Start van deze pagina
Skip navigatie, ga direct naar de Inhoud

Overheid.nl - de wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden.

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Tekstgrootte
+


Vergaderjaar 2012-2013
Kamerstuk 32605 nr. 114

Gepubliceerd op 7 november 2012

Gerelateerde informatie


Toon alle stukken in dossier Bijlagen



32 605 Beleid ten aanzien van ontwikkelingssamenwerking

Nr. 114 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN BUITENLANDSE ZAKEN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 2 november 2012

In de Focusbrief en vier Kamerbrieven1 zijn de beleidsuitgangspunten voor de speerpunten Voedselzekerheid, Water, Seksuele en Reproductieve Gezondheid en Rechten (SRGR) en Veiligheid en Rechtsorde beschreven en de resultaatsdoelstellingen benoemd en nader uitgewerkt. Tijdens het Algemeen Overleg Meerjarige Strategische Plannen van 18 april 2012 (Kamerstuk 32 605, nr. 95) en het Wetgevingsoverleg van 14 juni 2012 (Kamerstuk 33 240 V nr. 10)heb ik toegezegd voor de begrotingsbehandeling Buitenlandse Zaken de Tweede Kamer te informeren over de bereikte resultaten per speerpunt2.

De uitwerking van het speerpuntenbeleid gebeurt zorgvuldig. Op dit moment zijn ambassades en directies nog steeds hard aan het werk om de uitwerking van het speerpuntenbeleid definitief vorm te geven. Zowel centraal als decentraal worden nieuwe strategieën uitgewerkt en vertaald naar activiteiten en sommige bestaande programma’s afgebouwd. Dit proces is nog volop gaande. De Kamer is in het voorjaar van 2012 geïnformeerd over de Meerjarige Plannen van de ambassades in de 15 partnerlanden3. Goedkeuring van deze plannen is vorig jaar afgerond en de uitvoering is op 1 januari 2012 begonnen. Ook zijn in diverse landen de voorbereidingen om te komen tot uitvoering van activiteiten nog in volle gang. In dit verband wil ik opmerken dat het opstarten van activiteiten, zoals u weet, geruime tijd in beslag neemt. Tussen identificatie, projectformulering, de beoordeling van het uiteindelijke voorstel en eventuele openbare aanbesteding gevolgd door de uiteindelijke contractverlening, ligt in de regel 12 tot 18 maanden. Het is om deze redenen nog niet mogelijk om precies aan te geven welke resultaten er in 2012 worden behaald. Wel is het mogelijk de voorlopige resultaten over de eerste negen maanden van dit jaar te rapporteren.

Om de kwaliteit van de Nederlandse ontwikkelingsinspanning verder te versterken, beschikken de meeste ambassades sinds de zomer 20124 over de vereiste omvang en expertise voor het ontwikkelen en uitvoeren van het nieuwe speerpuntenbeleid. Ook Nederlandse vakdepartementen, bedrijven en kennisinstellingen zijn betrokken bij de uitwerking van de strategische plannen. Het topsectorenbeleid heeft hierbij een effectief platform geboden. De afstemming en coördinatie is in veel partnerlanden goed van de grond gekomen en zal ook in 2013 nog verder worden uitgewerkt.

Het doel van deze brief is u verder te informeren over de wijze waarop het speerpuntenbeleid concreet is uitgewerkt en over hoe de komende jaren de doelen gerealiseerd zullen worden. Ook informeer ik u over de voortgang die tot op heden is bereikt. De Nederlandse inzet en geboekte resultaten worden per speerpunt toegelicht. Tenslotte informeer ik u over de systematiek, die de basis is voor de toekomstige resultatenrapportage. De resultatenrapportage zal niet meer de vorm hebben van een aparte publicatie, maar geïntegreerd zijn in de Open Data set over ontwikkelingssamenwerking die dit Ministerie periodiek publiceert.

Er is een monitoringskader ontwikkeld voor het in kaart brengen van de resultaten van de speerpunten en dwarsdoorsnijdende thema’s (gender, goed bestuur, milieu en klimaat). Uitgangspunt van dit monitoringskader zijn de Kamerbrieven voor de betreffende speerpunten. Elke Kamerbrief beschrijft ambities die gegroepeerd zijn in drie tot vijf resultaatgebieden. Aan de door dit Ministerie gefinancierde uitvoerende instanties en de ambassades is gevraagd inzichtelijk te maken hoe zij bijdragen aan de resultaten van de Kamerbrief. Voor elk van deze resultaatgebieden zijn (te verwachten) resultaten beschreven in resultaatfiches. Deze bijdragen worden door middel van indicatoren zoveel mogelijk gekwantificeerd. De resultaatfiches vormen tezamen het monitoringskader.

De resultaatsfiches geven naast een goed inzicht in doelbereiking ook een waardering ervan en eventuele implicaties voor de toekomstige inzet. Op deze manier is maatwerk toegepast om de lokale context en de specifieke kenmerken van een uitvoerend kanaal tot uitdrukking te brengen.

Alle resultaatsfiches van de ambassades en van de vier speerpuntdirecties zullen openbaar zijn. Daarmee wordt invulling gegeven aan de wens om volledig transparant te zijn over de OS-activiteiten. In 2013 zal voor het eerst een volledige set resultaatfiches van de speerpuntdirecties en ambassades over 2012 worden gepubliceerd.

Om de leesbaarheid te bevorderen is er voor gekozen om de inhoudelijke rapportage per speerpunt op te nemen in de bijlage. Aan het einde van de bijlage treft u een voorbeeld resultaatfiche van elk speerpunt aan *).

De staatssecretaris van Buitenlandse Zaken, H. P. M. Knapen

*) Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer

Resultaten speerpunt Voedselzekerheid

Ambities

De ambities met betrekking tot voedselzekerheid zijn vastgelegd in de beleidsbrief van 24 oktober 2011 (Kamerstuk 32 605 nr. 54). Er wordt ingezet op vier resultaatgebieden: toename van duurzaam geproduceerd voedsel; verbeterde toegang tot voedsel van voldoende kwaliteit; efficiëntere markten; en verbeterd ondernemingsklimaat zodat het bedrijfsleven meer aan voedselzekerheid kan bijdragen.

De ambities zijn aangescherpt in het overleg met uw Kamer over landbouw en ontwikkelingslanden van 17 november en 21 december 2011. Uw Kamer vroeg daarbij aandacht voor de positie van kleine boeren en boerinnen (moties 31 250 nrs. 81, 90 en 91). Tevens is met de motie Wiegman/El Fassed (31 250 nr. 85) gevraagd naar de uitgangssituatie en resultaten voor de in de beleidsbrief voedselzekerheid genoemde indicatoren. Dezelfde motie vraagt om een jaarlijkse rapportage over de gemaakte voortgang. De voorliggende brief reageert op deze moties, evenals op de moties Ferrier inzake duurzaamheid (32 605 nr.45) en obstakels in het bedrijfsleveninstrumentarium (31 250 nr. 99).

Voortgang

  • Voortbouwend op de fast track initiatieven uit 2011 zijn vooral in partnerlanden Ethiopië, Kenia, Mozambique, Rwanda en Uganda nieuwe initiatieven in uitvoering genomen.

  • In andere landen gaan de nieuwe activiteiten dit of volgend jaar van start.

  • Onder de Faciliteit Duurzaam Ondernemen en Voedselzekerheid (FDOV) is een 36-tal publiek-private partnerschappen (PPP’s) geselecteerd die naar verwachting de komende jaren voor een bedrag van minimaal EUR 200 miljoen in voedselzekerheid zullen investeren (waarvan minimaal 50% uit eigen bijdragen van betrokken partners).

  • Nederlandse bedrijven, kennisinstellingen en maatschappelijke organisaties zijn volop actief in deze PPP’s. Topsectoren Agro&Food en Tuinbouw en Uitgangsmaterialen zijn goed vertegenwoordigd.

  • Een kennisforum Voedselzekerheid is opgericht, naast het Platform Voedselzekerheid. Vertegenwoordigers van bedrijfsleven, kennisinstellingen en maatschappelijke organisaties hebben zitting in deze fora, die respectievelijk adviseren over het kennisbeleid en voedselzekerheid in het algemeen.

  • In de G20 is er groeiende waardering van het belang van samenwerking met het bedrijfsleven, mede door de inbreng van Nederland.

1. Toename van duurzame voedselproductie

In 13 partnerlanden wordt ingezet op verhoging van de voedselproductie. In de fast track landen Ethiopië, Ghana, Mozambique en Uganda zijn de beoogde resultaten al gedefinieerd: dankzij de door Nederland gefinancierde programma’s wordt in 2015 in deze landen bijna 400 000 ton meer voedsel geproduceerd dan in 2012. Hierbij zullen ruim een miljoen boeren en boerinnen betrokken zijn. De productie en opbrengst per hectare nemen vooral toe door betere inputs als zaad, plantmateriaal en kunstmest beschikbaar te stellen, door betere landbouwvoorlichting en door efficiëntere en effectievere landbouwpraktijken in te voeren.

Programma’s als het Initiatief Duurzame Handel (IDH), het Private Sector Investeringsprogramma (PSI) en het medefinancieringsstelsel werken ook aan verhoging van de voedselproductie. De komende jaren verwachten deze programma’s bijvoorbeeld een toename van de duurzame visproductie met 225 000 ton.

Malinees-Nederlandse kalfjes. In Mali is een gebrek aan melk, waardoor kinderen in hun beginjaren niet voldoende «witte motor» krijgen en ondervoed raken. KI Samen BV heeft in Mali geïnvesteerd in kunstmatige inseminatie. Ondanks tegenwerking en de recente politieke onrust zijn de partners na vijf jaar hard werken op weg naar succesvolle afronding van het project. Dertig Malinezen zijn opgeleid om koeien te insemineren en voeren dit nu actief uit. De boeren melden per mobieltje wanneer een koe tochtig is. De kalfjes zijn half Malinees (moeder) en half Nederlands (sperma van stieren uit Nederland). Door dit project wordt een grote vooruitgang geboekt in de melkproductie in Mali. De Malinese koeien geven ongeveer 4 liter melk per dag, de Malinees-Nederlandse kalfjes zullen later 12 à 20 liter melk per dag geven.

Volgens de FAO zal de voedselproductie met 2 tot 4 procent stijgen als vrouwen dezelfde toegang tot productiemiddelen voor landbouw krijgen als mannen. De honger in de wereld kan daarmee met 12–17 procent dalen. Dan hebben we het over 100 tot 150 miljoen mensen. Zoals door de Kamer verzocht5 zijn daarom kleine producenten uitdrukkelijk doelgroep van de op productieverhoging gerichte programma’s en is gendergelijkheid een belangrijke doelstelling. In het bedrijfsleveninstrumentarium zijn aanpassingen doorgevoerd om de programma’s meer toegankelijk te maken voor vrouwelijke ondernemers.

Conform de motie Ferrier (32605 nr. 45) moet voedsel op duurzame wijze geproduceerd worden. Efficiënt gebruik van productiemiddelen als land, water, energie en arbeid is daarom een belangrijke randvoorwaarde; climate smart agriculture de internationaal erkende wijze waarop dit plaats kan vinden. Concrete voorbeelden zijn Ghana en Uganda, waar duurzame landbouwpraktijken worden bevorderd met certificeringsprogramma’s voor producenten, waarbij het certificaat standaarden geeft voor sociale en milieuverantwoordelijkheid. In Ethiopië zal in 2015 20% minder water gebruikt worden per geproduceerde ton voedsel en wordt 10 000 hectare land geconserveerd en herbebost met het oog op betere waterberging. Andere voorbeelden van efficiënt watergebruik in de landbouw zijn beschreven onder het speerpunt Water, resultaatgebied 1.

2. Betere toegang tot voedsel van voldoende kwaliteit

Negen partnerlanden (Bangladesh, Benin, Burundi, Ethiopië, Indonesië, Kenia, Mali, Mozambique en Rwanda) richten zich expliciet op deze doelstelling. Voor het bilaterale programma in Ethiopië is bijvoorbeeld een streefcijfer geformuleerd voor het aspect «beschikbaarheid van kwalitatief goede voeding»: in 2015 hebben additioneel 134 000 kinderen jonger dan twee jaar dankzij de Nederlandse bijdrage toegang tot voedsel van voldoende kwaliteit.

Terugdringen chronische ondervoeding (stunting). Door gebrek aan de juiste voedingsstoffen in de eerste twee levensjaren kunnen kinderen onomkeerbare geestelijke en lichamelijke schade oplopen. Volgens UNICEF treft dit wereldwijd 165 miljoen kinderen en is dit een maatschappelijke tijdbom voor veel ontwikkelingslanden. In Ethiopië gaat het om ongeveer 5 miljoen kinderen. Verlaging van dit aantal is topprioriteit in het nationale voedingsbeleid van Ethiopië. Tussen 2000 en 2011 is de chronische ondervoeding al afgenomen van 58% tot 44%; de doelstelling voor 2015 is dit terug te brengen tot onder de 35%. Dit wordt onder andere nagestreefd met voldoende voeding voor zwangere en borstvoeding gevende vrouwen, die ook voldoende micronutriënten bevat, en door bijvoeding van kinderen ouder dan 6 maanden met voldoende calorieën, eiwitten en micronutriënten. Nederland ondersteunt dit via bilaterale inzet en via financieel gesteunde internationale organisaties als Global Alliance for Improved Nutrition (GAIN) en het Micronutrient Initiative.

Toegang tot voedsel van voldoende kwaliteit wordt ook verbeterd door inkomens te verhogen. Via de bilaterale programma’s in vijf partnerlanden richt de Nederlandse inzet zich op inkomensverbetering van ruim 2 miljoen mensen in 2015. Zeven allianties in het medefinancieringsstelsel verwachten de komende jaren het inkomen van ruim 5,5 miljoen mensen te verbeteren.

De IDH-programma’s dragen eveneens bij aan verbetering van het inkomen. In het IDH theeprogramma is het inkomen van ruim 350 000 kleine boeren en landarbeiders in de afgelopen jaren met minstens 25% omhoog gegaan. In het katoenprogramma zijn ca. 90 000 boeren bereikt, die daardoor meer winst – tussen de 8 en 35 procent – zijn gaan maken. Het cacaoprogramma laat ook grote productiviteits- en inkomstenverbeteringen zien (>50 procent).

