Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 11 september 2013
In de brief van 5 september 2013 heeft u mij verzocht om een brief te sturen over
de kritische reacties van organisaties op het TNO-onderzoek over gespoten PUR-schuim
bij vloerisolatie. Daarnaast heeft u gevraagd om informatie over nieuwe klachten over
het gebruik van glas,- en steenwol en de mogelijke maatregelen om de veiligheid bij
het werken met deze materialen te vergroten. Hieronder ga ik in op beide verzoeken.
PUR-schuim
De kritische reacties op het TNO-onderzoek over gespoten PUR-schuim betreffen hoofdzakelijk
de afbakening in het onderzoek tot de concentraties in de binnenlucht en het feit
dat niet de relatie met daadwerkelijk ervaren gezondheidsklachten van de betrokken
bewoners is onderzocht, noch de relatie met arbeidsomstandigheden.
Ik kan me de reacties goed voorstellen en heb in mijn brief van 30 augustus 2013 de
gekozen afbakening van het TNO-onderzoek ook aangehaald (Kamerstuk 32 757, nr. 78). NUON Isolatie b.v. heeft het onderzoek laten uitvoeren naar aanleiding van klachten
van bewoners die ze hadden ontvangen. NUON Isolatie b.v. heeft hierop aan TNO gevraagd
zich te richten op de concentraties in de binnenlucht en niet de optredende concentraties
bij de arbeidsomstandigheden. Om ook een uitspraak te kunnen doen over gezondheidsrisico’s
heeft TNO uit internationale literatuur limietwaarden herleid, waarbij bleek dat deze
waarden voor sensibilisatie aan isocyanaten (overgevoeligheid voor die stoffen) mondiaal
niet voorhanden zijn.
Deze internationale wetenschappelijke literatuur berust vooral, maar niet uitsluitend,
op concentraties in arbeidssituaties omdat er daarin meer en hogere blootstelling
voorkomt dan in woningen. Bij het afleiden van limietwaarden heeft TNO rekening gehouden
met mogelijk verschillen tussen werknemers en anderen. TNO constateert dat de gemeten
concentraties in de binnenlucht van de woonkamer niet zo hoog zijn dat er gezondheidseffecten
te verwachten zijn bij mensen zonder overgevoeligheid.
Vanwege het ontbreken van limietwaarden voor isocyanaten is het niet te zeggen of
bij de gemeten concentraties een overgevoeligheid kan ontstaan bij mensen die nog
niet overgevoelig zijn. TNO schat die kans in als klein. Bij personen met een overgevoeligheid
voor de desbetreffende stoffen kunnen dus wellicht wel klachten optreden.
Het oplossen van het gebrek aan die limietwaarden voor sensibilisatie voor het verminderen
van gezondheidsklachten vergt een lange wetenschappelijke weg.
Mede vanwege de genoemde afbakening van het TNO-onderzoek heeft de sector hierin zelf
een eerste stap gezet en het initiatief genomen tot aanvullende metingen om meer grip
op de materie te krijgen.
Op dit moment is het voor de aanpak van belang te zorgen voor een uniforme afhandeling
van klachten op een wijze waarin de GGD, de ziekenhuizen, de sector en ook de werknemers
elkaar vinden en waarin stapsgewijs kan worden vastgesteld welke gezondheidsklachten
aan de orde zijn, en of die redelijkerwijs aan de gespoten PUR-schuim zijn te relateren.
Ik zal de sector vragen dit onderwerp op te nemen in het Actieplan waar ik de sector
al om heb gevraagd.
Het staat buiten discussie dat om klachten te voorkomen de sector het toepassen van
gespoten PUR-schuim overeenkomstig de aangescherpte richtlijnen moet aanbrengen, de
bewoners vooraf moeten zijn voorgelicht en dat de bewoner tijdens het aanbrengen van
de gespoten PUR-schuim niet in huis aanwezig zijn.
Minerale wol
In de brief van 3 september 2013 vraagt een aantal hoogleraren en artsen aandacht
voor mogelijk negatieve gezondheidseffecten van het gebruik van minerale wol (steenwol
en glaswol) en PUR-schuim als isolatiemateriaal, in het licht van de afspraken over
energiebesparing. Bekende gezondheidsrisico’s bij het werken met deze minerale wol
zijn huidirritaties, vooral beroepsmatig, maar ook bij mensen die zelf klussen. Ook
irritatie van de ogen en longaandoeningen kunnen voorkomen. Deze klachten komen met
name voor wanneer geen adequate beschermingsmaatregelen worden getroffen.
Ten aanzien van het gebruik van minerale wol vragen de briefschrijvers vooral goede
voorlichting voor werknemers en burgers over de toepassing van minerale wol. Ik heb
de hoogleraren en artsen uitgenodigd voor een gesprek welke voorlichting zij specifiek
voor ogen hebben en voor advies langs welke weg die het beste kan worden gegeven.
Vervolgens zal ik met betrokkenen in de sector die productinformatie geven of informatie
over de verwerkingsomstandigheden in overleg treden hoe die informatie het beste kan
worden opgenomen in hun reeds aanwezige informatie of hoe de voorlichting kan worden
aangepast. Vanwege de sterke relatie met arbeidsomstandigheden wil ik hier mijn collega
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid bij betrekken.
De Minister voor Wonen en Rijksdienst,
S.A. Blok