Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2018-201932813 nr. 223

32 813 Kabinetsaanpak Klimaatbeleid

30 196 Duurzame ontwikkeling en beleid

Nr. 223 BRIEF VAN DE MINISTER VAN ECONOMISCHE ZAKEN EN KLIMAAT

Nr. 223 Brief van de Minister van Economische Zaken en Klimaat

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 9 oktober 2018

Vandaag heeft het gerechtshof uitspraak gedaan in het hoger beroep van de klimaatrechtszaak tussen Stichting Urgenda en de Staat der Nederlanden.

Het betrof het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank (d.d. 24 juni 2015), waarin de Staat werd opgedragen om de emissies van broeikasgassen in Nederland in 2020 met ten minste 25% te reduceren ten opzicht van het niveau in 1990 (zie ook Kamerstukken 301 96 en 34 582, nr. 503 en Kamerstuk 32 813, nr. 144).

Het gerechtshof heeft het vonnis van de rechtbank bekrachtigd. Volgens de meest recente inzichten van het Planbureau voor de Leefomgeving is het doel van 25% CO2-reductie in 2020 ten opzichte van 1990 binnen bereik. Hierover heeft het kabinet u op 19 oktober 2017 geïnformeerd (Kamerstuk 30 196, nr. 559). Het kabinet blijft zich hoe dan ook onverminderd inzetten om de doelen uit het Energieakkoord te halen. Komend voorjaar volgt een nieuwe prognose van het planbureau.

De Urgenda-procedure draait voor het kabinet niet om het klimaatbeleid, maar om de vraag op welke wijze beleidskeuzes van de regering juridisch worden getoetst. Het gaat om een principiële kwestie. Het kabinet overweegt daarom in cassatie te gaan bij de Hoge Raad. Een definitief besluit daarover zal worden genomen na bestudering van de uitspraak.

Over de keuze van het kabinet om al dan niet in cassatie te gaan, zal ik u op korte termijn nader informeren.

De Minister van Economische Zaken en Klimaat, E.D. Wiebes