3. Efficiëntere markten

De toename van de handel in landbouwproducten (lokaal, regionaal, internationaal) wordt gebruikt om te meten in hoeverre de markten efficiënter zijn. Zo zal in Ghana in 2015 volgens de planning ruim 600 000 ton meer cacao en palmolie worden verhandeld dan in 2012 en in Uganda ruim 70 miljoen liter meer melk. Vijftien landen in West Afrika hebben in 2012 regelgeving aangenomen met betrekking tot de regionale handel in zaaigoed en pesticiden waardoor boeren en boerinnen beter toegang hebben tot deze productiemiddelen. Het mede door Nederland gefinancierde International Fertilizer Development Centre (IFDC) heeft hier ondersteuning aan gegeven.

Wegenbouw voor betere marktwerking. In Rwanda kunnen boeren hun producten niet naar de markt brengen omdat de wegen slecht zijn. Hierdoor bereiken niet genoeg gewassen de consument en heeft de boer(in) minder inkomen. Nederland investeert daarom in herstel en onderhoud van wegen die het platteland met de stad verbinden. Eind 2013 zullen 535 km plattelandswegen opgeknapt zijn. Ook in Benin en Zuid Sudan wordt om dezelfde reden de komende jaren in wegen geïnvesteerd. In Zuid Sudan gaat het om de aanleg van 125 km weg.

4. Verbeterd ondernemingsklimaat

In Ethiopië, Kenia, Uganda en Zuid Sudan is de inzet het ondernemingsklimaat zodanig te verbeteren dat de bedrijvigheid in 2015 met bijna 12 000 ondernemingen zal zijn toegenomen ten opzichte van 2012. In Afghanistan, Mozambique en Uganda groeit de werkgelegenheid met ruim 15 000 nieuwe arbeidsplaatsen (2015 versus 2012) dankzij de Nederlandse inzet. Werkgelegenheid is ook een belangrijke indicator voor succes van het PSI programma. Gemiddeld worden er ongeveer 80 nieuwe arbeidsplaatsen gecreëerd per PSI-project. Met jaarlijks ongeveer 100 nieuwe PSI-projecten biedt dit programma elk jaar aan 8 000 mensen een nieuwe, vaste baan. Drie allianties van Nederlandse maatschappelijke organisaties onder het medefinancieringsstelsel helpen gezamenlijk ongeveer 65 000 mensen aan werk en dragen in 2015 bij aan de ontwikkeling van 1 400 nieuwe ondernemingen.

Landrechten als voorwaarde voor agrarisch ondernemen. Met de motie Dikkers/El Fassed (31 250 nr. 90) vraagt de Kamer specifieke expertise te ontwikkelen met betrekking tot het ondersteunen bij het verkrijgen van landrechten van boerinnen in ontwikkelingslanden. De door Nederland ondersteunde International Land Coalition (ILC) richt zich op verbetering van landrechten van vrouwen op het platteland. Via training en campagnes wordt ingezet op het vergroten van de kennis van vrouwen over het belang en de inhoud van hun rechten ten aanzien van landgebruik. In Rwanda en Mozambique zet de ambassade ook in op verbetering van landrechten. In Rwanda moet dit in de periode tot en met 2015 leiden tot uitgifte van 10 miljoen landtitles, waarvan minstens 50% aan vrouwen. In Mozambique wil men het geregistreerd landeigendom in dezelfde periode verdubbelen.

Nederland en ILC hebben actief bijgedragen aan de totstandkoming van de recent wereldwijd aangenomen Voluntary Guidelines on the Responsible Governance of Tenure of Land, Fisheries and Forest in the context of National Food Security. Nederland zet de komende jaren in op zo breed mogelijke toepassing van deze richtlijnen.

Uitdagingen

  • De komende jaren zal verder intensiveren nodig zijn om de ambitie te verwezenlijken. Gestreefd zal worden een derde tot de helft van de uitgaven voor voedselzekerheid via ambassade programma’s in partnerlanden te realiseren. Het overige deel loopt via de door het departement beheerde programma’s (zoals Faciliteit Duurzaam Ondernemen en Voedselzekerheid) en het multilaterale kanaal (bijvoorbeeld Global Agriculture & Food Security Programme).

  • Ook kwalitatieve intensivering is nodig vooral ten aanzien van:

  • Het raakvlak voedselzekerheid en water (More Crop per Drop).

  • Voedselzekerheid, resilience en disaster risk reduction.

  • Voedselzekerheid en dwarsdoorsnijdende thema’s gender, goed bestuur en milieu en klimaat.

Budgettair

EUR

Begroting 2012

Begroting 2013

Begroting 2014

Begroting 2015

Departement

154 305 000

184 113 000

252 265 000

283 625 000

Ambassades

87 693 000

118 992 000

144 347 000

152 670 000

Totaal

241 998 000

303 105 000

396 612 000

436 295 000

Resultaten speerpunt Water

Ambities

Binnen het speerpunt water zet Nederland in op drie resultaatgebieden: het vergroten van waterproductiviteit in de landbouw; verbeterd stroomgebied beheer en veilige delta’s; en vergrote toegang tot drinkwater en sanitatie. Hiermee wordt aangesloten bij mondiale prioriteiten en het topsectorenbeleid. Conform de moties Ferrier (32 500-V, nr. 36 en 32 605, nr. 41/45) vormen duurzaamheid, milieu en klimaat belangrijke aandachtspunten in de waterprogramma’s. Om de integratie van deze thema’s structureel in programma’s te verankeren is de Dutch Sustainability Unit onder de Commissie MER opgericht. Ook gender en goed bestuur vormen in alle programma’s belangrijke aandachtspunten.

