Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2014-201533348 nr. 21

33 348 Regels ter bescherming van de natuur (Wet natuurbescherming)

Nr. 21 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN ECONOMISCHE ZAKEN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 27 mei 2015

In de Regeling van werkzaamheden van 19 mei jl. heeft uw Kamer verzocht om mijn oordeel hoe om te gaan met het gebruik van CO2-gas voor het doden van ganzen en hoe ik het gebruik van die methode kan inkaderen (Handelingen II 2014/15, nr. 84, Regeling van Werkzaamheden). Daarnaast heeft uw Kamer gevraagd de motie van het lid Graus over het inzetten van meer jachtvogels daarbij te betrekken. Met deze brief voldoe ik aan dit verzoek.

Gebruik van CO2 voor het doden van ganzen

Nederland wordt sinds enige decennia geconfronteerd met een sterke groei van de ganzenpopulaties. De grote aantallen ganzen (volgens in 2014 uitgevoerde zomertelling verbleven toen meer dan 2 miljoen ganzen in ons land) zorgen in toenemende mate voor problemen. De risico’s voor de luchtvaartveiligheid op en rond Schiphol en de schade aan landbouwgewassen zijn daarvan 2 belangrijke voorbeelden. Conform de bevoegdhedenverdeling zoals afgesproken in het Bestuursakkoord Natuur (oktober 2011) is het aan de provincies om te bepalen of er een noodzaak is om de ganzenpopulaties tot een kleinere omvang terug te brengen.

In de moties Van Veldhoven (Kamerstuk 32 372, nrs. 80 en 86) werd de regering verzocht een richtsnoer op te stellen voor het doden van ganzen uit oogpunt van dierenwelzijn. Met het oog op de uitvoering van deze moties heeft de regering aan de Raad voor Dierenaangelegenheden een zienswijze gevraagd. In deze zienswijze is een aantal dodingsmethoden nader gewogen. Een van de conclusies uit de zienswijze is dat het gebruik van CO2-gas vanuit oogpunt van dierenwelzijn de meest geschikte methode is om grote aantallen ganzen te doden. Uw Kamer heeft deze zienswijze ook ontvangen (Kamerstuk 28 286, nr. 627).

Omdat het gebruik van CO2-gas niet toegestaan was op grond van de Biociderichtlijn (thans Biocideverordening), heeft Nederland in 2012 bij de Europese Commissie een dossier ingediend om de stof CO2 toe te laten als dodingsmiddel voor vogels. Op 14 november 2014 heeft het Standing Committee on Biological Products goedkeuring gegeven voor het gebruik van CO2 in Europa. Deze goedkeuring is bekendgemaakt in het EU Publicatieblad van februari 2015. De feitelijke ingangsdatum is 1 juni 2015.

Begin dit jaar is bij het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) een nationale toelating aangevraagd, om het middel in Nederland te mogen toepassen. Deze toelating is verleend en is met ingang van 1 juni 2015 van kracht.

Het is aan de provincies om te bepalen wanneer en hoe dit middel in de praktijk moet worden ingezet. Ik vertrouw erop dat zij dat op gepaste wijze zullen doen.

Motie van de leden Graus en Dijkgraaf met betrekking tot het inzetten van meer jachtvogels

Op 30 oktober 2014 hebben de leden Graus en Dijkgraaf een motie ingediend, die het kabinet verzoekt om «te bezien of naast onze eeuwenoude (natuurlijke) bejaag- en verjaagmethoden middels de valk en havik, ook de buizerd en arend kunnen worden opgenomen in het huidige opleidingsstelsel van valkerij-akte». De Kamer heeft de motie aangenomen. In mijn reactie daarop van 11 december 2014 (Kamerstuk 33 348, nr. 11) heb ik aangegeven dat ik de motie beschouw als ondersteuning van beleid. Daarbij heb ik gemeld dat het voorstel voor de nieuwe Wet Natuurbescherming niet langer voorziet in een numerus fixus voor valkeniers en de mogelijkheid biedt om in het kader van beheer en schadebestrijding ook andere soorten roofvogels in te zetten dan havik en slechtvalk. Ik gaf daarbij aan dat ik voornemens was om van die mogelijkheid gebruik te maken en ten minste twee soorten buizerds, één soort Parabuteo en één soort arend als zodanig aan te wijzen. Overleg daarover met de valkerijorganisaties op ambtelijk niveau was afgerond.

Voorts heb ik over dit onderwerp op 15 december 2014 in de nota naar aanleiding van het verslag over het wetsvoorstel geantwoord op een vraag van de leden van de fractie van de Partij voor de Dieren (Kamerstuk 33 348, nr. 9). Zij vroegen waarom de jacht met vogels niet is verboden en of de regering voornemens is bij algemene maatregel van bestuur meer vogelsoorten aan te wijzen dan de huidige twee vogelsoorten die in de Flora- en faunawet zijn toegestaan, waaronder niet-inheemse vogelsoorten. Mijn antwoord daarop was dat er goede redenen zijn om de valkerij – een cultuur-historisch fenomeen dat door UNESCO is erkend – toe te staan. Zo kan het gebruik van vogels een goed alternatief zijn voor het geweer. Het welzijn van de gebruikte vogels is niet in het geding, omdat de vogels worden «gevlogen» en niet worden gehouden in volières. Door het «meester-gezel-model» dat onder valkeniers gebruikelijk is, is er bovendien voorzien in een adequate opleiding van nieuwe valkeniers. Aangezien het aantal valkeniers beperkt is, is de sociale controle binnen de groep op een adequate uitoefening van het vak groot.

Voor schadebestrijding en populatiebeheer is het wenselijk om andere vogelsoorten te gebruiken, bijvoorbeeld omdat voor de bestrijding van overlast door meeuwen binnen de bebouwde kom de slechtvalk en de havik niet het meest geschikt zijn. Ook het gebruik van uitheemse vogels is daarbij mogelijk. Om hybridisatie te voorkomen zullen alleen vogels van een uitheemse soort worden aangewezen die in voldoende mate voorhanden zijn uit fok in gevangenschap, zodat de betreffende vogels gewend zijn aan gevangenschapscondities. Bovendien zullen die soorten bekend moeten staan als «gehoorzaam», zodat de kans op ontsnapping tot een minimum wordt beperkt; ook moeten de vogels kunnen vliegen zonder prooi te slaan.

Ik heb op 22 januari 2015 aan Alterra gevraagd om nader in beeld te brengen of er gegevens zijn over natuurlijke hybridisatie van zeven uitheemse jachtvogelsoorten met inheemse soorten en om een inschatting te maken van het risico op hybridisatie. De conclusies van het rapport van Alterra (bijgevoegd1, 16 februari 2015) zijn:

  • Alterra heeft onderzoek gedaan naar het risico op hybridisatie of competitie met inheemse soorten en overlast voor mensen bij ontsnappingen en op het risico op een toename van de illegale jacht op deze soorten in de landen waar de soorten van nature voorkomen.

  • Alterra acht deze risico’s groot bij alle soorten uitheemse valken en alle soorten buizerds, behalve de woestijnbuizerd. Bij de steenarend is geen risico op hybridisatie, wel een groot risico op competitie, overlast en stroperij.

  • Als aanwijzing van andere uitheemse soorten dan de woestijnbuizerd wordt overwogen, dan adviseert Alterra de volgende maatregelen: verbieden van het fokken van hybriden, het verplicht verzamelen van DNA van alle vogels en onderbrengen daarvan bij het NFI, meldplicht bij ontsnapping, verbod op de zogenoemde hakvlucht (jonge gefokte roofvogels natuurlijk leren jagen), instellen van een maximum aantal te houden roofvogels en een protocol voor het verwijderen uit de natuur van ontsnapte jachtvogels.

Naar aanleiding van deze studie van Alterra ben ik op basis van voortschrijdend inzicht, voornemens om de slechtvalk en de havik aan te wijzen voor gebruik bij de jacht en het gebruik van de slechtvalk, de havik en de woestijnbuizerd toe te staan voor de bestrijding van diersoorten die in het gehele land schade veroorzaken, door aanwijzing van deze soorten in de uitvoeringsregelgeving onder het wetsvoorstel natuurbescherming.

Met de voorgenomen aanwijzing van de woestijnbuizerd wordt naar mijn oordeel tegemoet gekomen aan de behoefte om bij schadebestrijding en populatiebeheer meer jachtvogels te kunnen inzetten dan onder de huidige Flora- en faunawet. De woestijnbuizerd is namelijk, meer dan de slechtvalk en de havik, geschikt om te gebruiken voor het verjagen van soorten die schade en overlast veroorzaken, zoals meeuwen. Gebruik van deze soort voor de bestrijding van grote aantallen ganzen is echter niet mogelijk; daarvoor zijn de ganzen te groot en de aantallen te hoog.

De Staatssecretaris van Economische Zaken, S.A.M. Dijksma


X Noot
1

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl