33 240 XIII Jaarverslag en slotwet Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie 2011

Nr. 21 VERSLAG VAN EEN WETGEVINGSOVERLEG

Vastgesteld 10 juli 2012

De vaste commissie voor Economische Zaken, Landbouw en Innovatie heeft op 13 juni 2012 overleg gevoerd met minister Verhagen van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie over Economie en Innovatie (Jaarverslag en slotwet).

Van het overleg brengt de commissie bijgaand stenografisch verslag uit.

De voorzitter van de vaste commissie voor Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, Van der Ham

De griffier van de vaste commissie voor Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, Franke

Stenografisch verslag van een wetgevingsoverleg van de vaste commissie voor Economische Zaken, Landbouw en Innovatie

Woensdag 13 juni 2012

18.30 uur

Voorzitter: Houwers

Aanwezig zijn 5 leden der Kamer, te weten:

Dijksma, Houwers, Koopmans, Koppejan en Ziengs,

en de heer Verhagen, minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie.

Aan de orde is de behandeling van:

  • de brief van de minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie d.d. 16 mei 2012 met het jaarverslag van het ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie 2011 (33 240-XIII, nr. 1);

  • de brief van de president van de Algemene Rekenkamer d.d. 16 mei 2012 met het rapport van de Algemene Rekenkamer bij het jaarverslag van het ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie 2011 (33 240-XIII, nr. 2);

  • de begroting van het ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie d.d. 16 mei 2012 bij de slotwet voor het ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie 2011 (33 240-XIII);

  • de brief van de minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie d.d. 23 januari 2012 met het evaluatieonderzoek van het Centraal Bureau voor de Statistiek 2004–2009 (25 268, nr. 74);

  • de brief van de minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie d.d. 8 juni 2012 met de lijst van vragen en antwoorden inzake het jaarverslag van het Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie 2011, onderdeel Economie en Innovatie (33 240-XIII, nr. 11);

  • de brief van de minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie d.d. 8 juni 2012 met de lijst van vragen en antwoorden inzake het rapport van de Algemene Rekenkamer bij het jaarverslag van het Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie 2011, onderdeel Economie en Innovatie (33 240-XIII, nr. 12);

  • de brief van de minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie d.d. 8 juni 2012 met het verslag houdende een lijst van vragen en antwoorden inzake de slotwet van het ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie 2011, onderdeel Economie en Innovatie (33 240-XIII, nr. 13).

De voorzitter: Ik heet de minister, de leden, de belangstellenden en de rapporteur welkom. Ik geef allereerst het woord aan de rapporteur, de heer Koopmans, om een toelichting te geven op zijn bevindingen.

De heer Koopmans (CDA): Voorzitter. De behandeling van de jaarrekening is in mijn ogen buitengewoon belangrijk. Wij besteden altijd veel tijd aan de begrotingsbehandeling. Mijn ervaring in de afgelopen jaren is dat er bij de regering grote paniek ontstaat als je als Kamerlid een paar euro in die begroting wilt verplaatsen. Dan wordt er gezegd: is dat wel de bedoeling, is dat wel nodig etc.? Ik heb in de afgelopen jaren gemerkt dat er bij een aantal departementen zodanige verschillen bestaan tussen de ontwerpbegroting, de vastgestelde begroting en de jaarrekening dat je lichtelijk gefrustreerd terugkijkt en denkt: waarom zouden wij het zelf niet doen en aan het begin veel meer geld verplaatsen als dat toch kan?

Wij moeten uiterst serieus zijn over het departement van EL&I. Wij hebben een wetgevingsoverleg met de staatssecretaris gehad over de delen van de begroting waarvoor hij de verantwoordelijkheid draagt. Ik hoef deze minister niet uit te leggen hoe het staatsrechtelijk écht met de verantwoordelijkheden zit. In dat overleg heeft de Kamer aangegeven dat zij voornemens is om vooralsnog geen decharge te verlenen. Waarom niet? Omdat er bij de NVWA, de Dienst Regelingen en nog een andere dienst voor het derde jaar op rij in totaal tussen de 40 mln. en 90 mln. is bijgeplust. Dat is bizar. Ik heb tegen de staatssecretaris gezegd dat het een bende is; het is een schande. Dat meen ik oprecht. Het is goed dat de minister, die ongetwijfeld al heeft vernomen dat daar nog nader naar wordt gekeken, het in de gaten houdt. Het is namelijk niet fijn om geen decharge te krijgen. Ik ga ervan uit dat de secretaris-generaal zoiets ook niet op zijn cv wil hebben, maar dat terzijde.

Als rapporteur heb ik voor dit overleg ervoor gekozen – de commissie heeft mij daarin ondersteund – om te bekijken hoe het met de apparaatskosten op het gebied van innovatie gaat. Vorig jaar en het jaar daarvoor hebben verschillende leden daar tijdens de begrotingsbehandeling aandacht aan besteed. Om het overleg niet veel langer te laten duren dan nodig is, ben ik zo vrij om de notitie die medewerkers voor ons, maar onder mijn verantwoordelijkheid, hebben gemaakt, aan de minister te geven. Dan kan ondertussen antwoord worden gegeven op de detailvragen. De kern is dat de situatie voor de apparaatskosten en de effectiviteit van de besteding van innovatiemiddelen aanzienlijk beter is, maar nog niet goed. Als je de apparaatskosten, de overhead, vergelijkt met de totale uitgaven, dan zie je vanaf 2008 een daling, zeker in de periode 2010–2011. Dat moet ook een doel blijven, want in een tijd dat middelen schaars zijn en zeker innovatie hoog op de agenda staat, maar dat het tegelijkertijd ingewikkeld is om daar voldoende middelen voor te vinden – dat is niet alleen moeilijk in dit huis maar ook in de samenleving zelf, bij het bedrijfsleven – is het des te belangrijker om ervoor te zorgen dat de apparaatskosten zo laag mogelijk blijven.

Het gaat wat ons betreft over twee dingen. De Kamer wil ten eerste structureel een beter inzicht hebben in de overheadkosten voor de uitvoering van de betreffende beleidsartikelen – in dit geval het artikel met de titel Een sterk innovatievermogen – en in de vraag hoe die voor de komende jaren zijn ingeboekt. Wat is een streefcijfer om tot lagere overheadkosten te komen? Wij zien dat ook graag voor de begroting van 2013. Ten tweede is het ook heel belangrijk om te weten wat wij exact aan kennisinstellingen besteden en wat naar het bedrijfsleven gaat. Ik zeg namens de Kamer dat het van belang is dat zij ook daar scherp op kan blijven toezien.

De detailvragen staan in het stuk. Die ga ik niet allemaal voorlezen, want die kunnen de mensen van de minister ongetwijfeld wel even voor hem doornemen. Ik noem nog één reden waarom het van belang is om daar scherp op te zijn. In het Lenteakkoord, wat iedereen daar ook van vindt, is onder andere afgesproken dat er nog 875 mln. op de departementen moet worden gevonden. De minister-president heeft in het debat over het Lenteakkoord gezegd dat hij erop zal toezien dat die 875 mln. zal worden gevonden in verlaging van de apparaatskosten en niet in de uitgaven voor de mensen en het bedrijfsleven. Daarom zien wij hier nu ook zo scherp op toe.

In het kader van Verantwoord Begroten zijn er beleidsdoorlichtingen aan de orde. Dat is al jarenlang het geval. Wij hebben het idee dat die beleidsdoorlichtingen hier en daar tussen wal en schip dreigen te geraken. Kan de minister de Kamer toezeggen dat die beleidsdoorlichtingen blijven doorgaan, zeker in een periode dat kabinetten elkaar tamelijk snel opvolgen? Anders heeft niemand nog de mogelijkheid om op langere termijn te bekijken wat de effecten zijn van dingen die hier en op de departementen gebeuren.

De heer Ziengs (VVD): Voorzitter. Vandaag spreken wij over de verantwoording van de publieke middelen op het gebied van Economische Zaken en Innovatie. Ik dank de rapporteur omdat hij zijn bevindingen zo helder uiteen heeft gezet.

De VVD vindt het goed dat er verantwoording wordt afgelegd. Het is dan ook jammer dat er slechts woordvoerders van vier fracties aanwezig zijn. De VVD ziet enkele positieve punten in het jaarverslag en de slotwet. Zo ziet de VVD de openstelling van de borgstellingsregeling voor nieuwe private aanbieders van mkb-financiering als een bijzonder positief punt. Zij beschouwt ook de verhoging van het BMKB-budget naar 1 mld. per jaar als een stap in de goede richting.

Ik heb vanmiddag met collega Koppejan een bijeenkomst over de oprichting van kredietunies bijgewoond. Ik vraag daar aandacht voor. Credits gaf bijvoorbeeld aan dat het wellicht mogelijk is om de huidige limiet van € 50 000 te verhogen, zodat je een andere vorm van credits in de markt zou kunnen zetten om ook in de kredietbehoefte tot € 250 000 te kunnen voorzien. Kan de minister daar wellicht al iets meer over melden? De VVD krijgt ook graag een toelichting van de minister op de rol van het Europees Investeringsfonds bij het dragen van verliezen, zoals gemeld.

De VVD is teleurgesteld over de beleidsvoering op een aantal terreinen. De Algemene Rekenkamer heeft namelijk zes onvolkomenheden geconstateerd, zoals de rapporteur heeft gemeld, waarvan drie op het terrein van het voormalige ministerie van Economische Zaken. Een van die onvolkomenheden betreft de fouten in het Europees aanbesteden door Agentschap NL. Inmiddels is dat voor het derde jaar achtereen het geval. Bij ons roept dat de vraag op wat er precies fout gaat. De minister benoemt die fouten namelijk niet in zijn jaarverslag. Waarom doen er zich nu al voor het derde jaar op rij problemen voor? Wat gaat de minister doen om dit voor volgend jaar te voorkomen?

