Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Eerste Kamer der Staten-Generaal2015-201633348 nr. G

33 348 Regels ter bescherming van de natuur (Wet natuurbescherming)

G NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG

Ontvangen 1 december 2015

Met belangstelling heb ik kennisgenomen van het verslag van de vaste commissie voor Economische Zaken over het wetsvoorstel houdende regels ter bescherming van de natuur (Wet natuurbescherming). In deze nota naar aanleiding van het verslag beantwoord ik de door de leden van de fracties van SP, PvdA, GroenLinks en PvdD gestelde vragen en ga ik in op de door hen gemaakte opmerkingen. De vragen en opmerkingen heb ik genummerd en in voorkomend geval geparafraseerd met het oog op de toegankelijkheid en leesbaarheid.

Vragen en opmerkingen van de leden van de SP-fractie

1. De leden van de SP-fractie vragen of de regering het met hen eens is dat het bestuur van een faunabeheereenheid een evenwichtige samenstelling heeft, hoe zij kan garanderen dat er een evenwichtige samenstelling is en of zij bereid is kaders te stellen over de vertegenwoordiging van maatschappelijke organisaties in het bestuur van een faunabeheereenheid.

In artikel 3.12, tweede lid, van het wetsvoorstel zijn kaders gesteld voor de vertegenwoordiging in het bestuur van een faunabeheereenheid van organisaties die het doel behartigen van een duurzaam beheer van populaties van in het wild levende dieren in de desbetreffende regio. Die kaders waarborgen dat er sprake zal zijn van een evenwichtige samenstelling in het bestuur. Provinciale staten kunnen bij verordening nadere regels stellen over de vertegenwoordiging van deze organisaties in het bestuur (voorgesteld artikel 3.12, negende lid). Het is aan de faunabeheereenheid om binnen deze kaders te kiezen welke maatschappelijke organisaties in haar bestuur worden vertegenwoordigd.

2. De leden van de SP-fractie vragen waar een lid van een faunabeheereenheid een melding kan doen als het van mening is dat de faunabeheereenheid niet doet waarvoor zij is opgericht en wat de consequenties daarvan zijn.

Een faunabeheereenheid heeft tot doel voor haar werkgebied een faunabeheerplan vast te stellen (voorgesteld artikel 3.12, eerste en derde lid). Als een faunabeheereenheid geen faunabeheerplan vaststelt, kan een lid dit melden bij gedeputeerde staten van de desbetreffende provincie. Gedeputeerde staten zijn voor de uitvoering en handhaving van de regels over faunabeheereenheden en faunabeheerplannen het bevoegd gezag (voorgesteld artikel 3.12). Aangezien provincies belang hebben bij een duurzaam, goed onderbouwd faunabeheer, zullen zij alles in het werk stellen om dergelijke situaties te voorkomen en eventuele impasses bij de vaststelling van het faunabeheerplan te doorbreken.

3. De leden van de SP-fractie vragen hoe de door jagers te verstrekken gegevens over het door hen gerealiseerde afschot worden gecontroleerd, of er voldoende capaciteit beschikbaar is voor die controle en wie de controleurs op hun beurt controleert.

Het is aan de faunabeheereenheid om de door jagers op grond van het voorgestelde artikel 3.13, eerste lid, verstrekte gegevens te controleren op juistheid. Zij gebruikt deze gegevens voor de onderbouwing van het faunabeheerplan en voor het samengestelde overzicht dat zij ingevolge het voorgestelde artikel 3.13, tweede lid, openbaar moet maken. Deze openbaarmaking brengt met zich dat een ieder inzage heeft in dat overzicht.

4. De leden van de SP-fractie vragen of de regering het met hen eens is dat er bij het voorkomen of oplossen van overpopulatie ook zou moeten worden gekeken naar andere manieren dan afschot, bijvoorbeeld door het schudden van eieren.

Uit het wetsvoorstel volgt dat het doden van in het wild levende dieren zoveel mogelijk moet worden vermeden. Het is in beginsel verboden om dieren te doden (voorgestelde artikelen 3.1, eerste lid, 3.8, eerste lid en 3.10, eerste lid, onderdeel a), tenzij het doden bij of krachtens het wetsvoorstel is toegestaan. Aan populatiebeheer en schadebestrijding verbindt artikel 3.25, derde lid, van het wetsvoorstel bovendien de voorwaarde dat het doden van dieren zoveel mogelijk wordt vermeden. Ten aanzien van de uitoefening van de jacht geldt dat het doden van dieren op de wildlijst – haas, konijn, houtduif, wilde eend en fazant – alleen is toegestaan wanneer de jacht is geopend (voorgesteld artikel 3.22, eerste lid) en het doden van dieren gebeurt met het oog op de handhaving van een redelijke wildstand op het jachtveld van de jachthouder (voorgesteld artikel 3.20, eerste lid).

5. De leden van de SP-fractie vragen hoe de regering de samenhang in het natuurbeleid kan garanderen als er veel verschillende entiteiten bij betrokken zijn.

Het Rijk stelt, mede ter uitvoering van de Europese en internationale verplichtingen op het vlak van de bescherming van de natuur, bij en krachtens dit wetsvoorstel de regels vast waaraan alle betrokken bestuursorganen zich hebben te houden. Provincies hebben bij de uitvoering van het wetsvoorstel een centrale rol.

Voor aangelegenheden die eenheid van beleid vergen of de provincieschaal overstijgen, bevat het onderhavige wetsvoorstel de noodzakelijke waarborgen voor samenhang, bijvoorbeeld door het stellen van algemene kaders en voorwaarden voor verlening van Natura 2000-vergunningen, flora- en faunaontheffingen en vrijstellingen.

Dat de decentralisatie van bevoegdheden kan leiden tot onderlinge verschillen tussen de provincies bij de uitwerking van het natuurbeleid, is evident. Het is immers de bedoeling dat door decentralisatie beter recht wordt gedaan aan regionale verschillen en beter wordt aangesloten bij de regionale en lokale opvattingen over de inrichting en het beheer van gebieden voor de onderscheiden functies die daar moeten worden gecombineerd en de wijze waarop de natuurdoelstellingen het beste kunnen worden bereikt. Dit maatwerk bevordert ook de herkenbaarheid van en het draagvlak voor het beleid bij de burgers en ondernemers van het gebied. Provincies zijn zich bewust van het belang van samenwerking en onderlinge afstemming van hun inspanningen. Bij de invulling van de maatregelen legt elke provincie zijn eigen accent.

Van belang is verder dat het wetsvoorstel voorschrijft dat bij effecten van besluiten van een provincie voor andere provincies onderlinge afstemming tussen provincies is vereist. Wanneer de doelmatigheid of nationale belangen daarmee zijn gediend, wordt de bevoegdheid voor het nemen van besluiten op rijksniveau geregeld, zoals de aanwijzing van Natura 2000-gebieden.

