvb betreffende fokkerij, identificatie en registratie van pluimvee, aanduiding van bijzondere slachtpluimveehouderijsystemen en TSE bij schapen. Deze amvb vindt zijn juridische basis niet in het wetsvoorstel.

  • Amvb tot wijziging van de amvb betreffende heffingen in verband met de bekostiging van het weren van dierziekten en de amvb betreffende heffingen in verband met de bekostiging van het bestrijden van dierziekten. Deze amvb vindt zijn juridische basis in het wetsvoorstel. Zodra het wetsvoorstel in werking is getreden worden beide amvb’s gewijzigd om bepaalde kosten in de diergezondheidsheffing te kunnen verdisconteren. Dit betreft de kosten voor de preventie en bestrijding van andere dierziekten dan de aangewezen besmettelijke dierziekten, zoals Salmonella, en de kosten voor onderzoek naar andere dierziekten dan besmettelijke dierziekten, zoals dat bijvoorbeeld in het kader van de basismonitoring gedaan wordt.

Daarnaast wordt nog een ministeriële regeling over de aanduiding van bijzondere slachtpluimveehouderijsystemen aangeboden in het kader van de voorhangprocedure.

De overige amvb’s worden niet aangeboden aan de Staten-Generaal in het kader van een voor- of nahangprocedure. Dit betreft:

  • Amvb betreffende heffingen in verband met de bekostiging van het bestrijden van dierziekten. Hiervoor wordt een goedkeuringswet achteraf ingediend. Deze amvb vindt zijn juridische basis niet in het wetsvoorstel.

  • Amvb over antibiotica, plantenziekten, genetisch gemodificeerde organismen, landbouwzaaizaden en wilde haver. Deze amvb vindt zijn juridische basis in het wetsvoorstel;

  • Amvb over zoönotische salmonellose. Deze amvb vindt zijn juridische basis in het wetsvoorstel.

De leden van de CDA-fractie vroegen of er, evenals bij de vereffening van het Landbouwschap, nog juridische procedures tegen de opgeheven bedrijfslichamen te verwachten zijn en wat hiervan de gevolgen zijn. Tegen enkele bedrijfslichamen lopen juridische procedures die naar verwachting niet voor de opheffing zullen zijn afgerond. Ook na de opheffing kunnen nog procedures worden aangespannen. In lopende en nieuwe procedures treed ik in de plaats van het bedrijfslichaam, zodat deze procedures kunnen worden afgewikkeld. De uitkomst van die procedures moet worden afgewacht om te kunnen vaststellen of daaruit nog betalingsverplichtingen of vorderingen van het bedrijfslichaam voortvloeien. Pas daarna kan de vereffening worden afgerond. De termijn van afronding van een vereffening kan hierdoor per bedrijfslichaam verschillen.

De leden van de CDA-fractie vroegen naar het financiële vermogen van het voormalige Landbouwschap. Op basis van een voorlopige berekening van de SER is er op dit moment, na aftrek van kosten en verplichtingen, maximaal 12 miljoen euro aan besteedbaar vermogen van het voormalige Landbouwschap. Omdat nog niet duidelijk is hoe de uitspraken zullen luiden in de lopende rechtszaken zijn reserveringen getroffen van circa 5 miljoen euro voor de afhandeling van pensioenclaims en circa 7 miljoen euro voor de afhandeling van een vordering uit de varkenshouderij. Omdat de rechtszaken nog niet zijn afgerond kan de vereffening van het vermogen van het voormalige Landbouwschap uiteraard nog niet plaatsvinden. Het is daarmee onduidelijk hoe groot het vermogen na vereffening nog zal zijn.

De leden van de CDA-fractie vroegen om een overzicht van de lopende procedures tegen de product- en bedrijfschappen. De SER heeft als toezichthouder momenteel een indicatief beeld van de belangrijkste claims en procedures tegen de bedrijfslichamen. De belangrijkste lopende procedures zijn de procedure tegen Productschap Tuinbouw inzake het Sierteelt Bemiddelingscentrum (bloembollen), FreshQ tegen Productschap Tuinbouw, Aldi tegen Productschap Wijn en de procedure tegen Productschap Vee en Vlees en Productschap Zuivel inzake de runderziekte IBR (infectieuze bovine rhinotracheitis). De SER is momenteel bezig met een volledige inventarisatie van de lopende en mogelijk te verwachten claims en procedures tegen de bedrijfslichamen. De toezichtkamer van de SER is voornemens om dit najaar tussentijds toezichtverslag uit te brengen. De nadere inventarisatie van lopende en verwachte procedures maakt daarvan onderdeel uit. Ik zal dit toezichtverslag aan uw Kamer doen toekomen.

De leden van de CDA-fractie vroegen of een individueel bedrijfslichaam failliet kan worden verklaard. De Faillissementswet is van toepassing op iedere schuldenaar, dus ook op de bedrijfslichamen. Faillietverklaring van heffingsbevoegde openbare lichamen zoals de bedrijfslichamen is echter slechts in theorie mogelijk, omdat deze zich altijd door middel van heffingen van de middelen ter voldoening van de op hen rustende vorderingen kunnen voorzien. Na de opheffing kan van faillietverklaring geen sprake meer zijn omdat de bedrijfslichamen als rechtssubject c.q. schuldenaar zijn opgehouden te bestaan.