In zijn reactie op de bevindingen van de Rekenkamer wijst de minister erop dat het verbeterproces effect sorteert. Het aantal aanbestedingsfouten bij Agentschap NL loopt namelijk sterk terug. Kan de minister een toelichting geven op zijn concrete maatregelen én de resultaten van het zogenoemde verbeterproces? Gaat de minister dit verbeterproces verder aanscherpen, nu is vastgesteld dat er nog steeds fouten worden gemaakt?

De VVD is ook ontevreden over de betrokkenheid van het ministerie bij het bestuur van het Centraal Orgaan Voorraadvorming Aardolieproducten, het COVA. De Rekenkamer wijst dit terecht aan als een onvolkomenheid. De inmenging van toezichthoudende ambtenaren in het COVA-bestuur is niet toegestaan volgens het eigen toetsingskader van het ministerie, maar toch was er sprake van ongewenste rolvermenging. Erkent de minister dat hij dit wist, maar dat hij desondanks een oogje heeft dichtgeknepen? Zo ja, waarom overtreedt hij op dit punt dan bewust de regels? Zo nee, hoe kwalificeert de minister het oordeel van de Rekenkamer dan wel? Welke maatregelen neemt de minister om het toezicht op het COVA daadwerkelijk onafhankelijk te maken?

De Rekenkamer staat ook stil bij een ander aandachtspunt, het Fonds Economische Structuurversterking (FES). Het FES is overeenkomstig het regeerakkoord met ingang van 2011 opgeheven. De minister heeft toen maar meteen besloten om de uitgaven van 2010 niet meer te controleren op rechtmatigheid. Het gaat daarbij om het «luttele» bedrag van 2,3 mld.; let op! Waarom vond de minister het afleggen van verantwoording daarover niet nodig? De Rekenkamer heeft in mei vorig jaar nog ertoe opgeroepen, hierover wel verantwoording af te leggen. Waarom neemt de minister dit Hoge College van Staat niet serieus? Vindt de minister het afleggen van verantwoording over zo’n som geld niet belangrijk? Hoe moet de Kamer dan de rechtmatigheid van de bestedingen dan beoordelen?

De VVD vindt het optreden van het ministerie ten aanzien van de punten die ik zojuist heb genoemd, ronduit onder de maat. De VVD twijfelt dan ook over de werkwijze van het ministerie, terwijl er vandaag tóch decharge moet worden verleend. Ik wil daarop dan ook graag een reactie van de minister.

De heer Van Vliet (PVV): Voorzitter. Allereerst dank ik de rapporteur voor zijn werkzaamheden voor de Kamer, in het bijzonder voor deze commissie. Ik hoop dat de rapporteur een mooie toekomst tegemoet gaat, whatever he may do. Ik dank ook de voorzitter, de heer Houwers van de VVD, omdat hij heel vaak bereid is om voorzitter te zijn tijdens vergaderingen van deze commissie. Dat zeg ik tussen neus en lippen en door, in de hoop dat een goede verstaander daaraan genoeg heeft.

Ik begin graag positief, heel positief zelfs. Ik hoop dat de minister heel goed luistert. Ik heb het rijksjaarverslag over 2011 van het ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie natuurlijk goed gelezen. Ik moet vertellen dat wij van plan zijn om decharge te verlenen. Dat heb ik ook aan mijn fractie gerapporteerd. Het valt mij op dat een heleboel Kamerleden niet eens doorhebben dat het daarom gaat bij de behandeling van slotwetten in een wetgevingsoverleg. Als er wordt gevraagd wat het woord «decharge» inhoudt, volgt er een of ander prietpraatverhaaltje. Het gaat om decharge; kan de Kamer aan de hand van het jaarverslag én het commentaar van de Algemene Rekenkamer – dat heb ik tot mij genomen – beoordelen of er decharge kan worden verleend? Ik kan u vertellen dat de PVV daar serieus naar kijkt. Ik doe dat in elk geval zeker. Ik heb mijn fractie geadviseerd om decharge te verlenen. Daarom beperk ik mij tot een aantal kleinere punten die ons in het rijksjaarverslag zijn opgevallen.

Het klinkt misschien een beetje flauw, maar ik sluit mij graag aan bij de opmerkingen van de voorgaande spreker. Dat doe ik niet omdat ik uit luiheid kopieergedrag wil vertonen, maar omdat die punten ook daadwerkelijk op ons lijstje stonden. Het betreft de herhaalde kritiek op Agentschap NL. Bovenop wat collega Ziengs al heeft aangestipt, voeg ik daar het volgende aan toe. Er staat inmiddels een verantwoording in het jaarverslag voor de verdeling tussen uitzendkrachten en wat duurdere interim-managers bij externe inhuur, waarvoor hulde. De Algemene Rekenkamer zegt wel dat het nog beter kan. Dat standpunt onderschrijven wij, maar de vraag voor met name Agentschap NL luidt als volgt. De gemiddelde jaarbeloning van een inhuurkracht ligt bij Agentschap NL zo’n € 9 000 hoger dan bij een vaste werknemer. In deze tijden van bezuinigingen krijgen wij graag een toelichting van de minister op de vraag waar dat verschil precies in zit.

Ik sluit mij ook aan bij de opmerkingen van de heer Ziengs over het FES. Daarover heb ik vorig jaar een identiek verhaal afgestoken. Graag krijg ik een nadere toelichting op de rechtmatigheid en de verantwoording daarvan.

Ik heb de volgende kernpunten in mijn betoog over de slotwet. Ik moet helaas de conclusie trekken dat er sprake is van een democratisch deficit. Dan heb ik het over de toegekende subsidies en alle exploitatiebijdragen. Het democratisch deficit zit in het feit dat deze subsidies en bijdragen heel vaak langjarig vastliggen en dus blijkbaar juridisch afdwingbaar zijn voor allerlei enthousiaste ontvangers van die subsidies. In het jaarverslag zie je dat dit min of meer wordt weggemoffeld onder het kopje «budgetflexibiliteit». Als je bijvoorbeeld naar de subsidies voor innovatie kijkt, staat bij budgetflexibiliteit dat de toegekende bedragen voor 76% meerjarig juridisch vastliggen. Daarmee wordt volgens ons het budgetrecht van de Tweede Kamer aangetast. Al die jaren dat die bedragen zijn toegekend, kunnen wij daar niets meer aan veranderen. Wij kunnen er hooguit nog iets over roepen. Wij zijn als het om belastinggeld gaat liever geen roepende in de woestijn. Wij hebben liever dat de Tweede Kamer haar budgetrecht optimaal kan gebruiken en dat de subsidies en exploitatiebijdragen – het ministerie van EL&I is natuurlijk in belangrijke mate een subsidieministerie – niet zo lang vastliggen. Naar onze mening levert dat namelijk juist een democratisch deficit op. Gelet op het budgetrecht van de Tweede Kamer krijg ik daarop graag een toelichting van de minister. Is hij bereid om serieus te bekijken hoe je die budgetflexibiliteit kunt verhogen en, zo ja, hoe wil hij dat vormgeven?

Verder merk ik op dat ik kennis heb genomen van alle rapportages en ook van de fusie tussen «EZ-oud» en Landbouw. Je hoort weleens tegenstrijdige berichten uit de landbouwhoek, maar als ik het als koepel bekijk moet ik bekennen dat die fusie volgens mij geslaagd is. Ook dat was een belangrijke overweging om te zeggen: wij verlenen decharge.

De heer Koopmans (CDA): De heer Van Vliet stelde terecht dat dit overleg tussen de Kamer en de regering ook over het verlenen van decharge gaat, maar ik merk nogmaals het volgende op. In de bijeenkomst over het landbouwdeel heeft de Kamer tegen de desbetreffende vertegenwoordiger van de regering die daarbij aanwezig was, de staatssecretaris van hetzelfde departement, gezegd dat wij voorlopig nog geen decharge verlenen. Zij wilde eerst nadere informatie over twee onderwerpen. Ik zal die punten hier nu niet herhalen, maar dat is wel van belang om op te merken. De Kamer kan niet decharge verlenen voor een deel van de rekening. De heer Van Vliet kan wel zeggen dat het ministerie het goed heeft gedaan voor dat deel, maar het is niet mogelijk om voor een deel decharge te verlenen.

Minister Verhagen: Het staat de PVV vrij om decharge te verlenen over het geheel.

De heer Koopmans (CDA): Dat staat de PVV inderdaad vrij, maar ik wilde dat nog even opmerken. De heer Van Vliet heeft wel gelijk dat uiteindelijk de belangrijkste vraag is of er decharge kan worden verleend.

De voorzitter: Nog belangrijker is dat iedere fractie over haar eigen woorden gaat.

De heer Koppejan (CDA): Voorzitter. Ook onze dank gaat uit naar de werkzaamheden van de rapporteur. Ik sluit mij ook aan bij veel van de vragen die mijn collega’s hebben gesteld en bij veel van de opmerkingen die zij hebben gemaakt. Ik complimenteer de minister met het fors verminderen van de uitgaven voor externe inhuur, van 24,2% in 2010 naar 14% in 2011. Dat zien wij graag.

Bij de begrotingsbehandeling van EL&I heeft het CDA via een aangenomen motie aandacht gevraagd voor de besteding van innovatiegelden. Tot 2015 wordt daaraan jaarlijks meer dan 3 mld. uitgegeven. Waar gaan deze innovatiegelden naartoe? Wie ontvangt innovatiegelden, wat doet men ermee en welke resultaten worden ermee bereikt?

Naast het houden van een pleidooi voor meer transparantie hebben wij de regering ook gevraagd om te bezien welke lessen kunnen worden uit ervaringen en het Amerikaanse voorbeeld dat het volgen van innovatiegelden waarborgt en vervolgens een dergelijk publiek toegankelijk systeem opzet. Wat heeft de minister sinds het aannemen van die motie in gang gezet voor de uitvoering daarvan? Desgewenst kan ik de tekst van de motie nog een keer aan hem geven.