Voortgang

  • In 6 partnerlanden zijn meerjarige strategische plannen met een specifieke focus op water in de uitvoeringsfase. Voor het opstellen van deze plannen is onder andere via het NWP nauw samengewerkt met de Nederlandse watersector en andere departementen.

  • Het betrekken van het bedrijfsleven heeft onder meer gestalte gekregen via Fonds Duurzaam Water. In totaal 28 voorstellen voor PPPs in alle drie de resultaatgebieden onder water zijn in behandeling. De voorstellen worden getoetst op financiële, institutionele, ecologische, technische en sociale duurzaamheid6.

  • Deze zullen naar verwachting leiden tot investeringen in de watersector ter waarde van EUR 100 miljoen, waarvan 50% door de sector wordt opgebracht.

  • Via een studie en een sectorconsultatie heeft het kennisplatform water nader vorm gekregen.

  • In samenwerking met onder andere UNESCO-IHE en Instituut Clingendael is de basis gelegd voor een sterkere rol van Nederland op het gebied van waterdiplomatie.

  • Nederlandse kennis en kunde op het gebied van remote sensing wordt ingezet voor het in kaart brengen van watergebruik in de landbouw.

  • De geïntegreerde aanpak van Nederland op het gebied van waterbeheer

en -veiligheid krijgt ook navolging in Bangladesh.

1. Efficiënt watergebruik, met name in de landbouw

In door Nederland ondersteunde programma’s wordt op verschillende manieren gewerkt aan het vergroten van de productiviteit van water. In de partnerlanden Bangladesh en Indonesië wordt het watergebruik in de landbouw geoptimaliseerd door een combinatie van verbeterde infrastructuur, participatie van boeren in onderhoud en beheer, verbeterde wetgeving en een krachtiger bestuur.

Adaptation for Smallholder Agriculture. Nederland ondersteunt dit programma7 uitgevoerd door het International Fund for Agricultural Development (IFAD), dat de weerbaarheid van boeren tegen de gevolgen van klimaatverandering vergroot. Boeren en boerinnen worden ondersteund bij efficiënt gebruik van water en de toepassing van innovatieve landbouwtechnieken. In 2015 zal op 270 000 ha verbeterd land- en watermanagement worden toegepast. Verwacht wordt dat de waterproductiviteit zal toenemen met 15% in 2015 en 30% in 2020.

Met het Regionale Programma voor Water en Voedsel in de Sahel en in de Hoorn van Afrika helpt Nederland bij het vinden van oplossingen voor structurele armoede en terugkerende hongersnood. Doel is het regenereren van gedegradeerde gronden in Burkina Faso, Mali, Niger, Ethiopië en Kenia en het op grote schaal toepassen van bestaande succesvolle lokale benaderingen voor verbeterd land- en waterbeheer.

Rond Lake Naivasha (Kenia) werkt de Nederlandse bloemen- en drinkwatersector samen met boeren, lokale organisaties en gemeentes om water beter te verdelen en de waterkwaliteit te verbeteren. Na aanvankelijk conflicten ligt er nu een meerjarenplan om water efficiënter en duurzamer te gebruiken en daarvoor o.a. beprijzen van watergebruik in te voeren. Boerengroepen, gemeentes en private sector investeren samen om het ecosysteem productief en winstgevend te houden. Resultaat is een grotere waterzekerheid, een betere waterkwaliteit, een goede drinkwatervoorziening en een verhoogde productie van voedsel en commerciële gewassen.

Om het watergebruik in de landbouw goed in kaart te kunnen brengen wordt een programma ontwikkeld voor het meten van de waterproductiviteit in partnerlanden met o.a. remote-sensing technieken. Op basis van deze informatie kunnen boeren en boerinnen beter worden geïnformeerd over de beste momenten om te zaaien, te poten en te oogsten.

2. Verbeterd stroomgebiedbeheer en veilige delta’s

Nederland ondersteunt het beheer van nationale en grensoverschrijdende stroomgebieden. Uitgangspunt is een benadering, waarin milieu, klimaat, gender en goed bestuur integraal onderdeel vormen van alle activiteiten. In Bangladesh is een Memorandum of Understanding getekend voor de ontwikkeling van een Nationaal Deltaplan, dat zal resulteren in een veiliger leefomgeving voor de bevolking, een verbeterde bescherming van landbouw en infrastructuur, en meer kansen op verhoogde productie en economische groei. Nederland zal de overheid van Bangladesh assisteren bij het formuleren van een integraal plan voor de zuidelijke delta en bij het versterken van de voor uitvoering verantwoordelijke organisaties en procedures. In Benin is het nationaal water management plan door de overheid goedgekeurd en steunt Nederland de uitvoering ervan via de centrale overheid. In het benedenstroomse gebied van de Senegal rivier heeft de regionale organisatie verantwoordelijk voor het grensoverschrijdend beheer van deze rivier, met Nederlandse hulp o.a. de overlast door waterplanten bestreden waar zowel de geïrrigeerde landbouw, de visserij en de volksgezondheid van profiteren.

OMVS: Nederland ondersteunt de OMVS (Organisation pour la Mise en Valeur du fleuve Senegal) sinds 2004. De OMVS heeft zich ontwikkeld tot de best functionerende internationale stroomgebiedsorganisatie van Afrika. De organisatie wekt ca. 800 GWh per jaar aan elektriciteit op, verzekert de watertoevoer voor ca. 100 000 ha. geïrrigeerde landbouw, verzorgt de drinkwatervoorziening van diverse steden en behoudt de ecosystemen in de rivierdelta. Naast de bestrijding van waterplanten, die in de benedenloop van de rivier de watertoevoer voor irrigatie natuur en drinkwatervoorziening blokkeren, ondersteunt Nederland de ontwikkeling van watergebruikersorganisaties die een rol spelen bij het onderhoud van watergangen. Daarnaast assisteert Nederland bij de verzameling en analyse van hydrologische gegevens en bij erosiebestrijding. Met financiering uit het ORIO-programma analyseert de OMVS bovendien of het haalbaar is polders te ontwikkelen in de benedenloop van de rivier. Het Waterschap Rivierenland, Rijkswaterstaat en het havenbedrijf van Rotterdam zijn strategische partners.

In Indonesië en Vietnam wordt met inzet van Nederlandse kennis gezocht naar een structurele oplossing voor de overstromingsproblemen van Jakarta en Ho Chi Minh stad. Via het Nile Basin Initiative en de Mekong River Commission draagt Nederland bij aan een verbeterde samenwerking tussen oeverstaten, waardoor benedenstroomse landen tijdig op de hoogte zijn van naderende overstromingen en informatie wordt gedeeld over interventies die van invloed zijn op de beschikbaarheid van water. Ook wordt een belangrijke bijdrage geleverd aan capaciteitsopbouw en versterking van lokale instituties verantwoordelijk voor waterbeheer via ondersteuning van programma’s uitgevoerd door UNESCO-IHE en UNDP/CAPNET en de door NUFFIC gefaciliteerde Niche programma’s. Een studie uitgevoerd door Instituut Clingendael, The Hague Institute for Global Justice, UNESCO-IHE en het Water Governance Centre heeft aangetoond dat er voor Nederland een rol is op het gebied van waterdiplomatie; in 2013 zal hier vervolg aan worden gegeven in de vorm van cursussen en specifieke activiteiten gericht op conflictpreventie.

3. Toegang tot veilig drinkwater en sanitatie

Steeds meer mensen krijgen toegang tot veilig drinkwater en sanitaire voorzieningen. In een aantal partnerlanden, waaronder Kenia, kunnen verbeterde voorzieningen de snelle urbanisatie echter niet bijhouden. Regionale ongelijkheid en ongelijkheid binnen landen en inkomensgroepen blijft nog een probleem. Doel is om tot 2015 25 miljoen mensen additioneel t.o.v. 2010 toegang te geven tot drinkwater en sanitatie; vrouwen en meisjes vormen hierbij een expliciete doelgroep. Dankzij Nederlandse programma’s hebben in 2012 bijna 6 miljoen mensen toegang gekregen tot sanitaire voorzieningen en ruim 2 miljoen mensen tot veilig drinkwater. Vooral rurale gebieden hebben hiervan geprofiteerd8. Het grootste deel van de voortgang is te danken aan BRAC in Bangladesh dat in de periode 2007–2011 met Nederlandse ondersteuning 20,8 miljoen mensen toegang heeft gegeven tot sanitaire voorzieningen. Daarnaast zijn door bilaterale programma’s uitgevoerd in andere partnerlanden, regionale programma’s van UNICEF en de Water Supply and Sanitation Collaborative Council in totaal 2.8 miljoen mensen bereikt in de periode 2011–2012.

Fysieke watervoorzieningen alleen zijn ontoereikend. Voorlichtingscampagnes op het gebied van hygiëne hebben in 2011 en 2012 ruim 6 miljoen mensen bereikt. Bijna 6 000 scholen en dorpen zijn Open Defecation Free verklaard; hier maakt men nu gebruik van sanitaire voorzieningen waarin men zelf heeft geïnvesteerd en worden gezondheidsrisico’s die samenhangen met open defecation beperkt.

Community-led Total Sanitation (CLTS) is een innovatieve en succesvolle methode om gemeenschappen te bewegen en masse toiletten te gebruiken. De strategie is gericht op individuele gedragsverandering met als doel het beëindigen van ontlasten in open veld (open defecation). Sociale druk leidt ertoe dat alle individuele huishoudens van een toilet worden voorzien en de gemeenschap Open Defecation Free (ODF) kan worden verklaard. Na de start in Bangladesh wordt het realiseren van ODF gemeenschappen in toenemende mate toegepast als nationale strategie door overheden in Azië en Afrika. Hygiënevoorlichting en -promotie zijn centrale componenten bij het bereiken van ODF gemeenschappen. De CLTS-programma’s van WSSCC hebben eraan bijgedragen dat 1 527 gemeenschappen ODF zijn verklaard en 2,3 miljoen mensen hygiënevoorlichting hebben ontvangen. Het door Nederland gesteunde Unicef programma in Oost- en Zuidelijk Afrika heeft geleid tot hygiëne gedragsverandering van 2,8 miljoen mensen.

Naast het eerder genoemde Fonds Duurzaam Water (FDW) wordt ook op landenniveau de private sector ingeschakeld, vaak in samenwerking met NGO’s. In Mozambique en Bangladesh versterkt Vitens Evides International (VEI) lokale waterbedrijven. Door investeringen in de infrastructuur en verbetering van de bedrijfsvoering kan in Mozambique nu 50% van de operationele- en onderhoudskosten uit tarieven worden betaald en is het lekverlies van het drinkwatersysteem met 30% teruggedrongen. In het Frisian Urban Sanitation Programme (FUSP) in Mozambique wordt door Waterschap Friesland met lokale waterschappen samengewerkt aan de aanpak van afvalwater in 4 provinciesteden. In dit programma worden op scholen voor jongens en meisjes gescheiden sanitaire voorzieningen gebouwd waardoor schooluitval van meisjes wordt beperkt. In Ghana wordt een sanitatie programma opgezet voor drie steden waarbij ook het beheer van bovenstroomse stroomgebieden aandacht krijgt.

Een nieuwe sanitatie aanpak in Mozambique. De verantwoordelijkheid voor drinkwater en sanitatie ligt in dit land bij gemeenten en steden. Het Waterschap Friesland ondersteunt de versterking van besturen van vier kleine steden via een breed trainingsprogramma. Dit heeft geresulteerd in duidelijkere verantwoordelijkheden en capaciteit op het gebied van sanitatie en uiteindelijk tot schonere meer leefbare steden. Eén van de projectsteden Inhambane is in 2012 uitgeroepen tot schoonste stad van Mozambique. Recentelijk is nieuw nationaal beleid geformuleerd voor de aanpak van sanitatie in steden. In dit beleid zijn veel aspecten terug te vinden die in het FUSP programma zijn ontwikkeld zoals het streven naar autonome capaciteit op het niveau van het stadsbestuur, focus op milieu aspecten, de strategie voor schoolsanitatie, het werken vanuit de gehele value chain van sanitatie en het betrekken van de private sector.

Uitdagingen

  • Uitbreiding van ondersteuning aan efficiënt watergebruik, verbeterd stroomgebied beheer en veilige delta’s zonder dat dit ten koste gaat van drinkwater en sanitatieprogramma’s;

  • Bij formulering, uitvoering en monitoring moeten milieu en klimaat, participatie van kwetsbare groepen, goed bestuur en gendergelijkheid systematisch en integraal worden geadresseerd;

  • Op nationaal niveau moet nadrukkelijk aandacht worden besteed aan financieel management en anti-corruptie maatregelen in partnerlanden die water als speerpunt hebben gekozen;

  • Watergebruik, vooral in de landbouw, moet goed in kaart worden gebracht en er moeten maatregelen worden genomen om waterproductiviteit met 25% te verhogen;

  • De aanbevelingen van IOB over duurzaamheid en waterkwaliteit moeten in lopende en nieuwe drinkwaterprogramma’s worden geëffectueerd.

Budgettair

EUR

Begroting 2012

Begroting 2013

Begroting 2014

Begroting 2015

Departement

68 329 000

44 136 000

79 090 000

97 144 000

Ambassades

112 028 000

146 841 000

153 071 000

146 013 000

Totaal

180 357 000

190 977 000

232 161 000

243 157 000

Resultaten speerpunt SRGR

Ambities

Het Nederlandse beleid voor Seksuele en Reproductieve Gezondheid en Rechten (SRGR) richt zich op vier concrete resultaatgebieden: (i) meer kennis en keuzevrijheid van jongeren over hun seksualiteit; (ii) verbeterde toegang tot aidsremmers, voorbehoedmiddelen en andere levensreddende middelen; (iii) betere publieke en private gezondheidszorg tijdens zwangerschap en bevalling, inclusief veilige abortus; en (iv) meer respect voor seksuele en reproductieve rechten van mensen aan wie deze rechten wordt onthouden.

Daarmee levert Nederland een substantiële bijdrage aan MDG 5, een verlaging van moedersterfte en universele toegang tot reproductieve zorg, en een deel van MDG 6, een halt toeroepen aan de verspreiding van HIV/AIDS. Hierdoor wordt ook een positieve impuls gegeven aan MDG 4, een verlaging van kindersterfte.

