32 757 Bouwbesluit 2012

Nr. 89 VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 2 oktober 2013

De algemene commissie voor Wonen en Rijksdienst heeft op 12 september 2013 overleg gevoerd met Minister Blok voor Wonen en Rijksdienst over Bouwregelgeving en brandveiligheid.

(De volledige agenda is opgenomen aan het einde van het verslag)

Van dit overleg brengt de commissie bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.

De voorzitter van de algemene commissie voor Wonen en Rijksdienst, De Rouwe

De griffier van de algemene commissie voor Wonen en Rijksdienst, Van der Leeden

Voorzitter: De Rouwe

Griffier: Thomassen

Aanwezig zijn zes leden der Kamer, te weten: Paulus Jansen, Knops, De Rouwe, Thieme, Visser en Albert de Vries,

en Minister Blok voor Wonen en Rijksdienst, die vergezeld is van enkele ambtenaren van zijn ministerie.

Aanvang 15.32 uur

De voorzitter: Goedemiddag. Ik stel een spreektijd van maximaal zes minuten per woordvoerder voor en ik sta twee interrupties toe. Als de interrupties kort zijn, is een derde interruptie ook wel mogelijk. Ik zie geen verwoede gezichten, dus volgens mij gaat iedereen hiermee akkoord.

De heer Paulus Jansen (SP): Voorzitter. In 2006 heeft het toenmalige Ministerie van VROM vier onderzoeken laten uitzoeken naar het binnenklimaat van woningen en de veiligheid van woninginstallaties. Onderdeel daarvan was een representatieve steekproef van 1.240 woningen die systematisch onderzocht en doorgemeten zijn. In 12% van de onderzochte woningen werd een ernstig defect aan de gas- of elektriciteitsvoorziening geconstateerd. De concentratie formaldehyde, benzeen en vluchtige organische stoffen in de binnenlucht overschreed in een aanzienlijk deel van de woningen de huidige buitenluchtnormen of advieswaarden van de Gezondheidsraad. Bij nieuwbouwwoningen en in de bestaande voorraad werd in 30% respectievelijk meer dan 50% van de gevallen de wettelijke ventilatie-eis niet gehaald. Jaarlijks overleden tien mensen aan koolmonoxidevergiftiging, daarnaast waren er 40 ziekenhuisopnamen. Die onderzoeken vormden de opmaat voor de Nationale aanpak milieu en gezondheid en het actieplan voor ventilatievoorzieningen in nieuwbouwwoningen.

Terugkijkend op de resultaten van 7 jaar ploeteren, meldt de Minister dat er diverse handleidingen zijn geschreven, dat er twee programma's met eisen, een toezichtsprotocol, een ventilatieprestatiekeuring en een scholingsprogramma zijn ingevoerd en dat er ook nog een informatiepunt is geopend. Ik citeerde uit een brief over de woningbouw, maar voor scholen is het van hetzelfde laken een pak. Wat is dit voor papieren werkelijkheid? Waarom wordt niet periodiek gemeten hoe de werkelijkheid zich ontwikkelt in onze woningen, scholen en, niet te vergeten, in brandgevaarlijke zorginstellingen? Waarom blijft de Minister kilo's papier produceren in plaats van antwoord te geven op de vraag of er echt iets verbeterd is? De SP-fractie pleit ervoor om een periodieke update van meetprogramma's te maken, zowel voor nieuwbouw als bestaande bouw, zowel voor woningen als voor scholen en zorginstellingen. Op die manier kunnen wij te weten komen of al die indrukwekkende beleidsmaatregelen ook echt zoden aan de dijk zetten.

Met de aanpak van paalrot zijn we met deze Minister nog geen stap opgeschoten. Als er niets gebeurt, valt het net opgerichte kenniscentrum per 1 januari 2014 alweer om. Op alle suggesties van het KCAF, het Kennis Centrum Aanpak Funderingsproblematiek, houdt de Minister de boot af of wijst hij naar iedereen behalve zichzelf. Bij paalrot is een individueel drama vrijwel altijd ook een collectief drama. Als bij twintig woningen twee bewoners wegens financieringsproblemen niet kunnen meedoen, zien ook de andere achttien bewoners de waarde van hun huis in rook opgaan. Hoe kan de Minister van het eigenwoningbezit dit laten lopen? Waarom gaat hij niet eens samen met mij een aantal praktijkgevallen bekijken?

De risico's van gespoten pur in vloerisolatie voor bouwvakkers en bewoners zijn te verwaarlozen als de recent nog aangescherpte verwerkingsvoorschriften zouden worden nageleefd. Het probleem zit in het volledig ontbreken van enige vorm van publieke controle op de naleving. Zowel deze Minister als zijn collega van arbozaken vertrouwt voor 100% op de zelfregulering van de sector. Dat staat echter haaks op het recente WRR-advies Toezien op publieke belangen, dat de Minister afgelopen maandag zelf in ontvangst mocht nemen. Mag ik aannemen dat er nu wel enige vorm van publiek toezicht gaat komen?

De evaluatie van het Bouwbesluit 2012 – een initiatief van onze gewaardeerde oud-collega Van Bochove – is interessant leesvoer. Het centrale doel van de operatie was 25% minder regels ter vermindering van de regeldruk. De conclusie van de evaluatie is dat geen sprake is van een significante verandering van de administratieve lasten. Hoe beoordeelt de Minister het niet-halen van dit kerndoel? Ik voeg eraan toe dat de feitelijke kwaliteit van met name verbouwingen onder druk staat door de verlaging van het ambitieniveau in het Bouwbesluit.

Het is positief dat de Minister de consument een centralere rol wil geven bij de totstandkoming van regels, maar het is nog vaag op welke manier dit moet gebeuren. Wat wordt op dit punt extra geregeld ten opzichte van de bestaande situatie? De SP vindt nog steeds dat de inbreng van belangenorganisaties in het OPB, het Overlegplatform Bouwregelgeving, openbaar moet zijn. Waarom gebeurt dit niet?

De Minister heeft in mei jl. toegezegd dat online reacties en antwoorden op het Meldpunt Bouwbesluit aangevuld zullen worden. Waarom is dit echter nog niet gebeurd? En waarom worden reacties en antwoorden voortaan niet real time, meteen dus, zichtbaar? Wij wachten met grote belangstelling op de concrete invulling van de motie-Jansen/De Vries over de verzekerde garantie.

Opdrachtgevers, producenten, aannemers, waarborginstituten en bestekschrijvers maken zich ernstig zorgen over de voortdurende onzekerheid die het ministerie creëert door tegenstrijdige beantwoording over het voortbestaan van privaatrechtelijke kwaliteitseisen naast CE-markering. Volgens de SP-fractie moet het opdrachtgevers vrijstaan om aanvullende kwaliteitseisen te stellen bovenop CE-markering en daarvoor de nodige bewijslast te vragen. Kan de Minister bevestigen dat de huidige praktijk op dit punt gecontinueerd wordt?

Wat betreft het Actieplan stalbranden sluit ik mij op voorhand aan bij de inbreng van mijn buurvrouw, mevrouw Thieme. Ik heb er het volste vertrouwen in dat zij ook het standpunt van de SP-fractie goed gaat verwoorden.

Ik kom op het RIGO-rapport over de rentabiliteit van woning- en gebouwisolatie. Op basis van de trias energetica komt isoleren vóór het efficiënt benutten van fossiele energie. Volgens de SP-fractie is dat in vrijwel alle gevallen ook goedkoper voor de bewoner. Het RIGO-onderzoek, Kostenoptimaliteiten volgens Europese regels bekeken, onderschrijft deze conclusie en geeft aan dat het DGMR-onderzoek in opdracht van de Minister van verkeerde aannames uitging. De Minister schrijft aan de Kamer: «Het is mogelijk om een ander uitgangspunt te hanteren voor discontovoet en energieprijsscenario, maar uit de gevoeligheidsanalyses blijkt dat dit niet tot een wezenlijk ander resultaat leidt.» Heeft de Minister blz. 6 van het RIGO-rapport gelezen? Dat kan gewoon niet. Als econoom zou de Minister moeten weten dat DGMR uitgaat van een 2% te hoge discontovoet, een energieprijsstijging van de helft van het EU-trendscenario en de opbrengst van isolatie-investeringen met een levensduur van 75 jaar, na 20 respectievelijk 30 jaar, volledig negeert. Is er twee keer achter elkaar een grote denkfout gemaakt of wordt politiek bedreven achter de kleine cijfertjes? Ik kan mij voorstellen dat de Minister hier niet direct op kan reageren – het betreft een technische materie – maar ik zou het wel op prijs stellen om op dit punt een nadere reactie te krijgen. Ik denk namelijk echt dat de Kamer hiermee op het verkeerde been gezet wordt.

Ik maak tot slot nog een korte opmerking over de toegankelijkheid. De CG-Raad en de vrouwenadviescommissie (VAC) hebben een aantal goede suggesties gedaan voor het verbeteren van de toegankelijkheid van woningen en gebouwen. De Minister zegt, overigens op grond van een onderzoek, dat dit te duur is. De SP-fractie zou het waarderen als er een nadere discussie over dit onderwerp komt, om zo veel mogelijk ideeën uit het advies van de VAC en de CG-Raad over te nemen.

De voorzitter: Dat was keurig binnen de zeven minuten.

Mevrouw Thieme (PvdD): Voorzitter. Ik sluit me graag aan bij de woorden van mijn voorganger. Ik wil graag focussen op de brandveiligheid van stallen. In de afgelopen decennia zijn er talloze stalbranden geweest die gelijkstaan met de meest gruwelijke horrorfilms die men zich maar kan voorstellen. Ik noem branden door explosies van mestgassen, verbrande of zwaar gewonde dieren. Ik wijs op dieren die verdronken in hun eigen mest doordat de vloer van de mestkelder was ingestort. Bij het blussen van deze branden was er in sommige gevallen niet eens bluswater aanwezig op het desbetreffende terrein. Brandweermannen en boeren moesten machteloos toekijken en horen hoe duizenden dieren het uitschreeuwden van angst totdat de letterlijke, doodse stilte viel. Het enkele dier dat de ramp overleefde, bleef achter in extreme paniek, en met ernstige brandwonden. Dieren die door hun verwondingen niet meer konden staan, moesten uren wachten voordat een dierenarts de stal in mocht om ze te euthanaseren. Pas binnen in de stal werd duidelijk wat een hels schouwspel zich daar had afgespeeld. Ik heb voorbeelden gehoord dat zeugen in grote paniek raakten, hun biggetjes achterlieten en probeerden te ontsnappen. Sommige dieren renden door het vuur in een poging te vluchten, anderen werkten drijfmestroosters los, weer anderen sprongen over hokafscheidingen of zelfs door ramen heen. Voor de meeste mocht dit echter niet baten.

Vandaag debatteren we over het Bouwbesluit 2012 waarin stallen zijn opgenomen als extra categorie, waardoor het mogelijk is om specifieke brandveiligheidseisen te stellen zodat dieren beter beschermd worden tegen het uitbreken van een mogelijke brand. Opgeslagen wc-rollen worden in Nederland beter beschermd tegen brand dan varkens in stallen, omdat varkens immers minder hard branden.

Helaas geldt het Bouwbesluit 2012 alleen maar voor nieuw te bouwen stallen of stallen waaraan iets verbouwd moet worden. Dit betekent dat miljoenen dieren die in bestaande stallen leven, onaanvaardbare risico’s lopen. De reden voor het kabinet om deze stallen ongemoeid te laten, is weer eens economisch van aard. Er kan niet getornd worden, zo schrijft de Minister, aan de verworven rechten van de veehouder die nu eenmaal al jaren op deze manier zijn bedrijf voert. Dit is onacceptabel en mijn fractie overweegt op dit punt een motie in te dienen.

Ondanks dat het Bouwbesluit een stap in de goede richting is, ben ik van mening dat er fundamentele omissies in het Bouwbesluit zitten en het nieuwe Bouwbesluit op bepaalde punten de gevolgen van een brand zelfs verergert. De Partij voor de Dieren is zeer verontrust over het vergroten van de brandcompartimenten van 1.000 m2 naar 2.500 m2. De Minister is zelfs aan het onderzoeken of het nog groter kan. Dat betekent: meer brandgevaarlijke mestgassen en fijnstof in één ruimte. In plaats van minder kunnen er door deze maatregel meer dieren verbranden. Is de Minister bereid om deze norm te herstellen naar de oude norm waarbij compartimenten van 1.000 m2 moeten voldoen aan de eisen van brandwerende materialen?

In het Bouwbesluit staan geen eisen over afvoer, opslag en verwerking van mest en urine noch eisen over de afstand van mestopslag en mestvergistingsinstallaties, terwijl hier grote risico’s aan vastzitten. De Partij voor de Dieren wil dat dit wordt opgenomen in het Bouwbesluit. Zij vindt dat mestopslag en mestinstallaties in een brandwerend compartiment moeten worden ondergebracht, want dat is logisch. Is de Minister hiertoe bereid?

De Minister haalt de doelstelling van dit Bouwbesluit niet als hij niet meer inzet op evacuatiemogelijkheden. De universiteit van Wageningen concludeert dat door de huidige stalinrichting, de mogelijkheden om dieren te evacueren beperkt zijn. Dieren leven in krappe hokken die afgesloten zijn. Dieren zijn niet meer gewend om naar buiten te gaan waardoor de stal hun enige veilige plek is. Het komt voor dat dieren daardoor hun stal niet durven te verlaten, wat de evacuatie belemmert. Stallen met verdiepingen zijn voor mijn partij uit den boze. Dieren die op een verdieping leven, zijn verloren ondanks alle goede bedoelingen van dit Bouwbesluit.

Mijn fractie pleit er daarom voor om een gedane suggestie voor weidegang serieus te overwegen, de toegankelijkheid te vergroten door de aanwezigheid van voldoende ruime gangen en uitgangen binnen één compartiment, en stallen met meerdere verdiepingen te verbieden. Is de Minister bereid om deze aspecten mee te nemen in het Bouwbesluit?

Vroege detectie van een brand kan veel leed voorkomen. De Partij voor de Dieren stelt dan ook voor om technologische middelen zoals rookmelders, rook- en warmteafvoersystemen, sprinkler- en vernevelingsinstallaties in te voegen in het Bouwbesluit. Het is onbegrijpelijk waarom deze maatregelen daarin niet worden opgenomen. Het betreft reeds lang bestaande technologische middelen, waarvan het nut reeds lang bewezen is. Is de Minister bereid om deze technologische middelen op te nemen in het Bouwbesluit? Is de Minister tevens bereid om de aanwezigheid van blusvoorzieningen, uitgewerkt naar diersoort, verplicht te stellen op een terrein?

Het Bouwbesluit blijft een papieren tijger als controle en handhaving niet op orde zijn. De Minister heeft in zijn beantwoording van de vragen deze verantwoordelijkheid steeds bij de gemeenten neergelegd. De gemeenten, blijkt uit onderzoek, zien deze verantwoordelijkheid echter niet echt als een grote prioriteit. De Partij voor de Dieren wil van de Minister weten of hij bereid is om de gemeenten te sturen in hun handhavingsplan. Is de Minister bereid, gemeenten een verplichting te geven voor een gebruiksmelding voor veestallen? Dan zullen zij namelijk ook op reguliere basis gaan controleren. Is de Minister bereid om te sturen op onafhankelijke controles op de aanleg en het onderhoud van elektrische systemen?

De heer Albert de Vries (PvdA): Voorzitter. De isolatie van woningen heeft prioriteit, maar het baart ons zorgen dat daardoor gezondheidsproblemen kunnen ontstaan. TNO heeft onderzoek gedaan naar gezondheidsklachten door vloerisolatie met pur. Ik dank de Minister voor zijn reactie hierop en de vervolgbrief die hij daar gisteren aan toegevoegd heeft. TNO heeft aan de hand van internationale literatuur grenswaardes vastgesteld en op basis daarvan geconcludeerd dat in de onderzochte gevallen geen sprake is van overschrijdingen. Daarom verwacht TNO dat de kans op het ontstaan van overgevoeligheid klein is. TNO sluit echter niet uit dat mensen die overgevoeligheid hebben ontwikkeld, wel last houden. De Minister stelt dat een lang wetenschappelijk traject nodig is om meer duidelijkheid te krijgen. Zolang er echter onderzoek wordt gedaan, blijft er ook onzekerheid. Na contact met partijen die bij deze problematiek betrokken zijn, zijn wij tot de conclusie gekomen dat het zin heeft om met elkaar in gesprek te gaan en drie dingen af te spreken. Ten eerste moeten wij overeenstemming bereiken over preventieve maatregelen. Daartoe zijn initiatieven genomen. Die preventieve maatregelen moeten wat ons betreft tot certificering leiden. De industrie zou moeten toezeggen dat zij alleen aan gecertificeerde bedrijven levert. Ten tweede zou het goed zijn als de GGD's, het expertisecentrum ECEMed, ziekenhuizen en werknemersvertegenwoordigers overeenstemming bereiken over de manier waarop via op te stellen protocollen stapsgewijs kan worden vastgesteld welke gezondheidsklachten optreden en of die te relateren zijn aan gespoten pur. Ten derde zou het goed zijn dat de industrie en de verwerkende bedrijven een klachten- en garantieregeling toezeggen, waar mensen met gezondheidsproblemen terechtkunnen. Het betreft mensen van wie volgens protocollen niet is uit te sluiten dat hun klachten voortvloeien uit blootstelling aan pur.

In de brief van gisteren noemt de Minister een aantal onderdelen van de voorgestelde drietrapsraket. Wij hebben signalen ontvangen dat de drie betrokken partijen bereid zijn om hierover in gesprek te gaan. Is de Minister bereid om zich ervoor in te zetten dat partijen dit ook gaan doen en tot afspraken komen?

Wij zijn tevreden met de inzet van de Minister om de gesignaleerde gezondheidsproblemen met andere isolatieproblemen terug te dringen.

Ik merk het volgende op over ventilatie voor koolmonoxide, namelijk dat ik mij wat betreft de toegankelijkheid en twee aangenomen moties uit 2012 over het duaal systeem aansluit bij de vragen van de heer Jansen.

Wij constateren dat de brandveiligheidsnormen voor nieuwbouwstallen zijn aangescherpt. Het valt echter op dat één advies van de universiteit van Wageningen niet is overgenomen, namelijk dat over brandwerende afscheiding van de stalling van landbouwwerktuigen. Waarom is dat advies niet overgenomen? Wij kunnen ons namelijk voorstellen dat het risico echt hoger is als met dat soort machines wordt gewerkt.

De strengere brandveiligheidseisen zijn ook niet van toepassing op bestaande stallen. Daarvoor gelden de oude regels. De Staatssecretaris verwijst in haar brief van gisteren naar het Actieplan stalbranden, maar wij vinden dat plan nogal vrijblijvend. Mijn buurvrouw, mevrouw Thieme, heeft een warm pleidooi gehouden voor het nemen van verstrekkende maatregelen gehouden. Wij zijn vooral geïnteresseerd in de vraag welke quick wins mogelijk zijn om ook de brandveiligheid van bestaande stallen te vergroten.

Uit de evaluatie van het Bouwbesluit blijkt dat er nog steeds kritiek is. Op een aantal praktische punten snijdt die kritiek naar onze mening ook hout. Wij pleiten ervoor om met betrokken partijen en de bouwpraktijk in gesprek te blijven en op die manier tot nieuwe verbeteringen en vooral vereenvoudigingen te komen. Is de Minister daartoe bereid? Is het mogelijk dat de standpunten en argumenten van de organisaties die deelnemen aan het Overlegplatform Bouwregelgeving openbaar worden? Dan kennen wij namelijk alle standpunten.

Mevrouw Thieme (PvdD): De heer De Vries verwijst naar mijn bijdrage over stalbranden omdat hij kennelijk de zorgen over de veiligheid van dieren in bestaande stallen deelt. Ik kan zijn vraag aan de Minister echter niet zo goed duiden. Ik begrijp dat hij de Minister vraagt waartoe hij bereid is om ook de veiligheid van dieren in bestaande stallen te vergroten. Bedoelt hij daarmee dat het Bouwbesluit ook op bestaande stallen van toepassing moet worden verklaard of houdt hij het bij de vrijblijvendheid die de Minister voorstaat?

De heer Albert de Vries (PvdA): De Partij van de Arbeid kan zich voorstellen dat het heel problematisch is om alle nieuwe regels uit het Bouwbesluit op alle bestaande stallen van toepassing te verklaren. Wij kunnen ons wel voorstellen dat bijvoorbeeld met de verzekeringsbranche wordt gesproken over strengere polisvoorwaarden. Dat hoeft niet via de bouwregelgeving te lopen; dat kan ook op een andere manier. Wij kunnen ons ook voorstellen dat bij de fiscale regels voor de landbouw, de Maatlat Duurzame Veehouderij, meer gefocust wordt op investeringen in brandveiligheid. Wij kunnen ons voorstellen dat afspraken worden gemaakt om open verwarmingssystemen niet meer toe te passen, om stro en hooi apart op te slaan of dat met de branche een programma overeen wordt gekomen over de manier waarop elektrische installaties geleidelijk op peil worden gebracht. Dat zijn allemaal maatregelen die via het Actieplan stalbranden, buiten de regelgeving om, kunnen bijdragen aan de veiligheid.

Mevrouw Thieme (PvdD): Begrijp ik goed dat de heer De Vries niet akkoord gaat met het plan dat de Minister nu voorstaat, maar dat er veel meer moet gebeuren? Is dat correct en, zo ja, is de heer De Vries dan ook met mij van mening dat er op zijn minst een verplichting voor branddetectie in bestaande en nieuwe stallen moet komen? Dat is toch niet zo'n grote investering? Op die manier kunnen heel veel risico's al worden verkleind.

De heer Albert de Vries (PvdA): Ik heb één vraag aan deze Minister, namelijk waarom de aanbeveling van de universiteit van Wageningen niet is opgevolgd. Ik heb die vraag in mijn bijdrage verwoord. Voor de rest is het volgens mij vooral een taak van de Staatssecretaris om met de sector nadere afspraken te maken ter vervolmaking en versterking van het Actieplan stalbranden.

De heer Paulus Jansen (SP): Ik zet de discussie nog even voort, want wij spreken met de Minister over bouwregelgeving. Wij praten met de Staatssecretaris over de aanpak in brede zin. Bijvoorbeeld detectie is een aspect van bouwregelgeving dat heel relevant is voor het risico. Is de heer De Vries dan niet op zijn minst van mening dat in een situatie waarin een veehouder niet bij de stal woont – zelfs dat komt regelmatig voor – detectie met automatische doormelding verplicht zou moeten zijn? In zo'n situatie is het risico op enorme ellende namelijk nog veel groter dan als je zelf bij je bedrijf woont.

De heer Albert de Vries (PvdA): Ik kan me die vraag voorstellen. Ik heb daar met allerlei deskundigen over gesproken. Die beweren dat branddetectie alleen maar helpt om een beginnende brand op te sporen, maar dat je dan eigenlijk al te laat bent. Het is veel slimmer om te investeren in het voorkomen van brand. Als er geld uitgegeven moet worden, ziet de Partij van de Arbeid er meer heil in om dat geld aan preventie uit te geven.

Mevrouw Visser (VVD): Ik heb de volgende vraag naar aanleiding van de vraag die door de Partij voor de Dieren is gesteld en de reactie van de PvdA daarop. Het antwoord van mijn collega impliceert namelijk dat het actieplan voor de PvdA niet voldoende is. Ik heb volgens mij meerdere suggesties in de bijdrage van de heer De Vries gehoord om het actieplan verder te ontwikkelen. Kan ik daaruit concluderen dat de PvdA met een voorstel komt om het actieplan uit te breiden met aanvullende maatregelen? Of wil de heer De Vries het aan de sector laten en wacht hij dat eerst even af? Geeft hij de Staatssecretaris dus een extra opdracht of wacht hij de resultaten af?

De heer Albert de Vries (PvdA): Binnen de Partij van de Arbeid zijn de taken streng verdeeld. Collega Van Dekken zal verder in discussie gaan met de Staatssecretaris over het Actieplan stalbranden en daarbij de voorbeelden inbrengen die ik genoemd heb. Ook zal hij verzoeken om verderstrekkende afspraken met de sector te maken.

Ik was gebleven bij het Bouwbesluit 2012. Wij moeten constateren dat het niet gelukt is om het aantal regels te verminderen. Dat is teleurstellend. Wij zijn benieuwd of er iets te leren is uit het enige experiment dat gedaan is, in Almere. Of moeten wij concluderen dat «minder regels» een vrome wens is die in de praktijk niet te realiseren is?

Een aantal aanbevelingen uit de evaluatie spreken ons aan. Ik noem bijvoorbeeld het uitgangspunt om meer werk te maken van het onderscheid tussen de verschillende soorten bouwwerken. Wij denken weleens aan een systeem waarin 80% routine is, 15% een zeker specialisme vraagt en 5% voor experts is. Als je zo'n indeling maakt, kun je op een iets efficiëntere manier omgaan met de bouwregelgeving en de handhaving daarvan. Verder zou het scherper stellen van doelstellingen van de regelgeving volgens ons zin hebben. Dat staat ook in het evaluatierapport. In relatie tot de goede verhouding tussen kosten en baten merk ik op dat de Minister nog antwoord moet geven op de vragen van collega's Monasch en Verhoeven. In de evaluatie staat ook dat er weinig belangstelling is om te praten over doelstellingen, ordening en sturing van de bouwregelgeving. Volgens ons is dat echter juist erg zinvol. Wij pleiten er daarom voor om die discussie voort te zetten.

Namens een groot aantal organisaties spreekt KOMO haar verontrusting uit over de CE-markering. Met dat keurmerk moeten handelsbarrières worden weggenomen en producten makkelijker met elkaar te vergelijken zijn. Met dat keurmerk is echter niet na te gaan of de beloofde prestaties ook echt geleverd worden. KOMO schrijft zelfs dat partijen in de bouwketen hun verantwoordelijkheid niet kunnen nemen indien hun de mogelijkheid wordt ontnomen om privaatrechtelijke kwaliteitseisen en kwaliteitsborging te blijven vragen. Betekent de CE-markering dus het einde van de private keurmerken? Mag er geen aanvullende kwaliteitsborging bovenop de CE-markering gevraagd worden en mogen leveranciers ook niet meer om bewijzen gevraagd worden dat hun producten aan gestelde eisen voldoen? Zo ja, wat betekent dit op de lange termijn voor de kwaliteit en de veiligheid van de bouw?

Ik heb nog een vraag over de verplichte energiebesparende maatregelen die bedrijven moeten nemen. In de brief van 4 juni schrijft de Minister over mogelijke beleidsmaatregelen om de naleving en handhaving te verbeteren van de verplichting voor bedrijven uit de Wet milieubeheer om energiebesparende maatregelen te nemen die zich in vijf jaar of minder terugverdienen. Het woord «mogelijke» triggert ons. Kan de Minister al zeggen of hij ook daadwerkelijk maatregelen gaat nemen?

Ik heb nog twee kleine puntjes. De voorgestelde wetgeving over het energielabel is niet door de Kamer overgenomen, maar daarmee is ook de aanpak van de utiliteitsbouw op termijn gesteld. Wil de Minister eens nagaan of de energiemaatregelen voor die sector naar voren gehaald kunnen worden? Op die manier zijn namelijk heel veel quick wins te behalen. Ook kan het flink wat banen opleveren.

Collega Jansen heeft al iets over de funderingsproblematiek gezegd. Wij vinden de houding van de Minister in zijn brief over de financieringsproblematiek, de kern van de motie die door de Kamer is aangenomen, buitengewoon afwachtend. Moet de Minister niet actiever in gesprek gaan met de banken en de AFM, om de gesignaleerde problemen op te lossen?

Mevrouw Visser (VVD): Voorzitter. Er staan vandaag veel onderwerpen op de agenda, ook veel onderwerpen die de komende weken weer terugkomen in relatie tot een aantal andere onderwerpen. Ik noem bijvoorbeeld de Actieagenda bouwteam die op stapel staat. Mijn collega De Vries sprak net over het energielabel. Dat komt ook terug, in relatie tot de afspraken die daarover in het energieakkoord gemaakt zijn.

Ik zal me nu focussen op een aantal punten die niet op korte termijn, bijvoorbeeld in een AO, zullen terugkomen. Het lijkt mij goed om eerst stil te staan bij het bouwtoezicht en het Bouwbesluit in algemene zin, en bij de evaluatiebrief die de Minister heeft gestuurd. Ik ben recent met de heer Jansen bij een bijeenkomst met verschillende partijen geweest over de vraag hoe wij het private toezicht daarop kunnen organiseren. Dat riep een hoop discussie en emotie op. Ik zie de heer Jansen nu ook lachen. Ik ben dus zeer benieuwd waar de Minister in het najaar mee komt. Ik merk namelijk in de sector dat het echt relevant is dat er snel duidelijkheid komt, zodat partijen zich daarop weten te organiseren en verder kunnen gaan.

De Minister schrijft in zijn brief dat hij de consument en de eindgebruiker beter wil betrekken bij het opstellen van de regels in het Bouwbesluit. Wij onderkennen dat punt en vinden dat ontzettend belangrijk. In de brief wordt echter niet aangegeven op welke manier, met welk tijdpad, en met welke partijen het gerealiseerd gaat worden. In een bijenkomst met bouwers, gemeenten en ik weet niet wie er verder allemaal bij waren, was dit eigenlijk het kernpunt; daarmee moest je starten. Ook in die zaal zaten echter geen consumenten dan wel eindgebruikers. De vraag is hoe wij het gaan organiseren; hoe ziet de Minister het voor zich en wanneer? We moeten de eindgebruiker en de consument een rol geven, sturend laten zijn en een stem geven. Dat is volgens mij de meest belangrijke opdracht om het Bouwbesluit effectief te kunnen maken.

De heer Knops (CDA): Ik ben het hartgrondig eens met mevrouw Visser, maar ik heb toch een vraag over het betrekken van de consument. De consument heeft namelijk vele verschijningsvormen. Het Bouwbesluit heeft in zijn uiteindelijke vorm echter algemene werking. Hoe borg je dan de individuele wensen en voorkeuren? Uit de commissie Huizenprijzen is namelijk ook naar voren gekomen dat er veel te weinig ruimte is voor de individuele consument om wat dat betreft iets te doen.

Mevrouw Visser (VVD): Dat klopt. De eindgebruiker en de consument zijn ook afhankelijk van het type gebouw, een eigen woning dan wel een kantoorgebouw dat wordt ontwikkeld. Wat dat betreft moet je ook een onderscheid maken. Dat wordt nu echter niet gedaan, dus de vraag is hoe je dat onderscheid maakt. Misschien moet je het per proces of per gebouw anders inrichten om dat onderscheid te kunnen maken. Er zijn partijen die zich organiseren namens een aantal specifieke groepen, zoals de Vereniging Eigen Huis, de Woonbond of Aedes namens huurders. Volgens mij zijn er dus wel groepen die aangesproken kunnen worden.

In dat kader heeft de Minister ook gezegd te zullen bekijken hoe de aansprakelijkheid in de bouw beter georganiseerd kan worden. Er zitten een aantal elementen in de brief van de Minister die ingaan op de aanbeveling van de regiecommissie om de voorschriften over bruikbaarheid te schrappen. De vraag is wanneer wij daarvan de resultaten kunnen verwachten en hoe dat kan bijdragen aan de positie van de consument. Het wordt erg lastig om 17 miljoen mensen allemaal individueel te spreken. Volgens ons gaat het erom dat je de juiste prikkels in het systeem weet in te bouwen. Als je de aansprakelijkheid zodanig weet te regelen dat de consument in staat is om de bouwer aansprakelijk te stellen, dan heb je al goede stappen gezet. Misschien zijn er meer ideeën. Ik krijg dus graag een reactie van de Minister.

Hetzelfde geldt voor het funderingsherstel. In de brief van de Minister staat dat hij in gesprek gaat met het kenniscentrum en op basis daarvan tot een oordeel zal komen. Volgens mij kan dit onderwerp ook bij de begrotingsbehandeling terugkomen. Wij verwachten dat daarin de resultaten van het gesprek met het kenniscentrum betrokken kunnen worden, om te kunnen bepalen op welke wijze het voortgezet moet worden.

Ik kom op het gebruik van pur. De brief van de Minister, berichten in de media, en berichten van verschillende organisaties waardoor wij zijn benaderd, laten volgens ons zien dat zowel de sector als allerlei partijen constructief om tafel zijn gaan zitten. Zij hebben zich gecommitteerd aan een flink aantal afspraken om ervoor te zorgen dat eventuele risico's worden voorkomen, dan wel dat zij certificering volledig op zich nemen. Volgens ons verdienen alle betrokken partijen daarvoor een compliment.

De heer Albert de Vries (PvdA): Mevrouw Visser spreekt over alle partijen. Ik heb die beweging ook gezien bij de industrie en de installatiebranche. Ik ben daar net zo positief over – er worden goede stappen gezet – maar de slachtoffers en de medische deskundigen hebben nog een heleboel twijfels over de vraag of wij daarmee afdoende maatregelen nemen en of de slachtoffers daarmee wel geholpen zijn. Daarom heb ik een veel verderstrekkend voorstel gedaan. Ik vraag mij af of mevrouw Visser dat voorstel wil steunen.

Mevrouw Visser (VVD): Volgens mij hebben de medici op wie de heer De Vries doelt, een brief gestuurd naar aanleiding van het woonakkoord. Het woonakkoord bestaat inmiddels alweer een tijdje, maar die medici trekken nu aan de bel. Volgens mij heeft de Minister in zijn brief aangekondigd dat hij niet alleen met die medici om tafel gaat zitten om te bekijken wat het betekent, maar ook met de sector zelf. Het TNO-onderzoek levert geen eenduidig beeld op. Volgens mij staat het onderwerp nu nadrukkelijk op de agenda. Ik zie dat de sector zijn verantwoordelijkheid neemt en zegt: wij nemen alle voorzorgsmaatregelen om «te voorkomen dat». Het betreft met name het gebruik. Er wordt nu verder onderzocht in hoeverre er risico's bestaan. Tot op heden wordt daar in rapporten geen eenduidig antwoord op gegeven. Volgens mij kunnen wij op dit moment niet meer eisen, anders dan de stappen die op dit vlak gezet worden. Daarnaast hebben alle partijen onderkend dat het nuttig en noodzakelijk is om verder over dit onderwerp te praten.

De heer Albert de Vries (PvdA): Mevrouw Visser heeft veel woorden nodig. Ik concludeer gemakshalve dat er steun is voor mijn voorstel.

De voorzitter: Ik heb dat niet helemaal zo gehoord.

Mevrouw Visser (VVD): Precies voorzitter, dat is de interpretatie die de heer De Vries aan mijn woorden geeft.

De heer Paulus Jansen (SP): Ik ben ook op zoek naar steun voor mijn voorstel. Ik heb een suggestie gedaan waarover ik mevrouw Visser nog niets heb horen zeggen. Ik zei dat er toch een soort publieke eindcontrole moet zijn. Zelfcertificering is prima, maar je loopt risico's als er nooit eens iemand van buitenaf naar de zaak kijkt. Ik doel op iemand die te maken heeft met de arboregels of iemand die te maken heeft met het Bouwbesluit. Dat je dan risico's loopt, blijkt ook in de praktijk. Wat vindt mevrouw Visser daarvan?

Mevrouw Visser (VVD): Arbowet- en regelgeving geldt voor iedereen. Ik onderschrijf dus niet dat dit is uitgesloten. Er is dus in die zin publiekrechtelijk toezicht. De heer Jansen vraagt of je hier extra publiekrechtelijk toezicht op moet zetten. Volgens mij heeft hij, net als ik, een brief gekregen van bijvoorbeeld KOMO. Die brief ging over de CE-certificering. De heer Jansen heeft het daarover ook in zijn bijdrage gehad. Daaraan zijn publiekelijk allerlei certificeringseisen gesteld. Die worden getoetst. Nu blijkt dat de sector zelf eigenlijk verder wil gaan en bereid is om aanvullende kwaliteitseisen te stellen. De stelling dat er altijd publiekrechtelijk toezicht nodig is om te kunnen toetsen of dingen wel goed zijn, en dat publiekrechtelijk toezicht beter is, onderschrijf ik dus niet. In het kader van die stelling heeft de heer Jansen ook zijn opmerking geplaatst naar aanleiding van het rapport van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid.

De heer Paulus Jansen (SP): Ik heb hierover vorig jaar schriftelijke vragen gesteld. Ik heb toen ook gevraagd hoe het arbotoezicht op deze branche eruit ziet. Het antwoord was: er wordt geen toezicht op gehouden. De arbodienst komt gewoon nooit kijken omdat men vertrouwt op de bestaande zelfregulering. Dat lijkt mij een riskante strategie.

Verder vraag ik mevrouw Visser het volgende. Neemt zij nu al afstand van het advies van de WRR op dit punt? Begrijp ik dat goed? De WRR stelt dat toezicht als slot op de deur gewoon een must is.

Mevrouw Visser (VVD): Ik heb nergens afstand van genomen. De heer Jansen trok de conclusie dat als publiekrechtelijk toezicht is geregeld en wordt uitgevoerd, alles voor elkaar is. Ik stel dat als partijen een belang zien, zij ook hun verantwoordelijkheid nemen. Uit de praktijk blijkt zelfs dat zij bereid zijn om op heel veel onderdelen veel verder te gaan dan wij misschien op een andere manier gaan eisen op basis van de wet. Ik doe daarmee het advies van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid helemaal niet tekort, maar ik stel dat er partijen zijn die zelf hun verantwoordelijkheid nemen. Volgens mij kunnen we dat alleen maar goedkeuren en toejuichen.

De heer Jansen stelde ook een vraag over de inspanningen van het toezicht. Daarbij geldt uiteraard dat iedere partij haar afweging maakt. We kunnen niet 17 miljoen mensen 24 uur per dag, 7 dagen in de week controleren. Op dezelfde manier geldt voor de Arbowetgeving dat we niet alles kunnen controleren.

Ik kom op het Bouwbesluit en de stalbranden. Naar aanleiding van de vraag van mijn collega's om nog meer regels en nog meer handhaving op dit vlak, wil ik een andere vraag stellen. Categorie B wordt nu van toepassing geacht. Er worden dus vrij stringente eisen gesteld, want voor woningen geldt categorie D. De eisen voor vluchtroutes zijn voor stallen dus nog strenger dan voor woningen. In hoeverre zijn de aanvullende regels die nu worden gesteld in het Bouwbesluit te vergelijken met de eisen die door de verzekeringsbranche worden gesteld? Uit de gesprekken die wij hebben gevoerd, begrijpen wij dat de verzekeringsbranche nog veel stringentere eisen stelt aan stallen. Voordat de overheid weer aanvullende wet- en regelgeving gaat opleggen aan een sector die zwaar onder druk staat, en voordat we verdergaan met het doorvoeren van allerlei Europese wet- en regelgeving, wil ik hierin meer inzicht krijgen. Die vraag is ook gericht op mijn collega's die nu al pleiten voor aanvullende regels. Het is volgens de VVD-fractie de vraag of je met aanvullende regels aan de publieke en politieke wens tegemoet kunt komen om dierlijke slachtoffers te voorkomen.

Mevrouw Thieme (PvdD): Ik begrijp dat mevrouw Visser vindt dat de afspraken in het Bouwbesluit 2012 eigenlijk al te ver gaan. Ik leg haar in dat verband graag een uitspraak van haar partijleider voor. Indertijd zei Mark Rutte, toen nog in zijn rol van fractievoorzitter: «Ik heb altijd grote moeite gehad met de bioindustrie, met dat stapelen van varkens op een mensonwaardige manier. Dierenwelzijn staat bij ons hoog op de verlanglijst. Dit is een zeer belangrijk onderwerp. U kunt daar altijd bij onze fractie voor terecht.» Zegt mevrouw Visser: nee, u kunt daarvoor niet bij onze fractie terecht, want de sector moet dit gewoon zelf maar oplossen? Zegt zij: dit is al goed genoeg geregeld? Is dat wat zij zegt, terwijl er in de afgelopen zes jaar bijna 1 miljoen dieren zijn omgekomen door stalbranden?

Mevrouw Visser (VVD): Mevrouw Thieme heeft het motto: als je niet voor me bent, ben je tegen me. Zo interpreteert ze mijn woorden. Ik ben hier absoluut niet op tegen. Wij proberen hier nu echter iets te regelen met wet- en regelgeving. De vraag is wel of dat effect en nut heeft. Bijvoorbeeld de heer Jansen weet dat ook de WRR daarnaar expliciet onderzoek heeft gedaan. Bij het Expertisecentrum Regelgeving Bouw stelt men: wij vragen ons echt af of deze maatregelen wel effectief zijn, gezien de resultaten van onderzoek dat in het verleden is gedaan. Volgens mij is het onze taak om te vragen of de wet- en regelgeving die de regering wil implementeren wel effectief is. Die vraag stel ik nu aan de orde. Verder vind ik het heel belangrijk dat volgens mij alle partijen aan het actieplan hebben meegewerkt, dus inderdaad ook de sector. Alle partijen hebben gezegd: we committeren ons hieraan en we bekijken, met de brandweer en LTO Nederland, wat we nog meer kunnen doen, omdat het ook in ons belang is deze branden te voorkomen.

Mevrouw Thieme (PvdD): De partijleider van mevrouw Visser had het over het mensonwaardig stapelen van varkens. Mevrouw Visser vindt dit dus eigenlijk slechts een loze opmerking. Zij zegt immers: het kan misschien wel zo zijn dat er voor nieuwe stallen strengere brandveiligheidsregels gaan gelden, maar de miljoenen dieren die in de bestaande stallen leven, moeten het maar doen met de stallen in de vorm waarin ze nu eenmaal zijn gebouwd. Mevrouw Visser is het dus kennelijk met de Minister eens. Hij vindt dat het daarbij immers nu eenmaal gaat om verworven rechten van de boeren die hun dieren op die manier houden. Kan ik zo ongeveer die conclusie trekken uit de woorden van mevrouw Visser?

Mevrouw Visser (VVD): Die conclusie is voor uw rekening, mevrouw Thieme. Dierenwelzijn gaan over meer dan alleen over varkens. Het gaat mij erom dat, voordat wij hier wet- en regelgeving vaststellen, ik wil weten wat de sector er zelf van vindt en wat de belangen zijn van de sector. Ik wil bijvoorbeeld weten welke aanvullende eisen door de verzekeringsbranche worden gesteld. Misschien gaan die eisen, juist ook voor de bestaande stallen, wel veel verder dan mevrouw Thieme nu vraagt. Zij en haar collega's vragen nu om aanvullende regelgeving, maar misschien is er binnen de branche allang sprake van een zeer sterke prikkel. Misschien gaat dit al veel verder. De VVD zoekt altijd naar een goede balans, maar zij is niet voor nutteloze regels die niet in het belang van mensen zijn. Het is ook onze verantwoordelijkheid om ervoor te zorgen dat een branche die het al erg moeilijk heeft, niet meer regels wordt opgelegd dan strikt noodzakelijk is. Daarop kan mevrouw Thieme de VVD aanspreken.

In de brief over de toezeggingen die zijn gedaan tijdens het vorige algemeen overleg schrijft de Minister dat hij op korte termijn de knelpunten in het kader van de Omgevingswet zal bekijken. Hij wil eigenlijk komen tot een soort quick wins. Mogelijk komt dit onderwerp volgende week ook aan de orde. Ik wil de Minister nu al meegeven dat wij van gemeenten over de uitvoering van de Crisis- en herstelwet horen dat eigenlijk alle betrokken partijen zeggen: in de processen is eigenlijk niet erg veel tijdwinst te halen, maar die is wel te halen met wat ik maar even de «houdbaarheidsdatum van onderzoeken» noem. Op dat punt zegt men echt vooruitgang en tijdwinst te kunnen boeken. Men hoeft niet meer voor iedere functiewijziging van een gebouw of voor iedere wijziging van een bestemmingsplan opnieuw hetzelfde onderzoek te gaan doen. Dat zou voor veel gemeenten heel veel schelen en daarmee kunnen processen en procedures worden versoepeld. Wellicht kan de Minister dat meenemen en hierop alvast een reactie geven.

De heer Knops (CDA): Voorzitter. Het actieplan over de stalbranden is gepubliceerd. Sommigen vinden het niet ver genoeg gaan, andere vinden het misschien wel te ver gaan. Ik zeg in algemene zin dat het opstellen van extra regels alleen nooit leidt tot verbeteringen. Daarbij spelen ook attitude en naleving van bestaande regels een rol. Ik was lid van de tijdelijke commissie Huizenprijzen. Daar zagen wij ook dat er heel veel regels gelden. Je moet bijna een geleerde zijn om het allemaal te snappen. Er wordt in zo'n situatie niet verder meer nagedacht dan over de vraag of de bestaande regels worden nageleefd. Wet- en regelgeving loopt altijd achter op ontwikkelingen en innovaties in bepaalde sectoren. In bijvoorbeeld de veehouderij geldt dat steeds meer verzekeringsmaatschappijen eisen stellen aan de brandveiligheid van de stalinrichting. Zij eisen ook dat als er brand is, die brand direct wordt beperkt. Die eisen stellen zij ook gewoon op grond van een privaat commercieel belang. Daarin heb ik vertrouwen. Wat vindt de Minister daarvan? Ziet hij ook dat die ontwikkeling zich voordoet? Is hij met ons van mening dat wij niet altijd in de reflex moeten schieten van het vragen om meer regels? Het gaat ook om het handhaven van de bestaande regels. Ik heb de indruk dat er al heel veel regels zijn, maar dat de naleving niet wordt gecontroleerd. Daarmee worden de bestaande regels lege hulzen.

Ik kom op de brandveiligheid in de zorg. We hebben hierover al van gedachten gewisseld tijdens het debat over de zorg. Ook dit raakt aan regels. Ik heb tijdens dat debat opgemerkt dat attitude in zulke instellingen minstens zo belangrijk is als slechts het toepassen van regels. Wat bedoel ik daarmee? In een zorginstelling waarin mensen verblijven met beperkingen of die minder mobiel zijn, moeten er procedures zijn en moet men zich daaraan houden. De houding van het personeel en de bewoners van dergelijke instellingen is daarbij heel belangrijk. Als er zich een keer een calamiteit voordoet, moet iedereen weten wat hij of zij moet doen en daarnaar kunnen handelen.

Ik noem op dit punt de sprinklerinstallatie. Die wordt in het Bouwbesluit niet voorgeschreven en is behoorlijk duur. Daardoor wordt zo'n installatie op een aantal plekken niet toegepast terwijl daar wel een aantal andere zaken worden toegepast die in het Bouwbesluit staan. In onze fractie wordt langzaam maar zeker de vraag gesteld wat nu de kosteneffectiviteit is van bepaalde maatregelen. Volgens mij gaat het niet om de middelen die worden toegepast, maar om het te bereiken doel, namelijk een veilige omgeving. Ook op dit vlak staat de ontwikkeling van de techniek niet stil. De aanleg van een sprinklerinstallatie is misschien zo op het oog heel duur, maar het aanleggen van een dergelijke installatie kan er wellicht toe leiden dat andere maatregelen, die wel zijn voorgeschreven, niet meer hoeven te worden toegepast. Immers, zo'n sprinklerinstallatie, die 24 uur per dag, 7 dagen in de week aanwezig is, kan zo effectief zijn dat daarmee bijvoorbeeld extra brandwerende wanden niet of minder nodig zijn. Ik hoor graag een reactie van de Minister op deze denkrichting. Ziet hij daar ook ruimte voor en hoe verhoudt zich een en ander tot het Bouwbesluit en de statische uitstraling die dat heeft?

