33 576 Natuurbeleid

Y VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 25 januari 2022

De leden van de vaste commissie voor Economische Zaken en Klimaat / Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit1 hebben kennisgenomen van de brief2 van 26 november 2021 inzake de zevende Voortgangsrapportage Natuur. De leden van de fracties van het CDA en de Partij voor de Dieren hebben naar aanleiding hiervan een aantal vragen.

Naar aanleiding hiervan is op 21 december 2021 een brief gestuurd aan de toenmalige Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.

De Minister voor Natuur en Stikstof heeft op 25 januari 2022 gereageerd.

De commissie brengt bijgaand verslag uit van het gevoerde schriftelijk overleg.

De griffier van de vaste commissie voor Economische Zaken en Klimaat / Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, De Boer

BRIEF VAN DE VOORZITTER VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR ECONOMISCHE ZAKEN EN KLIMAAT / LANDBOUW, NATUUR EN VOEDSELKWALITEIT

Aan de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit

Den Haag, 21 december 2021

De leden van de vaste commissie voor Economische Zaken en Klimaat / Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit hebben met belangstelling kennisgenomen van uw brief3 van 26 november 2021 inzake de zevende Voortgangsrapportage Natuur. De leden van de fracties van het CDA en de Partij voor de Dieren hebben naar aanleiding hiervan een aantal vragen.

Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie

De leden van de CDA-fractie hebben een aantal vragen over met name de uitvoering en effectiviteit en daarmee de kwaliteit van het natuurbeleid.

De leden van de CDA-fractie vragen u om nadere toelichting over de inzet van aanvullende verwervingsinstrumenten en samenwerkingsverbanden, die worden genoemd in het voorwoord van de voortgangsrapportage.4 Welke aanvullende verwervingsinstrumenten worden bedoeld en welke samenwerkingsverbanden? Op welke wijze dragen deze bij aan de effectieve uitvoering van beleid?

Deze leden lezen in de natuurrapportage dat in 60% van de genoemde resterende hectares de processen nog moeten starten voor inrichting.5 Hoe verklaart het kabinet deze trage start? Wat zijn de inspanningen van de provincies respectievelijk BBL, het Rijk, Natuurbeschermingsorganisaties of anderen?

De leden van de CDA-fractie lezen verder in de rapportage dat provincies versnellingsstrategieën ontwikkelen.6 Deze leden vragen u wat de versnellingsstrategieën van de provincies zijn en de genoemde verwervingsinstrumenten. Voorts vragen zij naar de inzet en positie van agrarisch natuurbeheer en het beheer door landgoedeigenaren en boseigenaren bij de uitvoering van beleid.

Ook vragen deze leden u wat de opdracht en samenstelling is van de Taskforce «Versnelling inrichting restopgave 80.000 ha extra natuur.»7 Wanneer en op welke wijze wordt de voortgang aan de Staten-Generaal gemeld?

De leden van de CDA-fractie vernemen met genoegen dat agrarisch natuurbeheer steeds interessanter wordt. Helaas zijn er zelfs wachtlijsten.8 Waarom zijn er wachtlijsten, zo vragen deze leden. Kunnen deze voorstellen bij voorrang worden gefinancierd? Deze leden hebben eerder gevraagd om naast 6-jarige contracten agrarisch natuurbeheer ook 10-, 20- respectievelijk 30-jarige contracten, die ingepast kunnen worden in de duurzame bedrijfsvoering, uitvoerbaar te maken. Hoe staat het met de voortgang hiervan?

De leden van de CDA-fractie constateren met u dat de natuurkwaliteit onvoldoende is.9 Wat is de rol van de terreinbeherende organisaties hierbij, wat kunnen zij bijdragen en op welke wijze vindt de monitoring plaats? Verder nemen deze leden kennis van het overzicht van aantal hectare aan oppervlakte landnatuur buiten het NNN (tabel 2)10; zij vragen u om een toelichting op de (grote) verschillen per provincie.

Vervolgens lezen de leden van de CDA-fractie in de rapportage dat de financiële middelen voor agrarisch natuurbeheer beperkt zijn, terwijl dit wel bijdraagt aan de biodiversiteit.11 Waarom worden er niet meer middelen beschikbaar gesteld voor agrarisch natuurbeheer, nu de grondverwerving moeilijk gaat?

Verder wordt in de voortgangsrapportage gesteld dat natuur en landbouw ruimtelijk sterk van elkaar gescheiden zijn.12 Waarom ziet het kabinet zo’n sterke scheiding en hoe beoordeelt het kabinet een betere verbinding tussen natuur en landbouw?

Daarnaast constateren deze leden dat het aan voldoende concrete en alternatieve verdienmodellen ontbreekt.13 Wat doet het kabinet aan dit gebrek en op welke termijn kunnen er wel concrete en alternatieve verdienmodellen tegemoetgezien worden?

Hoe wordt de staat van de natuur gemeten, zo vragen de leden van de CDA-fractie.

Deze leden lezen ook in de voortgangsrapportage dat de indicatoren beogen een landelijk beeld van de natuurkwaliteit te geven.14 Kunt u toelichten waarom dit een landelijk beeld is en waarom kan het kabinet niet per provincie of op gebiedsniveau de natuurkwaliteit weergeven? Hoe wordt dan bepaald dat 46 van de 52 habitattypen in ongunstige staat van instandhouding verkeren? Voorts vragen deze leden op welke wijze afstemming met andere Europese landen in het verband van Europees natuurnetwerk plaatsvindt. Speelt het AERIUS-model hierbij een rol?

De leden van de CDA-fractie vragen u naar de vervolgstappen van het project Friese IJsselmeerkust; zij constateren dat een startbeslissing thans is vastgesteld.15 Wat is nodig voor het vervolg bij de uitvoering? Zij zien graag toegelicht wat het vervolg is op de IJssel-Vecht-Delta?16 Wat is in dit gebied nodig voor de volgende stap?

Ten slotte vragen de leden van de CDA-fractie of u een stand van zaken kunt geven met betrekking tot de uitvoering van het professionaliseren van de geitenhouderij op Bonaire.17 In dit verband vragen zij u tevens om informatie over zowel het beheer van ezels op Bonaire als over de gevolgen van de aanwezigheid van deze dieren voor de lokale natuur. Zij vragen u welke maatregelen op de begroting nodig zijn om natuurbeheer ook op deze plaats te waarborgen.

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de Partij voor de Dieren

De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren (PvdD) hebben met belangstelling kennisgenomen van de Zevende voortgangsrapportage natuur. Zij constateren dat het niet goed gaat met de haas en het konijn in Nederland. De diersoorten zijn toegevoegd aan de Rode Lijst van bedreigde zoogdieren (door het Ministerie van LNV gepubliceerd op 3 november 2020).18 Volgens de Zoogdiervereniging zijn de populaties hazen en konijnen sinds de jaren 50 met meer dan 60 procent afgenomen.

Is het juist dat de jacht op de haas en het konijn gewoon door mag blijven gaan, omdat deze bedreigde soorten nog steeds op de lijst van vrij bejaagbare soorten staan? Bent u bereid de haas en het konijn met spoed van de lijst met vrij bejaagbare soorten te halen? En zo nee, waarom niet? Bent u bereid, hangende nadere inventarisatie, de jacht op haas en konijn op te schorten? Zo nee, waarom niet?

Wat gaat u doen om de haas en het konijn zodanig te beschermen dat ze weer van de Rode Lijst af kunnen? Ook dit jaar wilde het kabinet weer derogatie aanvragen voor het overschrijden van de mestoverschotten. Bij brief van 13 december 202119 heeft u de Eerste Kamer laten weten dat de procedure voor de aanvraag van derogatie voorlopig niet in gang zal worden gezet door de Europese Commissie aangezien die er onvoldoende van overtuigd is «dat Nederland met het ingediende 7e actieprogramma Nitraatrichtlijn alle doelen t.a.v. waterkwaliteit tijdig zal halen». Welke maatregelen gaat het kabinet nemen om de waterkwaliteit de verbeteren? En wat gaat het kabinet doen om de hoeveelheid mest in Nederland zodanig te verminderen dat geen derogatie meer behoeft te worden gevraagd? Is het kabinet bereid, hangende een dergelijk traject tot verbetering, geen nieuwe derogatie aan te vragen?

Staatsbosbeheer gaat dit jaar 1400 herten en 80 heckrunderen afschieten in de Oostvaardersplassen. De leden van de Partij voor de Dieren-fractie vinden het onacceptabel dat de Provincie Flevoland het afschieten van «boventallige» dieren ziet als enige oplossing om de stand van de dieren gezond te houden. Deze leden willen dat het Rijk de verantwoordelijkheid voor de Oostvaardersplassen overneemt. Zij willen bovendien dat de Oostvaardersplassen zo snel mogelijk worden verbonden met andere natuurgebieden. Hoe gaat het kabinet dat faciliteren?

Op 1 oktober jl. werd in Nederland, in Stroe, een doodgeschoten wolf gevonden. De Partij voor de Dieren heeft daar aangifte van gedaan bij de politie. Het doden van deze bedreigde en beschermde diersoort is immers strafbaar. Wat gaat het kabinet eraan doen om te voorkomen dat in de toekomst ook andere wolven in Nederland worden doodgeschoten? Wat doet het kabinet om te bevorderen dat de dader wordt aangehouden en berecht?

De leden van de vaste commissie voor Economische Zaken en Klimaat / Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit zien uw reactie met belangstelling tegemoet en ontvangen deze graag uiterlijk 21 januari 2022.

De voorzitter van de vaste commissie voor Economische Zaken en Klimaat / Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, L.P. van der Linden

BRIEF VAN DE MINISTER VOOR NATUUR EN STIKSTOF

Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 25 januari 2022

Bijgaand beantwoord ik, in afstemming met de provincies, de vragen die de leden van uw vaste commissie voor Economische Zaken en Klimaat/Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit per brief van 21 december 2021 hebben gesteld inzake de zevende Voortgangsrapportage Natuur.

