Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2017-201830196 nr. 559

30 196 Duurzame ontwikkeling en beleid

Nr. 559 BRIEF VAN DE MINISTER VAN ECONOMISCHE ZAKEN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 19 oktober 2017

Mede namens de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu stuur ik u hierbij de Nationale Energieverkenning (NEV) 20171. Daarbij heb ik gevoegd een onderzoek dat inzicht biedt in het potentieel voor het realiseren van extra hernieuwbare energie in 20202, bovenop de prognoses uit de NEV 2017.

De resultaten die in de NEV 2017 worden geschetst zijn bemoedigend. Het verwachte aandeel hernieuwbare energie in 2023 ligt met 17,3 procent fors hoger dan de doelstelling van 16 procent uit het Energieakkoord. Daarmee wordt, als gevolg van de maatregelen die in de nu bijna afgelopen kabinetsperiode in gang zijn gezet, tussen 2013 en 2023 bijna een verviervoudiging van het aandeel hernieuwbare energie gerealiseerd. De NEV 2017 voorziet een doorgroei tot bijna 24 procent hernieuwbare energie in 2030.

Belangrijk hierbij is de snelle en grote kostenreductie die is bereikt voor windenergie op zee. In 2023 zal het aandeel hernieuwbare elektriciteit in Nederland uitkomen op ruim 44 procent.

De NEV 2017 laat verder zien dat het energiebesparingstempo de komende jaren aanzienlijk hoger zal liggen dan de afgelopen 20 jaar en dat de energiebesparingsmaatregelen die vorig jaar zijn afgesproken met de industrie en voor de gebouwde omgeving naar verwachting effectief zijn. In de NEV 2017 wordt ook duidelijk dat de ontkoppeling is gerealiseerd tussen de economische groei en bevolkingsgroei enerzijds en het energieverbruik en de CO2-uitstoot anderzijds. Terwijl de economie groeit, neemt het verbruik en de CO2-uitstoot af.

Voor het jaar 2020 verwacht de NEV 2017 een aandeel hernieuwbare energie van 13 procent. Daarmee zou de doelstelling uit het Energieakkoord van 14 procent niet worden gehaald, hetgeen betekent dat extra inzet nodig is. De belangrijkste oorzaak van de achterblijvende realisatie is de verwachte vertraging bij het realiseren van wind op land-projecten. Met de provincies en gemeenten zijn daarom afspraken gemaakt over acties gericht op het alsnog realiseren van de doelstelling van 6.000 MW wind op land in 2020 en zijn andere aanvullende maatregelen genomen. Het onderzoek dat ik heb laten uitvoeren naar het potentieel voor extra hernieuwbare energie in 2020 biedt daarnaast handvatten voor aanvullende maatregelen.

Ook om het doel van 100 PJ extra energiebesparing in 2020 binnen bereik te brengen zijn aanvullende maatregelen nodig. Het verschil tussen de doelstelling en de prognose uit de NEV 2017 hangt in sterke mate samen met tegenvallers met betrekking tot de Wet milieubeheer en het energiebesparingssysteem in de glastuinbouw. Verder blijkt een aantal besparingsmaatregelen waarschijnlijk al voorafgaand aan het Energieakkoord te zijn genomen, waardoor de energiebesparingsverplichting uit de Wet Milieubeheer in het kader van het Energieakkoord minder oplevert dan eerder werd verwacht.

Wanneer alle Energieakkoord-doelen behaald worden, zal in 2020 naar verwachting 25 procent broeikasgasreductie ten opzichte van 1990 worden gerealiseerd, waarmee uitvoering wordt gegeven aan het vonnis van de Rechtbank Den Haag in de zaak Urgenda/Staat.

Het is nu aan de Energieakkoord-partijen – waaronder de rijksoverheid – om naar aanleiding van de prognoses in de NEV 2017 te bezien hoe alle overeengekomen doelstellingen kunnen worden bereikt. De uitkomsten van hun overleg zullen hun beslag krijgen in de Uitvoeringsagenda 2018 die de voorzitter van de Borgingscommissie Energieakkoord voor het einde van het jaar wil publiceren.

De Minister van Economische Zaken, H.G.J. Kamp


X Noot
1

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl

X Noot
2

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl