Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Eerste Kamer der Staten-Generaal2017-201833861 nr. B

33 861 Wijziging van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren en enige andere wetten in verband met de uitbreiding van de mogelijkheden om ten aanzien van voor het leven benoemde rechterlijke ambtenaren disciplinaire maatregelen op te leggen en tevens andere maatregelen te treffen

B VOORLOPIG VERSLAG VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR JUSTITIE EN VEILIGHEID1

Vastgesteld 13 april 2018

Het voorbereidend onderzoek heeft de commissie aanleiding gegeven tot het maken van de volgende opmerkingen en het stellen van de volgende vragen.

1. Inleiding

De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel. Zij onderschrijven de noodzaak van een goede en onafhankelijke rechterlijke macht, die bovendien het vertrouwen van de justitiabelen geniet. De leden verwachten dat dit wetsvoorstel bijdraagt tot versterking van dit vertrouwen. Wel hebben zij enkele vragen.

De CDA-fractieleden hebben met belangstelling kennisgenomen van het onderhavige wetsvoorstel. Zij onderschrijven het belang van een integere en kwalitatief hoogstaande rechtspraak. Ter handhaving van de hoge kwaliteit en integriteit van de rechtspraak, moet het mogelijk zijn om proportioneel en adequaat op te treden in geval van ontoelaatbaar gedrag van rechters, waarbij echter tegelijk ook moet worden voorkomen dat door zodanig optreden het vereiste gezag van de rechter bij zijn verdere functioneren zal worden aangetast.

In de praktijk is in toenemende mate gebleken dat het huidige arsenaal aan instrumenten (en de mogelijkheden om die in te zetten) ter correctie van minder ernstige vormen van ongewenst gedrag, te beperkt is. Het belang van het aanzien van de rechterlijke macht, de kwaliteit en integriteit, alsmede het vertrouwen in de rechtspraak zijn daarmee gediend. Het wetsvoorstel voorziet daarin.

2. Disciplinaire maatregelen

Hoe verhoudt de voorgestelde regeling zich tot andere, zoals klachtenreglement en appel? Is het wenselijk deze terreinen goed van elkaar te onderscheiden ter vermijding van doublures of lacunes? Is hierin voorzien, zo vragen de VVD-fractieleden.

De president van het gerecht is niet alleen rechter, maar ook manager. Hij kan tot een schriftelijke berisping besluiten in een zaak waarbij ook managementdoelen in het geding zijn. De leden van de VVD-fractie vragen zich af of dit de president voor een onwenselijk dilemma plaatst. Brengt dit het risico met zich dat de berisping als managementtool zal worden ingezet?

De CDA-fractieleden merken op dat bij amendement2 de mogelijkheid van disciplinaire inhouding van de helft van het maandsalaris wordt ingevoerd. Is deze disciplinaire straf niet in strijd met het vereiste uit de Grondwet en de wet dat het salaris van leden van de rechterlijke macht met rechtspraak belast, als behorende tot hun rechtspositie, bij wet moet worden vastgesteld?

Bij amendement3 wordt voorts ingevoerd dat het mogelijk is om bij wijze van disciplinaire maatregel een voorwaardelijke schorsing aan een rechter op te leggen. Is de regering het met de CDA-fractieleden eens, dat een rechter die voorwaardelijk is geschorst, ieder gezag mist om nog als onafhankelijke en onpartijdige rechter zijn werk naar behoren te verrichten? Is, met andere woorden, voorwaardelijke schorsing niet een onwenselijke en moeilijk uitvoerbare disciplinaire maatregel?

Wie beslist eventueel over mogelijke disciplinaire bestraffing van leden van de Hoge Raad zelf, indien deze ontoelaatbaar gedrag zouden vertonen, zo vragen de CDA-fractieleden.

3. Artikel 51 van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren

Bij de behandeling van het wetsvoorstel is de vraag gerezen of het instemmingsrecht als bedoeld in artikel 51 van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren, strijdig is met de wetgevende bevoegdheden van de Tweede Kamer.4 De regering heeft hierbij aangegeven dat zij deze kwestie wil regelen met een wetsvoorstel en daarbij aansluiting wil zoeken met het gewone ambtenarenrecht. Hoe staat het hiermee, zo vragen de VVD-fractieleden.

De CDA-fractieleden vragen de regering of zij – na aanvaarding van beide hiervoor genoemde amendementen – over de toegevoegde disciplinaire maatregelen overleg gevoerd heeft en of hierover overeenstemming is bereikt met de Sectorcommissie rechterlijke macht, zoals artikel 51 van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren voorschrijft, alvorens deze ten uitvoer kunnen worden gelegd. Zo ja, wanneer heeft dit overleg plaatsgevonden? Zo nee, is de regering bereid dit overleg alsnog ten spoedigste te doen plaatsvinden?

4. Schade

De leden van de VVD-fractie vragen of de mogelijkheid bestaat dat het disfunctioneren van een rechter schade aanbrengt aan individuele rechtzoekenden. Wordt de schade vergoed of hersteld?

5. Overige

De VVD-fractieleden merken op dat tijdens de parlementaire behandeling ook aangrenzende onderwerpen aan de orde zijn gekomen, zoals het rapport van de commissie-Cohen, de positie van de rechter-plaatsvervangers en de publicatie van nevenfuncties met financiële aspecten. De regering verwees daaromtrent naar onderzoek en mogelijke voorstellen van de Raad voor de rechtspraak.5 Wat is de stand van zaken?

De leden van de VVD-fractie merken op dat velerlei wetten een algemene bepaling bevatten met betrekking tot onvoorziene situaties. Bij het onderhavige wetsvoorstel ontbreekt een dergelijke bepaling, terwijl de behoefte aan nuancering zo nadrukkelijk voorop is gesteld. In dat verband zou een dergelijke algemene regeling voor onvoorziene situaties wellicht goede diensten kunnen bewijzen. Om welke redenen is hiervan afgezien?

Het wetsvoorstel is ingediend in 2014, onder het kabinet-Rutte II. In verschillende artikelen wordt, zo merken de leden van de CDA-fractie op, gesproken van de «Minister van Veiligheid en Justitie». Inmiddels is een nieuw kabinet (Rutte III) aangetreden en thans heet de betreffende Minister de «Minister van Justitie en Veiligheid». Dient het onderhavige wetsvoorstel niet te worden aangepast aan de nieuwe titulatuur, zodat overal waar «Minister van Veiligheid en Justitie» staat, dit gewijzigd moeten worden in «Minister van Justitie en Veiligheid»?

De leden van de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid zien de reactie van de regering – bij voorkeur binnen vier weken – met belangstelling tegemoet.

De voorzitter van de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid, Duthler

De griffier van de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid, Van Dooren


X Noot
1

Samenstelling:

Engels (D66), Ruers (SP), Van Bijsterveld (CDA) (vice-voorzitter), Duthler (VVD) (voorzitter), Ten Hoeve (OSF), Koffeman (PvdD), Strik (GL), Knip (VVD), Backer (D66), Schouwenaar (VVD), Van Strien (PVV), Kok (PVV), Gerkens (SP), Vlietstra (PvdA), Lokin-Sassen (CDA), Bredenoord (D66), Dercksen (PVV), D.J.H. van Dijk (SGP), Van Rij (CDA), Rombouts (CDA), Van de Ven (VVD), Wezel (SP), Bikker (CU), Baay-Timmerman (50PLUS) Van Zandbrink (PvdA), Aardema (PVV), Fiers (PvdA).

X Noot
2

Kamerstukken II 2017/18, 33 861, nr. 22.

X Noot
3

Kamerstukken II 2017/18, 33 861, nr. 23.

X Noot
4

Handelingen II 2017/18, 47, item 10, p. 3–4 en 6.

X Noot
5

Handelingen II 2014/15, 49, item 27, p. 18–20.