De Minister voor Natuur en Stikstof, C. van der Wal-Zeggelink

2021Z15121

Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie

De leden van de CDA-fractie hebben een aantal vragen over met name de uitvoering en effectiviteit en daarmee de kwaliteit van het natuurbeleid.

De leden van de CDA-fractie vragen u om nadere toelichting over de inzet van aanvullende verwervingsinstrumenten en samenwerkingsverbanden, die worden genoemd in het voorwoord van de voortgangsrapportage. Welke aanvullende verwervingsinstrumenten worden bedoeld en welke samenwerkingsverbanden? Op welke wijze dragen deze bij aan de effectieve uitvoering van beleid?

Met samenwerkingsverbanden wordt hier gedoeld op de gesprekken die provincies en Rijk samen met terreinbeherende organisaties zijn gestart om beter zicht te krijgen op de voortgang van de verwerving en inrichting van nieuwe natuur, de belemmeringen die daarbij worden gesignaleerd en de mogelijkheden voor versnelling van de uitvoering.

De versnelling van de verwerving en inrichting van gronden wordt in de afzonderlijke provincies opgepakt, bijvoorbeeld omdat Programma Natuur aanvullende financiering biedt voor de verwerving van sleutelhectares of provincies (de afgelopen jaren) gebiedsregisseurs en instrumenten als volledige schadeloosstelling (zijn) gaan inzetten. Daarnaast vindt een verkenning van versnellingsstrategieën plaats in de Taskforce versnelling inrichting restopgave 80.000 hectare extra natuur. Voor de versnelling kunnen provincies gebruik maken van de diverse, reeds bestaande instrumenten voor de verwerving van gronden, teneinde deze om te zetten in nieuwe natuur.

Deze leden lezen in de natuurrapportage dat in 60% van de genoemde resterende hectares de processen nog moeten starten voor inrichting. Hoe verklaart het kabinet deze trage start? Wat zijn de inspanningen van de provincies respectievelijk BBL, het Rijk, Natuurbeschermingsorganisaties of anderen?

In het Natuurpact is afgesproken dat als peildatum voor de opgave van 80.000 ha nieuwe natuur 1 januari 2011 geldt. Op dat moment was de inrichting van een grote oppervlakte aan gronden voor natuur in voorbereiding. De inrichting van deze gronden heeft reeds plaatsgevonden of zal (ruimschoots) binnen de eindtermijn plaatsvinden. De resterende opgave is moeilijker te realiseren. De redenen hiervoor zijn genoemd in de Voortgangsrapportage Natuur: stijgende grondprijzen, een te lage grondmobiliteit, een tekort aan ruilgronden en geringe bereidwilligheid van grondeigenaren om grond te verkopen of de functie te veranderen naar natuur. Om deze situatie het hoofd te bieden hebben provincies, in overleg met het Rijk, de hierboven genoemde taskforce opgericht en zijn provincies aan de slag om, indien nodig, de realisatie van de restantopgave in hun provincies te versnellen. Realisatie van de 80.000 is een verantwoordelijkheid van de provincies. Zij kunnen daarbij onder andere gebruik maken van de gronden en de middelen waarover in 2013 het Natuurpact afspraken zijn gemaakt. De verwerving en inrichting van nieuwe natuur vindt in nauwe afstemming met de diverse natuurbeheerders plaats.

De leden van de CDA-fractie lezen verder in de rapportage dat provincies versnellingsstrategieën ontwikkelen. Deze leden vragen u wat de versnellingsstrategieën van de provincies zijn en de genoemde verwervingsinstrumenten.

Zie hiervoor de antwoorden op de eerste vragen van de leden van de CDA-fractie.

Voorts vragen zij naar de inzet en positie van agrarisch natuurbeheer en het beheer door landgoedeigenaren en boseigenaren bij de uitvoering van beleid.

Zoals gemeld in antwoord op eerdere vragen van de leden van de CDA-fractie, vindt realisatie van nieuwe natuur plaats in nauwe afstemming met natuurbeheerders. Dat kunnen terreinbeherende organisaties zijn, maar ook particuliere natuurbeheerders, waaronder landgoedeigenaren, boseigenaren en agrariërs. Het agrarisch natuurbeheer is een belangrijk instrument voor het versterken van de natuur op en rond agrarische terreinen. Zie hiervoor paragraaf 2.4 van de Voortgangsrapportage Natuur.

Ook vragen deze leden u wat de opdracht en samenstelling is van de Taskforce «Versnelling inrichting restopgave 80.000 ha extra natuur.» Wanneer en op welke wijze wordt de voortgang aan de Staten-Generaal gemeld?

De taskforce analyseert de huidige stand van zaken en biedt inzicht in de voortgang, evenals kansen en mogelijkheden om de verwerving en inrichting van gronden te versnellen. Het doel van de taskforce is het opstellen van bestuurlijke adviezen over mogelijke versnellingsstrategieën en het ondersteunen van reeds ingezette versnellingsacties door provincies. Op basis daarvan maken de provincies vervolgens regionale afspraken om de noodzakelijke versnelling in hun provincie te realiseren.

De taskforce is samengesteld uit ambtenaren van diverse provincies, het Interprovinciaal Overleg (IPO) en mijn ministerie. De opdracht van de taskforce is vastgesteld in het bestuurlijk overleg van Rijk en provincies in november 2021. In dat overleg is afgesproken dat de taskforce vóór de zomer van 2022 voorstellen zal doen voor de aanpak van de versnelling in de komende jaren. In de achtste Voortgangsrapportage Natuur, die in het najaar van 2022 verschijnt en die wordt toegestuurd aan beide Kamers der Staten-Generaal, zal de stand van zaken met betrekking tot de versnelling worden gemeld.

De leden van de CDA-fractie vernemen met genoegen dat agrarisch natuurbeheer steeds interessanter wordt. Helaas zijn er zelfs wachtlijsten. Waarom zijn er wachtlijsten, zo vragen deze leden. Kunnen deze voorstellen bij voorrang worden gefinancierd? Deze leden hebben eerder gevraagd om naast 6-jarige contracten agrarisch natuurbeheer ook 10-, 20- respectievelijk 30-jarige contracten, die ingepast kunnen worden in de duurzame bedrijfsvoering, uitvoerbaar te maken. Hoe staat het met de voortgang hiervan?

Uit de evaluatie van het stelsel van Agrarisch Natuur en Landschapsbeheer (ANLb) komt inderdaad naar voren dat de animo onder agrariërs toeneemt. Sinds de invoering van het stelsel in 2016 is het uitgekeerde bedrag aan de agrarische collectieven per beheerjaar toegenomen van ruim € 42 miljoen naar ruim € 77 miljoen in 2021. Ondanks deze toename schiet het beschikbare budget voor ANLb vanuit het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) tekort voor de vraag vanuit de agrariërs die willen deelnemen aan ANLb. Het Nationaal Strategisch Plan voor het nieuwe GLB (2023–2027) voorziet in een verbreding van het ANLb en een toename van de middelen naar € 100 miljoen in 2023 oplopend tot € 120 miljoen vanaf 2025.

De looptijd van de contracten is volgend aan de looptijd van de GLB-periode. De provincies kunnen looptijd van de contracten voor een langere periode afsluiten onder voorwaarde dat daarvoor financiële en juridische waarborgen zijn. In het coalitieakkoord is afgesproken om de mogelijkheden van het ANLb te vergroten door langjarige overeenkomsten mogelijk te maken.

De leden van de CDA-fractie constateren met u dat de natuurkwaliteit onvoldoende is. Wat is de rol van de terreinbeherende organisaties hierbij, wat kunnen zij bijdragen en op welke wijze vindt de monitoring plaats?

De terreinbeherende organisaties spelen een belangrijke rol bij het verbeteren van de natuurkwaliteit van hun terreinen. Dat doen zij onder meer door het uitvoeren van maatregelen gericht op behoud, herstel en ontwikkeling van de natuur. Denk hierbij aan maatregelen als het inzetten van grote grazers om de terreinen voldoende open te houden, het verwijderen van de stikstofrijke bovenlaag in de kwetsbare heideterreinen en de bestrijding van invasieve exoten die een bedreiging vormen voor de natuurlijke populaties.

De monitoring van de natuurkwaliteit in Nederland wordt hoofdzakelijk via twee sporen uitgevoerd. Het eerste spoor is het Netwerk Ecologische Monitoring (NEM). SOVON Vogelonderzoek Nederland en de soortenorganisaties, zoals de Vlinderstichting, RAVON en de Zoogdiervereniging werken met het Rijk en de provincies samen in het NEM. Samen met tienduizenden vrijwilligers zorgen zij jaarlijks voor de monitoring op het voorkomen van soorten in de verschillende meetnetten.

Het tweede spoor is de monitoring door de terreinbeherende organisaties in het kader van de provinciale Subsidieregeling Natuur en Landschap (SNL). Op basis van deze monitorgegevens worden de trends en verspreidingskaarten van de relevante soorten afgeleid, worden vegetatie- en habitattypenkaarten gemaakt en kwaliteitsbeoordelingen uitgevoerd. Deze gegevens zijn ook gebruikt zijn voor de indicatoren voor de natuurkwaliteit in de Voortgangsrapportage Natuur.

Verder nemen deze leden kennis van het overzicht van aantal hectare aan oppervlakte landnatuur buiten het NNN (tabel 2). Zij vragen u om een toelichting op de (grote) verschillen per provincie.

Zoals toegelicht in de tekst bij pagina 22 zijn provincies bevoegd zijn om eigen beleidskeuzes te maken, laat de tabel zien dat provincies op verschillende manieren het onderscheid tussen het NNN en de natuur buiten het NNN hebben gemaakt. Ook hebben provincies, zoals toegelicht in de voetnoot bij tabel 2, in het verleden mogelijk grotere arealen bestaande natuur in beeld gebracht, op basis van een ruimere definitie dan in deze berekening is gehanteerd.

Vervolgens lezen de leden van de CDA-fractie in de rapportage dat de financiële middelen voor agrarisch natuurbeheer beperkt zijn, terwijl dit wel bijdraagt aan de biodiversiteit. Waarom worden er niet meer middelen beschikbaar gesteld voor agrarisch natuurbeheer, nu de grondverwerving moeilijk gaat?

Er worden substantieel meer middelen beschikbaar gesteld voor agrarisch natuurbeheer, zoals ook in antwoord op de eerdere vragen van de leden van de CDA-fractie vermeld. In het Nationaal Strategisch Plan voor het nieuwe GLB is voorzien in een toename van de ANLb middelen die oploopt van jaarlijks € 100 miljoen in 2023 naar € 120 miljoen in 2025.

Verder wordt in de voortgangsrapportage gesteld dat natuur en landbouw ruimtelijk sterk van elkaar gescheiden zijn. Waarom ziet het kabinet zo’n sterke scheiding en hoe beoordeelt het kabinet een betere verbinding tussen natuur en landbouw?

In de laatste 50 jaar hebben landbouw en natuur zich hoofdzakelijk afzonderlijk van elkaar ontwikkeld. Hoewel voor de natuur ook winst is geboekt door het reserveren van ruimte voor (nieuwe) natuur, is de laatste jaren steeds meer het besef gegroeid dat landbouw en natuur elkaar ook kunnen versterken. Het beleid van de afgelopen jaren was hier ook op gericht; denk aan de transitie naar de kringlooplandbouw en natuurinclusieve landbouw. Ook het Planbureau voor de Leefomgeving constateert in de tweede lerende evaluatie van het Natuurpact dat

«door in te zetten op extensivering van de landbouw in de overgangszone de scherpe ruimtelijke scheiding tussen natuur en intensievere vormen van landbouw kan verminderen.» Het kabinet wil de verbinding tussen landbouw en natuur doorzetten, in een gebiedsgerichte aanpak. Zo is in het coalitieakkoord opgenomen dat we tussenvorm willen creëren tussen natuur- en landbouwgrond: landschapsgrond. Hiermee verbetert de verbinding tussen natuur en landbouw waarmee het leefgebied van kwetsbare soorten kan worden vergroot.

Daarnaast constateren deze leden dat het aan voldoende concrete en alternatieve verdienmodellen ontbreekt. Wat doet het kabinet aan dit gebrek en op welke termijn kunnen er wel concrete en alternatieve verdienmodellen tegemoetgezien worden?

In het coalitieakkoord is de ambitie opgenomen om de transitie naar kringlooplandbouw te ondersteunen met een goed verdienmodel, zodat boeren in staat worden gesteld om de benodigde verandering te realiseren en daarvoor maatschappelijke waardering krijgen. Daarbij wordt tevens een beroep gedaan op een niet-vrijblijvende bijdrage van banken, toeleveranciers, de verwerkende industrie en de «retail». De verdere uitwerking hiervan volgt later dit jaar.

Hoe wordt de staat van de natuur gemeten, zo vragen de leden van de CDA-fractie.

Zoals bij de beantwoording van de eerdere vragen van de leden van de CDA-fractie is vermeld, wordt het voorkomen van planten en diersoorten gemonitord via de meetnetten van het Netwerk Ecologische Monitoring (NEM) en via de SNL-monitoring. Voor de monitoring wordt gewerkt met zorgvuldig opgestelde protocollen, zodat meetgegevens onderling vergelijkbaar zijn. Ook worden de gegevens gevalideerd voordat ze worden toegepast. De meerjarige meetgegevens die hier uit voortkomen worden gebruikt om de conditie voor soorten en ecosystemen (toestand en trends) te bepalen (zie figuur 10 in de zevende Voortgangsrapportage Natuur) en de verspreidingskaarten van soorten en ecosystemen te maken. Deze vormen een belangrijke indicatie voor de «stand van de natuur». Deze zijn ook terug te vinden in het Compendium voor de Leefomgeving (zie https://www.clo.nl). Eens in de zes jaar wordt de staat van de soorten en habitattypen van de Vogel- en Habitatrichtlijn gerapporteerd aan de Europese Commissie (zie brochure VHR-rapportage 2019) en iedere vier jaar rapporteert het Koninkrijk der Nederlanden via een landenrapportage over de resultaten met betrekking tot de afspraken uit het Biodiversiteitsverdrag CBD (Kamerstuk 26 407, nr. 128).

Deze leden lezen ook in de voortgangsrapportage dat de indicatoren beogen een landelijk beeld van de natuurkwaliteit te geven. Kunt u toelichten waarom dit een landelijk beeld is en waarom kan het kabinet niet per provincie of op gebiedsniveau de natuurkwaliteit weergeven? Hoe wordt dan bepaald dat 46 van de 52 habitattypen in ongunstige staat van instandhouding verkeren?

Naar aanleiding van het verzoek van de Tweede Kamer om een «beknopte natuurrapportage» is er voor gekozen om een samenhangend landelijk beeld van de natuurkwaliteit te presenteren. Een rapportage per provincie of op gebiedsniveau zou uitgebreider en complexer worden. Daarbij zijn er per provincie en zeker op gebiedsniveau onvoldoende gegevens beschikbaar om voor alle indicatoren betrouwbare uitspraken te kunnen doen. Daarvoor zouden een aantal van de bestaande meetnetten moeten worden uitgebreid. Voor het bepalen van de staat van instandhouding worden op basis van vegetatiekarteringen landelijke habitattypenkarteringen gemaakt. Op basis van deze gegevens en de kenmerken van de habitattypen wordt door deskundigen een beoordeling gemaakt van de staat van instandhouding: gunstig, matig ongunstig of zeer ongunstig.

Voorts vragen deze leden op welke wijze afstemming met andere Europese landen in het verband van Europees natuurnetwerk plaatsvindt. Speelt het AERIUS-model hierbij een rol?

De aanwijzen, beschermen en beheren van Natura 2000-gebieden, ter invulling van de verplichtingen op grond van de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn, is een verantwoordelijkheid van lidstaten. Wel vindt er indien nodig afstemming tussen lidstaten plaats. Zo was in Nederland bij de selectie van de Natura 2000-gebieden grensoverschrijdendheid een van de criteria: als er aan Duitse of Belgische kant van de grens al een Natura 2000-gebied lag, en aan Nederlandse zijde lag een gebied dat zou kunnen kwalificeren, dan is dat meegenomen in de overweging om het gebied aan te wijzen. Verder wordt in grensoverschrijdende gebieden vaak het beheer aan beide zijden van de grens op elkaar afgestemd.

Op hoger schaalniveau vindt afstemming over implementatie van het netwerk Natura 2000 plaats in zogenaamde biogeografische seminars. Driejaarlijks worden op Europees regionaal niveau de goede voorbeelden en uitdagingen uitgewisseld. Voor Nederland gebeurt dit met de lidstaten die grenzen aan de Atlantische oceaan/Noordzee (de Atlantische regio). Op weg naar de ambitie uit de Europese biodiversiteitsstrategie om in 2030 30% van het land- en zee-oppervlak in de EU aangewezen te hebben als beschermd natuurgebied (niet per se Natura 2000), wordt in deze zelfde structuur gewerkt aan aansluiting van nationale natuurnetwerken over landsgrenzen heen.

Het Aerius-model gebruikt informatie over de stikstofemissies van andere landen bij het bepalen van de depositie op Nederlandse Natura 2000-gebieden. Ook kan Aerius bepalen waar en hoeveel depositie Nederlandse bronnen veroorzaken op de natuur in de landen om ons heen. De keuze voor welk systeem gebruikt wordt, is overigens aan de lidstaten zelf.

De leden van de CDA-fractie vragen u naar de vervolgstappen van het project Friese IJsselmeerkust; zij constateren dat een startbeslissing thans is vastgesteld.

Wat is nodig voor het vervolg bij de uitvoering? Zij zien graag toegelicht wat het vervolg is op de IJssel-Vecht-Delta? Wat is in dit gebied nodig voor de volgende stap?

Het project Friese IJsselmeerkust en andere projecten van de Programmatische Aanpak Grote Wateren worden conform de spelregels van het Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport (MIRT) ontwikkeld en uitgevoerd. Met de startbeslissing voor het project Friese IJsselmeerkust kan de MIRT-verkenning worden uitgevoerd. Die resulteert in een voorkeursbesluit voor een planuitwerking. Vervolgens wordt een projectbesluit voor de aanleg van de maatregel(en) genomen.

Voor de IJssel/Vecht-Delta wordt een pre-verkenning (vergelijkbaar met een MIRT-onderzoek) uitgevoerd. Dit kan leiden tot een MIRT-startbeslissing in 2023 (door de Ministeries LNV en I&W). Nadat het startbeslissing is genomen zal de MIRT-verkenning starten.

Ten slotte vragen de leden van de CDA-fractie of u een stand van zaken kunt geven met betrekking tot de uitvoering van het professionaliseren van de geitenhouderij op Bonaire. In dit verband vragen zij u tevens om informatie over zowel het beheer van ezels op Bonaire als over de gevolgen van de aanwezigheid van deze dieren voor de lokale natuur. Zij vragen u welke maatregelen op de begroting nodig zijn om natuurbeheer ook op deze plaats te waarborgen.

De in het publiek domein loslopende geiten en ezels op Bonaire begrazen de lokale vegetatie, met als gevolg verwoestijning en erosie. Dit veroorzaakt schade aan de natuur op land alsook aan de natuur in zee, omdat het sediment het water vertroebelt, algengroei toeneemt en koraal afsterft. De professionalisering en verduurzaming van de geitenhouderij is een doorlopend proces. De huidige stand van zaken is dat er is gestart met rasverbetering, het opzetten van een identificatie- en registratiesysteem, omheining, veevoerproductie en renovatie van het slachthuis. Daarnaast is het ambtelijk apparaat versterkt door het opzetten van een veterinaire afdeling en de professionalisering van de dienst Landbouw, Veeteelt en Visserij van het openbaar lichaam Bonaire. Voor de verdere uitvoering van de eerste fase (2022–2025) van het Natuur en milieubeleidsplan Caribisch Nederland 2020–2030 zullen er gebiedsgerichte natuur- en plattelandsplannen ontwikkeld en uitgevoerd worden. Deze plannen zullen het verwijderen van geiten en ezels uit het publieke domein in die gebieden omvatten. Hiervoor zijn tot 2025 voldoende middelen begroot.

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de Partij voor de Dieren

De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren (PvdD) hebben met belangstelling kennisgenomen van de Zevende voortgangsrapportage natuur. Zij constateren dat het niet goed gaat met de haas en het konijn in Nederland. De diersoorten zijn toegevoegd aan de Rode Lijst van bedreigde zoogdieren (door het Ministerie van LNV gepubliceerd op 3 november 2020). Volgens de Zoogdiervereniging zijn de populaties hazen en konijnen sinds de jaren 50 met meer dan 60 procent afgenomen. Is het juist dat de jacht op de haas en het konijn gewoon door mag blijven gaan, omdat deze bedreigde soorten nog steeds op de lijst van vrij bejaagbare soorten staan? Bent u bereid de haas en het konijn met spoed van de lijst met vrij bejaagbare soorten te halen? En zo nee, waarom niet? Bent u bereid, hangende nadere inventarisatie, de jacht op haas en konijn op te schorten? Zo nee, waarom niet? Wat gaat u doen om de haas en het konijn zodanig te beschermen dat ze weer van de Rode Lijst af kunnen?

De jacht op soorten op de wildlijst (artikel 3.20 van Wet natuurbescherming) is op dit moment geopend. Op dit moment laat ik onderzoek doen naar de staat van instandhouding van deze soorten. Indien uit het onderzoek blijkt dat de staat van instandhouding van een of meer soorten op de wildlijst inderdaad in het geding is, zal ik overwegen de jacht op deze soorten voor het jachtseizoen 2022/2023 te sluiten. Ik verwacht op korte termijn de resultaten van dit onderzoek.

Ook dit jaar wilde het kabinet weer derogatie aanvragen voor het overschrijden van de mestoverschotten. Bij brief van 13 december 202117 heeft u de Eerste Kamer laten weten dat de procedure voor de aanvraag van derogatie voorlopig niet in gang zal worden gezet door de Europese Commissie aangezien die er onvoldoende van overtuigd is «dat Nederland met het ingediende 7e actieprogramma Nitraatrichtlijn alle doelen t.a.v. waterkwaliteit tijdig zal halen». Welke maatregelen gaat het kabinet nemen om de waterkwaliteit de verbeteren? En wat gaat het kabinet doen om de hoeveelheid mest in Nederland zodanig te verminderen dat geen derogatie meer behoeft te worden gevraagd? Is het kabinet bereid, hangende een dergelijk traject tot verbetering, geen nieuwe derogatie aan te vragen?

Het kabinet neemt via meerdere sporen maatregelen om de waterkwaliteit te verbeteren. Deze zijn genoemd in het ontwerpNationaal Waterprogramma 2022–2027. Het betreft onder meer brongericht beleid om de emissies van diverse stoffen (medicijnresten, gewasbeschermingsmiddelen, etc.) en nutriënten naar water verder te reduceren alsook inrichtingsmaatregelen in de Rijkswateren om de ecologische waterkwaliteit te verbeteren.

In gesprekken van mijn ambtsvoorganger, de toenmalige Minister van LNV, met de verantwoordelijke Eurocommissaris is naar voren gekomen dat de Europese Commissie de procedure tot verlening van derogatie van de Nitraatrichtlijn vooralsnog niet wilde voortzetten, omdat met het vastgestelde zevende actieprogramma Nitraatrichtlijn (hierna: 7e AP) nog niet alle doelen van de Nitraatrichtlijn en de Kaderrichtlijn Water (KRW) behaald worden. Mijn ambtsvoorganger heeft laten weten voor het realiseren van de resterende opgave een gebiedsgerichte aanpak nodig is, in aansluiting op de structurele aanpak stikstof.

In het coalitieakkoord is een forse investering opgenomen in een duurzame landbouw en in een robuust natuurareaal. Het kabinet kiest voor een brede aanpak die zich richt op een grote verscheidenheid aan gebieden. Die aanpak richt zich niet alleen op stikstof, maar ook op de (Europese) normen en opgaven van de waterkwaliteit, bodem, klimaat en biodiversiteit. Onze inzet is om hiermee, in aanvulling op de maatregelen die zijn opgenomen in het 7e AP, de resterende opgave voor wat betreft de waterkwaliteit binnen bereik te brengen. De Minister van LNV treedt hierover op korte termijn in overleg met de Europese Commissie. De derogatie van de Nitraatrichtlijn heeft volgens het kabinet positieve effecten op de waterkwaliteit, klimaat en agrobiodiversiteit en is daarnaast van economische waarde voor de landbouwsector. De inzet is er dan ook op gericht om opnieuw derogatie te verkrijgen. Ik realiseer mij terdege dat Nederland hiervoor in een aanpak moet voorzien waarmee de doelen voor zowel de grond- als oppervlaktewaterkwaliteit, daar waar het de landbouw betreft, gehaald worden.

Staatsbosbeheer gaat dit jaar 1400 herten en 80 heckrunderen afschieten in de Oostvaardersplassen. De leden van de Partij voor de Dieren-fractie vinden het onacceptabel dat de Provincie Flevoland het afschieten van «boventallige» dieren ziet als enige oplossing om de stand van de dieren gezond te houden. Deze leden willen dat het Rijk de verantwoordelijkheid voor de Oostvaardersplassen overneemt. Zij willen bovendien dat de Oostvaardersplassen zo snel mogelijk worden verbonden met andere natuurgebieden. Hoe gaat het kabinet dat faciliteren?

Er is wat mij betreft geen aanleiding om de verantwoordelijkheid voor de Oostvaardersplassen, destijds op verzoek van de Tweede Kamer gedecentraliseerd naar de provincie Flevoland, weer over te hevelen naar het Rijk. Ik ondersteun het beleid van de provincie Flevoland en de uitvoering daarvan door Staatsbosbeheer. De provincie Flevoland heeft vooralsnog geen (nieuwe) plannen voor een verbinding van de Oostvaardersplassen met andere natuurgebieden.

Op 1 oktober jl. werd in Nederland, in Stroe, een doodgeschoten wolf gevonden. De Partij voor de Dieren heeft daar aangifte van gedaan bij de politie. Het doden van deze bedreigde en beschermde diersoort is immers strafbaar. Wat gaat het kabinet eraan doen om te voorkomen dat in de toekomst ook andere wolven in Nederland worden doodgeschoten? Wat doet het kabinet om te bevorderen dat de dader wordt aangehouden en berecht?

In artikel 12 van de EU-Habitatrichtlijn is vastgelegd dat alle nodige maatregelen moeten worden genomen om het illegaal doden van wolven te voorkomen. De landelijke en provinciale overheden geven invulling aan deze wettelijke verplichting. Na het ontvangen van de meldingen over de casus in Stroe, is de politie na analyse van de informatie een onderzoek gestart. Meer informatie kan ik niet met uw Kamer delen, aangezien ik niet kan ingaan op individuele strafrechtelijke onderzoeken.


X Noot
1

Samenstelling:

Koffeman (PvdD), Faber-Van de Klashorst (PVV), Van Strien (PVV), Gerkens (SP), Atsma (CDA) (ondervoorzitter), Pijlman (D66), Schalk (SGP), Klip-Martin (VVD), Van Rooijen (50PLUS), Van Ballekom (VVD), Vos (VVD), Crone (PvdA), Dessing (FVD), Van Gurp (GL), Huizinga-Heringa (CU), Kluit (GL), Van der Linden (Fractie-Nanninga) (voorzitter), Meijer (VVD), Otten (Fractie-Otten), Prins (CDA), Vendrik (GL), Van der Voort (D66), Berkhout (Fractie-Nanninga), Raven (OSF), Karakus (PvdA) en Soeharno (CDA).

X Noot
2

Kamerstukken I, 2021–2022, 33 576, X.

X Noot
3

Kamerstukken I, 2021–2022, 33 576, X.

X Noot
4

Natuur in Nederland. Stand van zaken eind 2020 en ontwikkelingen in 2021, blz. 2. Bijlage bij: Kamerstukken I, 2021–2022, 33 576, X.

X Noot
5

Idem, blz. 4.

X Noot
6

Ibidem.

X Noot
7

Natuur in Nederland. Stand van zaken eind 2020 en ontwikkelingen in 2021, blz. 5. Bijlage bij: Kamerstukken I, 2021–2022, 33 576, X.

X Noot
8

Ibidem.

X Noot
9

Idem, blz. 6.

X Noot
10

Idem, blz. 23.

X Noot
11

Idem, blz. 26.

X Noot
12

Idem, blz. 29.

X Noot
13

Idem, blz. 30.

X Noot
14

Idem, blz. 37.

X Noot
15

Natuur in Nederland. Stand van zaken eind 2020 en ontwikkelingen in 2021, blz. 48. Bijlage bij: Kamerstukken I, 2021–2022, 33 576, X.

X Noot
16

Idem, blz. 49.

X Noot
17

Idem, blz. 50.

X Noot
18

Besluit van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 14 oktober 2020, DGNVLG/20246331, houdende vaststelling van een geactualiseerde Rode Lijst Zoogdieren, Staatscourant 56788, 3 november 2020.

X Noot
19

Kamerstukken I, 2021–2022, 33 037, AB.

Naar boven