Kunnen wij in de nieuwe begrotingssystematiek Verantwoord Begroten het gewenste inzicht in de uitgaven aan technologische instituten en het bedrijfsleven krijgen en, zo ja, op welk detailniveau worden deze gegevens dan verstrekt? Komt de informatie over overhead terug in de begroting voor 2013? Zo nee, is de minister dan bereid om de Tweede Kamer separaat van informatie te voorzien over de overheadkosten op ieder beleidsterrein? Kan de minister ook inzicht geven in de overheadkosten bij ontvangers van innovatiemiddelen zoals bedrijven, grote technologische instituten en TNO? Wij vinden het namelijk belangrijk om te weten welk deel van de middelen in het kader van beleidsartikel 2 daadwerkelijk aan innovatie wordt besteed. Is de minister ook bereid om in de komende begrotingen voor het bedrijvenbeleid streefwaarden voor overhead op te nemen?

Is de minister bereid om de aanbevelingen van de Rekenkamer op het gebied van systeemverantwoordelijkheid van de minister over te nemen? Ik noem bijvoorbeeld het per topsector opstellen van een actieagenda met concrete en meetbare doelstellingen door het voor die topsector verantwoordelijke ministerie en de wijze waarop deze actieagenda’s bijdragen aan de versterking van de concurrentiekracht van de Nederlandse economie. Is de minister ook bereid om de wijze van invulling en uitvoering van de systeemverantwoordelijkheid deel te laten uitmaken van de monitor effectmeting van het bedrijvenbeleid? Tot zover mijn vragen.

Mevrouw Dijksma (PvdA): Voorzitter. Ik sluit mij aan bij alle complimenten voor de bijdrage van onze zeer gewaardeerde rapporteur. Hij heeft het inhoudelijk scherp gedaan. Mijn fractie voelde zich zeer vertegenwoordigd. Dat mag ook wel een keer worden gezegd.

Het is natuurlijk waar – de heer Van Vliet zei het al – dat wij hier bij elkaar zitten om af te wegen of wij decharge verlenen. Ik heb geleerd dat het altijd verstandig is om dat niet te doen voordat de tweede termijn aanbreekt. Het is namelijk de bedoeling dat wij voor die tijd nog een paar toezeggingen van de minister lospeuteren. Mijn fractie maakt daarom nog een voorbehoud omdat wij eerst boter bij de vis willen voor alle door de collega’s gestelde kritische vragen. Vervolgens moeten wij afwegen – ik denk niet dat wij daar nog intern beraad voor nodig hebben, maar je weet maar nooit – of wij daadwerkelijk decharge verlenen.

Net als mijn collega’s wil ik ook een compliment uitdelen voor het drastisch terugdringen van de uitgaven voor de inhuur van externen. Ik weet dat dit op heel veel departementen een belangrijk punt is geweest en dat het soms heel moeilijk is om dat voor elkaar te krijgen. De percentages van het ministerie van EL&I wijzen absoluut in de goede richting. Ik denk dat wij daar blij mee mogen zijn.

Ik heb nog een laatste opmerking, want laten wij eerlijk zijn: eigenlijk zijn alle te stellen vragen al ongeveer gesteld. Ik wil even vooruitkijken op volgend jaar. Het interesseert mij of de begroting dan zodanig wordt opgesteld dat wij bij innovatie en de besteding van middelen niet alleen kunnen zien wat het Rijk uitgeeft en waaraan, maar ook of het bedrijfsleven de afspraak die de minister altijd zo stellig verdedigt, namelijk het als het ware verdubbelen van de uitgaven, wordt nagekomen. Het beleid van de minister is namelijk gebaseerd op het idee dat het bedrijfsleven nu over de brug komt. Wij moeten wel ergens kunnen vaststellen of dat gebeurt. Mijn vriendelijk en bescheiden verzoek luidt dan ook of dat naast de overheidsuitgaven even scherp in beeld kan worden gebracht.

De voorzitter: Dit is het einde van de inbreng van de Kamer in eerste termijn. Ik merk nog op dat wij bericht hebben gekregen van mevrouw Ouwehand van de Partij voor de Dieren dat zij wegens andere verplichtingen niet aanwezig kan zijn. Het woord is aan de minister voor zijn beantwoording.

Minister Verhagen: Voorzitter. Ik dank de Kamerleden voor hun opmerkingen, complimenten en vragen. Ik sluit mij aan bij de terechte complimenten voor de rapporteur. Dat doe ik om twee redenen. Ten eerste is het volgens mij sowieso goed dat de Kamer haar budgetrecht en haar controlerende taken op deze wijze vormgeeft. Voor mij is het uniek om mee te maken dat er een specifieke rapporteur wordt benoemd die ook nog zo kritisch is dat zelfs de oppositie zich bij hem aansluit.

Ten tweede ben ik dankbaar om de gelegenheid te krijgen om in mijn ietwat langere parlementaire en politieke carrière toch nog te mogen meemaken dat er een wetgevingsoverleg plaatsvindt over een jaarverslag waar ik voor verantwoordelijk ben. Ik mijn vorige hoedanigheid heb ik dat genoegen nooit mogen smaken, aangezien men zich toen altijd concentreerde op het beleidsterrein van de collega-bewindspersoon op het departement waar men meer in geïnteresseerd was.

Ik ben buitengewoon blij om te kunnen constateren dat mevrouw Dijksma weer in alle scherpte haar rentree in de Kamer heeft gemaakt. Ik ben blij dat het zwangerschaps- en ouderschapsverlof goed verlopen is. Bij dezen breng ik ook mondeling mijn felicitaties over, nadat ik die eerder al schriftelijk kenbaar had gemaakt.

Ik was uiteraard blij met de complimenten van meerdere kanten over de reductie van externe inhuur van 24% naar 14%. Ik heb vorig jaar geconstateerd dat de externe inhuur fors moest worden beperkt, omdat wij met 24% fors boven het streefpercentage zaten ondanks het feit dat de Kamer al een motie had aangenomen. Men kan zich voorstellen dat ik als verantwoordelijk minister vrij stellig heb duidelijk gemaakt dat wij op dit punt beter moesten presteren. Ik ben blij dat dit gelukt is. In een jaar tijd van 24% naar 14% gaan, is een zeer forse reductie. Ik ben buitengewoon tevreden met de inzet die het ministerie daarvoor getoond heeft. Ik ben blij met de waardering daarvoor die uit de bijdragen naar voren kwam.

De rapporteur, scherp als altijd, gaf aan dat er met name voor het landbouwdeel nogal wat problemen zijn geconstateerd door de Kamer. Hij merkte fijntjes op dat ik daar staatsrechtelijk voor verantwoordelijk ben. Men had daarom een voorbehoud op het verlenen van decharge gemaakt. De staatssecretaris zal de Kamer nog een brief sturen over de inhoud: de verantwoording voor het natuurbeleid, de begrotingsdiscipline, de NVWA en de Dienst Regelingen. Daar ga ik inhoudelijk dus niet op in. Ik heb uiteraard wel kennis genomen van de afspraken die tijdens het wetgevingsoverleg over het desbetreffende deel van de begroting zijn gemaakt. Ik ben blij dat de rapporteur fijntjes naar de staatsrechtelijke verantwoordelijkheid verwijst. Ik heb daar in de afgelopen anderhalf jaar slechts één keer gebruik van gemaakt. Ik zie nu in dat ik dat vaker had moeten doen. Ik heb er alle vertrouwen in dat de door de Kamer gevraagde informatie tijdig wordt aangeleverd en dat op basis daarvan een goed afrondend overleg kan plaatsvinden. Mede gelet op mijn verantwoordelijkheid, zal ik daar uiteraard op toezien.

De voorzitter: Deze opmerkingen leiden tot een opmerking van de rapporteur, de heer Koopmans.

De heer Koopmans (CDA): Ik ben even benieuwd welk moment het betreft.

Minister Verhagen: Dat zal ik misschien na afloop, bijvoorbeeld tijdens de pauze van de voetbalwedstrijd, zeggen.

Op basis van de antwoorden die de staatssecretaris de Kamer ongetwijfeld zal verstrekken, heb ik er alle vertrouwen in dat zij toch bereid zal zijn om decharge te verlenen. Daar heb ik ook vertrouwen in omdat de Algemene Rekenkamer daar in zijn algemene beoordeling zeer duidelijk een onderbouwing voor geeft. De Algemene Rekenkamer ziet in elk geval geen aanleiding om verlening van decharge te onthouden. De financiële informatie is volgens de Rekenkamer deugdelijk weergegeven en voldoet aan de verslagleggingsvoorschriften en voldoet ook aan de eisen van rechtmatigheid. Het betreft dus niet alleen de algemene beoordeling over de manier waarop het is gegaan.

Ik ben er ook van overtuigd dat de staatssecretaris vanwege de begrotingsmutaties voor de NVWA en de Dienst Regelingen vorig jaar reeds tijdens de behandeling van de Voorjaarsnota en bij de ontwerpbegroting voor 2013 heeft aangegeven dat de structurele budgetten in overeenstemming worden gebracht met de beleidsopdrachten. De staatssecretaris kan op dit punt volledig verantwoording afleggen, maar hij tracht ook om de begroting eerder dan pas bij het jaarverslag op orde te brengen, juist via tussenfases.

Een aantal leden, met name de heer Koppejan en de rapporteur, wees erop dat inzichtelijk moet zijn waar de innovatiegelden naartoe gaan. De Kamer wil uiteraard weten wat wij daarmee doen en welke resultaten ermee worden bereikt. De heer Koppejan heeft daarover destijds een motie ingediend en die is aangenomen; hoe wordt het geld besteed? Dat was overigens mede naar aanleiding van het Rekenkamerrapport over het vorige innovatiebeleid. Men had destijds eigenlijk totaal geen idee waar alle miljarden uit het FES naartoe gingen. Ik ben groot voorstander van zo veel mogelijk transparantie omdat daarmee duidelijk wordt wat bijvoorbeeld het nut is van het nieuwe topsectorenbeleid en innovatiebeleid voor het bedrijfsleven zelf. Daardoor kunnen andere bedrijven enthousiast worden gemaakt om daarin te participeren. Het gaat er niet alleen om, duidelijk te maken waarvoor belastinggeld wordt ingezet. Het is ook van belang om te zien welke nieuwe innovatieve mogelijkheden kunnen worden gecreëerd. Dat kan anderen inspireren.

Daarom heb ik opdracht gegeven tot het ontwikkelen van een nieuwe website om uitvoering te geven aan de motie-Koppejan. Volgens mij heb ik daarover al een brief gestuurd. Het betreft de website www.volginnovatie.nl, die op 15 mei jongstleden de lucht is ingegaan. Op die website zijn nu al zo’n 2000 projecten te vinden waar dat geld naartoe gaat. Op die manier valt ook te zien tot welke topsectoren de afzonderlijke projecten horen. Die projecten zijn ook op een kaart van Nederland aan te klikken, zodat ook de heer Koopmans kan zien in welke regio ze worden uitgevoerd. Per project wordt dus aangegeven wat de ontvangende bedrijven zijn en wat het doel is van het project in kwestie.

De resultaten van de projecten zijn nog niet altijd bekend. Innoveren is namelijk vaak een langdurig proces en leidt niet meteen tot kant-en-klare producten en dus bijvoorbeeld tot omzetstijging. Toen ik vanochtend het OCD-rapport over de staat van de economie in Nederland in ontvangst nam, kwam ter discussie dat het moeilijk meetbaar is. Terecht vroeg de Rekenkamer daar vorig jaar aandacht voor. Op deze manier proberen wij de resultaten zo zichtbaar mogelijk te maken.

Er is één uitzondering in relatie tot de transparantie die wij nastreven. Bij besteding van belastinggeld, als het een aftrekmogelijkheid betreft, is vanwege wettelijke beperkingen alleen per provincie zichtbaar waar de innovatiemiddelen zijn ingezet. Het is echter niet zichtbaar om welke bedrijven het gaat, omdat men er niet op zit te wachten dat een concurrent lucht krijgt van bepaalde bedrijfsinformatie. Wij zullen de website de komende periode aanvullen met nieuwe projecten. Op basis van commentaar, ook van de Kamer, zullen wij die website verbeteren.

De heer Koppejan en mevrouw Dijksma vroegen specifiek naar de wijze waarop ik in de nieuwe begrotingssystematiek van Verantwoord Begroten, het inzicht in uitgaven aan grote technologische instituten en het bedrijfsleven ga verbeteren. In de subsidiebijlage bij de begroting voor 2013 wordt sowieso een gestructureerd overzicht gegeven van de afzonderlijke subsidiebijdragen aan alle grote technologische instituten en het bedrijfsleven. Om de budgettaire tabel in de betreffende begrotingsartikelen, namelijk artikel 12, Een sterk innovatievermogen, en begrotingsartikel 13, Een excellent ondernemersklimaat, inzichtelijk te houden, worden de financiële instrumenten op een inzichtelijk niveau gepresenteerd. Daarmee hoop ik tegemoet te komen aan de wensen van de Kamer. Ik neem daarbij ook nog een separate tabel op voor de fiscale maatregelen.

Mevrouw Dijksma zegt terecht dat ik een verdubbeling claim. Ik wil daarom absoluut inzichtelijk maken wat de bijdrage van het bedrijfsleven is. De committering van het bedrijfsleven heb ik in wezen al verstrekt toen ik de innovatiecontracten sloot. In de innovatiecontracten staat namelijk wat de publieke bijdrage is en daar tegenover staat de private bijdrage, onder andere voor de topconsortia voor innovatie zoals Wetsus. Juist omdat het een contract is, zit het als volgt. Als de private zijde niet levert, komt er ook geen levering van de publieke zijde. Dat houdt overigens in dat de onderuitputting of de uitputting staat of valt met het naleven van het contract.

Mevrouw Dijksma (PvdA): Dat is mooi, maar de vraag is wel of wij dan niet helemaal zelf moeten gaan uitpluizen waarom de post onderuitputting opeens zo enorm groot is geworden of maakt de minister dat ook inzichtelijk? Het is prima om te weten dat wij niet zelf geld uitgeven als de andere kant niet levert, maar het is ook belangrijk dat de Kamer weet wat er precies gebeurt.

Minister Verhagen: Jazeker, ik zal het zo inzichtelijk mogelijk maken. Ik wijs op het enthousiasme van het bedrijfsleven en het pleidooi van het bedrijfsleven om het topsectorenbeleid ook in de volgende kabinetsperiode voort te zetten. Het bedrijfsleven heeft een oproep aan politieke partijen gedaan om daarvoor in de komende periode de nodige financiële middelen vrij te maken. Het bedrijfsleven heeft er alle belang bij om het uit te geven. Vanwege dat enthousiasme verwacht ik geen onderuitputting, maar ik zal het de Kamer uiteraard melden als zich onderuitputting voordoet. Dan kunnen wij namelijk niet alleen zien of het instrument als zodanig goed en effectief is, maar ook hoe het kan dat de ene sector wel levert en de andere niet. De vraag is dan of wij de sectoren moeten wisselen, als er blijkbaar toch geen enthousiasme bestaat bij het bedrijfsleven. Dan kunnen wij bijsturen. Wij komen nog over het bedrijfslevenbeleid te spreken. Wij hebben al wel vastgesteld dat je niet vast moet zitten aan bepaalde topsectoren. Dan hebben wij geen enkele flexibiliteit. Ik weet dat er werd gevraagd hoe wij bij wijze van spreken kunnen switchen als iets anders interessanter wordt vanwege een opkomende markt of een niche. Om dat te weten te kunnen komen, moet de overheid weten waar het nuttig is. Ik ben het dus helemaal met mevrouw Dijksma eens en ik zal het zo inzichtelijk mogelijk verwoorden.

Ik ga er overigens van uit dat de rapporteur het goed noteert als ik antwoord geef op een vraag van een Kamerlid, die de rapporteur ook heeft gesteld. Dan zijn wij wellicht op tijd klaar. Ik zeg bij dezen toe dat ik alle vragen van de rapporteur die ik niet in dit blok meeneem, schriftelijk zal beantwoorden. Anders zouden wij namelijk geen recht doen aan het goede en serieuze werk dat de rapporteur heeft verricht.

De voorzitter: Bij zo’n royale toezegging willen wij altijd graag weten per wanneer het gebeurt.

Minister Verhagen: Voor 1 juli, want anders zal de rapporteur de Kamerleden helemaal opstoken om geen decharge te verlenen. Dat wil ik vermijden.

De voorzitter: Oké, dat lijkt mij helder.

Minister Verhagen: Ik kom op de vraag over overheadkosten in relatie tot het beleidsartikel Een sterk innovatievermogen. Er werd gevraagd of er informatie kon komen over de overheadkosten op de verschillende beleidsterreinen. Ik definieer de overheadkosten ten behoeve van innovatiebeleid als volgt: ambtelijke beleidsondersteuning en de uitvoeringskosten van Agentschap NL. De reguliere jaarverslagen van de afgelopen jaren en de begroting 2012 bevatten de gevraagde informatie. Daar staat namelijk al informatie in over ambtelijke beleidsondersteuning en de uitvoeringskosten van Agentschap NL.

Er is overigens in goed overleg tussen het kabinet en de Kamer gekozen voor een nieuwe opzet: Verantwoord Begroten. De consequentie daarvan is dat de uitgaven voor beleidsondersteuning in totaal worden geraamd en verantwoord. Dat heb ik niet verzonnen, maar dat is de uitkomst van het overleg over verantwoord begroten. Die keuze is gemaakt omdat de huidige presentatievorm, met de toerekening aan de verschillende beleidsartikelen, in de praktijk te weinig toegevoegde waarde voor de Kamer bleek te hebben in relatie tot het ter verantwoording roepen van de regering. Nogmaals, het is besloten in het overleg tussen de Kamer en de regering over de vraag hoe wij verantwoord willen begroten. Als wij kiezen voor een nieuwe structuur, moeten wij een beetje consequent zijn. Wij moeten niet de ene maand a roepen en de andere maand toch weer b. De Kamer heeft gezegd: wij moeten af van al die overbodige flauwekul; wij moeten naar verantwoord begroten toe. Dat is de reden dat ik dat niet voorzie in de ontwerpbegroting voor 2013.

De rapporteur vroeg specifiek welk deel van beleidsartikel 2 daadwerkelijk aan innovatie wordt besteed. Het grootste deel betreft de fiscale regelingen voor de WBSO en de RDA. Die financiële middelen gaan volledig richting R&D in het bedrijfsleven, omdat de kosten voor het verkrijgen ervan bij bedrijven niet worden vergoed binnen de WBSO en de RDA. Het gesubsidieerde onderzoek van TNO is slechts een derde deel van de totale omzet van TNO. TNO haalt dus veel meer binnen dan alleen dit deel; twee derde deel haalt TNO elders weg. De overheadkosten komen niet volledig ten laste van de subsidie van de overheid, omdat TNO de kosten voor onderzoek met een integraal kostenmodel berekent. De overheadkosten worden daardoor evenredig verdeeld over het gesubsidieerde onderzoek, het in competentie verworven onderzoek en marktopdrachten die TNO zelf binnenhaalt via contractresearch. Ook het NLR hanteert een integraal kostenmodel. Het kan niet zo zijn dat TNO de overheadkosten voor het totaal uit subsidie financiert, waardoor het op een lagere marktprijs zit voor het commerciële deel. Anders zou er namelijk sprake zijn van marktverstoring, waar met name de VVD altijd buitengewoon alert op is.

Ook is de vraag gesteld hoe ik de aanbevelingen van de Rekenkamer over de invulling van mijn systeemverantwoordelijkheid oppak. Met name de heer Koppejan wees daarop. Voor elke topsector worden doelen met concrete indicatoren en streefwaarden opgesteld, samen met de topteams. Alle deelnemende departementen, ook VWS, I en M, OCW en andere ministeries, horen daarbij. De actieagenda’s van de topteams uit juni 2011 – die heb ik naar de Kamer gestuurd – geven weer wat nodig is om de concurrentiekracht van de betreffende topsectoren te versterken. Daarom wordt ook aangegeven welke omgevingsfactoren door elk topteam worden aangepakt.

De borging van de samenhang tussen de innovatieagenda’s is door het ministerie van EL&I ter hand genomen. Dit heeft bijvoorbeeld tot het volgende geleid. Voor drie doorsnijdende technologieën, ICT en nano- en biobased innovaties – de Kamer vroeg aandacht voor die crossovers in relatie tot het topsectorenbeleid – zijn er crosssectorale onderzoeksroadmaps opgesteld door de meest betrokken topteams. Op die manier geven wij invulling aan de aanbevelingen.

De heer Koppejan vroeg hoe ik ervoor zorg dat de systeemverantwoordelijkheid onderdeel wordt van de monitor en de effectmeting van het bedrijfslevenbeleid. Aan de invulling van die systeemverantwoordelijkheid is op zich lastig een indicator te koppelen, maar de vraag uit welke bronnen de topconsortia voor kennis en innovatie worden gefinancierd zal wel onderdeel van de monitor uitmaken. Daarmee is na te gaan welk deel van de financiële middelen van welk departement afkomstig is. Op het moment dat er bijvoorbeeld een deel van de EZ-begroting komt en een deel van de begroting van het ministerie van I en M, voor Wetsus bijvoorbeeld, dan is dat traceerbaar, ook voor de heer Koppejan.

Zoals het een kritische Kamer betaamt, stond de heer Ziengs stil bij de onvolkomenheden die gerapporteerd werden en sloten anderen zich daarbij hartgrondig aan. Er klonk een teleurstelling door in de woorden van de heer Ziengs die ik niet zo verwacht had, ook omdat er waardering doorklonk in de woorden van de heer Van Vliet en zelfs bij mevrouw Dijksma. De heer Ziengs begrijpt dat ik als lid van een minderheidskabinet op iets meer warmte had gehoopt van een van de coalitiepartners.

De heer Ziengs (VVD): Jammer dat het niet gelukt is! Ik blijf kritisch.

Minister Verhagen: Het ergste was dat de heer Ziengs, vooruitlopend op het genoegen dat wij zullen smaken als wij de goals vieren die vanavond zullen vallen, een bepaalde geestelijke ondersteuning van mij verwachtte! Het wordt er allemaal niet beter op nu ik de teleurstelling van de heer Ziengs heb gehoord!

Goed, nu even serieus. Terecht vraagt de heer Ziengs aandacht voor onvolkomenheden die gerapporteerd worden. Die hebben wij ernst te nemen. Het is relatief een fors aantal, die zes onvolkomenheden. Daarin heeft de heer Ziengs gelijk. Nogmaals, het betekent niet dat het financieel beheer van EL&I niet op orde is, integendeel. Dat blijkt ook uit het rapport van de Rekenkamer. Ook de ordedienst heeft een goedkeurende verklaring afgegeven. De heer Ziengs moet zich ook realiseren dat de slag die is gemaakt van 24% naar 14% bij externe inhuur, een enorme omslag vraagt in de wijze van werken op het departement. Daarnaast heb je te maken met een complexe integratie en transformatie in het departement. Een fusie van twee bolwerken gaat niet van de ene dag op de andere. Dat is een complexe operatie. Nogmaals, dat is geen excuus voor onvolkomenheden, maar ik vraag wel enig begrip vanwege de enorme snelheid waarmee wij een aantal veranderingen hebben doorgevoerd in het afgelopen jaar.

Als er aanbevelingen worden gedaan, zijn die waardevol voor mij om de bedrijfsvoering verder te verbeteren. Daarom ben ik ook buitengewoon blij met de kritische blik van de heer Ziengs en de Rekenkamer. Net zoals er vorige keer kritiek was van de heer Ziengs ten aanzien van de externe inhuur en dat tot extra aandacht en extra maatregelen leidde, is dat ook nu het geval. Ik heb dus naar aanleiding van de rapportage van de Rekenkamer al de nodige acties uitgezet. Het toezicht, met name op het financieel beheer, is verhoogd, zodat wij eventuele nieuwe onregelmatigheden in een veel vroegtijdiger stadium constateren en dat die meteen kunnen worden aangepakt, als zij aan het licht komen. De directeur van het FES zal dit monitoren en periodiek rapporteren aan de leiding van het departement.

Ik zal een ander voorbeeld noemen dat volgens mij niet in het Rekenkamerrapport stond. Het gaat continu om de evaluatie en de rapportage. De heer Ziengs weet dat ikzelf degene was die de anderen uit de departementen heeft aangezet tot het sneller betalen van rekeningen, zeker ook om een klein bedrijf daarop niet onnodig lang te laten wachten. De overheid scoorde daarop namelijk niet geweldig. Ik heb de limiet van dertig dagen ingezet en gezegd dat ik daarover gerapporteerd wil worden. In eerste instantie bleek dat het ministerie van EL&I slecht scoorde in vergelijking met de andere departementen. De heer Ziengs kan zich voorstellen dat ik dat niet leuk vond. Ik had immers eerst alle andere ministeries erop aangesproken dat zij nu eens moesten gaan betalen, terwijl wijzelf onderaan stonden in de rij. Ik heb toen dus een maandelijkse rapportage ingevoerd. Inmiddels zitten wij ver boven 95%. Dat geeft aan dat je als je de evaluatie, het toezicht en de maandelijkse rapportage krijgt, snel kunt ingrijpen om het verbetertraject in gang te zetten. Ik ben het dus volledig met de heer Ziengs eens. Als er onvolkomenheden worden geconstateerd, geven die je de kans om een verbetertraject in gang te zetten.

De heer Ziengs (VVD): Natuurlijk weet de minister op dit moment al die prachtige zaken te benoemen waarbij stevig wordt ingezet op verbetering van het proces. Ik ben echter iets dieper ingegaan op de fouten, met name bij het aanbesteden door Agentschap NL.

Minister Verhagen: Ik zal op de verschillende elementen ingaan, maar dit was nog even de koepel.

De heer Ziengs (VVD): Ik begrijp dat het de koepel was, maar ik zoom er nog even wat dieper op in, want ik wil daarop nog wel graag een antwoord.

Minister Verhagen: Dat is terecht, absoluut. De drie onvolkomenheden die de heer Ziengs al heeft besproken met staatssecretaris Bleker, laat ik even voor zijn rekening. Ik zal nu even de drie onvolkomenheden langsgaan die specifiek in mijn portefeuille zitten en waarvoor de heer Ziengs terecht aandacht heeft gevraagd, met name de onvolkomenheid bij de Europese aanbestedingsregels bij Agentschap NL. Daarnaar keken de heer Ziengs en de heer Van Vliet terecht kritisch. De naleving van de aanbestedingsregels is inderdaad een absoluut noodzakelijk verbeterpunt. Dat ben ik helemaal met de heer Ziengs eens. Daaraan is in 2011 hard gewerkt door de positionering van een inkoopexpertisecentrum en een betere interne communicatie ten aanzien van de inkoopregels. Dit is immers een onvolkomenheid die al een aantal jaren terugkomt. Daar verwees de heer Ziengs ook naar. Daarom hebben wij dat inkoopexpertisecentrum opgericht en de interne communicatie verbeterd. De Rekenkamer onderkent dat wij op de goede weg zijn en dat het aantal fouten in 2011 fors is afgenomen. In vergelijking met het jaar daarvoor is het bedrag dat daarmee gemoeid is afgenomen tot zo’n 0,7 mln. aan onzekerheid over goede naleving. Ik ben het echter helemaal met de heer Ziengs eens dat wij er nog niet zijn.

Wij spreken met de Kamer over aanbestedingen en de Europese aanbestedingsregels. De heer Ziengs vroeg terecht aandacht voor de positie van het midden- en kleinbedrijf bij het laatste debat. Op dit punt hoor je niet alleen bij het betalen van de rekeningen maar ook bij aanbestedingen goed te presteren. Wij gaan het contractregister dus optimaliseren, inkoopanalyses uitvoeren om daardoor sneller informatie te krijgen, de interne voorlichting versterken en aanvullende controles uitvoeren. Wij zijn ervan overtuigd dat wij hierop op die manier, in aanvulling op de maatregelen die wij in 2011 hebben genomen, de volgende keer nog beter scoren.

Verder stond de heer Ziengs stil bij de onvolkomenheid met betrekking tot de informatiebeveiliging van het kerndepartement. Er is inderdaad met name bij de integratie van de ICT-organisaties van de ministeries van het oude LNV en EZ te beperkt aandacht geweest voor het actualiseren van het informatiebeveiligingsbeleid. Dat heeft overigens gelukkig niet tot incidenten geleid, maar wij kunnen ons op dit punt geen risico’s veroorloven. Dit jaar wordt de organisatie voor informatiebeveiliging opnieuw ingericht en het beleid geharmoniseerd, zodat er totaal geen onderscheid is tussen oud-EZ en oud-LNV. Wij zijn daarop dus zeer alert.

De heer Ziengs stond verder stil bij de onvolkomenheid die geconstateerd is bij het toezicht op de voorraadvorming van aardolieproducten, het COVA. De Rekenkamer merkt op dat ambtenaren van het ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie toezicht houden op het COVA en dat er tegelijkertijd ook ambtenaren zijn van EL&I die deel uitmaken van het bestuur. Dat is niet in lijn met het toezichtkader, omdat hiermee de onafhankelijkheid in het geding zou zijn. Ik ben het eens met de Rekenkamer en met de heer Ziengs dat de huidige inrichting zich niet verhoudt tot de eigen uitgangspunten van het ministerie voor toezicht op externe organisaties. Ik heb dan ook opdracht gegeven om de betrokkenheid inzake opdrachtgeverschap, toezicht en uitvoering bij het COVA opnieuw te bezien. Er zal dus een andere vorm voor gevonden worden. Ik zal de Kamer ervan op de hoogte stellen hoe wij dat precies zullen doen, zodat het in lijn is met onze eigen uitgangspunten voor toezicht.

De heer Ziengs vroeg hoe ik het belang beoordeel dat de Algemene Rekenkamer in het kader van de FES-uitgaven hecht aan een sluitende verantwoordings- en controlecyclus. Ik deel het belang dat de Rekenkamer hecht aan een goede verantwoording. Met betrekking tot de afwikkeling van het FES is eind 2010 door het kabinet besloten – dit was tegelijkertijd met de uitvoering van de overeenkomst die wij gesloten hadden in het regeerakkoord – dat wij dit vanaf 2011 niet langer separaat maar via de reguliere jaarverslaggeving van de ministeries verantwoorden aan de Kamer. Alle lopende FES-projecten zijn toen budgettair via de suppletoire begroting, de suppletoire wetten, overgeheveld van het FES-fonds naar de begrotingen van de verantwoordelijke departementen. Dat is de Kamer gemeld. Wij hebben het opgeheven, of althans de voeding gestopt. Toen hebben wij gezegd dat de middelen die er nog in zitten naar het betreffende departement gaan. Middelen voor bijvoorbeeld Onderwijs gaan nu naar Onderwijs en I en M krijgt de middelen voor I en M. Die komen dus bij het betreffende ministerie op de begroting. Het jaarverslag van het FES voor 2010 is goedgekeurd door de Kamer, inclusief de verantwoording die daarover toen is afgelegd. De wettelijke controle en verantwoordingscyclus uit de Comptabiliteitswet met betrekking tot de rechtmatigheid van de uitgaven zijn dus in zijn geheel sluitend. Wat mij betreft is de afwikkeling hiervan dus wel correct afgerond. De verantwoording van de delen op de EZ-begroting staat in ons jaarverslag.

De heer Ziengs vroeg mij om het totaaloverzicht, maar wij hebben in overeenstemming met de Kamer besloten om daarmee te stoppen. Alles wat nog rest van Onderwijs en Infrastructuur en Milieu gaat dus naar de respectieve begrotingen. De Kamer is dus wel degelijk geïnformeerd over voormalige FES-projecten, maar deze zijn verantwoord in de departementale begrotingen. Om dat te benadrukken heb ik eind 2010 en medio 2011 met de minister van Financiën ook de collega-ministers zeer nadrukkelijk gewezen op hun plicht om de FES-projecten te verantwoorden die nog met die middelen vanuit hun eigen begroting werden uitgegeven. Als de heer Ziengs vragen heeft over specifieke FES-projecten, is het kabinet natuurlijk altijd bereid om die informatie te verstrekken. Ik stel echter voor dat hij dan rechtstreeks informatie opvraagt bij de betreffende ministeries, omdat zij de plicht hebben om die te verstrekken. Als het niet klopt, wil ik uiteraard ook postillon zijn voor collega’s.

De heer Ziengs (VVD): Ik hoef daarover geen nadere uitleg. Het is volstrekt duidelijk. Ik begrijp net van mijn collega Van Vliet dat het ministerie van Financiën dit inderdaad ook bekend heeft gemaakt.

Minister Verhagen: De heer Ziengs vroeg verder om een nadere toelichting op de rol van het Europees Investeringfonds (EIF) bij de ophoging van het garantiefonds voor het mkb. Dat hebben wij verhoogd van 700 mln. naar 1 mld. Overigens heb ik dat recentelijk voor het komende jaar ook gedaan. Daar komt dus opeens 300 mln. bij, zeg ik tegen de rapporteur. Ik geloof dat dit in goede overeenstemming was met de Kamer. Voor de borgstellingsregeling voor het mkb staat 700 mln., omdat wij niet meer middelen hebben. Tegelijkertijd gaat het met het midden- en kleinbedrijf, en met name met het kleinbedrijf, buitengewoon moeizaam. Wij hebben vaak genoeg gesproken over de kredietverlening. Omdat dit in toenemende mate moeizaam gaat, proberen wij door de borgstelling zeker te stellen dat een klein bedrijf een krediet kan krijgen bij een bank. Als ik mogelijkheden zie om die bijdrage te verhogen – het budget knelt namelijk steeds meer – ben ik daar uiteraard blij mee. In dit geval kan dit via het Europees Investeringsfonds. Ondanks het feit dat dit niet begroot was, zal ik daarvoor graag 300 mln. bijplussen. Dankzij de bijdrage van het Europees Investeringsfonds hebben wij dit kunnen doen en hebben wij het ook voor de komende twee jaar kunnen opplussen naar 1 mld. Daar zit een aantal voordelen aan vast. Door die budgetverhoging kunnen meer bedrijven krediet krijgen via de borgstelling van de overheid.

Het betekent overigens ook dat we de komende twee jaar meer provisies binnenkrijgen, want bedrijven betalen een extra risicoprovisie voor de borgstelling die de overheid levert. De additionele inkomsten zijn natuurlijk welkom, omdat de schade als gevolg van faillissementen vanwege de economische conjunctuur bij de BMKB-regeling iets hoger is dan wij gehoopt hadden. Als een bedrijf failliet gaat, ben je het geld kwijt. Als er nu extra inkomsten komen door de risicoprovisie, dan zijn die dus welkom. Het EIF dekt een deel van de verliezen op de additionele garantieruimte af. Die verliezen zullen in de regel dus optreden in latere jaren. Hoe additionele inkomsten en verliezen zich in de komende jaren precies zullen ontwikkelen, hangt naast het feitelijke gebruik van de regeling ook een beetje af van de ontwikkeling van de conjunctuur. Ik vond de deal met het EIF zowel voor de Staat als zeker ook voor ondernemend Nederland buitengewoon aantrekkelijk. Vandaar dat ik het gedaan heb.

De heer Ziengs (VVD): De toelichting is duidelijk, maar mijn vraag was of ik meer inzicht kon krijgen in de rol van het Europees Investeringsfonds bij het dragen van de verliezen. Ik doel dan op de bepaalde limieten voor het dragen van risico.

Minister Verhagen: Een deel van de verliezen wordt afgedekt. Ik zal de heer Ziengs het exacte deel doen toekomen. Het gaat met name om de additionele delen. Het EIF is niet betrokken bij de 700 mln. die ik op mijn begroting heb staan, maar het gaat om de ophoging van 300 mln. Over de vraag wat exact de verdeling is tussen wat wij afdekken en wat het EIF doet, zal ik de heer Ziengs nog informeren.

De heer Ziengs wees op de bijeenkomst voor credits die vanmiddag is geweest en waaraan de heer Koppejan en de heer Ziengs hebben deelgenomen. Ook wees hij op het gat tussen € 50 000 en € 52 000 bij het verkrijgen van een krediet. Ik heb gehoord van de buitengewoon positieve bijeenkomst over de oprichting van de kredietunies. Daarbij waren zij niet alleen als Kamerlid aanwezig, maar zij hebben daartoe ook het initiatief genomen. Ook de heer Koppejan was daarbij zeer nauw betrokken. Er waren ook mensen bij van het ministerie. Ik vond het niet gepast om er zelf ook bij te zijn, niet omdat ik het initiatief van de leden niet toejuich, maar ik wilde hen de credits geven voor deze nieuwe credits. Deze Kamerleden hebben zich daarvoor per slot van rekening zeer hard ingezet.

Ook geef ik een opstartsubsidie. Verder zal ik de BMKB-regeling openstellen voor de kredietunies. Dit was vroeger voorbehouden aan banken, maar nu stel ik de BMKB-regeling daarvoor ook open om dit initiatief te stimuleren. Overigens heb ik de credits eerder al de mogelijkheid gegeven om kredieten te verlenen die hoger zijn dan vroeger. Wij zaten op € 35 000 en ik heb dat verhoogd naar € 50 000. Daarvan is echter nog heel beperkt gebruik gemaakt. Het kan zijn dat dit komt omdat er behoefte is aan nog meer geld, zoals de heer Ziengs zegt. Tot nu toe is echter het gemiddelde krediet dat via credits loopt, zo’n € 17 000. Dat ligt er dus ver onder.

De heer Ziengs (VVD): Wat de minister zegt, klopt volledig. Ik doelde alleen op de mogelijkheid dat wij dat beschouwen als credits 1 en dat wij iets anders gaan optuigen als credits 2, die zich op die doelgroep richt. De methodiek die voor credits is ontwikkeld en de keuzes om kredieten te verlenen, zijn van een dusdanige kwaliteit dat de banken daaraan veel waarde hechten. De doelgroep tot € 250 000 kun je daarmee misschien beter bedienen. Credits acht zichzelf daartoe in staat. Het zou een mooie aanvulling zijn naast de kredietunies. Het zou goed zijn te bekijken of het ook op die manier kan worden opgetuigd. Daarop was mijn vraag gericht.

Minister Verhagen: Er spelen twee dingen. Ik ben het met de heer Ziengs eens. Ik vind het zorgelijk dat er een dalende tendens is voor het aantal kredieten onder € 250 000. Ik deel zijn zorgen op dat punt. Je moet niet een alternatief voor het traditionele bancaire kanaal maken met credits, maar ik wil wel kijken naar de rol die het kan spelen, of dat nu een credits 2 is of niet. Ik wil daar weleens naar kijken. Ik kan mij ook voorstellen dat credits een rol kan spelen bij de opschaling en support door de kredietunies. Dan kun je volgens mij een deel van dit probleem oplossen. Wij hebben op 28 juni een algemeen overleg over de regeldruk. Daarbij is ook financiering geagendeerd. Ik zal dit thema voor 28 juni wat nader proberen uit te werken. Ik zal het voorafgaand aan dat AO aan de Kamer sturen en dan kunnen wij het bespreken. Is dat een goede suggestie?

De voorzitter: Dat noteren wij als toezegging.

Minister Verhagen: Prima.

Voorzitter. De heer Van Vliet gaf een compliment voor het verminderen van het percentage van de inhuur van externen en vroeg met name aandacht voor de loonkosten. Los van het feit dat ambtenaren blijkbaar onderbetaald worden, al jaren lang op de nullijn zitten, net als de komende jaren, zal ik niet langs deze weg antwoorden. In de gemiddelde loonkosten voor inhuur zit een opslag voor flexibiliteit die moet worden afgekocht. Ook zit daarin nog een opslag voor specifieke, duurdere expertise die bijvoorbeeld een agentschap zelf niet structureel in huis hoeft te hebben en dus ook niet heeft. Anders zou je een vanwege zijn expertise heel dure werknemer in vaste dienst moeten nemen, terwijl je zijn expertise niet altijd nodig hebt. Je kunt dan bij wijze van spreken volstaan met iemand met schaal 9, terwijl je iemand met schaal 15 moet inhuren, omdat je zijn expertise wilt hebben. Je hebt hem dan langjarig in dienst, terwijl je hem niet continu nodig hebt. Het is logisch dat een inhuurkracht gemiddeld iets duurder is dan een ambtelijke fte vanwege deze twee elementen, namelijk de afkoopopslag van de flexibiliteit en de specifieke kennis die niet langdurig en continu nodig is.

Dan kom ik op het democratisch deficit. Subsidies en bedragen liggen langjarig vast. Bij innovatie ligt 76% vast. Wat is dan nog het budgetrecht? Ik kan mij voorstellen dat je daarmee als Kamerlid buitengewoon ongelukkig bent. Ook als minister ben ik dat soms. Toen ik aantrad, vroeg ik wat de vrije ruimte was. Ik kreeg toen te horen: niets. Ik zei: ik dacht dat ik nieuw beleid ging voeren! Ik kwam met veel enthousiasme binnen en wilde allerlei dingen veranderen, maar alles bleek langjarig vastgelegd. Daarover heb ik altijd langdurige discussies met de directeur FES. Iedere keer vraag ik weer wat de vrije ruimte is. Ik kan mij de zorgen dus enigszins voorstellen. Ik bekijk het even van de andere kant. Recentelijk, namelijk 2 april jongstleden, heb ik de innovatiecontracten getekend. Dat was voor twee jaar. Wat komt daarop voor kritiek uit het bedrijfsleven? «Waarom is het maar voor twee jaar? Wij moeten langjarige investeringen doen. Mijnheer Verhagen, hoe kunt u ons een zo beperkte zekerheid geven? Als wij zo’n investering moeten doen, willen wij ook zeker weten dat dit kan.» Vandaar ook al het gelobby bij de politieke partijen om hiervoor aandacht te krijgen in de verkiezingsprogramma’s. Dat is dus gewoon een dilemma.

De heer Van Vliet stelt voor om jaarlijks de mogelijkheid te hebben om de juridische verplichtingen te herroepen. Daarop komt het eigenlijk neer. Dat zou betekenen dat een ondernemer die een subsidiebeschikking ontvangt maar moet afwachten wat de Kamer volgend jaar besluit en of hij die dan nog krijgt. Dan zal de ondernemer helemaal niet investeren, want hij doet dit met de verwachting dat de subsidie langjarig is. Ik heb ook debatten gevoerd met de Kamer over energiebeleid. De Kamer vraagt dan waarom er niet in duurzame energie wordt geïnvesteerd door de bedrijven. Dat komt omdat het beleid hier iedere dag wisselt. Wij hadden MEP, SDE, de SDE-plusregeling enzovoorts. Ook daar is dan weer een meerderheid van de Kamer tegen. Dat is een feit. Meent de heer Van Vliet dat één ondernemer dan gaat investeren? No way, dat doen zij niet. Los van de rechtszekerheid, die in het geding zou zijn, is het voor ondernemend Nederland de dood in de pot, als wij dit ieder jaar zouden vaststellen. Ik kan mij echter de frustratie van de Kamer heel goed voorstellen vanuit het perspectief van budgetverantwoordelijkheid van de Kamer of vanuit het perspectief van een nieuwe minister die het beleid wil veranderen. Er bestaat dus een dilemma, een discrepantie tussen wens en gedachte.

De heer Van Vliet (PVV): Ik hoor de argumenten van de minister. Wij moeten echter wel goed blijven beseffen dat het hoe dan ook om publieke middelen gaat. Het gaat om belastinggeld. Dit wordt via het ministerie van EL&I doorgesluisd naar bepaalde ontvangers. Het valt mij op, ook in het jaarverslag, dat het kopje budgetflexibiliteit bij de budgettaire consequenties van het beleid een vaste plek heeft. Je ziet heel vaak dat er van alles langjarig vastligt. Ik kan mij absoluut voorstellen dat de subsidieontvangers vaak zekerheid willen. Aan de andere kant van het spectrum hebben belastingbetalers en de volksvertegenwoordiging graag de optimale verantwoording. Ik begrijp heel goed dat je ergens in dat spanningsveld je evenwicht moet vinden. Ik hoop dat de minister het met mij eens is dat wij, omdat het om publieke middelen gaat, er op zijn minst naar moeten streven en naar manieren moeten zoeken om de budgetflexibiliteit te maximaliseren.

Minister Verhagen: In zijn algemeenheid ben ik het daarmee eens. Ik wijs de heer Van Vliet echter op een tweede element. Als wij de afspraak maken om ons langjarig op iets vast te leggen, weet de heer Van Vliet dat het kabinet dat doet. Ik teken bijvoorbeeld een innovatiecontract voor twee jaar. Zelfs als ik dat voor vijf jaar zou doen, moet ik de heer Van Vliet dat melden. Dan weet hij dat hij zichzelf ook langjarig vastlegt, als hij daar ja op zegt. Op dat moment kan de Kamer zeggen of zij het daar al dan niet mee eens is. Dat is het tweede element waarmee de Kamer dus wel degelijk controlerende bevoegdheid heeft. Dat komt niet geheel door een wisselende samenstelling van de Kamer na verkiezingen, maar laten wij ook gewoon eens streven naar een vierjarige zittingstermijn.

Ik heb inmiddels wat meer informatie over de vraag van de heer Ziengs over het EIF. Het EIF heeft 12 mln. beschikbaar gesteld voor de afdekking van verliezen. Dit is uiteraard afhankelijk van het feitelijk gebruik. Als de verliezen minder zijn, is het bedrag dat het EIF voor zijn rekening neemt dus minder. Op basis van ervaringscijfers hebben wij met Financiën berekend dat wij het garantieplafond door de afdekking van 12 mln. met 300 mln. kunnen ophogen. Is deze informatie afdoende?

De heer Ziengs (VVD): Die is afdoende, want ik zag dat er kennelijk ook 40 mln. extra wordt toegevoegd voor de afdekking vanuit de eigen middelen. Het staat dus in verhouding tot elkaar.

Minister Verhagen: Ja, dat klopt.

Voorzitter. Mij resten de vragen van de rapporteur. Hij vroeg of de beleidsdoorlichtingen tussen wal en schip dreigen te vallen en of zij doorgaan met name vanwege de effecten van het beleid. Het antwoord daarop is: ja. Zij vallen niet tussen wal en schip maar zij gaan door. In de begroting voor 2013 is de meerjarenplanning beleidsdoorlichtingen ongewijzigd ten opzichte van de begroting voor 2012. In 2013 hebben wij een doorlichting ten aanzien van de doelmatige en duurzame energievoorziening op basis van artikel 14. In 2014 hebben wij de doorlichting ten aanzien van een excellent ondernemersklimaat op basis van artikel 13. Verder hebben wij in 2014 de doorlichting ten aanzien van een sterke internationale concurrentiepositie op basis van artikel 15. In 2015 hebben wij de doorlichting ten aanzien van de goed functionerende economie en markten op basis van artikel 11. Ook hebben wij in 2015 de doorlichting ten aanzien van een sterk innovatievermogen op basis van artikel 12. In de komende drie jaar worden dus het gehele domein van economie en innovatie doorgelicht. Uiteraard geldt daarbij het voorbehoud dat een nieuw kabinet altijd iets anders kan bepalen, maar het kan dat pas na goedkeuring van de Kamer doen. Er is dus een voorziening getroffen om aan de terechte wens van de rapporteur tegemoet te komen. Daarmee ben ik gekomen aan het einde van de aan mij gestelde vragen.

De voorzitter: Daarvoor dank ik u hartelijk. Wij hanteren niet echt een spreektijd, maar ik vraag de leden om zich enigermate in te houden in tweede termijn en die zeker niet langer dan vijf minuten te laten zijn per fractie.

De heer Koopmans (CDA): Voorzitter. Ik dank de minister voor de beantwoording. Hoewel wij allemaal toe zijn aan het komende feestje, dat hopelijk zal plaatsvinden, is de minister in dit overleg ook een feestje aan het vieren. Dat is het feestje van de verminderde externe inhuur. Ik weet niet helemaal zeker of ik dat misschien ga verpesten. Ik ben namelijk ook rapporteur geweest voor het landbouwdeel. Omdat ik benieuwd ben, heb ik de geachte medewerker van het BOR mijn inbreng laten halen over het landbouwdeel. Het probleem zit hem in het volgende. Er wordt gerapporteerd dat het in- en exclusief de flexibele schil en ook in- en exclusief de Dienst Regelingen is. Ik vraag de minister om gewoon één getal te rapporteren, want voor je het weet, gebruikt iemand het om ermee te spelen. Dat zal nooit de bedoeling zijn en dat is zeker niet de bedoeling van de Kamer. Wat is er namelijk aan de hand? Alleen al op pag. 169 zie ik een stijging van de uitgaven voor personeel en materieel van de Dienst Regelingen van 44 mln. ten opzichte van twee jaar van de begroting. In het debat met de staatssecretaris hebben wij daaruit de conclusie getrokken dat dit voor bijna 35 mln. te wijten is aan extra externe inhuur. Er staat letterlijk op pag. 186 in het jaarverslag dat dit voor de NVWA 15 mln. was. Ik pak deze twee extra getallen en zet die bij de getallen uit de reeks van minister Verhagen. Dat kan niet kloppen. Wij dienen dan geen feestje te vieren over 8,7%, tenminste als alle gegevens zoals wij ze lezen, correct zijn.

De voorzitter: Mochten de leden plannen hebben om moties in te dienen, moeten zij dat in deze termijn meenemen. Ik weet niet of dat aan de orde is, maar ik zeg het voor de zekerheid.

De heer Ziengs (VVD): Voorzitter. Allereerst meld ik dat ik niet voornemens ben namens de VVD moties in te dienen. Ik merkte dat de minister direct behoorlijk aangeslagen was door mijn kritische toon en daardoor heel diep op de materie is ingegaan en een duidelijke uitleg heeft gegeven. Er waren weliswaar wat aanvullende vragen nodig, maar ik kan hierbij meedelen dat de beantwoording zodanig is geweest dat ik daarmee zeer content ben. Ik zal dat melden aan mijn fractie.

De heer Van Vliet (PVV): Voorzitter. Ik dank de minister voor de beantwoording van de vragen. Behalve de dechargeverlening vond ik de budgetflexibiliteit het belangrijkste. Daarom dien ik de volgende motie in om er zeker van te zijn dat de minister en ik elkaar goed begrijpen.

*Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat het budgetrecht van de Tweede Kamer tot de belangrijkste rechten van het parlement behoort;

overwegende dat veel subsidies en exploitatiebijdragen door de rijksoverheid voor langere periodes worden toegekend;

constaterende dat hierdoor vaak geen mogelijkheid bestaat tussentijds een subsidie of bijdrage stop te zetten of aan te passen en de budgetflexibiliteit dus sterk wordt beperkt;

constaterende dat dit afbreuk doet aan het budgetrecht van de Tweede Kamer;

verzoekt de regering om er bij toekomstige toekenning van subsidies en exploitatiebijdragen naar te streven de budgetflexibiliteit te verhogen en ervoor te zorgen dat de Tweede Kamer haar budgetrecht volledig kan gebruiken,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter: Deze motie is voorgesteld door het lid Van Vliet. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 14 (33 240-XIII).

De heer Koppejan (CDA): Voorzitter. Ook ik dank de minister voor zijn uitgebreide beantwoording. Die was wat de CDA-fractie betreft prima. Ook dank ik de minister voor de toezegging met betrekking tot de kredietunies. Daarop komen wij nog terug in het AO over regeldruk.

De voorzitter: Mevrouw Dijksma zal nu natuurlijk haar antwoord geven over de decharge. Daarover hield zij zo-even een slag om de arm.

Mevrouw Dijksma (PvdA): Voorzitter. Wij hebben even virtueel ruggespraak gehouden. Ik kan meedelen dat het heuglijke feit daar is dat wij de minister decharge verlenen, nadat hij heeft toegezegd dat hij volgend jaar ook de bijdrage van het bedrijfsleven aan zijn topsectorenbeleid in beeld zal brengen. Daarvoor dank ik hem dus.

Ik zal mijn fractie adviseren om niet voor de motie van de heer Van Vliet te stemmen, omdat ik het argument van de minister heel reëel vind. Ik kan ook een beetje meespreken vanuit de andere kant. De minister zei dat het grootste probleem voor derden, als zij te maken hebben met de overheid, haar latente onbetrouwbaarheid is in die zin dat er voortdurend wordt geflipflopt met beslissingen. Ik hecht zeer aan het budgetrecht van de Kamer. Je moet op een gegeven moment heldere taal spreken tegen je partners. Dan weet de heer Van Vliet dat alvast. Hierbij laat ik het, want mijn fractie heeft geen behoefte aan het indienen van een motie.

De heer Koopmans (CDA): Ik heb beide wetgevingsoverleggen bijgewoond. Er is een motie-Jacobi waarin staat dat er geen decharge moet worden verleend, mits ... Ik ga ervan uit dat de opmerkingen van mevrouw Dijksma gaan over het deel Economische Zaken.

Mevrouw Dijksma (PvdA): De agenda is duidelijk. Vandaag gaat het over het deel van Economie en Innovatie, niet over hetgeen waarover de heer Koopmans met mijn collega Jacobi heeft gesproken. Zijn kritische bijdrage ging voor een deel over de uitgaven voor natuur en dergelijke. Daarover moeten wij volstrekt helder zijn. Het gaat om de portefeuille van de minister.

De heer Koopmans (CDA): Het is goed dat dit ook aan de kant waar de medewerkers van het ministerie zitten, zo begrepen wordt. Anders denken de medewerkers van de staatssecretaris dat het allemaal niet meer hoeft.

Mevrouw Dijksma (PvdA): Nee, die moeten niet achterover gaan zitten.

De heer Van Vliet (PVV): Ik heb een korte reactie op mevrouw Dijksma. Ik heb mijn motie zo vriendelijk mogelijk geformuleerd, ook naar de minister toe. Ik hoop wel dat zij de motie nog een keer serieus wil lezen.

De voorzitter: Dat heeft zij misschien al wel gedaan, wie weet.

Minister Verhagen: Voorzitter. De heer Koopmans kan gerust zijn. Ondanks de buitengewoon vriendelijke woorden van mevrouw Dijksma ten aanzien van de door mij verstrekte informatie en afgelegde verantwoording, had ik geenszins de indruk dat daarmee de toezeggingen van de staatssecretaris overbodig geworden waren. De heer Koopmans kent mij langer dan vandaag. Hij weet natuurlijk dat ik enige flexibiliteit zou willen gebruiken. Ik neem dit gewoon serieus. Ik zou dat dus niet wagen.

Ten aanzien van het feestje over de verminderde externe inhuur dat de heer Koopmans dreigde te verstoren, moet ik hem teleurstellen. De cijfers en de percentages genoemd in het jaarverslag kloppen. De verhogingen die vermeld zijn in het jaarverslag bij de Dienst Regelingen en de Nederlandse Voedsel en Waren Autoriteit, zijn niet uitsluitend voor externe inhuur. Ik zal de Kamer een overzicht geven van het gehele departement en nadere informatie geven. De heer Koopmans zal dan niet bij zijn huidige opvatting blijven dat er toch meer externe inhuur is dan het door ons vermelde percentage. Ik zal hem de informatie naderhand nog even doen toekomen.

Ik dank de Kamerleden uiteraard voor hun opmerkingen in tweede termijn en voor hun waardering. Dan kom ik op de motie van de heer Van Vliet. Op zich sta ik sympathiek tegenover het mogelijk maken van het volwaardig invullen van het budgetrecht. Dat heb ik ook al in eerste instantie gezegd. De heer Van Vliet heeft er volkomen gelijk in dat hij daarvoor aandacht vraagt. Ik geloof ook niet dat er een verschil van mening is tussen mevrouw Dijksma en hem. Daar zit het probleem niet. De heer Van Vliet heeft gelijk dat hij de motie zo vriendelijk mogelijk heeft proberen te verwoorden. Op zich vind ik de motie dus sympathiek, maar het grootste probleem zit hem in het woord «verhogen». Als de heer Van Vliet zou verzoeken om de budgetflexibiliteit maximaal in te vullen, zodat het budgetrecht volledig kan worden gebruikt, zou ik er al iets minder moeite mee hebben.

De heer Van Vliet moet zich voorstellen waarmee wij alleen al het afgelopen jaar te maken hebben gehad. In wezen hebben wij door de afspraken die wij in het regeerakkoord hebben gemaakt, 1 mld. minder aan subsidies. De budgetruimte is überhaupt al niet zo groot en dan wordt er ook nog eens 1 mld. weggesneden. De flexibiliteit ten aanzien van de rest is dus niet zo idioot groot. Er zijn niet zoveel posten waarmee je veel kunt doen als je op een verantwoorde wijze wilt omgaan met de krimpende budgetten. Ik vrees dat dit in de komende periode niet beter wordt, gezien de afspraken in het Lenteakkoord, de verwachtingen die wij hebben ten aanzien van de formatie en de doelstellingen die door de verschillende partijen in de Kamer zijn verwoord. Ik geloof dat de partij van de heer Van Vliet daarmee de minste problemen heeft. Ik vrees dat een komend kabinet eerder te maken zal krijgen met een krimpend budget dan met een stijgend budget. Dat maakt de mogelijkheid om dit ook nog eens te gaan verhogen kleiner.

De heer Van Vliet (PVV): Ik hoor de minister en de collega’s. Ik zie dat in. Ik zal mijn motie wijzigen. Dan zal er komen te staan dat ik de regering verzoek om de budgetflexibiliteit maximaal in te vullen en er zodoende voor te zorgen dat de Tweede Kamer haar budgetrecht volledig kan invullen. Ik stuur de gewijzigde motie zo snel mogelijk rond.

De voorzitter: Wat is het oordeel van de minister over deze gewijzigde motie?

Minister Verhagen: Aangezien de Kamer gaat over haar eigen budgetrecht, laat ik het oordeel over de motie aan de Kamer.

De voorzitter: Er zijn een paar toezeggingen gedaan.

  • De minister zal de Kamer ten aanzien van een aantal vragen van de rapporteur voor 1 juli aanstaande nader schriftelijk informatie verschaffen, inclusief een overzicht van externe inhuur voor het gehele ministerie.

  • De minister zal de Kamer informeren over de wijze waarop hij het toezicht op het COVA vorm zal geven.

  • De minister zal de Kamer ten behoeve van het algemeen overleg Regeldruk en ondernemen op 28 juni aanstaande nader informeren over kredietverlening aan het midden- en kleinbedrijf en de rol daarbij van credits en kredietunies.

Sluiting 20.10 uur.

Naar boven