Vragen en opmerkingen van de leden van de PvdA-fractie

6. De leden van de PvdA-fractie vragen in hoeverre het Rijk «zachte» sturingsinstrumenten als convenanten, financiële afspraken, samenwerkingsarrangementen, instructieregels over monitoring, in aanvulling op de «harde» instrumenten van interbestuurlijke handhaving een meer bepalende rol wil geven in de relatie met de provincies, met het oog op de naleving van Europese verplichtingen.

In het Bestuursakkoord natuur en het Natuurpact hebben Rijk en provincies goede afspraken gemaakt over de inspanningen van provincies voor het behalen van de doelstellingen van de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn en het monitoren van de voortgang. Ik ga ervan uit dat deze «zachte» sturingsinstrumenten voldoende zijn.

7. De leden van de PvdA-fractie vragen of een programmatische aanpak van het Rijk, in overleg met provincies, gemeenten en waterschappen, ten behoeve van een actieve soortenbescherming een krachtig instrument is.

Op grond van het voorgestelde artikel 1.12, eerste lid, dragen de provincies, ieder in hun provincie, tezamen zorg voor het nemen van de nodige maatregelen in het kader van de actieve soortenbescherming. Het voorgestelde artikel 1.13, zevende lid, biedt provincies de mogelijkheid om hiervoor het instrument van een programmatische aanpak toe te passen. Het is aan provincies om al dan niet gebruik te maken van die mogelijkheid.

8. De leden van de PvdA-fractie vragen of de regering het met hen eens is dat er bijzondere aandacht en betrokkenheid nodig is om het opstarten van faunabeheereenheden te doen slagen en of de regering een rol wil spelen met het oog op een goede vergunningverlening in overeenstemming met de Europese eisen.

Faunabeheereenheden hebben in de huidige Flora- en faunawet een centrale rol in het populatiebeheer (artikel 68 van de Flora- en faunawet). In elke provincie is één faunabeheereenheid actief. Er hoeven dus geen faunabeheereenheden te worden opgericht. De voorgestelde eis dat in aanvulling op de jachthouders uit het werkgebied van de faunabeheereenheid ook maatschappelijke organisaties die het doel van een duurzaam beheer van wild vertegenwoordigd zijn in het bestuur, maakt dat faunabeheereenheden het initiatief zullen moeten nemen om de samenstelling van het bestuur te veranderen. Provinciale staten kunnen bij verordening nadere regels over de vertegenwoordiging van maatschappelijke organisaties in het bestuur stellen.

De in het wetsvoorstel opgenomen voorwaarden waaronder gedeputeerde staten ontheffing voor populatiebeheer aan faunabeheereenheden kunnen verlenen van de verboden ter bescherming van vogels en dieren en planten van soorten van Europees belang (voorgestelde artikelen 3.15, zesde lid, en 3.17, eerste lid) zijn direct overgenomen uit artikel 9 van de Vogelrichtlijn1 en artikel 16 van de Habitatrichtlijn.2 Daardoor is gewaarborgd dat deze ontheffingen in overeenstemming met deze richtlijnen zullen worden verleend. Dat geldt overigens ook voor de huidige praktijk op basis van de Flora- en faunawet, waar provinciale staten en gedeputeerde staten eveneens het bevoegd gezag zijn voor de verlening van ontheffingen voor populatiebeheer.

9. De leden van de PvdA-fractie vragen of de regering een juridificering vreest van de ontheffingenverlening en handhaving wanneer er geen faunabeheerplan wordt vastgesteld dat breed wordt ondersteund en vragen of de regering bereid is een overleg te entameren tussen partijen om een «nationaal akkoord» te sluiten waaraan de provincies uitvoering geven.

Op grond van het voorgestelde artikel 3.12, eerste lid, geldt een wettelijke verplichting om een faunabeheerplan vast te stellen. In mijn antwoord op vraag nr. 2 ben ik ingegaan op de situatie dat er geen faunabeheerplan wordt vastgesteld. Een «nationaal akkoord» zoals de leden van de PvdA-fractie voorstellen, acht ik gegeven de centrale rol van provincies in het faunabeheerbeleid, niet passend en niet nodig.

10. De leden van de PvdA-fractie vragen naar de stand van zaken ten aanzien van het in de memorie van antwoord3 genoemde onderzoek van Rijk, provincies en gemeenten naar oplossingen om gemeenten te ondersteunen bij de uitoefening van de bevoegdheid tot bestuurlijke handhaving van de regels over de omgevingsvergunning.

Het overleg met provincies en gemeenten is op dit moment gaande. Ik vertrouw erop dat dat overleg tot een bevredigende uitkomst zal leiden.

11. De leden van de PvdA-fractie vragen of de bevoegdheid om aan gemeenten vrijstelling te verlenen ter bestrijding van overlast van dieren van beschermde soorten in de bebouwde kom, overbodig is gegeven de voorgestelde algemene bevoegdheden tot het verlenen van ontheffing of vrijstelling van de verboden ter bescherming van in het wild levende dieren. Deze leden wijzen op een signaal dat deze voorgestelde bepaling te ruim zou zijn.

Het voorgestelde artikel 3.16, dat bij amendement4 in het wetsvoorstel is opgenomen, voorziet in een bevoegdheid van de Minister van Economische Zaken en van provinciale staten om aan gemeenten vrijstelling te verlenen van de verboden ter bescherming van in het wild levende dieren om door hen veroorzaakte overlast binnen de bebouwde kom te bestrijden. De Minister van Economische Zaken is bevoegd een vrijstelling te verlenen voor de bestrijding van dieren van door hem aangewezen soorten die landelijk overlast veroorzaken, provinciale staten voor dieren van door hen aangewezen soorten die in hun provincie overlast veroorzaken. Er mogen alleen soorten worden aangewezen die niet in hun voortbestaan worden bedreigd of dat gevaar lopen. De bestrijding van overlast van vogels of van dieren van soorten van Europees belang is alleen toegestaan in het belang van een in artikel 9 van de Vogelrichtlijn, onderscheidenlijk artikel 16 van de Habitatrichtlijn, genoemde grond. Bovendien geldt als randvoorwaarde dat er geen andere bevredigende oplossing bestaat (voorgestelde artikelen 3.16, tweede of vierde lid, in samenhang met 3.3, vierde lid, onderdelen a en c, en 3.8, vijfde lid, onderdelen a en c). Deze voorgestelde voorziening is dus in lijn met de beide richtlijnen.

Ten opzichte van de algemene bevoegdheid tot het verlenen van ontheffingen en vrijstelling van de verboden ter bescherming van in het wild levende dieren (voorgestelde artikelen 3.3, 3.8 en 3.10, tweede lid) heeft de voorgestelde specifieke voorziening voor overlastbestrijding voor gemeenten als toegevoegde waarde dat zij op voorhand geen onderzoek hoeven te doen naar de gevolgen van de overlastbestrijding voor de staat van instandhouding. Dat is immers door de Minister van Economische Zaken en provinciale staten al gedaan met het oog op de aanwijzing van de overlast veroorzakende soorten.

Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-fractie

12. De leden van de GroenLinks-fractie vragen of de instrumenten van interbestuurlijk toezicht van de Provinciewet en de Wet Naleving Europese regelgeving publiekrechtelijke entiteiten afdoende zijn ingeval de nakoming van Europeesrechtelijke verplichtingen in het geding is en waarom in aanvulling daarop aanwijzingsbevoegdheid niet nodig is.

In de onverhoopte situatie dat het handelen of het niet-handelen van een provincie niet in overeenstemming zou zijn met Europese verplichtingen, is het zaak dat het Rijk en de desbetreffende provincie tijdig met elkaar in overleg treden om te bezien wat nodig is en om hierover afspraken te maken. Rijk en provincies hebben in het Bestuursakkoord natuur afgesproken dat het Rijk de provincies alleen zal aanspreken als zij niet hebben voldaan aan de afspraken over een gerichte inzet voor de realisering van de Europese doelstellingen van de voor de uitvoering van het akkoord overeengekomen middelen.

Het gegeven dat het Rijk in het uiterste geval de in de Provinciewet en in de Wet Naleving Europese regelgeving publiekrechtelijke entiteiten opgenomen maatregelen zal toepassen, biedt een goede waarborg dat afspraken zullen worden nagekomen. Een extra formele aanwijzingsbevoegdheid is daarom niet nodig.

13. De leden van de GroenLinks-fractie vragen op welke wijze het wetsvoorstel voorziet in de bescherming van gebieden die grenzen aan Natura 2000-gebieden waar activiteiten plaatsvinden die schadelijk kunnen zijn voor de Natura 2000-gebieden. Zij vragen hoe de nakoming van de Europese verplichtingen is geborgd.

Natura 2000-gebieden worden niet alleen beschermd tegen schadelijke handelingen die in een Natura 2000-gebied plaatsvinden, maar ook daarbuiten. Het beschermingsregime heeft een zogenoemde «externe werking». Dit volgt uit de vergunningplicht (voorgesteld artikel 2.7, tweede lid) en de aanschrijvingsbevoegdheid (voorgesteld artikel 2.4). Hiermee wordt uitvoering gegeven aan artikel 6, tweede en derde lid, van de Habitatrichtlijn. Van belang is verder dat natuurgebieden die grenzen aan een Natura 2000-gebied, veelal deel uitmaken van het natuurnetwerk Nederland en dientengevolge worden beschermd via het ruimtelijk regime.

14. De leden van de GroenLinks-fractie vragen naar de bescherming van dieren die voorkomen in niet-beschermde gebieden.

De in het wetsvoorstel opgenomen regimes ter bescherming van in het wild levende dieren (voorgestelde artikelen 3.1 tot en met 3.10) zijn overal van toepassing in Nederland. Of een dier van een beschermde soort zich bevindt in een Natura 2000-gebied of daarbuiten maakt niet uit: overal geldt een verbod op bijvoorbeeld het doden of vangen.

15. De leden van de GroenLinks-fractie vragen waarom de bescherming van landschappen bij de provincies is belegd.

De provincie is de dichtst bij de burger liggende bestuurslaag die in aanmerking komt voor een centrale rol bij de uitvoering van het landschapsbeleid, net als van het natuurbeleid. Dat hangt samen met de schaal van natuurgebieden en landschappen en de omvang van de problematiek die hier aan de orde is, de noodzakelijke verzekering van aansluiting op het beleid van andere provincies en de schaal waarop de voor de uitvoering van het beleid relevante organisaties – zoals terreinbeheerders en waterschappen – opereren. Het zijn ook bij uitstek de provincies die op gebiedsniveau de relevante afwegingen kunnen maken, rekening houdend met de specifieke kenmerken van het gebied, de regionale en lokale bijzonderheden en de afstemming met het beleid inzake verstedelijking. Zij kennen de relevante partijen in het gebied, zijn in staat om synergie met andere relevante gebiedsprocessen te bereiken en beschikken over de instrumenten voor een integrale aanpak in het fysieke domein, met name via haar bevoegdheden op grond van het omgevingsrecht, waardoor doelstellingen doelmatig en doeltreffend kunnen worden gerealiseerd.

Waar het gaat om landschappen met een unieke universele waarde, als zodanig erkend op grond van de internationale Overeenkomst inzake de bescherming van het cultureel en natuurlijk erfgoed (UNESCO), of om landschappen met hoge natuurwaarden op zee, is de verantwoordelijkheid voor het beleid overigens bij het Rijk belegd.

16. De leden van de GroenLinks-fractie vragen welke van de huidige beschermde natuurmonumenten buiten het natuurnetwerk Nederland vallen en waarom deze gebieden op grond van het wetsvoorstel niet worden beschermd.

Van vier beschermde natuurmonumenten (80 hectare) ligt een gedeelte buiten het natuurnetwerk Nederland: 23,1 hectare van de «Geerpolderplas» (in totaal 36 hectare groot); 8 hectare van de «Oeverlanden Braassemermeer» (in totaal 22 hectare groot); 6,6 hectare van de «Oude Dijk Waal en Burg» (in totaal 14 hectare groot) en 0,7 hectare van de «Schraallanden Utrecht» (in totaal 8 hectare groot). Vier beschermde natuurmonumenten liggen geheel buiten het netwerk: «Antjesholt» (3 hectare), «Eendennest» (6 hectare), «Overcingel» (5 hectare) en «Kavelen» (2 hectare). Deze gegevens zijn overgenomen uit het Alterra-rapport «Beschermde natuurmonumenten. Stand van zaken 2010 en toekomstige bescherming».5

De bescherming van deze gebieden of de genoemde delen daarvan is niet vereist op grond van de Vogelrichtlijn of de Habitatrichtlijn. Evenmin zijn deze gebieden of gebiedsgedeelten nodig als onderdeel van het natuurnetwerk Nederland, bijvoorbeeld omdat er geen samenhang is met andere onderdelen van het natuurnetwerk. Wanneer de desbetreffende provincie het op basis van provinciaal beleid nodig of wenselijk achten om in aanvulling daarop publiekrechtelijke beperkingen te stellen aan voor het gebied schadelijke activiteiten, kan zij dat doen door het gebied aan te wijzen als bijzonder provinciaal natuurgebied of landschap (voorgesteld artikel 1.12, derde lid) en via haar bevoegdheden op grond van het omgevingsrecht of de Provinciewet regels stellen.

17. De leden van de GroenLinks-fractie vragen hoe de regering het actieve soortenbeleid zal gaan invullen.

De invulling van het actieve soortenbeleid op land is een verantwoordelijkheid van de provincies. Zoals afgesproken in het Bestuursakkoord natuur en het Natuurpact dragen zij, ieder in hun provincie, zorg voor het nemen van de nodige maatregelen (voorgesteld artikel 1.12, eerste lid).

18. De leden van de GroenLinks-fractie vragen naar de stand van zaken van de uitvoering van de motie Grashoff/Leenders over weidevogels.

Ik zal de brief over de uitvoering van de motie Leenders/Grashoff6 voor de behandeling van de begroting Economische Zaken (onderdeel Landbouw en Natuur) 20167 aan de Tweede Kamer sturen, met een afschrift aan de Eerste Kamer.

19. De leden van de GroenLinks-fractie vragen hoe inhoud wordt gegeven aan de actieve soortenbescherming van vissen. Deze leden vinden het gemeenschappelijk visserijbeleid een magere vorm van natuurbescherming.

In de memorie van antwoord8 heeft mijn ambtsvoorganger aangegeven dat de bescherming van vissen en weekdieren in zoet, zout of brak water betrekking heeft op het beperken van negatieve invloeden, veroorzaakt door de volgende vier factoren: waterkwaliteit, overbevissing en bijvangst, habitatverlies en bedreiging door invasieve uitheemse soorten. Per factor heeft zij aangegeven met welke instrumenten in bescherming is voorzien.

De actieve soortenbescherming, waaraan provincies uitvoering gegeven (voorgesteld artikel 1.12, eerste lid) wordt vormgegeven door actief herstel van habitats en van verbindingen, zoals de aanleg van faunapassages en de ontsnippering van natuurgebieden. Bij vissen en weekdieren kan actief herstel bijvoorbeeld bestaan uit de aanleg van poelen.

Waar het gaat om het actief soortenbeleid op zee – waar provincies geen rechtsmacht hebben – zijn niet alleen de maatregelen in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid van belang, maar ook de maatregelen die ter uitvoering van de beheerplannen voor de Natura 2000-gebieden op zee worden getroffen, zoals maatregelen om habitats te creëren of te verbeteren.

20. De leden van de GroenLinks-fractie vragen of het wetsvoorstel, zoals gewijzigd bij amendement nr. 107, gelijkwaardig is ten opzichte van het oorspronkelijke wetsvoorstel. Het verplichte afschotplan dat met het amendement is geschrapt waarborgt, aldus deze leden, een terughoudende inzet van de jacht.

Het oorspronkelijke wetsvoorstel had, evenals het bij amendement nr. 107 gewijzigde wetsvoorstel, tot doel publiekrechtelijk te borgen dat alle inspanningen in het kader van de jacht en schadebestrijding ten dienste staan van het gebied waarin die inspanningen worden verricht en dat recht wordt gedaan aan de specifieke omstandigheden in het betrokken gebied en aan de gevoelens en verwachtingen van de bewoners van de streek, vanuit hun betrokkenheid bij en beleefde verantwoordelijkheid voor hun directe leefomgeving en het beheer daarvan. Dat vereist een versterking van een maatschappelijk verantwoorde en transparante uitoefening van de jacht en schadebestrijding. Het wetsvoorstel, zowel in de oorspronkelijke als in de bij het amendement gewijzigde versie, voorziet daartoe in de invoering van een verplichting om de jacht uit te oefenen overeenkomstig een faunabeheerplan dat door gedeputeerde staten is goedgekeurd (voorgesteld artikel 3.12, eerste lid).9 Dat maakt dat er sprake is van een gelijkwaardig voorstel.

Anders dan het bij amendement gewijzigde wetsvoorstel voorzag het oorspronkelijke wetsvoorstel in een afschotplan, dat onderdeel zou uitmaken van dat faunabeheerplan. Uit het onderzoek naar de gevolgen van het wetsvoorstel voor de regeldruk bleek dat dit afschotplan tot gevolg zou kunnen hebben dat jagers ten behoeve van de onderbouwing ervan, gedetailleerde gegevens zouden moeten overleggen aan de faunabeheereenheden, afhankelijk van de eisen die de provincies terzake bij verordening zouden stellen.10 Met amendement nr. 107 is daarom het afschotplan als onderdeel van het faunabeheerplan geschrapt en de plaats daarvan is in het wetsvoorstel een verplichting opgenomen voor jagers om afschotgegevens te overleggen (voorgesteld artikel 3.13, eerste lid). Op dit moment overleggen jagers dergelijke gegevens, voor zover zij betrekking hebben op de uitoefening van de jacht of de schadebestrijding door grondgebruikers, alleen op vrijwillige basis. Deze voorgestelde verplichting bevordert de transparante en een goede onderbouwing van het faunabeheerplan, zonder dat er een risico is op een forse toename van de regeldruk. Voor het onderdeel populatiebeheer blijft, overigens conform de huidige praktijk van de Flora- en faunawet, aanvullende informatie noodzakelijk.

Van belang is verder dat het amendement een wettelijke verplichting voor faunabeheereenheden in het wetsvoorstel heeft geïntroduceerd om maatschappelijke organisaties die het duurzaam beheer van in het wild levende populaties tot doel hebben, in het bestuur toe te laten (voorgesteld artikel 3.12, tweede lid). Dat versterkt een transparante aanpak bij het maken van afspraken over de inspanningen voor de jacht. Ook is als gevolg van het amendement geregeld dat de faunabeheerplannen en de daaraan ten grondslag liggende gegevens, openbaar zijn (voorgesteld artikel 3.12, zesde lid).

Ik vind de aanpassingen van amendement nr. 107 in het wetsvoorstel een verbetering ten opzichte van het oorspronkelijke wetsvoorstel, vanwege de extra waarborgen waarin zij voorzien met het oog op transparantie en omdat zij het doel van een maatschappelijk verantwoorde en transparante uitoefening van de jacht realiseren met minder administratieve lasten voor burgers.

21. De leden van de GroenLinks-fractie vragen waarom jachtaktehouders afschotgegevens alleen hoeven te verstrekken aan faunabeheereenheden en niet aan de provincie en zij deze gegevens niet voor het publiek openbaar hoeven te maken.

De faunabeheereenheden gebruiken de door jachtaktehouders overgelegde afschotgegevens voor het samenstellen van een overzicht van de resultaten in hun totale werkgebied (voorgesteld artikel 3.13, tweede lid) en maken dit overzicht openbaar. Een aanvullende verplichting voor jachtaktehouders om gegevens openbaar te maken is daarom overbodig.

22. De leden van de GroenLinks-fractie vragen of de regering het met hen eens is dat een evenredige vertegenwoordiging van maatschappelijke organisaties in het bestuur van de faunabeheereenheid van groot belang is en of zij dit bij wet wil regelen.

Ik verwijs naar mijn antwoord op vraag nr. 1, waarin ik ben ingegaan op de vertegenwoordiging van maatschappelijke organisaties in het bestuur van de faunabeheereenheid.

23. De leden van de GroenLinks-fractie vragen de regering te borgen dat een adequaat systeem van monitoring tot stand komt dat leidt tot betrouwbare en vergelijkbare rapportages die een adequaat beeld geven van de trends in populaties. Ook vragen deze leden de regering te borgen dat faunabeheereenheden de gevalideerde telmethodieken hanteren.

Op grond van het voorgestelde artikel 1.12, vierde lid, dienen Rijk en provincies gezamenlijk op adequate wijze de geleverde inspanning voor het behalen van de doelstellingen van de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn te monitoren. Provincies en Rijk hebben in het Bestuursakkoord natuur afspraken gemaakt over de informatievoorziening ten behoeve van de rapportages, waarmee de voortgang van de inspanningen zichtbaar worden gemaakt. Op dit moment voert Alterra een meerjarig onderzoek uit naar de mogelijkheden van optimalisering van de monitoring. In dat kader is het eerste rapport «Naar een samenhangend monitoring- en beoordelingssysteem voor het natuurbeleid: Deel I. Evaluatie van de bruikbaarheid van gegevens van de Werkwijze Monitoring en Beoordeling Natuurnetwerk en Natura 2000/PAS voor de Europese rapportages»11 opgeleverd. Provincies werken nu, mede op basis van dit Alterra-rapport, aan de invulling van de afspraken tussen Rijk en provincies over monitoring. Hiermee wordt op efficiënte wijze invulling gegeven aan een adequaat monitoringsysteem.

Voor faunabeheereenheden voorziet het wetsvoorstel in de verplichting om de faunabeheerplannen te onderbouwen met trendtellingen van populaties (voorgesteld artikel 3.12, vijfde lid). Het ligt in de rede dat faunabeheereenheden een daartoe gevalideerde telmethode toepassen. Het is aan provincies om hierover in overleg te treden met de faunabeheereenheden en hierover zo nodig regels bij verordening te stellen (voorgesteld artikel 3.12, negende lid).

24. De leden van de GroenLinks-fractie vragen welke criteria worden gehanteerd voor schade en overlast in de voorgestelde voorzieningen voor schadebestrijding door grondgebruikers en overlastbestrijding door gemeenten. Zij vragen of deze voorzieningen in strijd zijn met Europese regelgeving.

Bij «overlast» is er sprake van hinder, bijvoorbeeld geluidsoverlast of stank. Het begrip «schade» heeft betrekking op de vermindering van de waarde van een zaak. Of dieren mogen worden bestreden vanwege de overlast of de schade die zij veroorzaken, is afhankelijk van de soort waar het om gaat. De bestrijding van overlast en schade die wordt veroorzaakt door vogels of door dieren van soorten van Europees belang, is uitsluitend toegestaan op de gronden die zijn genoemd in respectievelijk artikel 9 van de Vogelrichtlijn en artikel 16 van de Habitatrichtlijn. Bij vogels gaat het om de bestrijding van belangrijke schade aan met name de gewassen, vee, bossen, visserij, wateren, schade aan flora of fauna (voorgesteld artikel 3.15, zesde lid, onderdeel a) en om overlastbestrijding in het belang van de volksgezondheid, openbare veiligheid of de veiligheid van het luchtverkeer (voorgesteld artikel 3.16, vijfde lid, onderdeel a). Bij dieren van soorten van Europees belang gaat het om de bestrijding van schade aan flora en fauna en van ernstige schade aan gewassen, vee, bossen, visserij, wateren of andere vormen van eigendom (voorgesteld artikel 3.15, zesde lid, onderdeel b) en om overlastbestrijding in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of om andere dwingende redenen van groot openbaar belang (voorgesteld artikel 3.16, vijfde lid, onderdeel b).

In mijn antwoord op vraag nr. 11 heb ik uiteengezet dat de voorziening voor overlastbestrijding door gemeenten in lijn is met de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Die uiteenzetting is ook van toepassing op de voorgestelde voorziening voor schadebestrijding door grondgebruikers.

25. De leden van de GroenLinks-fractie vragen op welke wijze de handhaving van het wetsvoorstel, eenmaal wet, zal worden versterkt en of alle vergunningverlenende instanties in staat zijn om die taak adequaat te vervullen.

In het Bestuursakkoord natuur en het Natuurpact hebben Rijk en provincies afspraken gemaakt over de financiering van de uitvoering van dit wetsvoorstel.

Ten aanzien van de bestuurlijke handhaving van de omgevingsvergunning door gemeenten verwijs ik naar mijn antwoord op vraag nr. 10.

Vragen en opmerkingen van de leden van de PvdD-fractie

26. De leden van de PvdD-fractie vragen in welk opzicht de bescherming van de natuur verbetert ten opzichte van de huidige natuurwetgeving.

De natuurwetgeving draagt bij aan de bescherming van de natuur. Ik wijs in dit verband op de onderzoeken naar de effectiviteit van de natuurwetgeving van het toenmalige milieu en Natuurplanbureau12 en van het Planbureau voor de Leefomgeving en Alterra (WUR)13 die respectievelijk in het kader van de aangehaalde evaluatie van de natuurwetgeving en ter uitvoering van de moties van de leden Jacobi, Jager en Van der Ham c.s.14 zijn uitgevoerd. In beide onderzoeken is geconcludeerd dat natuurwetgeving in ecologisch opzicht effectief is. Zo worden Natura 2000-gebieden beschermd waarbij ook de effecten van bronnen buiten die gebieden (externe werking) zijn gereguleerd. Verder worden inheemse en uitheemse dier- en plantensoorten beschermd. Ook wijzen de onderzoeken erop dat de vergunningen en ontheffingen ervoor zorgen dat bij nieuwe activiteiten de aanwezigheid van beschermde kwetsbare natuurwaarden wordt meegewogen en dat gedragscodes tot meer bewustwording en tot een betere gegevensverzameling leiden. Het wetsvoorstel continueert het beschermingsniveau van de huidige, ecologisch effectieve natuurwetgeving, zodat invulling gegeven blijft worden aan een noodzakelijke voorwaarde voor een effectieve bescherming van de natuur. Dat geldt voor de gebiedsbescherming, waar de bescherming van Natura 2000-gebieden onverkort van toepassing blijft, evenals de bescherming van de gebieden die tot het natuurnetwerk Nederland behoren, inclusief het overgrote deel van de met dit wetsvoorstel af te schaffen beschermde natuurmonumenten. Hetzelfde geldt voor de bescherming van soorten, waar de vogels en de dieren en planten van soorten van Europees belang beschermd blijven overeenkomstig het door de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn voorgeschreven strikte regime en waar dieren en planten van andere soorten die bescherming behoeven tegen schadelijke handelingen als het doden en vangen, door middel van verboden dan wel de zorgplicht worden beschermd.

In aanvulling daarop wordt de zorg voor actieve soortenbescherming nu expliciet in het wetsvoorstel opgenomen. Dat is belangrijk omdat er meer nodig is dan alleen verboden, verplichtingen, vergunningen en ontheffingen om de natuur te beschermen en het verlies van natuur tegen te gaan. Gewezen wordt op de totstandkoming en instandhouding van het natuurnetwerk Nederland, de maatregelen op het vlak van de inrichting en het beheer van het landelijk gebied en de natuurfunctie ondersteunende landinrichting.

Verder versterken de voorgestelde verbeteringen in dit wetsvoorstel ten aanzien van de hanteerbaarheid van de regels in de praktijk dat burgers en bedrijven op voorhand de positie van de natuur als vanzelfsprekend betrekken bij hun handelen. Dat is gunstig voor de effectiviteit van de wetgeving. Genoemd kunnen worden de gedragscodes (voorgesteld artikel 3.31) en de verplichte uitvoering van de Natura 2000- en flora- en faunatoetsen voor locatiegebonden activiteiten bij de aanvraag van een omgevingsvergunning (voorgesteld artikel 10.8).

27. De leden van de PvdD-fractie vragen of de Nederlandse wetgeving hogere ambities zou mogen hebben dan de minimumvereisten van de Europese regelgeving.

Voorop moet worden gesteld dat de Europese regelgeving een hoog beschermingsniveau van de natuur verzekert, hoger dan de bescherming die vóór de totstandbrenging van de Europese kaders werd geboden door de nationale wetgeving. De Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn voorzien in een hoog beschermingsniveau voor natuurgebieden en in het wild levende dieren en planten. De CITES-verordening bevat strenge regels over de handel in dieren en planten van beschermde inheemse en uitheemse soorten, met inbegrip van producten daarvan. Deze regels als «minimumvereisten» bestempelen zou in geen geval recht doen aan het belang van deze regels voor de bescherming van de natuur.

Waar dat nodig is, voorziet het wetsvoorstel in aanvulling op de Europese regelgeving in beschermingsregels. Genoemd kunnen worden de regels ter bescherming van dieren en planten van soorten die niet onder het strikte beschermingsregime van de Vogelrichtlijn of de Habitatrichtlijn vallen (voorgesteld artikel 3.10), de bescherming van houtopstanden buiten de bebouwde kom (voorgesteld hoofdstuk 4) en de algemene zorgplicht (voorgesteld artikel 1.11).

Jacht

28. De leden van de PvdD-fractie vragen in hoeverre het voorstel om de uitoefening van de jacht in Natura 2000-gebieden toe te staan, een aanzienlijke aantasting van het eigendomsrecht en de beheervrijheid met zich brengt van terreineigenaren, wanneer zij hun terrein jachtvrij wensen te beheren. Deze leden stellen dat hiermee rechtszaken tussen omwonenden en beheerders worden bevorderd.

Het wetsvoorstel laat weliswaar de ruimte om de jacht uit te oefenen in een Natura 2000-gebied, maar dat laat onverlet dat om de jacht daadwerkelijk te mogen uitoefenen, er moet zijn voldaan aan de regels ter bescherming van Natura 2000-gebieden. De uitoefening van de jacht kan immers een significant verstorend effect hebben op de in het gebied aanwezige, beschermde natuurwaarden. Ofwel in het beheerplan, of wel bij vergunning, zal dus door gedeputeerde staten toestemming moeten zijn verleend om de jacht in het gebied uit te oefenen.

Wanneer de eigenaar van een Natura 2000-gebied ervoor kiest om de jacht uit te oefenen in het gebied, zal hij er dus eerst voor moeten zorgen dat het Natura 2000-beheerplan hem dit mogelijk maakt, of dat hem daartoe een Natura 2000-vergunning wordt verleend. Daarna zal hij als jachthouder verplicht zijn om datgene te doen wat een goed jachthouder betaamt om een redelijke stand van het in zijn jachtveld aanwezige wild te handhaven en om schade door het in zijn jachtveld aanwezige wild te voorkomen. Hieraan ligt zijn eigen keuze om te gaan jagen in het gebied ten grondslag. Van enige beperking van zijn eigendomsrecht is dan geen sprake.

Wanneer de eigenaar van een Natura 2000-gebied er niet voor kiest om de jacht uit te oefenen in het gebied, zal hij geen stappen zetten om toestemming te verkrijgen om de natuur in het Natura 2000-gebied te mogen verstoren. In dat geval is de jacht in het Natura 2000-gebied niet toegestaan en mag hij niet aansprakelijk mogen worden gehouden voor schade die als gevolg van op zijn terrein aanwezig wild wordt veroorzaakt. Tegen die achtergrond verwacht ik dat er geen toename van het aantal rechtszaken van omwonenden zal zijn.

29. De leden van de PvdD-fractie vragen waarom gebruikmaking van het geweer een positieve invloed zou hebben op het beheer van populaties, als substituut voor predatie.

De uitoefening van de jacht heeft tot doel een redelijke wildstand te handhaven van het in het jachtveld aanwezig wild (konijn, haas, wilde eend, houtduif en fazant). Het populatiebeheer door faunabeheereenheden heeft tot doel met het oog op de in het wetsvoorstel opgenomen belangen de omvang van populatie van diersoorten te beperken. Schadebestrijding door grondgebruikers heeft tot doel om met het oog op de in het wetsvoorstel genoemde belangen schade en dreigende schade van grondgebruikers te voorkomen. Deze inspanningen hebben niet tot doel te fungeren als substituut voor predatie.

Controle ontheffingen

30. De leden van de PvdD-fractie vragen om de effectiviteit van verleende ontheffingen na verloop van bijvoorbeeld drie jaar te laten onderzoeken door een onafhankelijk instituut. Wanneer de ontheffing niet effectief zou blijken, dient zij te worden ingetrokken, aldus deze leden.

Gedeputeerde staten vinden het van belang dat de ontheffingen die zij verlenen in de praktijk effectief zijn. Zij houden daarom een vinger aan de pols, nu ten aanzien van de ontheffingen op grond van de Flora- en faunawet en straks op basis van dit wetsvoorstel, eenmaal wet. Wanneer zij het nodig of wenselijk achten, kunnen zij besluiten hiervoor ondersteuning in te roepen van een onafhankelijk instituut.

Overlast

31. De leden van de PvdD-fractie vragen waarom de voorgestelde voorziening om vrijstelling te verlenen voor overlastbestrijding aan gemeenten de vorm van een algemeen verbindend voorschrift heeft en vragen of de regering bereid is bezwaar en beroep tegen de verleende vrijstellingen mogelijk te maken.

Het instrument van een vrijstelling is bedoeld om uitzondering op een verbod te maken voor een categorie van gevallen in plaats van voor een individueel geval. Dat brengt mee dat voor alle gemeenten in het land, waar het gaat om een landelijke vrijstelling, en voor alle gemeenten in een provincie, waar het gaat om een provinciale vrijstelling, dezelfde voorwaarden gelden voor de bestrijding van overlast. Dat waarborgt een gelijke behandeling en een efficiënte aanpak. Een vrijstelling voor de bestrijding van overlast door vogels of dieren van Europees belang zal alleen mogen worden verleend als is voldaan aan de eisen die de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn stellen. De in het voorgestelde artikel 3.16 opgenomen voorwaarden waarborgen dat.

Aangezien de vrijstelling op grond van het wetsvoorstel wordt verleend als algemeen verbindend voorschrift – het voorgestelde artikel 3.16, vierde lid, spreekt immers expliciet van een vrijstelling bij provinciale verordening – is het op grond van artikel 8:3, eerste lid, onderdeel a, van de Algemene wet bestuursrecht niet mogelijk beroep in te stellen tegen deze vrijstellingen en dientengevolge daaraan voorafgaand bezwaar (artikel 7:1, eerste lid, aanhef, van de Algemene wet bestuursrecht).

Handhaving

32. De leden van de PvdD-fractie vragen hoe is gewaarborgd dat er onafhankelijk toezicht is op de wijze waarop jachtopzichters hun taken uitoefenen.

Elke buitengewone opsporingsambtenaar staat onder toezicht van een hoofdofficier van justitie en de korpschef van de politie.15 Voorzien is bovendien in een opleidings- en bijscholingstraject, waarmee wordt verzekerd dat de buitengewone opsporingsambtenaren op professionele, onafhankelijke wijze handelen.16

33. De leden van de PvdD-fractie vragen naar de waarborgen voor een eenduidige toepassing van de wet door provincies.

Het wetsvoorstel bevat de noodzakelijke waarborgen voor een eenduidige toepassing van de wet door provincies, in de eerste plaats door het stellen van algemene kaders en voorwaarden voor verlening van vergunningen, ontheffingen en vrijstellingen. Gewezen wordt op bijvoorbeeld de verlening van Natura 2000-vergunningen (voorgestelde artikelen 2.7, 2.8 en 2.9) en van ontheffingen en vrijstellingen van de verboden ter bescherming van dieren en planten van beschermde soorten (voorgestelde artikelen 3.3, 3.8, 3.10, tweede lid). Voorts schrijft het wetsvoorstel voor dat bij effecten van besluiten van een provincie voor andere provincies onderlinge afstemming tussen provincies is vereist (voorgesteld artikel 1.3, derde lid).

34. De leden van de PvdD-fractie vragen hoe landelijke belangenbehartigers op het gebied van flora en fauna in de twaalf provincies de behartiging van belangen in faunabeheereenheden kunnen organiseren als zij in het bestuur een minderheidspositie hebben.

De afgevaardigden van maatschappelijke organisaties die een duurzaam faunabeheer behartigen in het bestuur van de faunabeheereenheid hebben een stem in het bestuur en kunnen deelnemen aan de beraadslagingen. Dat enkele feit versterkt een maatschappelijke verantwoorde en transparante uitoefening van populatiebeheer, schadebestrijding en jacht en is een belangrijke vernieuwing ten opzichte van de huidige wetgeving.

Ik ben ervan overtuigd dat op landelijk niveau opererende organisaties die het belang van een duurzaam faunabeheer behartigen en die bereid zijn om zitting te hebben in het bestuur van regionale faunabeheereenheden voldoende vindingrijk zijn om hun in de regio weg te vinden.

35. De leden van de PvdD vragen naar instrumenten om actieve soortenbescherming af te dwingen.

Het wetsvoorstel regelt dat de provincies ten aanzien van de actieve soortenbescherming een inspanningsverplichting hebben, zoals door Rijk en provincies is vastgelegd in het Natuurpact (voorgesteld artikel 1.12, eerste lid). Het is de verantwoordelijkheid van provincies om de maatregelen te bepalen waarmee zij invulling geven aan het actieve soortenbeleid. Bij de invulling van de maatregelen legt elke provincie zijn eigen accent. Dat is vanzelfsprekend, vanwege de regionale verschillen, de regionale en lokale opvattingen over de inrichting en het beheer van gebieden, de verschillende kansen die er liggen om de natuuropgave voor het gebied in samenhang met andere opgaven te realiseren en de wijze waarop de natuurdoelstellingen het beste kunnen worden bereikt.

De primaire verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de actieve soortenbescherming ligt bij de provincies zelf. Provinciale staten oefenen controle uit op het handelen van gedeputeerde staten. In mijn antwoord op vraag nr. 12 ben ik ingegaan op de situatie waarin het handelen van een provincie niet in overeenstemming is met Europese verplichtingen.

36. De leden van de PvdD-fractie vragen hoe rustgebieden voor zeehonden en wadvogels in het Waddengebied worden beschermd tegen verstoringen door bezoekers.

Mensen die het Waddengebied bezoeken komen daar om dit bijzondere Nederlandse gebied te bewonderen. In hun enthousiasme doen zij mogelijk dingen die zij, als ze beter wisten, achterwege zouden laten, bijvoorbeeld het naar rustende zeehonden of vogels toelopen om er een foto van te maken. Ik kan mij niet voorstellen dat zij de onwenselijke gevolgen die dergelijke verstoringen teweeg kunnen brengen, op hun geweten zouden willen hebben. Het is daarom zaak dat burgers, voordat zij het Waddengebied betreden, goed en actief worden voorgelicht. Dit is een taak van de rijksoverheid, in goede samenwerking met de in het gebied actieve belangenorganisaties. Bij een natuur die middenin de samenleving staat hoort een goede voorlichting centraal te staan ter voorkoming van overtredingen.

Het wetsvoorstel voorziet uiteraard wel in regels om de bescherming in voorkomend geval te waarborgen. In de eerste plaats het Natura 2000-regime (hoofdstuk 2 van het wetsvoorstel). Het besluit tot aanwijzing van de Waddenzee als Natura 2000-gebied bevat voor de gewone zeehond, de grijze zeehond en diverse wadvogels instandhoudingsdoelen.17 Wanneer een bezoeker in het Waddengebied door zijn handelen een zodanige verstoring teweeg brengt dat de staat van instandhouding van één of meer van de betreffende diersoorten in het geding kan komen, dan handelt hij in strijd met het voorgestelde verbod om zonder vergunning handelingen te verrichten met een mogelijk significant verstorend effect (voorgesteld artikel 2.7, tweede lid).

Het opzettelijk verstoren van vogels is bovendien verboden op grond van het voorgestelde artikel 3.1, vierde lid, tenzij de verstoring geen wezenlijke invloed heeft op de staat van instandhouding van die soort. Ook de huidige Flora- en faunawet voorziet in een verbod op het opzettelijk verstoren van vogels. Opgemerkt wordt dat onder «opzettelijk verstoren» niet alleen wordt verstaan het willens en wetens verstoren van vogels, maar ook de handelingen waarbij iemand bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat zijn gedraging leidt tot een verstoring, het zogenoemde «voorwaardelijk opzet».18 Zeker wanneer op voorhand een bezoeker is geïnformeerd over de verstorende gevolgen die het dichtbij benaderen van vogels met zich brengt, zal hij zich er niet op kunnen beroepen dat hij de door hem veroorzaakte verstoringen niet zo had bedoeld.

Op activiteiten die de grijze zeehond of de gewone zeehond verstoren is de voorgestelde zorgplicht (voorgesteld artikel 1.11) van toepassing, aangezien het wetsvoorstel zelf niet voorziet in een expliciet verbod op het verstoren van dieren van deze soorten. Het voorgestelde artikel 3.10, eerste lid verbiedt alleen het doden, vangen van dieren van deze in de bijlage bij het wetsvoorstel genoemde soorten en het opzettelijk beschadigen of vernielen van hun vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen. Door middel van actieve voorlichting kan aan bezoekers duidelijk worden gemaakt dat in het Waddengebied de zorgplicht met zich brengt dat zij op afstand moeten blijven van rustende dieren als zeehonden en vogels.

37. De leden van de PvdD-fractie vragen waarom het wetsvoorstel het toestaat dat wordt gejaagd op wild, nu het wetsvoorstel bescherming en niet benutting als uitgangspunt heeft.

Het wetsvoorstel is gericht op het beschermen en ontwikkelen van de natuur en het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de natuur ter vervulling van haar maatschappelijke functies, aldus de doelbepaling van dit wetsvoorstel (voorgesteld artikel 1.10, eerste lid, onderdelen a en b). De regelgeving over de uitoefening van de jacht geeft aan dat doel uitvoering. Het is immers in beginsel verboden dieren die zijn opgenomen op de voorgestelde wildlijst (konijn, haas, wilde eend, houtduif, fazant) te doden (voorgestelde artikelen 3.10, eerste lid, onderdeel a, en 3.1, eerste lid). Slechts indien voldaan is aan het bepaalde bij en krachtens de voorgestelde paragrafen 3.5 en 3.6, is het toegestaan de jacht uit te oefenen (voorgesteld artikel 3.20, eerste lid). Deze regels hebben onder meer betrekking op het handhaven of bereiken van een redelijke wildstand, het dierenwelzijn, de veiligheid voor de omgeving en het milieu.

De Staatssecretaris van Economische Zaken, M.H.P. van Dam


X Noot
1

Richtlijn nr. 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand (PbEU 2010, L 20).

X Noot
2

Richtlijn nr. 92/43/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PbEG L 206).

X Noot
3

Kamerstukken I 2015/16, 33 348, D, blz.10.

X Noot
4

Kamerstukken II 2014/15, 33 348, nr. 46.

X Noot
5

Alterra-rapport nr. 2132 «Beschermde natuurmonumenten. Stand van zaken 2010 en toekomstige bescherming», M.E.A. Broekmeyer, R.J. Bijlsma en W. Nieuwenhuizen. Opgemerkt zij dat in dat rapport ten aanzien van het gebied «Schraallanden Utrecht» is gemeld dat 5 hectare buiten het netwerk ligt; de provincie Utrecht heeft evenwel gemeld dat 7,3 hectare binnen het natuurnetwerk Nederland is gelegen.

X Noot
6

Kamerstukken II 2014/15, 33 348, nr. 130.

X Noot
7

Kamerstukken II 2015/16, 34 300 XIII.

X Noot
8

Kamerstukken I 2015/16, 33 348, D, blz. 27.

X Noot
9

Kamerstukken II 2014/15, 33 348, nr. 9, blz. 75.

X Noot
10

SIRA Consulting BV, «Regeldrukeffecten Wetsvoorstel Natuurbescherming», Kamerstukken II 2014/15, 33 348, nr. 14, bijlage.

X Noot
11

Schmidt, A.M., R.J. Bijlsma, L. Soldaat, C.A.M. van Turnhout, C.A.M. van Swaay, D. Zoetebier en I. Woltjer, 2015. Naar een samenhangend monitoring- en beoordelingssysteem voor het natuurbeleid; Deel I. Evaluatie van de bruikbaarheid van gegevens van de Werkwijze Monitoring en Beoordeling Natuurnetwerk en Natura 2000/PAS voor de Europese rapportages. Wageningen, Alterra Wageningen UR (University & Research centre), Alterra-rapport 2645.

X Noot
12

MNP rapport nr. 500402009/2007, 15 november 2007, www.pbl.nl.

X Noot
13

Veen, M.P. van et al (2011); Kamerstukken II 2011/12, 31 536, nr. 13.

X Noot
14

Kamerstukken II 2008/09, 31 536, nr. 8 en Kamerstukken II 2009/10, 32 123 XIV, nr. 124.

X Noot
15

Artikelen 36 en 38 van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar.

X Noot
16

Kamerstukken II 2014/15, 28 684, nr. 422.

X Noot
17

Besluit van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 26 februari 2008, kenmerk DRZO/2008–001, Stcrt. 2009, nr. 18; laatstelijk gewijzigd bij besluit van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 25 november 2013, kenmerk PDN/2013–001.

X Noot
18

Aangezien handelingen in strijd met de bepalingen van dit wetsvoorstel zijn aangewezen als economisch delict als bedoeld in de Wet op de economische delicten, zijn de met opzet of voorwaardelijk opzet begane handelingen een misdrijf. In aanvulling op hetgeen in het antwoord op vraag nr. 16 van de memorie van antwoord over dit wetsvoorstel (Kamerstukken I 2015/16, 33 348, D, blz. 13) is opgenomen, hoeft op grond van vaste jurisprudentie ten aanzien van economische delicten de opzet van de dader alleen gericht te zijn op de gedraging zelf, niet op het niet naleven van een wettelijke verplichting (zogenaamd «kleurloos opzet»); HR 24 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ8783.