5. Maatschappelijke gevolgen

De leden van de VVD-fractie vroegen om alle mogelijkheden binnen het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid, zoals algemeen verbindend verklaring, te benutten zodat zelfregulering mogelijk blijft. Voor de mogelijkheden voor producenten- en brancheorganisaties en de wijze waarop ik voornemens ben om te gaan met verzoeken tot algemeen verbindend verklaring verwijs ik naar hoofdstuk I, paragraaf 1.

De leden van de VVD-fractie vroegen of wordt gemonitord of het wetsvoorstel daadwerkelijk leidt tot lagere lasten voor het bedrijfsleven. De opheffing van de bedrijfslichamen resulteert in een verlichting van publieke lasten, omdat de heffingen en de lasten van de niet-publieke taken verdwijnen. Dit bevordert de kansen en toetredingsmogelijkheden van ondernemers in diverse sectoren. Op basis van een inventarisaties door EIM (De PBO in 2010. Een inventarisatie van cijfers, feiten en visies, EIM/IOO 2010, als bijlage gevoegd bij Kamerstukken II 2011/12, 32 615, nr. 3) is becijferd dat het vervallen van de heffingen voor de publieke taken een lastenverlichting van 31 miljoen euro ten opzichte van 2010 zou kunnen opleveren. Voor de overige taken is een lastenverlichting becijferd van 189 miljoen euro ten opzichte van 2010. De mate waarin het bedrijfsleven deze lastenverlichting zal ervaren hangt af van de eventuele voortzetting van de niet-publieke taken, zoals de financiering van promotie en gemeenschappelijk onderzoek, door het bedrijfsleven en de invulling die daaraan wordt gegeven. Daardoor is niet zeker te stellen dat het vervallen van de heffingen voor alle bedrijven merkbaar zal leiden tot lagere lasten. Omdat die private lasten geheel vrijwillig worden aangegaan door het bedrijfsleven en dit geen regeldruk is die van overheidswege wordt veroorzaakt, past het mij niet deze tegen te gaan. Deze lasten worden dan ook niet gemonitord. De leden van de VVD-fractie vroegen of een inventarisatie gemaakt kan worden om de regelgeving lastenarmer te maken. Op basis van het rapport van de commissie Jorritsma («Beoordelingskader product- en bedrijfschappen», bijlage bij Kamerstukken II, 2011/12, 32 615, nr. 3) is in samenwerking met de bedrijfslichamen geïnventariseerd welke taken en activiteiten als publiek zijn aan te merken en daarom overgenomen behoren te worden door de centrale overheid. Daarmee is nut en noodzaak van de over te nemen regelgeving beoordeeld. Het opstellen van deze productschapsregelgeving, met het bijbehorende regeldrukniveau, is een keuze geweest van het in de productschappen vertegenwoordigde bedrijfsleven. De publieke taken worden in overleg met de sector zoveel mogelijk één op één overgenomen. Na overname van de taken zal alsnog het regeldrukeffect van de overgenomen taken worden gekwantificeerd. Daarnaast blijf ik met het bedrijfsleven in overleg over de hoogte van de regeldruk. Indien daartoe aanleiding bestaat is het uiteraard mogelijk de regelgeving in een later stadium te herzien, bijvoorbeeld met het oog op het introduceren van minder belastende alternatieven.

De leden van de VVD-fractie vroegen om een toelichting op de toename van de regeldruk door kennisnamekosten. De toename van de regeldruk als gevolg van kennisnamekosten wordt geschat op € 2.775.000. Voor de inschatting van de kennisnamekosten van nieuwe of wijzigende regelgeving wordt het zogenaamde Standaard Kosten Model (SKM) gehanteerd. Dit is een methode om de administratieve lasten in kaart te brengen. Voor de kennisnamekosten betekent het SKM dat een inschatting wordt gemaakt van de gemiddelde tijd, omgerekend in geld, die ondernemers kwijt zijn om kennis te nemen van de regelgeving. In dit geval is uitgegaan van 75.000 bedrijven die gemiddeld één uur besteden aan kennisname van de voor hen relevante wijzigingen, tegen een uurtarief van € 37,00. Dit uurtarief is ontleend aan de interdepartementale vertaling van het SKM in het handboek «Meten is weten II; handleiding voor het definiëren en meten van administratieve lasten voor het bedrijfsleven».

De leden van de VVD-fractie vroegen hoe de handhaving wordt vormgegeven. Het toezicht op de overgenomen publieke taken wordt belegd bij de NVWA. De controlefrequentie van de NVWA zal worden gebaseerd op een risico-analyse. Bij het risicogebaseerde overheidstoezicht zal de NVWA rekening houden met de deelname van bedrijven aan private kwaliteitssystemen. Een gevolg hiervan kan zijn dat het toezicht van de NVWA intensiever is bij bedrijven die niet deelnemen aan kwaliteitssystemen. Bij de handhaving zal de NVWA gebruik maken van het sanctie-instrumentarium dat de wet op basis waarvan de taak is overgenomen biedt. Voor meer informatie daarover verwijs ik naar het antwoord in paragraaf 3 van dit hoofdstuk op de vragen van de CDA-fractie over het sanctie-instrumentarium.

De leden van de VVD-fractie vroegen naar de planning omtrent het kader voor producenten- en brancheorganisaties. Bij brief van 28 mei jl. heb ik dit kader aan uw Kamer toegezonden. Op dit moment wordt dit uitgewerkt in een regeling voor de erkenning van producten- en brancheorganisaties. Voor meer informatie over het kader verwijs ik naar hoofdstuk I, paragraaf 1.

De leden van de PvdA-fractie vroegen naar de organisatorische en personele afronding van de opheffing van elk van de productschappen en het toezicht hierop. Overeenkomstig de regelgeving van de SER hebben alle bedrijfslichamen opheffingsbegrotingen en afbouwplannen opgesteld, waarop de SER het toezicht uitoefent. Op de personele afwikkeling is bij ieder bedrijfslichaam een sociaal plan van toepassing. Uitvoering hiervan is aan de bedrijfslichamen, het toezicht aan de medezeggenschap en de vakbonden. Na opheffing van de bedrijfslichamen gaan de werkgeversrechten en -verplichtingen als onderdeel van het vermogen over naar de staat. De sociale plannen worden in het kader van de vereffening door mij uitgevoerd. Het personeel dat met de al overgenomen publieke taken is overgegaan naar de centrale overheid is vooralsnog werkzaam op detacheringbasis en treedt afhankelijk van het ontvangende dienstonderdeel per 1 juni of 1 juli van dit jaar in rijksdienst. Het personeel dat overgaat naar de centrale overheid met de publieke taken die per 1 januari 2015 worden overgenomen, treedt per die datum in dienst.

De leden van de PvdA-fractie vroegen naar de overname van de kwaliteitsborgende en controlerende taken van de productschappen en de toename van werk bij de NVWA. De overname van de publieke taken, die liggen op de terreinen van bevordering van plant- en diergezondheid en dierenwelzijn, en van voedselveiligheid en gezondheid, leidt inderdaad met name bij de NVWA tot een uitbreiding van de werklast. Deze taken komen grotendeels over per 1 januari 2015 en aan de invulling daarvan wordt nog gewerkt. In het regeerakkoord is afgesproken dat de publieke taken worden overgenomen door de centrale overheid. Met het oog hierop is de begroting van het Ministerie van Economische Zaken vanaf 2014 structureel uitgebreid met 31 miljoen euro. Dit impliceert dat kosten die eerder voor rekening van de heffingsbetalers van de bedrijfslichamen kwamen, nu voor rekening komen van de staatskas. In het kader van de inrichting van de uitvoering vindt evenwel mede over de financiering nog overleg plaats met de betrokken sectoren.

De leden van de PvdA-fractie vroegen wat er gebeurt met de reserves van de productschappen, hoeveel de reserves bedragen en welke doelen eraan gekoppeld waren. Alle bedrijfslichamen hebben een opheffingsbegroting opgesteld. Voor meer informatie daarover verwijs ik naar het antwoord in paragraaf 4 op een vraag van de SP-fractie over de financiële positie van de bedrijfslichamen na de vereffening. De reserves van de bedrijfslichamen bestaan uit algemene reserves en bestemmingsreserves. Algemene reserves zullen bij opheffing per saldo niet of nauwelijks resteren. In de begrotingen 2014 hebben de bedrijfslichamen nog wel een bedrag van in totaal 13,4 miljoen euro aan bestemmingsreserves ultimo 2014 begroot. Deze reserves zijn veelal bestemd voor een of meerdere sectoren, de uiteindelijke doelen worden bij besteding door het bestuur bepaald. De bedrijfslichamen werken ernaar toe, onder meer door het opleggen van lagere heffingen dan wel het niet meer opleggen van heffingen, dat na de opheffing een minimum aan (bestemmings)reserves resteert. De bedrijfslichamen die in hun begrotingen 2014 nog een substantieel bedrag aan resterende bestemmingsreserves per ultimo 2014 hebben begroot zijn het Productschap Akkerbouw (4,7 miljoen euro), het Productschap Vee en Vlees (2 miljoen euro), het Hoofdbedrijfschap Ambachten (2,8 miljoen euro) en het Hoofdbedrijfschap Detailhandel (2,2 miljoen euro). Ook voor hen geldt dat zij in 2014, bij herziene begrotingen 2014, toewerken naar zo weinig mogelijk overblijvende reserves. De verwachting is dan ook dat ultimo 2014 de bedrijfslichamen, met inachtneming van hun verplichtingen en getroffen voorzieningen, niet of nauwelijks meer beschikken over reserves.

Door de leden van de SP-fractie werd een inschatting gevraagd van het aantal medewerkers van de bedrijfslichamen dat in dienst treedt bij het Rijk. Het gaat in totaal om ca. 156 fte.

De leden van de CDA-fractie vroegen naar de voordelen van de opheffing van de bedrijfslichamen. Ik verwijs hier naar mijn antwoord aan het begin van deze paragraaf op de vraag van de leden van de VVD-fractie over de lastenverlichting voor het bedrijfsleven. De leden van de CDA-fractie vroegen of eventuele retributies voor publieke taken bovenop de 31 miljoen euro komen die aan de EZ-begroting is toegevoegd. Eventuele retributies voor publieke taken zijn inderdaad lasten voor het bedrijfsleven die niet worden gefinancierd uit het bedrag van 31 miljoen euro dat aan de EZ-begroting is toegevoegd.

De leden van de CDA-fractie vroegen om een overzicht van de heffingen in 2013 en de lasten in de nieuwe situatie. Het totaalbedrag aan heffingen en retributies van de productschappen in 2013 (op basis van de begrotingen 2013) bedroeg afgerond 136 miljoen euro. Daarbij heeft een aantal bedrijfslichamen de bedragen voor 2013 in de begroting al aangepast op de afbouwsituatie en heeft een aantal bedrijfslichamen de bedragen in de loop van 2013 naar beneden bijgesteld in verband met de afbouw. Het bedrag aan door individuele ondernemers betaalde heffingen loopt sterk uiteen en is afhankelijk van diverse variabelen, zoals de sector waarin het bedrijf opereert en de omvang van het bedrijf. De heffingsgrondslagen verschillen per heffing. Dit kan bijvoorbeeld gerelateerd zijn aan areaalgrootte, omzet of aantallen medewerkers.

Met betrekking tot de lasten in de nieuwe situatie verwijs ik naar mijn antwoord aan het begin van deze paragraaf op de vraag van de leden van de VVD-fractie over de lastenverlichting voor het bedrijfsleven. Omdat nog onduidelijk is of en hoe een aantal niet-publieke taken door het bedrijfsleven zal worden herbelegd en wat de lastendruk van de private alternatieven zal zijn, kan op dit moment geen totaaloverzicht worden gegeven.

De leden van de CDA-fractie vroegen om een overzicht van de besteding van de 31 miljoen euro voor de publieke taken in het afgelopen jaar en de begroting hiervan voor het huidige jaar. Het bedrag van 31 miljoen euro voor de publieke taken die overgaan naar de centrale overheid is gebaseerd op een onderzoek van het EIM op basis van de cijfers van 2010 (De PBO in 2010. Een inventarisatie van cijfers, feiten en visies, EIM/IOO 2010, als bijlage gevoegd bij Kamerstukken II 2011/12, 32 615, nr. 3). Per taak hebben de productschappen destijds aangegeven wat de bijbehorende kosten zijn. De uitgaven aan publieke taken worden door de productschappen niet separaat geregistreerd in de reguliere boekhouding. Vergelijkbare cijfers over 2013 zijn daarom niet beschikbaar.

De leden van de CDA-fractie vroegen of de kosten van de medebewindstaken lager zullen worden en hoe het bedrag van 3 miljoen euro aan bezuinigingen voor 2018 wordt ingevuld. De verwachte afname van de kosten van de medebewindstaken houdt verband met de verwachte verdere afbouw van het Europese markt- en prijsbeleid, zoals de afschaffing van de melkquotering per 1 april 2015 die tot een afname van uitvoeringskosten zal leiden. De realisatie van de bezuiniging is afhankelijk van de uitwerking van deze afbouw. Op zichzelf heeft de opheffing van de bedrijfslichamen niet tot doel om besparingen op de uitvoering van de medebewindstaken te bereiken. Wel kan de invlechting van de medebewindstaken in de uitvoeringsprocessen van de ontvangende diensten RVO.nl en NVWA besparingen opleveren.

De leden van de CDA-fractie vroegen hoe wordt geborgd dat de fusie van de verschillende onderdelen van de voormalige productschappen gaat werken. De onderdelen van de productschappen die medebewindstaken uitvoeren, waren bij de productschappen al samengevoegd in de Medebewindorganisatie Productschappen. Deze organisatie is per 1 januari 2014 als afzonderlijk onderdeel toegevoegd aan de organisatie van RVO. Na 1 januari 2015 vindt verdere invlechting plaats met de overige onderdelen van RVO. De autonome publieke taken worden overgenomen door met name de NVWA en worden organisatorisch ondergebracht bij de onderdelen van de NVWA die vergelijkbare rijkstaken uitvoeren.

De leden van de CDA-fractie vroegen naar de afname van de regeldruk voor het bedrijfsleven. Als gevolg van het wegvallen van de niet-publieke taken en van de heffingen met de daaraan verbonden opgaveverplichtingen zal de regeldruk afnemen. Voor de afname van de lasten door het wegvallen van de verplichte heffingen verwijs ik naar mijn antwoord aan het begin van deze paragraaf op de vraag van de leden van de VVD-fractie over de lastenverlichting voor het bedrijfsleven. De verdere afname van de regeldruk alsgevolg van het wegvallen van de niet-publieke taken is niet gekwantificeerd, omdat geen regeldrukmeting van de desbetreffende taken beschikbaar is. Voor de publieke taken die worden overgenomen van de bedrijfslichamen wordt de regeldruk nog gekwantificeerd, ten behoeve van opname in de rijksbrede regeldrukboekhouding.

Door de leden van de CDA-fractie werd gevraagd hoe sectoromvattende collectieve belangen worden gefaciliteerd. Het is primair aan het bedrijfsleven om te bezien of, en op welke wijze, niet-publieke taken worden georganiseerd. Dit kan bijvoorbeeld door middel van producenten- of brancheorganisaties. In uitzonderlijke en specifieke gevallen kan ik een algemeen verbindend verklaring overwegen. Ik verwijs hiervoor naar hoofdstuk I, paragraaf 1.

