Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2018-201926407 nr. 128

26 407 Biodiversiteit

Nr. 128 BRIEF VAN DE MINISTER VAN LANDBOUW, NATUUR EN VOEDSELKWALITEIT

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 12 juli 2019

Bijgaand treft u de zesde nationale Rapportage van het Koninkrijk der Nederlanden voor wat betreft het verdrag voor het behoud van biologische biodiversiteit (hierna: het Biodiversiteitsverdrag)1. De verdragspartijen van het Biodiversiteitsverdrag hebben zich er toe verplicht om elke vier jaar een rapportage op te stellen over het doelbereik. Deze zesde rapportage is opgesteld conform de door de vergadering van verdragspartijen opgestelde richtlijnen, en wordt ingediend bij het verdragssecretariaat.

De rapportage is opgesteld door Wageningen Universiteit en Research, onder begeleiding van het Ministerie van LNV. Relevante overheden van de overzeese gebiedsdelen van het Koninkrijk zijn geïnformeerd over het proces en het eindresultaat. De zesde rapportage voor het Biodiversiteitsverdrag is vooral bedoeld om de eindbalans op te maken over het behalen van de twintig Aichi-biodiversiteitsdoelen die onderdeel uit maken van het Strategisch Raamwerk van het verdrag 2011–2020.

In Nederland is voortgang geboekt op alle 20 Aichi-biodiversiteitsdoelen. In de meeste gevallen worden de doelen echter nog niet gehaald. Voortgang kan in het verband van deze rapportage betekenen dat geconstateerd is dat we goed beleid voeren, gericht op de afgesproken doelen. Het betekent niet per definitie dat ook al geconstateerd is dat de biodiversiteit vooruit gaat. Vooruitgang van de biodiversiteit wordt in Nederland nog vaak gehinderd door slechte milieucondities. Een probleem bij het bereiken van de VN-biodiversiteitsdoelen vormt ook de grote ecologische voetafdruk van Nederland. Het verkleinen van die voetafdruk krijgt veel aandacht, maar verandering is complex en gaat met kleine stapjes.

In Caribisch Nederland wordt op enkele Aichidoelen vooruitgang geboekt, bijvoorbeeld op het vlak van het bewustzijn van het belang van biodiversiteit en het ontwikkelen van samenhangend beleid. De status van de Caribische ecosystemen baart zorgen, zowel op land als in zee. De Caribische ecosystemen lijden erg onder vrij grazende geiten, ezels en varkens en klimaatverandering. Voor Aruba, Curaçao en St. Maarten geldt dat er, ondanks veel positieve maatregelen, op een aantal doelen toch achteruitgang wordt geconstateerd. Dit is zorgelijk, omdat juist deze delen van het Koninkrijk ook voor hun economie afhankelijk zijn van de natuur. Ik zal de bestuurlijk verantwoordelijken in de onafhankelijke landen van het Koninkrijk hierover informeren.

De bevindingen van de rapportage stroken met de recente bevindingen van het Global Assessment van het Intergovernmental Platform on Biodiversity and Ecosystemservices (IPBES), waarin geconcludeerd wordt dat wereldwijd de meeste Aichi-biodiversiteitsdoelen, en daar mee ook een deel van de Duurzame Ontwikkelingsdoelen (SDG’s) niet gehaald worden.

U ontvangt van mij na de zomer een brief met mijn reactie op het IPBES Global Assessment. In die brief geeft het kabinet aan welke acties het zal nemen om meer te doen aan het behoud van Biodiversiteit in Nederland en daarbuiten.

Samen met die brief zult u ook een meer toegankelijke publieksversie van deze zesde CBD-rapportage ontvangen. De hierbij toegezonden versie van de rapportage is opgesteld in het verplichte online format, en is wel zelfstandig leesbaar, maar niet bijzonder gebruiksvriendelijk.

In het najaar ontvangt u van mij ook het nieuwe Natuurbeleidsplan Caribisch Nederland met daarin opgenomen een Koraal actieplan. De bevindingen van deze zesde rapportage spelen een belangrijke rol bij het opstellen van dit nieuwe beleidsplan.

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, C.J. Schouten


X Noot
1

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl.