Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2013-201433043 nr. 31

33 043 Groene economische groei in Nederland (Green Deal)

Nr. 31 BRIEF VAN DE MINISTER VAN ECONOMISCHE ZAKEN EN STAATSSECRETARIS VAN INFRASTRUCTUUR EN MILIEU

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 3 juni 2014

Op 7 oktober jl. heeft het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) het signalenrapport «Vergroenen en verdienen, op zoek naar kansen voor de Nederlandse economie» uitgebracht. Het rapport richt zich op het raakvlak tussen vergroening en concurrentiekracht en de kansen die vergroening biedt. Het rapport geeft aan dat Nederland mede door zijn sectorstructuur achterblijft op het terrein van vergroening ten opzichte van Duitsland, Denemarken en het Verenigd Koninkrijk: landen net als Nederland met open, competitieve economieën waar kennis en innovatie een belangrijke basis vormen voor economische groei. Het rapport pleit voor een actievere rol van de overheid in het stimuleren van groene innovatie. In het rapport zijn signalen uit bedrijfsleven, wetenschap en maatschappelijke ontwikkelingen bij elkaar gebracht, resulterend in een aantal beleidsaanbevelingen.

Kabinetsreactie

Het kabinet dankt het PBL voor zijn signalenrapport «Vergroenen en verdienen». Het kabinet herkent de signalen die het PBL schetst. Vergroening van de economie is noodzakelijk om het verdienvermogen van Nederland voor de langere termijn zeker te stellen, om de druk op het milieu te reduceren en om onze afhankelijkheid van fossiele energie te verminderen. In vergelijking met andere landen kent de Nederlandse export een relatief groot aandeel producten en activiteiten die veel energie en materialen gebruiken. Het PBL signaleert dat enkele andere West-Europese landen al verder zijn met de omslag naar een groene economie dan Nederland. Een aantal sectoren zet ook in Nederland stevig in op vergroening (bijvoorbeeld voeding en afval), maar er zijn ook sectoren waar vergroening achterblijft. Volgens het PBL schaadt dat de toekomstige concurrentiepositie van Nederland.

Zoals het PBL terecht opmerkt, kan Nederland kansen benutten door slim gebruik te maken van zijn innovatieve kracht, zijn sterke sectoren en zijn goede exportpositie. Groene concurrentiekracht wordt immers in belangrijke mate bepaald door bestaande sterktes, vaardigheden en productiepatronen binnen de economie. Bij de groene groeistrategie is het daarom belangrijk groene innovatie te verbinden met de sterke kanten van de Nederlandse economie. Bij de omschakeling naar schonere en efficiëntere productieprocessen en producten is samenwerking tussen bedrijven en tussen sectoren van belang, aangezien innovatie veelal ontstaat door kruisbestuiving. Het PBL noemt drie dwarsdoorsnijdende thema’s die sterk verbonden zijn met landbouw en industrie en mogelijkheden bieden voor uitbreiding van (groene) dienstverlening. Deze thema’s sluiten aan bij de domeinen die het kabinet heeft aangegeven in de kamerbrief Groene Groei1. Het zijn thema’s waarop Nederland een kansrijke positie heeft en die verschillende sectoren verbinden:

  • de biobased economy;

  • een duurzame gebouwde omgeving;

  • een circulaire economie.

Het kabinet pakt dit op. Samen met bedrijven, kennisinstellingen en maatschappelijke organisaties werkt het aan de ontwikkeling van agenda’s voor groene innovatie voor de verschillende sectoren, afgestemd op de mogelijkheden en uitdagingen van iedere sector.

Het PBL signaleert twee sporen voor succesvol ondernemerschap in de toekomst: groene innovatie en internationaal concurrentievermogen. Daarom doen bedrijven er volgens het PBL verstandig aan zich te richten op deze beide sporen. Het PBL noemt de voedings- en genotmiddelenindustrie als voorbeeld van een sector die een goede exportpositie combineert met een sterke positie op het gebied van groene innovatie. Hoewel innovatie en concurrentiekracht primair bij bedrijven vandaan komen, ziet het PBL ook terecht een rol voor de overheid: allereerst om marktprikkels goed te leggen en onnodige belemmeringen in regelgeving weg te nemen. Daarnaast is goed doordacht innovatiebeleid nodig om innovatie aan te jagen, om onzekerheden te beperken en om markten te ontwikkelen. Als netwerkpartner kan de overheid verbindingen helpen leggen en signaleren waar knelpunten liggen. Het PBL constateert dat het kabinet met zijn aanpak voor groene groei een stap in de goede richting zet. In de kabinetsaanpak staan marktprikkels, innovatie, regelgeving en de rol van de overheid als netwerkpartner genoemd als de pijlers van het kabinetsbeleid om te komen tot een samenhangende aanpak van groene groei. PBL noemt de green deals als voorbeeld van succesvol beleid om knelpunten weg te nemen. Het kabinet ziet voornoemde aanbevelingen dan ook als aanmoediging zijn aanpak zoals beschreven in de brief Groene Groei voort te zetten en aan te scherpen.

Het PBL ziet daarnaast ook mogelijkheden voor verbetering en stelt voor om groene innovatie leidend te laten zijn. Volgens het PBL kan dat zorgen voor meer massa voor kennisinvesteringen, meer aandacht voor uitdagers, aansluiting bij sterke regio’s, scherpe keuzes binnen het innovatiebeleid, geschikte financieringsarrangementen en experimenteerruimte. Het PBL roept het kabinet op duidelijker keuzes te maken. Deze oproep neemt het kabinet ter harte. Het kabinet werkt daartoe samen met het bedrijfsleven, kennisinstellingen en maatschappelijke organisaties aan een verdere concretisering van de weg naar vergroening van de economie. De invulling van deze concretisering verschilt per domein.

Het kabinet informeert de Kamer daarom regelmatig over de voortgang op domeinen uit het groene groei beleid. Zo ontving uw Kamer in januari de uitwerking van het programma Van afval naar grondstof2 en op 4 oktober jl. heeft het kabinet de «Klimaatagenda: weerbaar, welvarend en groen»3 gepubliceerd.

Het kabinet gebruikt de aanbevelingen van het PBL bij het versterken en uitwerken van zijn aanpak van groene groei. Zo zet het kabinet steviger in op crosssectorale samenwerking, gericht op slimme verbindingen en regionale samenwerking tussen het bedrijfsleven, onderzoek en overheid. Deze inzet is gericht op grote bedrijven, op mkb en op innovatieve startups om specifieke mogelijkheden te bieden voor participatie van uitdagers. Voorbeelden van deze crosssectorale samenwerking zijn: biobased economy (brede programmatische aanpak); agro (voedselproductie, energie, klimaat en chemie); bouw (duurzame gebouwde omgeving, energie en creatieve sector) en smart cities (energie, mobiliteit en ICT). Met deze crosssectorale aanpak wil het kabinet de aanpak van groene groei ook meer verbinden met het topsectoren- en innovatiebeleid.

Om succesvolle samenwerking in regionale clusters te versterken zoekt het kabinet de samenwerking met de provincies en bedrijfsnetwerken in bijvoorbeeld de brainport, mainports en greenports. Recentelijk is dit bijvoorbeeld al opgepakt in verschillende samenwerkingsverbanden met de provincies Noord-Brabant, Limburg en Groningen, waar door Rijk en provincies samen middelen zijn vrijgemaakt voor innovatie. Voor versterking van marktprikkels zoekt het kabinet naar verdere ontwikkeling van effectieve prikkels en naar mogelijkheden om de markt voor duurzame producten verder uit te bouwen. Het kabinet blijft daarnaast in samenwerking met bedrijven werken aan het wegnemen van belemmeringen voor groene groei bij wet- en regelgeving en subsidieregelingen. Via programma’s als de voorbereiding van de Omgevingswet, Regeldruk, Botsende Belangen en de Green Dealaanpak worden dergelijke belemmeringen geïdentificeerd en aangepakt en wordt er ruimte geboden aan experimenten. Ook met de modernisering van het milieubeleid creëert het kabinet actief ruimte voor bedrijfsleven, maatschappelijk initiatief en verschillende vormen van samenwerking, zowel binnen als buiten de Nederlandse landsgrenzen. Het beleid van dit kabinet draagt zo niet alleen bij aan een gezonder, duurzamer en aantrekkelijker Nederland, maar het ondersteunt ook de kracht en dynamiek van de Nederlandse economie doordat het bedrijven meer ruimte biedt om de kansen voor vergroening te grijpen.

Bij beprijzing heeft het kabinet oog voor het internationale perspectief. Internationaal afgestemde marktprikkels kunnen effectiever zijn doordat ze zorgen voor een meer gelijk speelveld en een eenduidiger signaal geven aan de markt. Voorbeelden van marktprikkels die bijdragen aan groene groei zijn de bestaande VAMIL en MIA. Deze richten zich meer op de circulaire economie en bij de vormgeving van de stortbelasting vanaf 2015 zal het bevorderen van de circulaire economie een belangrijke doelstelling zijn.

Het kabinet stimuleert het vergroten van transparantie in de keten. Zo werkt het kabinet in lijn met de Uitvoeringsagenda Natuurlijk Kapitaal met koplopers uit bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties aan afspraken over het incorporeren van niet-financiële gegevens (waaronder gegevens over milieu) in jaarverslagen of het inzichtelijk maken van externe kosten en baten van producten en diensten. Hierbij wordt zoveel mogelijk aangesloten bij lopende (internationale) initiatieven, zoals het Global Reporting Initiative en initiatieven rond True Pricing.

Bij internationale handel en hulp is inclusieve duurzame groei met aandacht voor de sociale, economische en milieudimensie voor het kabinet belangrijk. Zo zet het kabinet in op verduurzaming van handelsketens. Nederland loopt hierbij internationaal voorop, zoals blijkt uit het PBL rapport «Verduurzaming van Internationale Handelsketens». Het kabinet voert daarnaast de Sector Risico Analyse uit om het (internationaal) maatschappelijk verantwoord ondernemen te stimuleren, en het kabinet levert een actieve bijdrage aan het post 2015-proces gericht op de ontwikkeling van mondiale doelstellingen voor duurzaamheid na afloop van de «millennium development goals» in 2015.

Tot besluit

Nederland heeft een sterke uitgangspositie voor vergroening van de economie, met daarbij de nodige uitdagingen. Met de brief Groene Groei heeft het kabinet zijn aanpak beschreven. In nauwe samenwerking met bedrijfsleven, kennisinstellingen en maatschappelijke organisaties werkt het kabinet langs de lijnen die zijn uitgezet in de brief Groene Groei aan de verdere verduurzaming van de economie. Het kabinet richt zich bij de uitwerking van de brief Groene Groei op concrete activiteiten op de verschillende domeinen, Zoals hiervoor aangegeven ontvangt uw Kamer regelmatig informatie van het kabinet daarover. In het voorjaar 2015 zullen wij uw Kamer daarnaast een tussenbalans sturen met informatie over de bijdrage die vanuit de eerder genoemde pijlers wordt geleverd aan de uitwerking van de brief Groene Groei en over de hoofdlijnen van het beleid waarmee het kabinet de komende jaren verder invulling wil geven aan het beleid voor groene groei.

De Minister van Economische Zaken, H.G.J. Kamp

De Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, W.J. Mansveld


X Noot
1

Kamerstuk 33 043, nr. 14

X Noot
2

Kamerstuk 33 043, nr. 28

X Noot
3

Kamerstuk 32 813, nr. 70