Purschuim was niet zo heel lang geleden nog een middel dat iedereen weleens gebruikte. Dat middel wordt inmiddels in verband gebracht met allerlei heel vervelende effecten voor mensen. Ik dank de Minister voor de brief die hij daarover heeft geschreven. Tot zelfs deze middag nog zijn er hierover mails bij ons binnengekomen van allerlei belangengroepen, deskundigen en platforms van purslachtoffers. Ik moet zeggen dat ik daardoor in heel korte tijd een beetje een deskundige ben geworden op dit vlak. Ik vraag mij wel af hoe dit nu wordt gebundeld. De Minister schreef in zijn brief dat hij met een aantal partijen om de tafel gaat zitten. Het lijkt mij goed om alle groeperingen om de tafel te zetten die mensen of deskundigen vertegenwoordigen die hierover een opvatting hebben. Deze groepen kunnen een toegevoegde waarde bieden. Met hen zouden we kunnen bekijken hoe we dit probleem moeten oplossen.

Ik ben ook blij dat de Minister erkent dat het TNO-onderzoek niet volledig dekkend is en dat er best wel wat kanttekeningen bij te plaatsen zijn. Ik ben verder blij dat de Minister uitstraalt dat hij ruimte biedt voor nieuwe inzichten over dit onderwerp. Hij lijkt te tonen dat hij niet een al vaststaande mening heeft. Hij wil volgens mij hiermee zeer serieus aan de slag gaan. Ik zou tegen hem willen zeggen: gaat u daar vooral mee door, zodat op korte termijn ook echt veranderingen kunnen plaatsvinden. Inmiddels heeft een behoorlijk groot aantal mensen hiervan last. Zij, en mensen die hiermee wellicht in de toekomst te maken krijgen, zullen daarbij gebaat zijn.

Over de CE-markering is door andere woordvoerders al het een en ander gezegd. Daarom laat ik het hierbij.

De vergadering wordt geschorst van 16.18 uur tot 16.30 uur.

De voorzitter: Ik geef de Minister het woord voor zijn eerste termijn. Wellicht kan hij een overzicht geven van de blokjes waarin zijn bijdrage is opgedeeld. De leden mogen twee keer in tweeën interrumperen.

Minister Blok: Voorzitter. Er staan heel veel en diverse onderwerpen op de agenda. Ik zal zeggen in welke volgorde ik ze wil bespreken. Daarmee kunnen de leden wellicht ook de interrupties verdelen, die de voorzitter zo ruimhartig toestaat.

Ik zal beginnen met de vragen te beantwoorden over de veestallen. Daarna kom ik op pur en glaswol. Hierna volgen de CE-markering, de funderingsproblematiek, het binnenmilieu, de vragen over het rapport van RIGO over isolatie, de verzekerde garantie, het rapport over toegankelijkheid en ten slotte het Bouwbesluit.

Eerst ga ik dus in op de vragen die zijn gesteld over de stalbranden. Volgens mij vindt iedereen dat stalbranden verschrikkelijke effecten hebben en zeer ingrijpend zijn. Daarover bestaat geen enkel verschil van mening in de Kamer. Dat iedereen het daarover eens is, blijkt ook uit de manier waarop de stuurgroep te werk is gegaan, ook in de samenleving. Stalbranden wil niemand, ook de veehouder zelf niet. We staan voor de serieuze opgave om op een uitvoerbare en handhaafbare manier die branden zo veel mogelijk te voorkomen. Enkele leden hebben terecht gewezen op uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid. Het helemaal voorkomen van branden zal niet lukken. Dat lukt ons immers helaas ook niet in woonhuizen of andere gebouwen, maar het kan wel beter dan tot nu toe.

De nieuwe voorschriften die ik de Kamer heb gestuurd en waarover een schriftelijke vragenronde heeft plaatsgevonden, zijn gebaseerd op het werk van een stuurgroep. Ik zeg nogmaals dat die stuurgroep volgens mij goed werk heeft gedaan. De samenstelling van de groep was zeer divers. De Dierenbescherming was daarin vertegenwoordigd, LTO Nederland was daarin vertegenwoordigd namens de landbouw, maar ook de brandweer en het Verbond van Verzekeraars waren daarin vertegenwoordigd. Men heeft steeds de afweging gemaakt hoe men zou omgaan met binnengekomen adviezen, bijvoorbeeld met het advies waarop de heer De Vries wees, van de universiteit van Wageningen over het apart stallen van landbouwwerktuigen. Op basis van deze adviezen heb ik het voorstel gedaan voor het aanpassen van het Bouwbesluit.

Onder meer mevrouw Visser heeft gesproken over de verzekeraars. Zij waren dus vertegenwoordigd in de stuurgroep. Dat wil niet zeggen dat verzekeraars niet soms strengere eisen stellen. Dat kunnen ze doen en dat doen ze soms ook, bijvoorbeeld bij grote stallen. Ook verzekeraars konden zich echter vinden in wat ik de Kamer heb toegestuurd als basis voor de algemene voorschriften in het Bouwbesluit.

Ik ben het ermee eens dat regelgeving meer in het algemeen, maar ook bij een zo belangrijk onderwerp als brandveiligheid in stallen, alleen zin heeft als er sprake is van handhaving. De heer Knops ging daar het meest specifiek op in. Hij zal het met mij eens zijn dat regelgeving ook alleen maar zin heeft als zij echt gedragen wordt en doorleefd is door de mensen die het moeten doen. Dat is volgens mij de kracht van de manier waarop deze regels tot stand zijn gekomen.

Behalve van deze regels is er ook sprake van een actieplan en een bewustwordingstraject. Dat wordt ook door LTO uitgedragen. Dit ligt meer op het terrein van mijn collega Dijksma, maar het geeft wel aan hoezeer niet alleen alle andere partijen, maar ook de sector zelf zich realiseert dat dit ook een kwestie is van het je voortdurend bewust zijn van de risico's. Juist daarom vind ik dat we het nu goed doen. We kiezen voor een grote bewustwordingscampagne voor de situatie in de bestaande stallen en voor strengere eisen bij nieuwbouw. Op die manier hebben we een goede balans gevonden bij het ervoor zorgen dat die stalbranden echt tot het absolute minimum beperkt kunnen blijven.

De heer De Vries vroeg of er ook nog quick wins mogelijk zijn. Ja, die zijn mogelijk. Die zullen gaan langs de lijn van het actieplan en de betrokkenheid van de sector via LTO Nederland. Iedereen wordt geleefd door de praktijk van alledag. Dat is heel menselijk. Het geldt voor iemand die een gezin runt evenzeer als voor iemand die een bedrijf runt. Een bijeenkomst over een thema als brandveiligheid, of een brochure daarover, helpt wel degelijk. Dan word je weer even met de neus op de feiten gedrukt. De quick wins kunnen heel praktisch zijn. Controleer je installatie nog eens. Doe geen brandgevaarlijke werkzaamheden in de stal. Zulke zaken zijn wel degelijk te bereiken via dat actieplan.

Ik ben dus niet bereid om voor bestaande bouw nog verdergaande verplichtingen op te leggen zoals het aanleggen van een sprinklerinstallatie. Dat zal mevrouw Thieme teleurstellen. Ik zeg nogmaals dat ik weet hoe gedegen en breed het actieplan door de stuurgroep is opgesteld. Dat wetend, ben ik niet van plan om hier bovenop aanvullende eisen voor bestaande gebouwen in te brengen.

Mevrouw Thieme (PvdD): De Minister heeft ook in zijn brief heel duidelijk geschreven waarom hij niet van plan is om eisen te stellen aan de bestaande stallen, die nu juist zo brandgevaarlijk zijn. Immers, daarin zijn mestgassen en fijnstof in één ruimte aanwezig. Daarin staan ook allerlei landbouwwerktuigen. Vlak bij de stallen staan mestinstallaties. Bij die stallen is sprake van één grote explosieve situatie, maar de Minister wil geen maatregelen nemen om de brandveiligheid te waarborgen. Ik vraag mij af waarom hij dat niet wil doen. Hij noemt in zijn brief als reden «verworven rechten» van het bedrijfsleven, van de veehouders. Wat bedoelt hij daar eigenlijk mee?

Minister Blok: Er zijn een aantal redenen waarom ik voor bestaande stallen niet zover wil gaan als mevrouw Thieme zou willen. Een en ander heeft inderdaad ook te maken met de rechtszekerheid. Ondernemers hebben grote investeringen gedaan en daarmee binnen het Bouwbesluit gehandeld dat op het moment van de investeringen gold. Een en ander heeft echter ook te maken met het belangrijke punt dat ik eerder noemde, namelijk dat regels worden uitgevoerd als de betrokkenen, ondernemers, inwoners van Nederland, die regels ook echt dragen. Je kunt namelijk nooit alleen maar met wet- en regelgeving en inspectie het gewenste gedrag afdwingen. De grote kracht van wat er nu voorligt voor bestaande stallen, is juist de balans die is gevonden tussen het echt verbeteren van de situatie, de bedrijfseconomische mogelijkheden en de mogelijkheden bij de praktische uitvoering. Het is dus niet zo dat er in de bestaande stallen niets gebeurt, want ik zeg het nogmaals: zo'n bewustwordingscampagne is echt belangrijk. Er is echt geen enkele veehouder die zo'n verschrikkelijke brand wil meemaken. Daarom helpt zo'n campagne. Het helpt echter niet om, tegen zo'n breed gedragen advies in, daarnaast ook nog eenzijdig maatregelen op te leggen.

Mevrouw Thieme (PvdD): De vleessector, de veesector, staat onder grote druk. Het ene vleesschandaal volgt op het andere. Het imago van de sector is belabberd. Mensen accepteren het niet meer dat er op deze manier met dieren wordt omgegaan. De Minister zegt nu: we gaan geen eisen stellen aan de brandveiligheid van bestaande stallen, omdat de veehouders veel hebben geïnvesteerd. Ja, dank je de koekoek, zij hebben veel geïnvesteerd om zo veel mogelijk dieren op een zo klein mogelijk oppervlak te houden. Zij hebben daarbij niet nagedacht over deugdelijk constructiemateriaal, waardoor er een explosieve situatie is ontstaan. Elke keer als er in de krant staat dat er weer duizenden of tienduizenden dieren zijn omgekomen in zo'n stal, staat Nederland op zijn achterste benen. De Minister moet ook rekening houden met het imago van onze veehouderij dat moet worden beschermd, en met de maatschappelijke kosten die hiermee zijn gemoeid. Ik doel op milieuvervuiling en op dierenwelzijn dat telkens met voeten wordt getreden. De Minister zou niet alleen rekening moeten houden met de economische belangen van de veehouders op de korte termijn. We moeten naar een veehouderij die niet alleen duurzaam is, maar ook wordt geaccepteerd. Ik wil graag dat de Minister daarop reageert. Laat hij erkennen dat hij nu kiest voor de economische kortetermijnbelangen van de veehouders.

Minister Blok: In het betoog van mevrouw Thieme sprak zij, naar mijn smaak terecht, een zinsnede uit over een balans tussen verschillende belangen, namelijk specifiek economische belangen en belangen op het vlak van dierenwelzijn. Ik herken overigens niet wat mevrouw Thieme aan het begin van haar betoog schetste, namelijk dat veehouders uitsluitend uit zouden zijn op eigen gewin en geen interesse zouden hebben voor het welzijn van dieren. Dat is echt een te eenzijdig beeld. In iedere sector bestaat grofweg 5% van de mensen uit schurken, 5% uit heiligen en 90% uit gewone mensen. Mensen die met dieren omgaan, moeten echt weten dat zij met levende wezens omgaan. Dat doet iets met je, in ieder geval met de mensen die geen schurken en geen heiligen zijn, dus de genoemde 90%. Die balans is gevonden in de aanpak via het Bouwbesluit waarvoor nu is gekozen en in het stimuleren van de bewustwording bij gebruikers van bestaande stallen.

Mevrouw Thieme vroeg ook nog specifiek naar de rol van de gemeenten bij de handhaving. Zij vroeg of ik een en ander wilde aanscherpen. Dat vind ik niet passen bij de manier waarop we in Nederland de verantwoordelijkheden verdelen. We hebben dit toezicht aan gemeenten toebedeeld. Dit geldt overigens breder voor al het toezicht op de bouw. Dat hebben we gedaan in de wetenschap dat bouw een lokale activiteit is en dat het ook echt ondoenlijk is om centraal vanuit Den Haag die bouw overal te controleren. Van zo'n centralisatie zou de controle zeker niet beter worden. Gemeenten worden ook democratisch gecontroleerd. Ook in gemeenten zijn volksvertegenwoordigers die kritisch toezien op bijvoorbeeld brandveiligheid. Het komt dus echt niet in betere handen als we dit weer meer naar Den Haag zouden trekken, integendeel. Daarom wil ik dit niet doen.

Mevrouw Thieme (PvdD): Mijn vraag was of de Minister bereid is om gemeenten een verplichting voor gebruiksmelding voor veestallen te geven. Ik wil dus wel degelijk de gemeenten verantwoordelijk maken voor het toezicht en de handhaving. Dit wordt echter met name geborgd als je zorgt voor gebruiksmelding bij stallen. Dan zal de gemeente op reguliere basis gaan controleren. Uit onderzoek blijkt namelijk dat gemeenten het controleren van stallen geen hoge prioriteit geven. We hebben hier dus wel een probleem. Is de Minister bereid om gemeenten daarop aan te spreken en hun ook de tools te geven om goed te kunnen controleren?

Minister Blok: Voor nieuwe stallen hebben we scherpere maatregelen in het Bouwbesluit vastgesteld. Ik vind het niet nodig om nog een regel daar bovenop te stapelen. Het staat de gemeenten nog steeds vrij om de controlerende taak uit te oefenen. Dat kan zij ook doen zonder dat ik daar een verplichting bovenop leg.

Ik kom op de problemen met purschuim. Ik meen dat de heer Knops zei dat hij een grote hoeveelheid brieven en mails heeft ontvangen, tot vanmiddag toe, en inmiddels een deskundige is geworden op dit vlak. Dit illustreert in ieder geval hoezeer dit onderwerp leeft. Het gaat natuurlijk om het milieu in de huizen van mensen, de plaats waar ze thuiskomen en waar ze zich veilig willen voelen. Uiteraard raakt dat mensen enorm. We weten dat er in de afgelopen jaren tienduizenden huizen zijn geïsoleerd met purschuim. Het gaat dus om grote aantallen. In het overgrote deel van de gevallen gaat de toepassing van purschuim niet gepaard met klachten. Dat is echter geen reden om voorbij te gaan aan de klachten die er wel zijn.

Ik heb in een eerder overleg al gezegd dat ik het zeer waardeer dat de sector TNO heeft ingeschakeld. Dat is een keurige wetenschappelijke instelling die vrij van belangen naar de feiten kijkt en op grond daarvan een rapport heeft opgesteld. Uit dat rapport wordt een aantal zaken helder, maar niet alles. TNO is op zoek gegaan naar internationaal bewijsmateriaal, zoals dat hoort bij wetenschappelijk onderzoek. Het doen van wetenschappelijk onderzoek is nu eenmaal een wereldwijde bezigheid. Men heeft daarbij geconstateerd dat voor een drempelwaarde voor de sensibilisatie – als leek zou ik dat een allergie noemen – eigenlijk geen wetenschappelijke grens te vinden is. Hoe deskundig men bij TNO ook is, men kan dan niet heel snel zo'n drempelwaarde, die per definitie laag is, zelf gaan leggen. Dat zou de werkelijkheid geweld aandoen.

Daarom ben ik blij dat er tussen al die brieven ook een aankondiging zat voor vervolgstappen die worden genomen vanuit de sector zelf. Ik vind namelijk dat de overheid de vinger aan de pols moet houden of moet ingrijpen als daarvoor dringende redenen zijn, maar dat de sector zelf de eerstverantwoordelijke is voor het waarborgen van de veiligheid en betrouwbaarheid van dit product.

Ik zal nu ingaan op de vragen die specifiek over pur zijn gesteld. De heer De Vries vroeg of ik bereid ben om de sector, de deskundigen en de bewoners te helpen om het actieplan ook echt uit te voeren. Daarop is het antwoord ja. Wij ondersteunen en faciliteren dit voor zover het valt binnen de verantwoordelijkheidsverdeling die ik zojuist heb geschetst. Daarom heb ik al aangekondigd dat ik zelf in gesprek ga met artsen die hierover ook een brief hebben geschreven.

De heer Jansen heeft gevraagd of er publiek toezicht komt op de toepassing van purschuim. Mevrouw Visser sprak haar voorkeur uit voor privaat toezicht. De certificering bij de toepassing van purschuim is nu privaat, zoals we die overigens vaak kennen bij allerlei toepassingen. Ik gaf net aan dat ik het TNO-onderzoek, ook al bevat dit nog een los eindje, vindt getuigen van verantwoordelijkheid van de sector. De sector wil zelf weten hoe het precies zit met de risico's en daarover publiceren. Daarom zie ik nu geen reden om die particuliere certificering ter discussie te stellen.

De heer Paulus Jansen (SP): Dat verbaast mij, want het bedrijf dat vorig jaar in de komkommertijd de aanleiding was voor deze discussie, was een gecertificeerd bedrijf. Het heeft een en ander uitgevoerd op een wijze die in negatieve zin compleet afweek van de condities voor het gecertificeerd aanbrengen. Er was sprake van een verkeerde menging et cetera. Ik zal de laatste zijn die zegt dat er nooit fouten gemaakt kunnen worden, maar het geeft wel aan dat certificering geen garantie is voor het probleemloos aanbrengen.

De WRR heeft deze week gezegd dat er altijd een vorm van publiek toezicht nodig is als slot op de deur. Ik ben het helemaal met mevrouw Visser eens dat certificering kan bijdragen aan het borgen van de kwaliteit, maar er moet uiteindelijk een publieke pakkans zijn om de kwaliteit te borgen. Hoe kijkt de Minister daartegen aan?

Minister Blok: Ik ben het met de heer Jansen eens dat certificering, maar ook publiek toezicht, nooit kunnen uitsluiten dat er een keer iets misgaat. Die perfecte wereld zal zich niet voordoen. Het is overigens ook niet zo dat de overheid zich helemaal niet bemoeit met het onderwerp. Bij het aanbrengen van purschuim, glaswol of welke bouwactiviteit dan ook wordt de Arbowet toegepast. De lagere regelgeving is dan vaak weer per sector geregeld. Bij het toelaten van chemische stoffen in het algemeen, dus ook bij de stoffen die hierbij gebruikt worden, is natuurlijk wel degelijk sprake van publieke regelgeving. Bij deze stoffen leidt die publieke regelgeving ertoe dat deze stoffen gebruikt mogen worden, mits dit op een verantwoorde manier gebeurt. Dit verantwoorde gebruik verloopt vervolgens via private advisering. Dit vind ik nog steeds de aangewezen weg. Op heel veel andere terreinen gebeurt dit ook zo.

De heer Paulus Jansen (SP): De «inspectievakantie» zoals de WRR dit noemde – met dank aan de uitvinder, de heer Elias – leidt juist tot dit soort problemen. De WRR vindt een risicobenadering bij toezicht prima. Als er weinig problemen zijn, hoef je maar af en toe te komen kijken. Als er veel problemen zijn, moet je vaker komen kijken. Die benadering is prima, maar in de praktijk wordt er nul keer, zero keer, publiek gecontroleerd, ook niet door de arbeidsinspectie. Het wil er bij mij niet in dat je voor 100% blijft vertrouwen op de sector zelf, terwijl inmiddels, bewezen, een aantal problemen is geconstateerd.

Minister Blok: Het WRR-rapport dat ik in ontvangst heb genomen, schetst een groot aantal dilemma's. Ik zal daar overigens nog een uitgebreide reactie op sturen. Het gaat onder meer over het dilemma van de breed gedeelde wens in de samenleving om ondernemingen, maar ook leraren en verpleegkundigen, niet helemaal te laten ondersneeuwen door controles, terwijl wij ook grote risico's willen voorkomen. In die balans krijg je een systeem nooit helemaal waterdicht. Het is natuurlijk niet zo dat de arbeidsinspectie helemaal nooit langskomt. Zij baseert haar inspectiefrequentie echter wel op een risicobeoordeling. Dat kan ook niet anders. Hier zijn signalen naar boven gekomen. Dat is de reden voor het onderzoek en de reden waarom wij hier zitten. Ik zeg u toe dat ik de vinger aan de pols blijf houden. Wij stimuleren partijen om met elkaar om de tafel te gaan zitten. Voor een deel doe ik dat ook zelf. Dit zetten we niet bij elke stof die in de bouw gebruikt wordt, in gang.

De heer Paulus Jansen (SP): Op één punt heb ik een feitelijke correctie. Ik heb schriftelijke vragen gesteld aan de Minister van SZW, die verantwoordelijk is voor de arbeidsinspectie. Hij heeft gezegd dat er nul keer is gecontroleerd en dat hij dat ook niet nodig vindt. Dat heeft hij er expliciet bij gezegd. Op dat punt staat dus vast dat de arbeidsinspectie niet gekomen is en ook niet wil komen.

Minister Blok: Oké, als u schriftelijke antwoorden van een collega citeert, zal ik die niet tegenspreken.

De heer Knops heeft gevraagd hoe ik alle inbrengen zal bundelen. Dat ga ik niet met een nietje doen, maar via de procedure die ik net schetste. Ik zal de partijen, die elkaar overigens ook al opzoeken, hierin faciliteren. Dat waren mijn antwoorden op de vragen over pur.

Vervolgens kom ik bij de CE-markering. De heer Jansen heeft gevraagd hoe de communicatie is georganiseerd. Het gaat in feite om de implementatie van een Europese wet. Wij hebben geen keuze of wij die wel of niet zullen implementeren. Op het deel van onze website met bouwinformatie hebben wij een uitgebreide brochure gepubliceerd over de vraag hoe de CE-markering werkt. Gezien de vele reacties uit de sector heb ik ook de indruk dat het bekend is dat er iets gaat gebeuren.

De heer Jansen en anderen hebben gevraagd of er nog aanvullende kwaliteitseisen kunnen worden gesteld boven op de CE-markering. Dat mag, maar het mag niet in plaats van de CE-markering. Een opdrachtgever kan aanvullende eisen stellen. Dat is een eigen keuze voor aanvullende regelgeving. De overheid legt deze niet op, maar verhindert haar ook niet.

De heer De Vries vroeg of de CE-markering het einde betekent voor de kwaliteitskeurmerken. Dat hoeft niet. De overheid zal ze niet opleggen, maar als er in de markt een behoefte aan bestaat, mogen ze nog steeds. Dat is een eigen keuze van de markt.

De heer Albert de Vries (PvdA): Betekent dit dat de bezwaren die KOMO naar voren brengt, onterecht zijn? Kan zij wel degelijk aanvullende eisen stellen? KOMO beweert namelijk dat een leverancier in China allerlei kwaliteitseisen kan formuleren die hier niet te controleren zijn en waarbij zij geen aanvullende eisen mag stellen op hetzelfde onderdeel. Dan gaat er in het oordeel van KOMO iets mis. Uw antwoord is wat dat betreft voor mij nog niet helemaal helder.

Minister Blok: Ook buitenlandse producten moeten aan die CE-markering voldoen.

De heer Albert de Vries (PvdA): Die CE-markering geeft, als ik het goed begrepen heb, heel veel vrijheid aan de producent om zelf keuzes te maken in wat hij wel of niet benadrukt in de kwaliteit van zijn product. Daarmee ontbreekt de zekerheid zoals die nu in Nederland bestaat voor bouwmaterialen. De vraag is of dit niet een grote achteruitgang is. KOMO zegt nu dat zij geen verantwoordelijkheid meer kan nemen voor het bouwproces. Dat is een verstrekkende uitspraak.

Minister Blok: Er mogen nog steeds aanvullende private eisen gesteld worden wanneer opdrachtgevers zich niet comfortabel voelen bij CE-gemarkeerde producten. KOMO denkt dat daar veel behoefte aan zal zijn. Dat kan. Dan is er een markt voor KOMO. Als die behoefte er niet is, is de eis van de overheid dat men moet voldoen aan de CE-markering.

De voorzitter: Ik kijk even naar de klok. Heeft de Minister voldoende aan tien minuten voor de rest van zijn beantwoording? Dan hebben we nog even een tweede termijn.

Minister Blok: Ja, dat zal ik proberen.

Dan kom ik op de vragen over de funderingsproblematiek. De heer Jansen en de heer De Vries vroegen naar de financiering. Zoals bekend loopt de financiering nog tot 1 januari. KCAF heeft daarbij de opdracht om zelf op zoek te gaan naar financiering. Het helpt niet als ik meteen roep dat ik dat wel zal doen, want «ik» is in dit geval de belastingbetaler. Het is echt bedoeld als een startsubsidie voor een serieus vraagstuk, maar het is wel een startsubsidie.

Wij hebben aan het instituut IKOB-BKB gevraagd om een richtlijn op te stellen voor bedrijven die diensten verlenen op het gebied van funderingsherstel, om zo langs private weg een kwaliteitswaarborg voor de consument te kunnen schetsen.

De heer Jansen vroeg of ik met hem naar de praktijk van de funderingsproblematiek wil gaan kijken. Daar wil ik graag een afspraak voor maken. Laten we dat maar doen. We kunnen het ook doen met de Kamercommissie, maar de heer Jansen en ik tekenen in ieder geval in.

De heer Albert de Vries (PvdA): Dan tekenen we met zijn drieën in. In de brief van 4 juli geeft de Minister een toelichting op de vraag hoe hij de problemen wil aanvliegen. Hij schrijft dat hij ten aanzien van de financieringsproblemen, zeker als het gaat om collectieve financieringsproblemen, zal afwachten waar het KCAF mee komt. In de motie wordt echter gevraagd om een veel actievere rol van de Minister in de richting van financiers en de AFM. Het is echt een wezenlijk probleem. Het gaat om grote projecten, waarbij 90% of 95% ...

De voorzitter: De vraag lijkt me helder. Anders lopen we te veel uit.

Minister Blok: Een motie waarin gevraagd wordt om een actievere houding bij financiering, gaat al snel in de richting van belastinggeld of overheidsgaranties. Daar kunnen we in deze tijd echt niet mee strooien. Het KCAF is een instelling die met steun van belastinggeld is opgericht om de problematiek aan te pakken. Het is dan niet juist om de vraag toch steeds weer door te spelen naar de Minister, naar de rijksoverheid.

De heer Albert de Vries (PvdA): Dan constateer ik dat de Minister die motie gewoon niet uitvoert. Dat is toch bijzonder.

De voorzitter: Daar komen we in de tweede termijn of in een VAO op terug.

Minister Blok: Ik ben het daar niet mee eens. Wij hebben geld gestoken in deze organisatie. Wij hebben het initiatief genomen tot een helder waarborg voor de consument als het gaat om de bedrijven die maatregelen kunnen nemen voor de funderingsproblematiek. Er worden dus wel degelijk maatregelen genomen. Wij moeten echt uitkijken dat er niet steeds een probleem naar de belastingbetaler wordt geschoven, terwijl wij nu net de sector zelf gevraagd hebben om een oplossing te vinden.

De heer Jansen is ingegaan op het actieplan Kwaliteitsverbetering ventilatievoorzieningen. Zijn zorg – het was bijna een constatering – is dat er te weinig is gebeurd. Dat ben ik niet met hem eens. Ventilatie is een onderwerp waarbij de consument weinig aandacht trekt, totdat zij tot klachten leidt. De acties richten zich op de hele bouwketen, van het bouwen tot het opleveren van het huis. Er zijn goede afspraken gemaakt over de vraag hoe men moet omgaan met ventilatie. In dat pakket zit ook de afspraak dat gemonitord wordt hoe de afspraken uitwerken. Er is dus wel degelijk voortgang geboekt. We hebben de uitslag van de monitoring nog niet en daarom is het nog veel te vroeg om te zeggen dat er helemaal niets is gebeurd.

Dat is ook het antwoord op de vraag van de heer Jansen waarom er niet periodiek gemeten wordt hoe een en ander zich ontwikkelt. Die monitoring vindt plaats. Het actieplan loopt tot 2015. We zitten nu in de fase van de nulmeting. In 2015 is de voortgangsmeting waar de heer Jansen om vraagt.

De heer Jansen bood mij aan om zijn vraag over pagina 6 van het RIGO-rapport schriftelijk te beantwoorden. Dat doe ik inderdaad graag op die manier.

De heer De Vries vroeg of ik maatregelen ga nemen voor de energiebesparing van bedrijven en wanneer ik de Kamer daarover zal informeren. Zoals de heer De Vries weet, zijn er in het SER-energieakkoord dat vorige week is gesloten, ook afspraken gemaakt over energiebesparing in de utiliteitsbouw. Ik zal de Kamer dit najaar samen met de Staatssecretaris van I en M – dit is meer specifiek haar terrein – informeren over de uitvoering van die afspraken.

In het najaar zal ik de Kamer ook informeren – dat had ik al beloofd – over de vraag hoe wij omgaan met de verzekerde garantie, oftewel de motie-Jansen/De Vries (32 757, nr. 50). In diezelfde brief zal ik ingaan op de mogelijkheden om knelpunten in het omgevingsrecht aan te pakken, met name op het gebied van de houdbaarheidsdatum van onderzoeken. Mevrouw Visser vroeg hierom.

Er is een vraag gesteld over het rapport van de Chronisch zieken en Gehandicapten Raad Nederland over toegankelijkheid. Ik heb de Kamer aangegeven dat uit een kosten-batenberekening naar voren is gekomen dat het integraal toepassen van de maatregelen zo duur is dat de baten niet tegen de kosten opwegen. Dit is wat mij betreft niet het einde van het verhaal. We bekijken of er makkelijk toepasbare, betaalbare oplossingen of deeloplossingen zijn. Zodra ik dat in beeld heb – ik verwacht dit najaar – zal ik de Kamer daarover informeren.

Er zijn vragen gesteld over de totstandkoming van het Bouwbesluit en de administratieve lasten. Het criterium is 25% minder regels. Die doelstelling is gehaald. Bij administratieve lasten loop je altijd aan tegen de vraag: merkt de samenleving daar iets van? Ja, wel degelijk. Er zijn concrete voorbeelden, zoals geen sloopvergunning maar een melding. Er is een lichtere procedure voor het doormelden van brandmeldingen. Er zijn echt zichtbare maatregelen genomen. Ik vind het cruciaal dat de bouwwereld overwegend positief is over het Bouwbesluit in de huidige vorm. Dit is ook aan de Kamer gemeld. Dat lijkt mij de belangrijkste toets.

De heer Jansen en de heer Knops vroegen naar de inbreng van belangenorganisaties. Vanaf 2014 zal het proces volgens de nieuwe methode gaan. Dan kan er ook sprake zijn van openbaarheid van de inbreng van organisaties. Het is mijn streven om consumentenorganisaties erbij te betrekken. Tot nu toe was dat niet altijd even gemakkelijk. Er stond wel koffie klaar, maar die werd niet altijd opgedronken. Het is natuurlijk cruciaal dat de Woonbond, de vroegere vrouwenadviescommissies, de Vereniging Eigen Huis en de CG-Raad zo veel mogelijk aanschuiven. Nogmaals, ze doen hun best, maar we lopen nogal eens tegen een lege stoel aan.

De heer Knops heeft een vraag gesteld over de brandveiligheid in de zorg, vooral over de kosteneffectiviteit. Hij gaf het voorbeeld dat je, als je een sprinkler hebt, andere maatregelen misschien niet nodig hebt. Die ruimte biedt het Bouwbesluit al. Het kent een toets op de gelijkwaardigheid van maatregelen. Opdrachtgever en bouwer moeten zich bewust zijn van deze mogelijkheid. Die ruimte is er dus wel degelijk.

Voorzitter, hiermee hoop ik binnen tien minuten de resterende vragen beantwoord te hebben.

De voorzitter: Uitstekend. We zijn van u niet anders gewend, zou ik bijna zeggen. Dank u wel. Is er behoefte aan een tweede termijn? Ik vermoed van wel. Ik geef twee minuten spreektijd, zodat we ook nog een beantwoording kunnen doen.

De heer Paulus Jansen (SP): Voorzitter. Ik denk dat de onduidelijkheid over het KOMO-keurmerk is opgeheven. Dank daarvoor. Voor het RIGO-rapport houden wij ons aanbevolen voor een schriftelijke reactie.

Wat de toegankelijkheid betreft had de SP als insteek – ik begrijp dat de Minister ook die richting op denkt – dat je wel iets kunt doen bij deelmaatregelen met een MKBA (maatschappelijke kosten-batenanalyse) boven de 1, die dus rendabel zijn. Het zou mooi zijn als dat gaat lukken.

Ik begrijp dat er een onduidelijkheid is over mijn inbreng?

Minister Blok: De heer Jansen verwijst naar een MKBA boven de 1. Daar heb ik geen woord over gezegd.

De heer Paulus Jansen (SP): Ik interpreteerde de woorden van de Minister als volgt. Als deelvoorstellen een positieve kosten-batenanalyse hebben – daar was het externe onderzoek op gebaseerd – is het interessant om alsnog te bekijken of de deelmaatregelen apart kunnen worden ingevoerd. Misschien kan de Minister aangeven op welke termijn hierover voortgang te melden valt.

Mijn insteek voor het actieplan Kwaliteitsverbetering ventilatievoorzieningen was wat breder. Het ging niet alleen om ventilatie, maar ook om open verbrandingstoestellen en brandveiligheid. Voor zover ik heb begrepen uit de brief, heeft de monitoring alleen betrekking op nieuwbouwwoningen. Het gaat ons echter vooral om de bestaande voorraad, niet alleen woningen maar bijvoorbeeld ook schoolgebouwen en zorginstellingen. Daar zitten namelijk de risico's. Kan de Minister helderheid geven over de vraag hoe dat monitoringsprogramma er precies uitziet?

Het is heel positief dat de Minister met een aantal Kamerleden de praktijk van paalrot gaat bekijken. Daar zullen we zo snel mogelijk een datum voor zoeken.

De Minister zegt dat hij voor purschuim een soort «high trust»-benadering heeft. Ik heb altijd geleerd dat tegenover high trust een high penalty staat als je de fout ingaat. Kortom, er is altijd een bepaalde bodem nodig en ik zou graag een publieke bodem zien, eventueel door middel van een motie.

Mevrouw Thieme (PvdD): Voorzitter. Ik moet helaas constateren dat het kabinet zich op het standpunt stelt dat het te duur is voor boeren om hun bestaande stallen brandveiliger te maken. Het kabinet heeft hier alle begrip voor en zal het dus niet verplichten. Economische kortetermijnbelangen gaan dus voor de veiligheid van dieren in de bioindustrie. Dat is niet uit te leggen. Het siert het kabinet niet dat het dat niet inziet. Ik hoop dat de Partij van de Arbeid-fractie met aanvullende eisen zal komen, om zo haar getoonde verontwaardiging over de honderdduizenden dieren die omgekomen zijn om te zetten in daden. Ik denk dat het ook voor de bouwsector interessant is om werk te vinden in het brandveiliger maken van stallen. Dit biedt juist kansen.

Dit debat ging over veilige gebouwen voor mensen en dieren. Ik heb de Minister in praktisch elke zin horen spreken over kosten-batenanalyses. Daarmee was dit overleg naar mijn smaak meer een boekhoudersoverleg dan een overleg over beleid en visie. Dit is een gemiste kans. Het is ook niet bevorderlijk voor het vertrouwen in de politiek. Zij zou zich moeten buigen over de vraag hoe ze mens en dier kan beschermen.

De heer Albert de Vries (PvdA): Voorzitter. Ik dank de Minister voor de beantwoording. Ik vind het heel positief dat er over de purproblematiek gepraat zal worden, maar ik heb wel een paar resultaatwensen. Ik wacht even af welke resultaten er uiteindelijk uit zullen komen.

De slachtoffers van funderingsproblematiek betalen de oplossing helemaal zelf. Als ze het collectief doen en een van hen het niet kan betalen, de financiering niet rond krijgt, krijgen ze het niet voor elkaar. Ze doen geen beroep op de belastingbetaler, maar het lukt hen niet om de problematiek op te lossen. Ik heb de Minister gevraagd om na te denken over de mogelijkheden. Dat kan het KCAF echt niet zelf oplossen. Het heeft expertise, maar het kan niet helpen om de financieringsproblemen op te lossen.

De Partij van de Arbeid zal met de Staatssecretaris in discussie gaan over het Actieplan stalbranden. Wij vinden niet dat de brandveiligheid vergroot kan worden met verdere bouwregelgeving, maar wij denken wel dat er quick wins zijn in het actieplan.

Wij zijn tevreden over de antwoorden van de Minister op de vragen over het Bouwbesluit. Wij hebben echter ook een aantal suggesties gedaan, maar daar zullen wij later nog een keer op terugkomen.

Ik heb nog gevraagd welke leerpunten er zijn bij het project in Almere waar met beduidend minder regels is gewerkt.

Mevrouw Visser (VVD): Voorzitter. Ik heb een korte opmerking naar aanleiding van de beantwoording van de Minister. Deze was duidelijk en heeft volgens mij op een aantal punten onduidelijkheid voor de sector weggenomen. Ik heb het debat ervaren als prettig. Het ging wat mij betreft niet over boekhouding, maar over de vraag hoe je binnen een sector met elkaar dingen kunt oplossen. Die insteek moet volgens mij ook gekozen worden.

De Minister zei dat er stoelen vrij zijn voor de consumentenorganisaties om te praten over het Bouwbesluit, maar dat die stoelen niet gevuld worden. Dat heeft misschien te maken met het gevoel van de consument, de eindgebruiker, dat de bijdrage niet serieus wordt genomen of dat hij op dit moment niet veel invloed heeft op het proces. Daarom roep ik op om zo snel mogelijk met een voorstel te komen om de positie van de consument te versterken in het Bouwbesluit en het toezicht daarop. De Minister gaat hier dit najaar aan werken en ik roep hem op om de gebruikers en de consumenten daarin een nadrukkelijke rol te geven. Zo krijgen zij het gevoel dat zij daadwerkelijk invloed kunnen uitoefenen. Uiteindelijk komen zij in de woning te wonen of maken zij er gebruik van. De ervaring leert dat zij zich in dit proces niet aangesproken voelen en niet het gevoel hebben dat zij invloed kunnen uitoefenen op het proces.

Minister Blok: Voorzitter. Allereerst kom ik op de vraag van de heer Jansen. Ik keek inderdaad peinzend bij zijn opmerking over een MKBA groter dan 1. Ik zal dit najaar de maatregelen schetsen die redelijkerwijs uit te voeren zijn. Ik zal geen cijfers meer noemen, omdat mevrouw Thieme dat onjuist vindt.

De heer Jansen heeft gevraagd naar de monitoring van ventilatie in bestaande gebouwen. Specifiek voor scholen is er een heel overzicht gestuurd. Dit ging onder meer over het aanbieden van CO2-meters. Daar wordt op grote schaal gebruik van gemaakt. Ook hierbij is er echter voor gekozen om aan nieuwbouw strengere eisen te stellen dan aan bestaande bouw.

Bij het thema «purschuim» zei de heer Jansen dat bij high trust ook een high penalty hoort. Voor ieder product waar maatschappelijk debat over is, geldt dat er een high penalty boven de markt hangt, namelijk dat de samenleving er geen vertrouwen meer in heeft. Dat is de highest penalty die er is, want dan is er geen belangstelling meer voor het product, met alle gevolgen voor de werkgelegenheid van dien. Dat kan, als een product echt onveilig is. Een high penalty hoeft dus niet sowieso van de overheid te komen. We beschouwen purschuim echter niet als zomaar een product. Dan hadden we hier namelijk niet om de tafel gezeten en was ik niet in contact getreden met de betrokkenen. We houden hier de vinger echt aan de pols.

Ik heb mevrouw Thieme niet tevreden kunnen stellen door mijn belangenafweging tussen kosten en dierenwelzijn. Ik heb echter meerdere punten genoemd. Ik zal ze maar noemen, omdat mevrouw Thieme dat niet doet. Uit de adviezen van een heel divers samengestelde werkgroep zijn zeer werkbare voorstellen gekomen. Die heb ik in regelgeving overgenomen. Deze regels worden echt toegepast, juist omdat ze worden gedragen. Dit zijn zeer belangrijke afwegingen. De kern van het politieke werk is voor mij dat je een belangenafweging maakt, een keuze maakt en daarin zo veel mogelijk alle gerechtvaardigde belangen meeneemt.

De heer De Vries ging in op het financieringsprobleem van mensen met funderingsproblematiek. Dat is ook niet altijd centraal op te lossen. Als iemand onvoldoende inkomen heeft om een aanvullende lening af te sluiten, wordt zo'n persoon niet gelukkiger van het afsluiten van een lening die eigenlijk niet af te betalen is. We hebben afgesproken dat we ter plekke op werkbezoek zullen gaan. Dan kunnen we ook met de mensen spreken die hiertegen aanlopen. Ik zie echter op dit moment geen reden om meteen met aanvullende maatregelen te komen.

De heer De Vries had inderdaad nog een antwoord te goed op de vraag over de leerpunten uit Almere. Die zijn er zeker. Waarschijnlijk zijn wij, onder begeleiding van de heer Duivesteijn, er allemaal al een keer op bezoek geweest. Wij hebben daar allerlei innovatieve woningen bezocht. Dat voorbeeld wordt ook nagevolgd. Er zijn meer gemeenten waar een en ander nu wordt toegepast. De Crisis- en herstelwet laat inmiddels ook die ruimte toe. Het heeft dus ook het Haagse bereikt.

Mevrouw Visser heeft een opmerking gemaakt over de rol van consumentenorganisaties. Voor de goede orde: ik heb niet gezegd dat consumentenorganisaties helemaal niet verschijnen. Ik heb wel gezegd dat het plezierig zou zijn als de opkomst groter was. Ik denk dat mevrouw Visser er gelijk in heeft dat de opkomst ook samenhangt met de overtuiging dat de inbreng ertoe doet. Dat is bij de verdere vervolmaking van het Bouwbesluit voor mij van groot belang.

Voorzitter, hiermee hoop ik de resterende vragen beantwoord te hebben.

De voorzitter: Ik denk dat u daarin geslaagd bent. Er zijn drie toezeggingen gedaan.

Mevrouw Thieme heeft zich informeel gemeld voor een VAO.

De Minister komt, naar aanleiding van een vraag van de heer Jansen, binnen vier weken schriftelijk terug op het RIGO-rapport. Dit najaar komt de Minister nog met informatie over de afspraken rond de energiebesparing in de utiliteitsbouw.

Minister Blok: De lead ligt hierbij bij de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, maar we zullen komen met een reactie.

De voorzitter: Prima.

De laatste toezegging is het werkbezoek waarbij in ieder geval de heer De Vries en de heer Jansen zullen meegaan. Wellicht dat we een rondje binnen de commissie kunnen doen om te kijken wie er nog meer mee wil.

Mevrouw Thieme heeft een VAO aangevraagd. Ik weet niet of ik de heer Jansen nu passeer. Ik heb hem zien «zwaaien» met een VAO.

De heer Paulus Jansen (SP): Ik laat mevrouw Thieme graag voorgaan, maar ik zal aanwezig zijn, voorzitter.

De voorzitter: Heel mooi, dan zetten we mevrouw Thieme bovenaan. Ik dank de Minister voor zijn aanwezigheid en ik dank u allen voor uw aanwezigheid.

Sluiting 17.23 uur.

Volledige agenda

1. Voorhang houdende wijziging van het Bouwbesluit 2012 betreffende de brandveiligheid van het bedrijfsmatig houden van dieren

Kamerstuk 32 757, nr. 70 – Brief regering d.d. 10-06-2013

Minister voor Wonen en Rijksdienst, S.A. Blok

2. Antwoorden op commissievragen inzake voorhang houdende wijziging Bouwbesluit 2012 betreffende de brandveiligheid van het bedrijfsmatig houden van dieren.

Kamerstuk 32 757, nr. 79 – Brief regering d.d. 29-08-2013

Minister voor Wonen en Rijksdienst, S.A. Blok

3. Toezeggingen gedaan tijdens het Algemeen overleg van 23 mei 2013 over Energiebesparing en Bouwregelgeving

Kamerstuk 32 757, nr. 69 – Brief regering d.d. 04-06-2013

Minister voor Wonen en Rijksdienst, S.A. Blok

4. Brandveiligheid in de zorg

Kamerstuk 32 757, nr. 75 – Brief regering d.d. 03-07-2013

Minister voor Wonen en Rijksdienst, S.A. Blok

5. Evaluatie totstandkomingsproces Bouwbesluit 2012

Kamerstuk 32 757, nr. 72 – Brief regering d.d. 25-06-2013

Minister voor Wonen en Rijksdienst, S.A. Blok

6. Afronding Nationale Aanpak Milieu en Gezondheid Alleen het gedeelte over binnenmilieu.

Kamerstuk 28 089, nr. 27 – Brief regering d.d. 27-06-2013

Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, W.J. Mansveld

7. Reactie op TNO-onderzoek gespoten PUR-schuim bij vloerisolatie

Kamerstuk 32 757, nr. 78 – Brief regering d.d. 30-08-2013

Minister voor Wonen en Rijksdienst, S.A. Blok

8. Toezeggingen bouwregelgeving en brandveiligheid

Kamerstuk 32 757, nr. 77 – Brief regering d.d. 29-08-2013

Minister voor Wonen en Rijksdienst, S.A. Blok

9. Antwoorden op vragen van de commissie over het ontwerpbesluit houdende een wijziging van het Bouwbesluit 2012, betreffende uitvoering van de verordening bouwproducten

Kamerstuk 32 757, nr. 80 – Brief regering d.d. 29-08-2013

Minister voor Wonen en Rijksdienst, S.A. Blok

10. Eerste rapportage op actieplan ventilatievoorzieningen nieuwbouwwoningen

Kamerstuk 28 325, nr. 151 – Brief regering d.d. 22-08-2013

Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, W.J. Mansveld

11. Reactie op het TNO-onderzoek gespoten PUR-schuim bij vloerisolatie

Kamerstuk 32 757, nr. 81 – Brief regering d.d. 11-09-2013

Minister voor Wonen en Rijksdienst, S.A. Blok

12. Toezeggingen bouwregelgeving en brandveiligheid

Kamerstuk 33 400-XIII, nr. 150 – Brief regering d.d. 11-09-2013

Staatssecretaris van Economische Zaken, S.A.M. Dijksma

Naar boven