32 793 Preventief gezondheidsbeleid

Nr. 295 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 10 april 2018

De vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft een aantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Minister voor Medische Zorg over de brief van 1 december 2017 over de antwoorden op vragen commissie over uitvoering motie van het lid Ouwehand (Kamerstuk 32 793, nr. 260) over een verbod op BPA in voedselcontactmaterialen (Kamerstuk 32 793, nr. 285).

De vragen en opmerkingen zijn op 9 februari 2018 aan de Minister voor Medische Zorg voorgelegd. Bij brief van 9 april 2018 zijn de vragen beantwoord.

De voorzitter van de commissie, Lodders

Adjunct-griffier van de commissie, Clemens

Inhoudsopgave

blz.

   

I. Vragen en opmerkingen vanuit de fracties

00

II. Reactie van de Minister

00

I. VRAGEN EN OPMERKINGEN VANUIT DE FRACTIES

Vragen en opmerkingen van de SP-fractie

De leden van de SP-fractie hebben kennisgenomen van de antwoorden op de vragen van de commissie over de uitvoering van de motie van het lid Ouwehand over een verbod op Bisfenol A (BPA) in voedselcontactmaterialen. Aan de hand van de antwoorden hebben deze leden nog de volgende opmerkingen en vragen.

De leden van de SP-fractie zijn niet overtuigd van de argumentatie van de Minister dat lage blootstelling aan BPA geen schadelijke effecten heeft op de volksgezondheid. Baseert de Minister deze uitspraken op wetenschappelijk onderzoek? Zo ja, kan de Minister de Kamer dit onderzoek doen toekomen? Kan de Minister met zekerheid stellen en onderbouwen dat blootstelling van BPA in lage dosering niet schadelijk is voor kinderen en zwangere vrouwen? Kan de Minister toelichten hoe de European Food Safety Authority (EFSA) een oordeel velt over de schadelijkheid van BPA bij (ongeboren) kinderen?

De Minister stelt dat een verdergaande nationale maatregel (in aanvulling op Europese regelgeving) niet voor de hand ligt, aangezien er geen sprake is van een gebrek aan harmonisatie en van onzekerheden bij de huidige stand van onderzoek. Waar baseert de Minister de uitspraak op dat er geen onzekerheden bij de huidige stand van onderzoek is?

De Minister stelt dat toepassing van alternatieven voor BPA pas mogelijk is wanneer alternatieven zijn beoordeeld en in de Europese wetgeving of de Nederlandse wetgeving staan. Erkent de Minister dat alternatieven veiliger moeten zijn dan BPA is? Hoe wordt de veiligheid van de alternatieven geborgd? Kan de Minister aangeven in hoeverre de effecten van een lage dosis en de mogelijke effecten voor ongeboren kinderen en jonge kinderen op voorhand worden onderzocht? Hoe worden de effecten van het gebruik van alternatieven voor BPA gemonitord?

De Minister stelt in de beantwoording op een vraag van de leden van de GroenLinks-fractie dat de vraag «of de volksgezondheid met de nieuwe mix van BPA (mogelijk minder BPA, met een lagere migratienorm) en (mogelijk meer) vervangende stoffen beter of misschien minder goed wordt beschermd dan in de oude situatie» het beste kan worden beoordeeld door de EFSA. Zal de EFSA dit meenemen in de nieuwe evaluatie van BPA die zij in 2018 zal uitvoeren?

De leden van de SP-fractie vragen of de Minister uiteen kan zetten wanneer het rapport van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) over BPA beschikbaar komt, aangezien het in januari nog niet is gepubliceerd.

Vragen en opmerkingen van de PvdD-fractie

De leden van de PvdD-fractie hebben kennisgenomen van de antwoorden van de Minister over de uitvoering van de aangenomen motie Ouwehand over een verbod op BPA in voedselcontactmaterialen. Naar aanleiding van de beantwoording hebben deze leden nog enkele vragen.

Motie Ouwehand

In februari 2017 heeft de Kamer bij meerderheid verzocht om een totaalverbod in te voeren op de stof BPA in voedselcontactmaterialen. De stof BPA is, zoals de Kamer op basis van wetenschappelijke onderzoeken ook heeft moeten concluderen, schadelijk voor de gezondheid. Tijdens het VAO Preventiebeleid op 22 februari 2017 heeft de voormalige Minister aangegeven dat snel toegewerkt moet worden naar veilige alternatieven. Zo zei de voormalige Minister: «Wij moeten tegenover iedereen benadrukken dat we deze switch willen maken, maar we moeten eerst weten wat de alternatieve stoffen doen en of ze niet slechter zijn dan de stoffen die je eruit haalt en die je verbiedt».1 Daarmee erkende de voormalige Minister dat de aanwezigheid van BPA in voedselcontactmaterialen problematisch en ongewenst is. Is de Minister dit eens met zijn ambtsvoorganger?

Normering en beoordeling van de nieuwe Europese normen

Op basis van welke wetenschappelijke onderzoeken hebben de voormalige Minister, de Europese Commissie en SCoPAFF tox vastgesteld dat veilige niveaus van blootstelling bestaan? Dit vooral, maar niet alleen, ten aanzien van normen voor blootstelling bij kwetsbare groepen zoals ongeborenen en jonge kinderen – ook via borstvoeding. Het voorgaande ook in relatie tot de eisen die worden gesteld aan bewijs voordat stoffen worden toegelaten; zijn deze wel toepasbaar voor hormoonverstorende stoffen of moeten er (eigenlijk) andere vragen/eisen worden gesteld? Welke verbeteringen zijn in het algemeen, dus niet alleen ten aanzien van BPA, aan te brengen in deze regelgeving?

De Minister zegt in te zetten op een Europese aanpak. De leden van de PvdD-fractie zijn erg benieuwd naar wat deze inhoud specifiek inhoudt en of deze in het huidige tempo van REACH en hoge bewijslast voor stoffen effectief kan zijn, ook met het oog op mogelijke schadelijke alternatieve stoffen in babyvoeding? Is de Minister bereid zich intensiever in te zetten voor een betere aanpak? Zo ja, hoe?

De Minister is van mening dat er veilige niveaus van blootstelling bestaan. Begrijpen de leden van de PvdD-fractie goed dat de Minister afstand neemt van de beoordelingen van het RIVM van diverse rapporten, waaruit blijkt dat er recentelijk wel degelijk aanwijzingen zijn dat BPA in lage dosering onveilig kan zijn voor ongeborenen en kinderen?2

Frankrijk

De Minister zegt dat Frankrijk het verbod op BPA nog altijd handhaaft. De leden van de PvdD-fractie verzoeken de Minister om zich door de Franse autoriteiten te laten informeren of Frankrijk voornemens is het daar geldende verbod op te heffen.

NVWA

Ten aanzien van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) geeft de Minister aan dat er te weinig capaciteit zou zijn om te controleren op de naleving van een eventueel verbod. De leden van de PvdD-fractie wijzen erop dat dit met name gelegen is in de forse bezuinigingen op de NVWA in de afgelopen vijftien jaar. Genoemde leden ontvangen graag informatie over hoe andere lidstaten met een (gedeeltelijk) verbod op BPA handhaven en of zij hun BPA-normen zullen verlagen naar de nieuwe in Europa vastgestelde normen.

De leden van de PvdD-fractie blijven onverkort vasthouden aan het verzoek van de Kamer om tot een verbod op BPA in voedselcontactmaterialen te komen en zal bij de Minister blijven aandringen daar werk van te maken.

II. REACTIE VAN DE MINISTER

Reactie op vragen en opmerkingen van de SP-fractie

De leden van de SP-fractie vragen naar het onderzoek waarop ik de stelling baseer dat blootstelling aan kleine hoeveelheden BPA geen schadelijke effecten heeft op de volksgezondheid.

In mijn beantwoording baseer ik mij op de opinies van de European Food Safety Authority (EFSA), die zich op haar beurt op primair wetenschappelijk onderzoek baseert. Deze primaire bronnen zijn vermeld in de betreffende EFSA-opinies3 , 4.

Het afleiden van een veilig niveau van blootstelling gaat via het vaststellen van een niveau van «geen effect» bij diersoorten, waarop een veiligheidsfactor wordt toegepast voor verschillen tussen die dieren en mensen en voor verschillen tussen mensen onderling. Dit levert voldoende zekerheid; direct onderzoek bij mensen is natuurlijk niet aan de orde. De beschreven methodiek is zo ingericht dat de afgeleide normen voldoende bescherming bieden voor de meest kritische groepen, zoals kleine kinderen en zwangere vrouwen en de ongeboren vrucht. Er bestaat alleen gevaar als de veilig geachte blootstelling in praktijk wordt overschreden. Hiervan is echter geen sprake, zoals blijkt uit het gelijktijdig met deze antwoorden aan de Kamer toegestuurde RIVM-rapport over de blootstelling aan BPA5. Uit de RIVM-berekeningen komt naar voren dat die blootstelling ten minste een factor 30 onder aanvaardbaar geachte niveaus ligt.

De uitspraak dat er geen onzekerheden zijn bij de huidige stand van onderzoek, volgt uit het feit dat EFSA in haar beoordeling uit 20151 de toen geïdentificeerde onzekerheden al heeft verdisconteerd in de door haar afgeleide gezondheids-kundige referentiewaarde. In een latere beoordeling in 20162 heeft EFSA de vragen die het RIVM in zijn nadere rapport uit 2016 had opgeroepen, adequaat geadresseerd. Zij heeft geconcludeerd dat de nieuwe normen zoals afgeleid in 2015 voldoende beschermend zijn. Het in de vorige alinea genoemde recente blootstellingonderzoek van het RIVM toont daarnaast aan dat de daadwerkelijke blootstelling ver beneden dit veilig geachte niveau blijft. Er was en is dus geen reden om de normstelling op korte termijn aan te passen.

Daarnaast vraagt de fractie of ik erken dat alternatieven veiliger moeten zijn dan BPA. Ik ben van mening dat iedere stof die gebruikt wordt in voedselcontactmaterialen, bij het beoogde gebruik veilig moet zijn. BPA kan, als de wettelijke voorschriften in acht worden genomen, veilig worden toegepast en voor toegelaten alternatieven moet niet meer en niet minder gelden. Over de veiligheid van BPA is een zeer grote hoeveelheid literatuur beschikbaar. Over de veiligheid van zijn alternatieven is dat in mindere mate het geval; het is ondenkbaar dat iedere stof zo uitgebreid wordt getest als BPA. Voor iedere stof die wordt toegelaten geldt echter dat voldoende informatie beschikbaar moet zijn om op basis daarvan een goede inschatting van de veiligheid en de te hanteren gebruiksnormen af te leiden. Steeds wordt hierbij gekeken naar effecten van de stoffen op proefdieren en worden veiligheidsfactoren gebruikt voor de omrekening naar veilige niveaus voor de mens. Op de geldigheid van de conclusies voor ongeboren kinderen en jonge kinderen ben ik hiervoor al ingegaan.

De gevraagde monitoring van schadelijke effecten van stoffen uit voedselcontactmaterialen is niet mogelijk en zou geen resultaat opleveren; de normstelling voorkomt deze schadelijke effecten juist.

Ook vraagt de fractie of EFSA de veiligheid van meer of minder BPA in de combinatie van meer of minder alternatieve stoffen zal beoordelen. Inderdaad wordt op dit moment bij EFSA nagedacht over methoden om de veiligheid van BPA en zijn alternatieven te vergelijken. Tot een dergelijke vergelijking mogelijk is, beoordeelt EFSA iedere stof op zich. Bij de normstelling van BPA wordt er van uitgegaan dat de consument dagelijks één kilogram voedsel consumeert dat verpakt is geweest in BPA-houdende verpakking. Dit is een ruime aanname; de daadwerkelijk geconsumeerde hoeveelheid zal daar in praktijk onder liggen. Voor alternatieve stoffen geldt dezelfde werkwijze.

Ten slotte vragen de leden van de SP-fractie naar het moment waarop het rapport van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) over bronnen van BPA beschikbaar komt. Zoals hiervoor vermeld, heb ik dit rapport gelijktijdig met mijn antwoorden op deze vragen aan de Kamer toegestuurd.

Vragen en opmerkingen van de PvdD-fractie

De PvdD-fractie benadrukt dat de kamer bij meerderheid heeft verzocht om een totaalverbod in te voeren op de stof BPA in voedselcontactmaterialen, omdat de stof schadelijk is voor de gezondheid. Hierbij wijst de fractie op de opvatting van mijn ambtsvoorganger, dat zekerheid moet bestaan over de veiligheid van alternatieven. De blootstelling aan stoffen in verpakkingen moet veilig zijn; dit geldt zowel voor BPA als voor zijn eventuele alternatieven. Nu er tot nieuwe veiligheidsnormen voor BPA is besloten (afwezigheid in tuitbekers, geen migratie uit verpakkingen voor babyvoedsel, maximale migratie van 0,05 mg/kg voor andere verpakkingen), is deze veiligheid afdoende gegarandeerd. Ik wil hierbij net als mijn voorganger benadrukken dat zoiets als een absoluut veilige stof niet bestaat. Iedere stof, niet alleen BPA, maar ook stoffen als water of zout, heeft een grens waarboven de stof onveilig wordt. Het gaat om het effect van de stof bij de redelijkerwijs te verwachten blootstelling. Als gebruik van de stof leidt tot blootstelling beneden de veiligheidsgrenzen, is het gebruik veilig en hoeft niet (verder) te worden ingegrepen. Blijkens het genoemde RIVM-rapport blijft de blootstelling aan BPA een factor 30 onder de veilig geachte niveaus.

De fractie vraagt vervolgens op welk onderzoek mijn voorganger, de Europese Commissie en de SCoPAFF tox6 hun conclusie baseren dat er veilige niveaus van blootstelling bestaan. Zoals ik al in de beantwoording van de vragen van de SP-fractie heb aangegeven, is de conclusie van veiligheid gebaseerd op het advies van EFSA. De onderzoeken waarop EFSA zich baseert, zijn opgenomen in de literatuurlijst van de opinie. Bij het vaststellen van veilige grenzen wordt al uitgegaan van de meest gevoelige groepen, zoals kleine kinderen, zwangere vrouwen en de ongeboren vrucht.

Ook vraagt de fractie of deze risicogerichte aanpak bij het toelaten van stoffen wel toepasbaar is voor hormoonverstorende stoffen. Dit is het geval, indien en voor zover voor die stoffen een veilig niveau van blootstelling is vast te stellen. Dit laat onverlet dat het gebruik van stoffen ook uit andere overwegingen kan worden verboden, bijvoorbeeld omdat de stof in de afvalfase of bij recycling problemen oplevert, zoals in het verleden met cadmium in bierkratten is gebeurd. In het kader van het streven naar een circulaire economie zullen deze overwegingen bij het toelaten (of verbieden) van stoffen in verpakkingen een steeds belangrijker rol gaan spelen.

Daarnaast wordt gevraagd naar de inhoud van de Europese aanpak. Bij BPA is die Europese aanpak de strengere normering in voedselcontactmaterialen op Europese schaal. De door het RIVM bepleite en door mij en mijn ambtsvoorganger nagestreefde verlaging van de gebruiksnormen is op 14 februari jl. gerealiseerd7. De fractie spreekt haar zorgen uit over gevolgen voor de veiligheid van voedselcontactmaterialen door «het huidige tempo van REACH». Zoals het vorige kabinet uw Kamer heeft laten weten8, heeft Nederland inderdaad zorgen over de lange doorlooptijden bij REACH. Dit heeft echter geen effect op de regulering van stoffen die worden gebruikt in voedselcontactmaterialen (Food Contact materials, FCM). Dit is juridisch een ander traject dan de regulering van stoffen in het kader van REACH met daaraan gekoppeld specifieke eisen voor de aan te leveren informatie ter registratie van een stof in het kader van wetgeving voor FCM. Bij de wetgeving voor FCM is de veiligheid van de verwachte blootstelling aan de stof bepalend. Als deze blootstelling te hoog zou kunnen worden, zal de stof in de wetgeving worden gereguleerd (niet toegelaten of genormeerd), ook als de stof bij REACH nog niet volledig geëvalueerd en/of gereguleerd is. De acties waarmee Nederland bijdraagt aan een voorspoedige toepassing van REACH zijn beschreven in een Kamerbrief van het vorige kabinet9.

De PvdD-fractie constateert dat mijn stelling dat er veilige niveaus van blootstelling bestaan, strijdig zou zijn met de eerdere constatering van het RIVM dat BPA in lage dosering onveilig kan zijn voor ongeborenen en kinderen. Dit is geenszins het geval. Het RIVM stelt niet dat er geen veilige niveaus van blootstelling bestaan, maar dat die niveaus zeer laag zijn. Na bestudering van de gegevens van het RIVM heeft EFSA geconcludeerd dat er geen reden was de normstelling op korte termijn te herzien. In afwachting van een nieuwe evaluatie van BPA door EFSA is de beoordeling door EFSA uit 2015 leidend. Uit het recente RIVM-rapport blijkt dat de daadwerkelijke blootstelling ruim onder die niveaus ligt.

De leden van de PvdD-fractie verzoeken de Minister om zich door de Franse autoriteiten te laten informeren of Frankrijk voornemens is het daar geldende verbod op te heffen. Navraag bij de Franse autoriteiten heeft geleerd dat hierover nog geen beslissing is genomen. Ik heb ook navraag laten doen bij andere landen met eigen BPA-wetgeving. Van Zweden en Denemarken is vernomen dat daar naar verwachting de regels worden ingetrokken als de nieuwe BPA-normen in september van kracht worden. In België is de nationale regelgeving nog onderwerp van debat.

Over het toezicht door de NVWA geeft de PvdD-fractie aan dat ik gesteld zou hebben dat er te weinig capaciteit zou zijn om te controleren op de naleving van een eventueel verbod. Dit tekort zou zijn gelegen in de forse bezuinigingen op de NVWA in de afgelopen vijftien jaar. Ik heb echter niet gesteld dat er te weinig capaciteit zou zijn, maar dat het benodigde toezicht teveel zou vragen van de capaciteit; het is een kwestie van prioriteitstelling. In afwezigheid van een te verwachten gezondheidswinst ben ik niet bereid een maatregel te nemen en een deel van de capaciteit van de NVWA vrij te maken voor het toezicht daarop.

De vraag hoe andere lidstaten met een (gedeeltelijk) verbod op BPA de handhaving hebben vormgegeven, kan ik als volgt beantwoorden. Denemarken geeft aan dat het in de jaren 2010 – 2016 een jaarlijks controleprogramma op BPA in voedselcontactmaterialen heeft uitgevoerd, onder andere in producten/verpakkingen die speciaal voor kinderen bedoeld zijn10. Jaarlijks werden 20 tot 60 producten (gebruiksartikelen, doppen, blikken) op BPA getest, met wisselende resultaten. In het merendeel van de onderzochte monsters werd geen BPA aangetroffen. Incidenteel werd in een product bestemd voor kinderen tot drie jaar BPA aangetroffen. In de laatste twee jaar zijn alleen producten van Deense bedrijven onderzocht. Van Zweden en Frankrijk zijn op de navraag geen gegevens over de controleprogramma’s ontvangen.


X Noot
1

Handelingen II 2016/17, nr. 56, item 17

X Noot
3

Zie «Scientific Opinion on the risks to public health related to the presence of bisphenol A (BPA) in foodstuffs» (http://www.efsa.europa.eu/en/efsajournal/pub/3978)

X Noot
4

Zie «A statement on the developmental immunotoxicity of bisphenol A (BPA): answer to the question from the Dutch Ministry of Health, Welfare and Sport» (http://www.efsa.europa.eu/en/efsajournal/pub/4580)

X Noot
5

Zie: Dietary sources of exposure to bisphenol A in the Netherlands (RIVM Letter report 2017–0187), aan de Kamer toegezonden, maar nog niet gepubliceerd op het internet

X Noot
6

SCoPAFF tox, afkorting voor de sectie toxicologische veiligheid van het Permanent Comité voor Planten, Dieren, Voedsel en Diervoeders, een besliscomité van EU-lidstaten en de Europese Commissie

X Noot
7

Zie Verordening (EU) 2018/213 betreffende het gebruik van bisfenol A in vernissen en coatings bestemd om met levensmiddelen in contact te komen, en houdende wijziging van Verordening (EU) nr. 10/2011 wat betreft het gebruik van die stof in materialen van kunststof die met levensmiddelen in contact komen, http://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/PDF/?uri=CELEX:32018R0213&qid=1518599799548

X Noot
8

Zie Kamerstuk 22 112, nr. 2284

X Noot
9

Zie Kamerstuk 28 089, nr. 47

X Noot
10

De resultaten zijn opgenomen op het deel Afsmitning fra materialer og genstande – kontrolresultatervan de website van de Deense Fødevarestyrelsen, zie https://www.foedevarestyrelsen.dk/Kontrol/Kontrolresultater/Sider/Afsmitning%20fra%20materialer%20og%20genstande%20-%20kontrolresultater.aspx?Indgang=Fødevarer&

Naar boven