Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2017-201833861 nr. 23

33 861 Wijziging van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren en enige andere wetten in verband met de uitbreiding van de mogelijkheden om ten aanzien van voor het leven benoemde rechterlijke ambtenaren disciplinaire maatregelen op te leggen en tevens andere maatregelen te treffen

Nr. 23 AMENDEMENT VAN HET LID VAN OOSTEN

Ontvangen 1 februari 2018

De ondergetekende stelt het volgende amendement voor:

In artikel I, onderdeel E, worden aan artikel 46ca twee leden toegevoegd, luidende:

  • 4. De Hoge Raad kan bij het opleggen van de disciplinaire maatregel van schorsing bepalen dat deze niet ten uitvoer zal worden gelegd indien de rechterlijk ambtenaar zich gedurende een daarbij te stellen termijn niet schuldig maakt aan soortgelijk handelen als waarvoor het opleggen van de disciplinaire maatregel plaatsvindt of enig ander handelen of nalaten als bedoeld in artikel 46c, en hij zich houdt aan bij het opleggen van de schorsing eventueel gestelde bijzondere voorwaarden.

  • 5. Met het toezicht op de naleving van de voorwaarden als bedoeld in het vierde lid is de functionele autoriteit belast. Ten aanzien van de met rechtspraak belaste rechterlijk ambtenaar, niet zijnde president van een gerecht, wordt deze bevoegdheid uitgeoefend door de president van het gerecht waar betrokkene werkzaam is. Ten aanzien van de rechterlijk ambtenaar die tevens president is van een rechtbank, wordt deze bevoegdheid uitgeoefend door de president van het gerechtshof van het ressort waarbinnen die rechtbank is gelegen. Ten aanzien van de rechterlijk ambtenaar die tevens president is van een gerechtshof, wordt deze bevoegdheid uitgeoefend door de president van de Hoge Raad.

Toelichting

De indiener is van mening dat extra maatregelen nodig zijn om het tuchtrechtelijk arsenaal voor de rechterlijke macht compleet te maken.

De indiener wijst op een uitspraak van het Europees Hof van de Rechten van de Mens, waarin het Hof criteria geeft waaraan tuchtrecht voor rechters moet voldoen.1 Met het Hof is de indiener van mening dat het vertrouwen van de burger in de rechterlijke macht zeer belangrijk is voor een goed functionerende rechtsstaat. Eventuele misstappen van rechterlijke ambtenaren schenden dit vertrouwen. Het moet mogelijk zijn om op een rechtvaardige en proportionele wijze te reageren op een dergelijke misstap. Op dit moment is het tuchtrechtelijke arsenaal daarvoor te mager. Het wetsvoorstel voorziet slechts in een kleine uitbreiding van dat palet. Indiener stelt een verdere uitbreiding voor.

Dit amendement regelt concreet dat de disciplinaire maatregel van schorsing ook voorwaardelijk kan worden opgelegd. Omdat deze maatregel wordt opgelegd door de Hoge Raad, maar betrokkene daar doorgaans niet werkzaam is, is geregeld wie er op toe ziet dat de betreffende rechterlijk ambtenaar zich aan de gestelde voorwaarden houdt.

Van Oosten


X Noot
1

Volkov tegen Oekraïne, EHRM 9 januari 2013, LJN BZ6183.