Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 5 maart 2014
Hierbij zend ik u een ontwerpbesluit, houdende wijziging van het Besluit houders van
dieren in verband met de opheffing van de product- en bedrijfschappen en de overname
van de welzijnsregels voor ouderdieren van vleeskuikens, vleeskalkoenen, konijnen
en nertsen1. De voorlegging geschiedt in het kader van de wettelijk voorgeschreven voorhangprocedure
(artikel 10.10 van de Wet dieren). Dit artikel houdt in dat de voordracht voor algemene
maatregelen van bestuur, die mede of met het oog op de bescherming van het welzijn
van dieren worden voorbereid, niet eerder wordt gedaan dan vier weken nadat het ontwerp
aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd. Van deze termijn moet ten minste
drie vierde deel buiten een reces vallen.
Het borgen van dierenwelzijn is naar aanleiding van het opheffen van de product- en
bedrijfschappen aangemerkt als één van de publieke taken van deze organisaties. De
door het Productschap Pluimvee en Eieren (PPE) vastgestelde welzijnsregels worden
daarom overgenomen in regelgeving van het Ministerie van Economische Zaken. Hiervoor
is reeds een wettelijke basis aanwezig. Met het oog op zorgvuldige besluitvorming
en de te volgen procedures kunnen niet alle taken gelijktijdig worden overgenomen:
er moeten stappen worden gezet om de expertise te behouden en de continuïteit van
uitvoering van publieke taken en de dienstverlening naar de sectoren te kunnen blijven
garanderen. Daarom wordt, zoals in schriftelijk en mondeling overleg met de Eerste
Kamer is aangegeven, vooruitgelopen op de wetgeving waarmee de bedrijfslichamen formeel
worden opgeheven (Kamerstukken 32 615, A, B, C, D, E en F).
De voorgestelde wijzigingen houden in dat in het Besluit houders van dieren regels
worden geïntroduceerd voor een viertal diersoorten of -categorieën:
-
– het houden van ouderdieren van vleeskuikens voor productie (registratie, huisvesting,
voeding, controle);
-
– het houden van vleeskalkoenen voor productie (registratie, bezettingsdichtheid, strooisel,
stalklimaat, verlichting, vervoer, controle);
-
– het houden van konijnen voor productie (registratie, uitval, huisvesting, dekleeftijd,
verlichting, controle);
-
– het houden van nertsen voor productie (registratie, controle, actieplan). Een deel
van de welzijnsvoorschriften van het PPE wordt reeds rechtstreeks via de Wet verbod
pelsdierhouderij geregeld. Om die reden worden ze hier niet opnieuw opgenomen. De
overige regels van het productschap, die wel worden overgenomen, vormen aanvullingen
op de welzijnsnormen die al gelden via de Wet verbod pelsdierhouderij.
In beginsel zijn de PPE-voorschriften één op één overgenomen in het ontwerpbesluit.
Een uitzondering hierop zijn de huisvestingsvoorschriften voor bepaalde konijnen.
Op basis van het Plan van Aanpak 2010–2016 van de konijnensector en op verzoek van
het bedrijfsleven voorziet het ontwerpbesluit in een strengere norm voor de huisvesting
van dekrijpe en drachtige voedsters per 23 april 2016. Een tweede uitzondering betreft
de speenleeftijd van nertsen. Deze was in de betreffende PPE-verordening aangeduid
met de datum 1 juli en is omgezet in de minimumleeftijd van 8 weken. Met deze wijziging
wordt voldaan aan de minimale speenleeftijd van 8 weken die wordt voorgeschreven in
de aanbeveling voor pelsdieren van de Raad van Europa. De Nederlandse Federatie van
Edelpelsdierhouders is hierover geconsulteerd en heeft aangegeven dat deze wijziging
geen gevolgen heeft voor de bedrijfsvoering.
Algemene huisvestings- of verzorgingsvoorschriften van het PPE worden niet opnieuw
geregeld, voor zover die overeen komen met de voorschriften die op grond van het Besluit
houders van dieren reeds op alle gehouden (productie)dieren van toepassing zijn. Waar
de regels van het PPE specifieker zijn dan de algemene voorschriften, worden de regels
van het PPE met het ontwerpbesluit gecontinueerd. Voor zover de voorschriften van
het PPE waren vormgegeven als streefnorm, worden deze zoveel mogelijk omgezet in concrete
normen. Waar dat niet mogelijk is, wordt teruggevallen op de algemene voorschriften
van het Besluit houders van dieren.
Over een concept van het besluit zijn het bedrijfsleven en de Dierenbescherming geconsulteerd.
Voor de gemaakte opmerkingen en de reactie daarop verwijs ik naar paragraaf 6 van
de nota van toelichting bij het ontwerpbesluit2.
De inwerkingtreding van het ontwerpbesluit is, tegelijk met het wetsvoorstel opheffing
bedrijfslichamen, voorzien per 1 januari 2015.
De Minister van Economische Zaken,
H.G.J. Kamp