Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2014-201533348 nr. 46

33 348 Regels ter bescherming van de natuur (Wet natuurbescherming)

Nr. 46 AMENDEMENT VAN HET LID RUDMER HEEREMA

Ontvangen 11 juni 2015

De ondergetekende stelt het volgende amendement voor:

I

In artikel 1.1, derde lid, wordt na «3.14, vijfde lid,» ingevoegd: 3.14a, vijfde lid.

II

In artikel 1.3, vijfde lid, wordt «3.14, derde lid» vervangen door: 3.14, lid 2a en derde lid, 3.14a, derde en vierde lid.

III

In het opschrift van § 3.4 wordt «Schadebestrijding» vervangen door: Schadebestrijding, overlastbestrijding.

IV

Artikel 3.14 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid komt te luiden:

  • 1. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen vogels als bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, en dieren van soorten als bedoeld in artikel 3.5, eerste lid, of 3.10, eerste lid, worden aangewezen, die niet in hun voortbestaan worden bedreigd of dat gevaar lopen, en die in het gehele land schade veroorzaken.

2. In het tweede lid vervalt: , onderdeel a.

3. Na het tweede lid wordt een lid ingevoegd, luidende:

  • 2a. Provinciale staten kunnen bij verordening vogels als bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, en dieren van soorten als bedoeld in artikel 3.5, eerste lid of 3.10, eerste lid, aanwijzen die:

    • a. niet bij algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het eerste lid, zijn aangewezen;

    • b. niet in hun voortbestaan worden bedreigd of dat gevaar lopen, en

    • c. in hun provincie schade veroorzaken.

4. In het derde lid wordt «als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b,» vervangen door: als bedoeld in lid 2a.

V

Na artikel 3.14 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 3.14a

  • 1. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen vogels als bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, en dieren van soorten als bedoeld in artikel 3.5, eerste lid, of 3.10, eerste lid, worden aangewezen, die niet in hun voortbestaan worden bedreigd of dat gevaar lopen, en die in het gehele land overlast veroorzaken.

  • 2. In zoverre in afwijking van de artikelen 3.3, tweede lid, 3.8, tweede lid, en 3.10, tweede lid, in samenhang met artikel 3.8, tweede lid, kan Onze Minister een vrijstelling van verboden als bedoeld in de artikelen 3.1, 3.2, tweede lid, 3.5, 3.6, tweede lid, en 3.10, eerste lid, verlenen voor de bestrijding van overlast binnen de bebouwde kom door gemeenten van vogels en dieren als bedoeld in het eerste lid.

  • 3. Provinciale staten kunnen bij verordening vogels als bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, en dieren van soorten als bedoeld in artikel 3.5, eerste lid of 3.10, eerste lid, aanwijzen die:

    • a. niet bij algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het eerste lid zijn aangewezen;

    • b. niet in hun voortbestaan worden bedreigd of dat gevaar lopen, en

    • c. in hun provincie overlast veroorzaken.

  • 4. Provinciale staten kunnen bij verordening een vrijstelling als bedoeld in artikel 3.3, tweede lid, 3.8, tweede lid, 3.10, tweede lid, in samenhang met artikel 3.8, tweede lid, verlenen voor de bestrijding van overlast binnen de bebouwde kom door gemeenten van vogels en dieren als bedoeld in het derde lid verlenen.

  • 5. De bestrijding van de overlast, bedoeld in het tweede en vierde lid, vindt uitsluitend plaats:

    • a. ingeval van vogels:

      • 1°. in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid;

      • 2°. in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer;

    • b. ingeval van dieren van soorten als bedoeld in artikel 3.5, eerste lid, in het belang van de volksgezondheid en de openbare veiligheid of om andere dwingende redenen van groot openbaar belang.

    • c. in geval van andere soorten als bedoeld in artikel 3.10.

VI

Artikel 3.23 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid, wordt na «artikel 3.14, tweede, onderscheidenlijk derde lid» ingevoegd:, en 3.14a, tweede, onderscheidenlijk vierde lid.

2. Na het tweede lid wordt een lid ingevoegd, luidende:

  • 2a. Indien een vrijstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 3.14, tweede en derde lid, met het oog op het voorkomen van schade als bedoeld in artikel 3.14, vierde en vijfde lid, of een vrijstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 3.14a, tweede en vierde lid, met het oog op het voorkomen van overlast als bedoeld in artikel 3.14a, vijfde lid, dan wel ontheffing wordt verleend als bedoeld in artikel 3.15, eerste lid, onderdeel a, onder 3°, onderdeel b, onder 2°, en onderdeel c, onder 2°, worden voor het bestrijden van vogels en dieren slechts middelen aangewezen die nadelige gevolgen voor het welzijn van vogels en dieren voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk beperken, waarbij het doden van dieren zoveel mogelijk vermeden wordt.

VII

In artikel 3.24, eerste lid, onderdeel d, onder 2°, wordt na «in voorkomend geval in samenhang met het zesde lid,» ingevoegd: of 3.14a, tweede en vierde lid,.

VIII

In artikel 3.28, eerste lid, onderdeel b, onder 2°, wordt na «in voorkomend geval in samenhang met het zesde lid,» ingevoegd: of 3.14a, tweede en vierde lid,.

IX

In artikel 3.31, derde lid, wordt «artikel 3.14, tweede of derde lid» vervangen door: de artikelen 3.14, tweede of derde lid, of 3.14a, tweede of vierde lid.

X

In artikel 7.2, tweede lid, onderdeel a, wordt na «3.14, tweede of derde lid,» ingevoegd: 3.14a, tweede of vierde lid,.

Toelichting

Met dit amendement wordt geregeld dat provincies en gemeenten vrijstelling van beschermingsverboden kunnen verlenen voor alle vormen van bestrijding van schade en overlast door dieren. Hierbij wordt altijd eerst de meest diervriendelijke methode gebruikt.

Technische toelichting

Het wetsvoorstel voorziet in algemene regimes voor de bescherming van vogels (paragraaf 3.1), van soorten van Europees belang (paragraaf 3.2) en van andere soorten (paragraaf 3.3).

In de artikelen 3.1 en 3.5 zijn, ter uitvoering van respectievelijk de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn, verboden opgenomen ter bescherming van vogels en diersoorten van Europees belang. In artikel 3.10 zijn beschermingsverboden opgenomen voor andere diersoorten, op basis van nationaal beleid.

Provincies kunnen ontheffingen en vrijstellingen verlenen van deze verboden, onder de voorwaarden die het wetsvoorstel stelt. In de artikelen 3.3, vierde lid, en 3.8, vijfde lid, zijn de voorwaarden opgenomen met betrekking tot vogels en diersoorten van Europees belang. Deze limitatief opgesomde uitzonderingsgronden zijn overgenomen uit respectievelijk de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Voor andere diersoorten zijn de uitzonderingronden geregeld in artikel 3.10, tweede lid, gebaseerd op nationaal beleid.

Voor landbouwers is voorzien in een specifiek regime voor de bestrijding van dieren die schade veroorzaken aan hun eigendommen (artikel 3.14). Zij zijn als «grondgebruikers» vrijgesteld van de beschermingsverboden voor het bestrijden van schade.

Welke vormen van schade mogen worden bestreden, is afhankelijk van de betreffende diersoort. Bij vogels mag het alleen gaan om schade aan eigendommen die zijn toegestaan in de Vogelrichtlijn, bij diersoorten van Europees belang mag het alleen gaan om schade aan eigendommen die zijn genoemd in de Habitatrichtlijn. Voor andere diersoorten geldt geen Europese beperking aan de vormen van te bestrijden schade.

Voor de beperking van grote aantallen populaties in het wild is voorzien in populatiebeheer door faunabeheereenheden (artikel 3.15). Zij beperken op basis van een ontheffing de omvang van populaties. Ook in dit geval moet voor het beheer van populaties van vogels en van diersoorten van Europees belang sprake zijn van een belang dat door respectievelijk de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn is gegeven.

Overlast

Gemeenten worden in toenemende mate geconfronteerd met overlast van dieren, onder andere vogels, in het stedelijk gebied, die in grote getale voorkomen. Gemeenten als Haarlem, Leiden en Alkmaar hebben hiervoor een plan van aanpak opgesteld.

Maar ook provincies zoals Friesland, Drenthe en Overijssel ondervinden overlast van bepaalde diersoorten. Bijvoorbeeld de steenmarter die schade toebrengt aan spouwmuren, of de verkeersveiligheid in gevaar brengt bij het doorknagen van de remkabels van auto’s.

Voor een effectieve aanpak van overlast kan het nodig zijn dat maatregelen worden getroffen waardoor een van de beschermingsverboden wordt overtreden, zoals het vangen van dieren, het weghalen van nesten of het bewerken van eieren of het verstoren of beheren van dieren.

De voorziening voor grondgebruikers biedt voor een effectieve aanpak van overlast geen basis, omdat die voorziening betrekking heeft op de voorkoming van schade aan eigendommen in het landelijk gebied door grondgebruikers. Ook de voorziening van populatiebeheer door faunabeheereenheden is op de aanpak van deze problematiek niet toegespitst.

Dit amendement voorziet daarom in een aanvullende voorziening voor de aanpak van overlast in het stedelijk gebied door gemeenten. Rijk en een provincie kunnen diersoorten aanwijzen die respectievelijk in het gehele land en in de desbetreffende provincie overlast veroorzaken in de bebouwde kom, of op verkeersnetwerk binnen de gemeentegrenzen. Vervolgens kunnen respectievelijk de Minister van Economische Zaken en provinciale staten aan gemeenten voor de respectievelijk door hem en door hen aangewezen soorten vrijstelling verlenen van beschermingsverboden in het kader van de bestrijding van overlast.

Voor de bestrijding van overlast van vogels en diersoorten van Europees belang is het zaak dat is voldaan aan de eisen die respectievelijk de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn stellen. Dat betekent dat er sprake moet zijn van een belang van de volksgezondheid, openbare veiligheid of de veiligheid van het luchtverkeer (vogels) of een belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of een andere dwingende reden van groot openbaar belang (Europese soorten). De veiligheid van het wegverkeer is in dit verband een reden van openbare veiligheid in de zin van de beide richtlijnen.

Voor andere diersoorten is overlastbestrijding in het wetsvoorstel, op basis van nationaal beleid, een onvoorwaardelijk toegestaan belang, dus ook waar het gaat om de verkeersveiligheid.

Bij de toepassing van de vrijstelling is het aan de gemeenten zelf om telkens te beargumenteren dat van een dergelijk belang in een concreet geval sprake is.

Met dit amendement heeft een gemeente geen individuele ontheffing nodig waarbij zij moet aantonen dat de staat van instandhouding niet in het geding is. Dit ondersteunt een voortvarende aanpak van overlastbestrijding door gemeenten.

Er zij op gewezen dat een vrijstelling een besluit van algemene strekking is en dientengevolge vatbaar is voor bezwaar en beroep. In dat kader kan dus uiteindelijk bij de bestuursrechter aan de orde worden gesteld of is voldaan aan de voorwaarden van de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn.

Rudmer Heerema