De leden van de ChristenUnie vroegen hoe de taken op het gebied van bijvoorbeeld duurzaamheid, innovatie, dierenwelzijn en volksgezondheid, die niet direct te verbinden zijn aan uitvoering van wet- en regelgeving, worden opgepakt. De taken van de productschappen zijn gedetailleerd in beeld gebracht. Naast de medebewindstaken worden de taken op de gebieden plant- en diergezondheid, dierenwelzijn en voedselveiligheid en gezondheid door de centrale overheid overgenomen. Voortzetting van andere taken, zoals promotie, duurzaamheid en innovatie is primair een verantwoordelijkheid van het bedrijfsleven. Ik zie verschillende initiatieven hiertoe, zo is bijvoorbeeld begin dit jaar ZuivelNL opgericht, dat een platform biedt voor overleg met aan de zuivelsector gelieerde partijen over onderwerpen als voedselveiligheid, diergezondheid, kennis, innovatie en verduurzaming. Een ander voorbeeld is de oprichting van het Centrum voor Ambachtseconomie, dat een digitaal ondersteuningscentrum gaat bieden voor kleine, ambachtelijke ondernemingen. In uitzonderlijke en specifieke gevallen kan ik een verzoek van een erkende productenten- of brancheorganisatie tot algemeen verbindend verklaring honoreren. Ik verwijs hiervoor naar hoofdstuk I, paragraaf 1.

De leden van de ChristenUnie vroegen naar de gevolgen van de afschaffing van het Productschap Tuinbouw en naar de voortzetting van duurzame initiatieven. De afschaffing van het Productschap Tuinbouw zal onder meer leiden tot een forse afname van de heffingen die tuinders dienen te betalen. Daarnaast is het de verwachting dat delen van de sector zich zullen organiseren en op vrijwillige basis bijdragen aan onderzoek op het gebied van plantgezondheid en energiegebruik. Voor de mogelijkheden die het oprichting van producenten- en brancheorganisaties daarbij kan bieden, verwijs ik naar hoofdstuk I, paragraaf 1. Voor een beperkt aantal niet-publieke taken is algemeen verbindend verklaring mogelijk een alternatief. Eventuele verzoeken tot algemeen verbindend verklaring van concrete voorschriften op dit gebied kunnen voorafgaand aan de opheffing worden ingediend. Ik zal dergelijke verzoeken zo spoedig mogelijk beoordelen.

De leden van de Groen Links-fractie vroegen of de provincies akkoord zijn gegaan met de voorgestelde wijziging van de Boswet en of deze wijziging aan de orde is geweest bij het sluiten van het Natuurpact.

Het regime van de Boswet is het centrale wettelijk kader voor de bescherming van houtopstanden buiten de bebouwde kom. Het stelsel voorziet daartoe in een verplichting om bij houtkap een melding te doen bij de Minister van Economische Zaken en de houtopstand te herbeplanten. Tevens zijn de Ministers van Economische Zaken en van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap bevoegd om een kapverbod op te leggen en is de Minister van Economische Zaken bevoegd om vrijstelling of ontheffing te verlenen van de meld- en herbeplantingsplicht. Na de inwerkingtreding van het wetsvoorstel natuurbescherming zal dit stelsel worden gecontinueerd, waarbij de bevoegdheid tot het uitoefenen van deze taken en bevoegdheden als hoofdregel bij de provincies wordt belegd, overeenkomstig het Bestuursakkoord natuur en het Natuurpact tussen Rijk en provincies (Kamerstukken II 2011/12, 30 825, nrs. 107, 143 en 153; Kamerstukken II 2013/14, 33 576, nr. 6). Van een lacune zal dus geen sprake zijn.

De in het onderhavige wetsvoorstel opgenomen wijziging van de Boswet en het wetsvoorstel natuurbescherming is op grond van de Code Interbestuurlijke Verhoudingen aan het Interprovinciaal Overleg (hierna: IPO) voorgelegd voor advies. Het IPO-advies is als bijlage bij de memorie van toelichting gevoegd. De wijziging is niet aan de orde geweest bij het sluiten van het Natuurpact.

De leden van de SGP-fractie vroegen naar de blauwdruk voor producenten- en brancheorganisaties en welke ruimte wordt geboden aan deze organisaties, in het bijzonder voor het algemeen verbindend verklaren van niet-publieke taken en heffingen ten behoeve van sectorbrede onderzoeksprojecten. Deze leden vroegen ook hoe niet-publieke taken voortgezet kunnen worden. Voortzetting van niet-publieke taken, zoals promotie, duurzaamheid en innovatie is primair een verantwoordelijkheid van het bedrijfsleven. Ik zie verschillende initiatieven hiertoe. In uitzonderlijke en specifieke gevallen, zoals bijvoorbeeld onderzoek en innovatie, kan ik een algemeen verbindend verklaring overwegen. Voor de mogelijkheden voor producenten- en brancheorganisaties en algemeen verbindend verklaring verwijs ik naar hoofdstuk I, paragraaf 1.

II. Artikelsgewijs

Artikel XX

De leden van de SP-fractie vroegen om een overzicht van alle regels die het Bosschap stelt over de omgang met houtopstanden en of deze regels worden opgenomen in de Boswet of in het wetsvoorstel natuurbescherming. Het Bosschap maakt op dit moment geen gebruik van zijn autonome verordenende bevoegdheid om dergelijke regels te stellen. Het opnemen van dergelijke regels in de in de Boswet of in het wetsvoorstel natuurbescherming is in het kader van de opheffing van de bedrijfslichamen dus ook niet aan de orde.

De leden van de Groen Links-fractie vroegen of gemeenten met de voorgestelde wijziging van de Boswet minder bevoegdheden krijgen ten aanzien van bossen op hun grondgebied buiten de bebouwde kom.

De Boswet regelt dat provincies en gemeenten niet bevoegd zijn om regels te stellen ter bewaring van houtopstanden buiten de bebouwde kom behorende bij bosbouwondernemingen die zijn geregistreerd bij het Bosschap. Met de opheffing van het Bosschap vervalt ook de registratie van bosbouwondernemingen door het Bosschap en moet de desbetreffende bepaling in de Boswet worden aangepast.

Omdat het stelsel van de Boswet, en in de toekomst de Wet natuurbescherming, voldoende instrumenten bevat om houtopstanden buiten de bebouwde kom van gemeenten te beschermen, is het niet nodig dat provincies of gemeenten daar aanvullende regels over kunnen stellen. De voorgestelde wijziging van de Boswet behelst daarom een voorziening dat gemeenten en provincies geen aanvullende regels – buiten het regime van de Boswet – mogen stellen ter bescherming van houtopstanden buiten de bebouwde kom. Tot nu konden gemeenten in hun gemeentelijke regelgeving ter bescherming van houtopstanden een kapverbod opnemen – al dan niet in combinatie met een aanlegvergunningplicht – voor houtopstanden buiten de bebouwde kom. Dit kon echter alleen betrekking hebben op houtopstanden die niet behoren tot een bosbouwonderneming die is geregistreerd bij het Bosschap. Met de voorgestelde wijziging van de Boswet zullen gemeenten een dergelijk verbod niet meer kunnen stellen. De bevoegdheid om een aanlegvergunningplicht in te voeren om andere redenen dan de bescherming van houtopstanden wordt door de voorgestelde wijziging van de Boswet niet beperkt.

De leden van de Groen Links-fractie vroegen wat deze verandering betekent voor bosbouwondernemingen. Voor bosbouwondernemingen brengt de voorgestelde wijziging van de Boswet geen veranderingen met zich, omdat gemeenten en provincies ook onder de huidige Boswet niet gerechtigd zijn om aanvullende regels te stellen over houtopstanden buiten de bebouwde kom, die onderdeel zijn van een bij het Bosschap geregistreerde bosbouwonderneming.

De leden van de Groen Links-fractie vroegen voorts hoe de registratie van bosbouwondernemingen bij het Bosschap zich verhoudt tot registratie bij de Vereniging voor bos- en natuureigenaren en welke regels over bosbouw komen te vervallen. De registratie van bosbouwondernemingen door het Bosschap vindt plaats op grond van zijn autonome verordenende bevoegdheid, terwijl de registratie bij de Vereniging voor bos- en natuureigenaren een privaatrechtelijke aangelegenheid is die door de sector zelf wordt opgepakt. Het Bosschap maakt op dit moment geen gebruik van zijn autonome verordenende bevoegdheid om regels te stellen over bosbouw en er zullen dus ook geen regels vervallen.

Artikel XXVIII

De leden van de CDA-fractie vroegen of de huidige antibiotica-aanpak algemeen verbindend kan worden verklaard. Het is een gezamenlijk belang en een gezamenlijke verantwoordelijkheid van bedrijfsleven en overheid dat het succes van de antibiotica-aanpak van de afgelopen jaren wordt gecontinueerd. Op hoofdlijnen betekent dat een gezamenlijke aanpak met publieke regelgeving, aansluiting bij de reeds bestaande uitvoeringspraktijk van het bedrijfsleven en risicogebaseerde handhaving door de NVWA.

Antibiotica is als publieke taak aangemerkt die wordt overgenomen van de bedrijfslichamen en daarmee publiekrechtelijk wordt geregeld. De relevante productschapsregelgeving wordt hiervoor omgezet in regelgeving van de centrale overheid. De uitwerking hiervan wordt momenteel in nauwe samenwerking met het bedrijfsleven vormgegeven. De huidige antibiotica-aanpak wordt om deze reden niet algemeen verbindend verklaard.

Met het oog op continuering van het succes van de huidige aanpak en behoud van draagvlak bij de sectoren, wordt bij de uitvoering zoveel mogelijk aangesloten bij de reeds bestaande uitvoeringspraktijk. Private organisaties die nu de uitvoeringswerkzaamheden verrichten, zullen deze activiteiten voor zover mogelijk binnen het wettelijk kader waar hun activiteiten worden ondergebracht, blijven uitvoeren.

De leden van de CDA-fractie vroegen of de registratieverplichting voor antibiotica niet beter bij de dierenarts kan worden neergelegd. In de regelgeving waarmee de antibioticaregels van het productschap worden overgenomen, zal de verplichting om de antibioticaleveringen te registreren bij de dierenarts worden neergelegd. Daarmee wordt aangesloten bij de reeds bestaande praktijk, waarin de dierenarts de registratie van de antibioticaleveringen ook feitelijk uitvoert. De huidige verplichting om bij de registratie van de antibioticaleveringen ook de dieraantallen op het bedrijf te registreren zal bij de veehouder blijven liggen, aangezien alleen de veehouder over deze gegevens beschikt.

De leden van de CDA-fractie vroegen of het overnemen van de productschapsregelgeving op het gebied van antibiotica één op één gebeurt. De productschapsregelgeving op het gebied van antibiotica wordt zoveel mogelijk één op één overgenomen, zodat de bestaande elementen van de antibiotica-aanpak voor zoveel mogelijk veehouders van toepassing blijven. Concreet betekent dit dat de bestaande registratieverplichting, de verplichte bedrijfsgezondheids- en bedrijfsbehandelplannen en het verplichte verbeterplan bij veelgebruik in de regelgeving zal worden opgenomen. Dit wordt momenteel in nauw overleg met het betrokken bedrijfsleven uitgewerkt. De inpassing van de voorschriften van de productschappen in het bestaande systeem van de Wet dieren kan ertoe leiden dat de voorschriften niet volledig één op één worden omgezet. Dit kan bijvoorbeeld gevolgen hebben voor de gebruikte begrippen, de toedeling van bevoegdheden en de inrichting van het toezicht. Voor dat laatste aspect verwijs ik naar het antwoord in paragraaf 3 van hoofdstuk I op de vragen van de CDA-fractie over het toezicht op publieke taken.

De leden van de CDA-fractie vroegen welke partij een heffing krijgt in het kader van het bijhouden van de antibioticaregistraties en hoe hoog dit tarief wordt. In de regelgeving zal worden vastgelegd dat private databanken kunnen worden aangewezen als databank waar de wettelijke registratieverplichting kan worden voldaan. Deze private databanken kunnen voor de verplichte registratie een tarief in rekening brengen. De tarieven die een private databank in rekening brengt voor de registratie van antibioticaleveringen behoeven mijn goedkeuring. Hiermee wordt geborgd dat in een situatie waarin er mogelijk weinig tot geen marktwerking is tussen bestaande databanken, de hoogte van de tarieven toch marktconform is. De hoogte van de tarieven van de databanken is nog niet bekend, deze is afhankelijk van de kosten die een databank maakt voor de registratieverplichting.

Artikel XXXVIII

De leden van de CDA-fractie vroegen of alternatieve mogelijkheden voor het toekomstige beheer en de uitvoering van het Diergezondheidsfonds (DGF) zijn overwogen en welke betrokkenheid ik nog zie voor de dierlijke sectoren bij het DGF.

Als gevolg van een convenant tussen het Productschap Zuivel, het Productschap Pluimvee en Eieren en het Productschap Vee en Vlees en mij (tweemaal verlengd, laatstelijk: Convenant financiering bestrijding besmettelijke dierziekten LNV-PVV-PPE-PZ 2010–2014 van 29 juni 2010, Staatscourant 2010, nr. 11754) hebben de genoemde bedrijfslichamen de afgelopen vijftien jaar een heffing opgelegd aan de aangesloten ondernemers ter financiering van het DGF en hebben zij de heffingsopbrengst gestort in een eigen sectorfonds. Uit dat fonds werden desgevraagd jaarlijks de lopende kosten van het Diergezondheidsfonds gefinancierd. De overige gelden werden gereserveerd om te kunnen overboeken naar het Diergezondheidsfonds op het moment dat sprake is van de uitbraak van een dierziekte waarvoor de heffing was opgelegd. Hierdoor werd voorkomen dat de betrokken sector bij de uitbraak van een dierziekte wordt geconfronteerd met een plotselinge en mogelijk hoge heffing. Uit hoofde van het huidige convenant DGF voeren de bedrijfslichamen tot hun opheffing zelf de regie over de bijeengebrachte middelen in de sectorfondsen. Het wetsvoorstel voorziet erin dat bij de opheffing van de bedrijfslichamen het desbetreffende sectorfonds wordt overgeboekt naar het Diergezondheidsfonds. Het wetsvoorstel bewerkstelligt dat de reeds door de betrokken bedrijfslichamen geïnde heffingen uitsluitend kunnen worden benut voor het doel waarvoor zij zijn geheven, te weten preventieve diergezondheidszorg en bestrijding van de desbetreffende dierziekte of zoönose. Daarmee blijft de besteding gekoppeld aan het doel waarvoor de middelen bijeengebracht zijn.

De sector en ik hebben al in een vroeg stadium uitgesproken de gezamenlijke financiering van de dierziektebestrijding, waaronder de afhandeling van de kosten via het DGF, na opheffing van de bedrijfslichamen op hoofdlijnen in zijn huidige vorm voort te willen zetten. Hierover is uw Kamer destijds geïnformeerd (Kamerstukken II 2013/24, 32 615, nr. 15). Alternatieve mogelijkheden zijn overwogen, maar gezien de financiële belangen en de noodzaak een verplichte heffing sectorbreed op te kunnen leggen hebben de sectoren bestuurlijk ingestemd met een heffing via de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren.

Mijn inzet is dat op termijn de huidige productschapsheffing wordt vervangen door een publieke heffing op basis van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren. Hiertoe heb ik een drietal algemene maatregelen van bestuur in voorbereiding. Eén algemene maatregel van bestuur zal betrekking hebben op de kosten voor de bestrijding van dierziekten en de tweede bevat een opslag op het bestrijdingskostentarief waarmee de preventiekosten worden gedragen. Per diersoort zal, analoog aan de huidige productschapsheffing, een zogenaamde diergezondheidsheffing worden ingesteld, waarmee middelen vanuit de sectoren bijeengebracht worden om bestrijdings- en preventiekosten voor de relevante dierziekten te financieren. Het streven is deze diergezondheidsheffing in te voeren met ingang van 1 januari 2015. De hoogte van de heffing voor het jaar 2015 en daarna zal worden bepaald op basis van de gerealiseerde uitgaven voor een specifieke sector in de periode van 2,5 jaar voorafgaand daaraan. De derde algemene maatregel van bestuur voorziet in een wijziging van de twee voornoemde algemene maatregelen van bestuur. Deze algemene maatregel van bestuur heeft zijn juridische grondslag in het wetsvoorstel. Zodra het wetsvoorstel in werking is getreden worden met deze algemene maatregel van bestuur de beide andere algemene maatregelen van bestuur gewijzigd om bepaalde kosten in de diergezondheidsheffing te kunnen verdisconteren. Dit betreft de kosten voor de preventie en bestrijding van andere dierziekten dan de aangewezen besmettelijke dierziekten, zoals Salmonella, en de kosten voor onderzoek naar andere dierziekten dan besmettelijke dierziekten, zoals dat bijvoorbeeld in het kader van de basismonitoring gedaan wordt.

De leden van de CDA-fractie vroegen of de plafondbedragen per dierziekte intact blijven in de toekomst. Ik voer momenteel bestuurlijk overleg met betrokken partijen over de voortzetting van de gezamenlijke financiering van de bestrijdings- en preventiekosten en het beheer van de bijeengebrachte middelen. De huidige afspraken uit het convenant Financiering bestrijding besmettelijke dierziekten vormen daarbij het uitgangspunt. De insteek is om de huidige systematiek met plafondbedragen te continueren. Een belangrijk aspect is de herijking van de maximale bijdragen («plafonds») van de verschillende sectoren. Daartoe laat ik in overleg met de sectoren de huidige plafondbedragen herijken door Wageningen Universiteit. Daarnaast wordt bezien of er andere relevante ontwikkelingen zijn die in een nieuwe set afspraken moeten worden meegenomen.

De leden van de CDA-fractie vroegen naar de manier van inning van de heffingen en de kosten die daarmee gemoeid zijn. De heffing wordt opgelegd bij aanslag en wordt geheven door mij, zo bepaalt artikel 93 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren. De Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: Awr) is hierop grotendeels van overeenkomstige toepassing. De Awr regelt hoe de aanslag wordt vastgesteld en welke procedurele regels daarop van toepassing zijn. Zo geldt er een aangifteplicht en kan ik ook ambtshalve een aanslag vaststellen. De inning van heffingen is geregeld in artikel 93a van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren en geschiedt met overeenkomstige toepassing van een groot deel van de Invorderingswet 1990. De heffing wordt ingevorderd door een door mij aangewezen functionaris of door de aangewezen funtionaris van de belastingdienst, de zogenoemde ontvanger. Bij het uitblijven van vrijwillige betaling, kan een dwangbevel worden uitgevaardigd. Op dit moment wordt in het verlengde van het bestuurlijk overleg over de voortzetting van de gezamenlijke financiering van de bestrijdings- en preventiekosten de uitvoering van de inning van de beoogde heffing op basis van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren verkend met RVO.nl en betrokken sectorpartijen.

Artikel XLI

Ten aanzien van artikel XLI van het wetsvoorstel vroegen de leden van de CDA-fractie of ook bij bedrijven die gestopt zijn met hun bedrijfsvoering een heffing kan worden opgelegd en wat de scenario’s zijn indien er om praktische redenen niet geheven kan worden. Een naheffing kan worden opgelegd aan ondernemingen die op het moment van de opheffing op grond van het geldende instellingsbesluit bedrijfsgenoot waren van het desbetreffende bedrijfslichaam. Daarbij gaat het om de op het moment van opleggen van de naheffing nog bestaande ondernemingen. Indien een bedrijf is beëindigd op het moment dat de naheffing wordt opgelegd, wordt daaraan geen naheffing opgelegd. Indien om praktische redenen niet geheven kan worden, komt het bedrag dat niet via naheffing kan worden geheven voor rekening van de staatskas.

Artikel XLVII

De leden van de CDA-fractie vroegen of terugstorting van batige saldi per sector zal plaatsvinden. De vereffening van de vermogens zal per bedrijfslichaam plaatsvinden. Indien na de beëindiging van de vereffening een batig saldo resteert, krijgt dat saldo een bestemming die ten nutte komt van het deel van het bedrijfsleven dat betrokken was bij het desbetreffende bedrijfslichaam. De bestemming van de resterende publieke middelen kan niet bestaan uit een uitkering aan specifieke groepen van ondernemers, omdat dan sprake zou zijn van staatssteun, maar zal een meer algemeen karakter moeten hebben.

De Minister van Economische Zaken, H.G.J. Kamp


X Noot
1

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.

Naar boven