Op al deze gezondheidsmillenniumdoelen zijn positieve ontwikkelingen te melden. Zo is in 2011 de moedersterfte bijna gehalveerd ten opzichte van 1990. Jaarlijks sterven nu 259 000 minder vrouwen bij de bevalling of tijdens zwangerschap dan 20 jaar geleden. MDG 6, gericht op bestrijden van HIV/AIDS, is haalbaar geworden. Er is een spectaculaire toename van mensen onder behandeling van aidsremmers. Het aantal nieuwe HIV-infecties is wereldwijd met 21% afgenomen sinds 1997. Verder is kindersterfte sinds 1990 met 41% gedaald. In 20 jaar is het aantal kinderen dat voor hun vijfde verjaardag overlijdt, gedaald van 12 naar 7 miljoen per jaar.

Voortgang

Sinds de behandeling van het speerpunt SRGR in uw Kamer op 4 juli 2012 zijn de volgende stappen gezet:

  • Nederland ondersteunt SRGR actief in acht partnerlanden: Bangladesh, Benin, Burundi, Ethiopië, Ghana, Jemen, Mali en Mozambique. Daarnaast loopt in zuidelijk Afrika een regionaal programma voor SRGR en HIV/AIDS. De uitvoering van de meerjarige plannen is dit jaar van start gegaan. Het speerpunt SRGR is nieuw in Benin en Burundi en programma’s worden in gang gezet. De plannen voor Jemen en Mali worden door de politieke situatie nog uitgewerkt of bijgesteld.

  • De openbare aanbesteding voor het SRGR-fonds is uitgezet. Dit fonds faciliteert de inzet van maatschappelijk organisaties voor de uitvoering van kosteneffectieve en levensreddende interventies op het terrein van SRGR. De goedkeuringsprocedure wordt nog dit jaar afgerond en de activiteiten starten in 2013.

  • De oprichting van een kennisplatform voor SRGR heeft verder vorm gekregen in nauwe samenwerking met maatschappelijke en kennisinstellingen.

  • Er wordt nauw samengewerkt met de private sector. Zo zijn de voorbereidingen voor het Stimuleringsfonds Life Sciences & Health in volle gang. Ook zijn consultatierondes gestart met de private sector onder het motto «veilig vrijen met het bedrijfsleven». Die zullen naar verwachting in 2013 leiden tot innovatieve samenwerkingsverbanden tussen NGO’s en bedrijven die bereid zijn hun merk te verbinden aan het thema SRGR, vooral gericht op jongeren.

1. Meer kennis en keuzevrijheid van jongeren over hun seksualiteit

Kennis van jongeren over HIV/AIDS is licht verbeterd, maar blijft laag. In alle partnerlanden heeft minder dan de helft van de jongens en meisjes correcte kennis over de verspreiding en preventie van deze ziekte. Uit onderzoek is gebleken dat informatie hierover tot gedragsverandering kan leiden, mits daar ook de mogelijkheden toe zijn. Zelfs in landen met de hoogste HIV-prevalentie blijken jongeren met kennis minder risicovol seksueel gedrag te vertonen en consequenter condooms te gebruiken. Hierdoor is het aantal HIV-infecties in deze landen met 25% of meer gedaald.

Meer kennis en mogelijkheden voor jongeren leiden tot een vermindering van het aantal tienerzwangerschappen. Tienerzwangerschappen leiden vaker tot complicaties en sterfte dan bij vrouwen boven de 20. In alle acht partnerlanden is het percentage tienerzwangerschappen afgenomen. In Ethiopië en Bangladesh is dit aantal in tien jaar met 40% gedaald. In beide landen is dit resultaat toe te schrijven aan politieke daadkracht en een beleid dat toegang tot reproductieve gezondheidszorg verbetert. In landen als Mali, Mozambique en Benin blijft het hoge percentage tienerzwangerschappen een groot probleem. In deze landen wordt nu beleid ontwikkeld voor jongeren en seksuele en reproductieve gezondheid. Nederland en door Nederland ondersteunde organisaties werken actief mee aan de ontwikkeling en uitvoering van dit beleid.

Jongeren en SRGR: Onder MFS II heeft de alliantie Unite for Body Rights in diverse landen in 2011 circa 180 000 jongeren bereikt met seksuele voorlichting op scholen. Rutgers WPF, penvoerder van deze alliantie, is in Nederland een autoriteit op het gebied van seksuele voorlichting. In Bangladesh ondersteunt Rutgers WPF inhoudelijk het curriculum op 360 scholen. Veel NGO’s werken samen om jongeren niet alleen op scholen te bereiken, maar ook via jeugdclubs waarvan er nu rond de 9 300 zijn opgezet. Daardoor worden bijna een miljoen jongeren wekelijks bereikt. Via de jeugdclubs kunnen zij informatie en voorlichting krijgen, evenals dienstverlening, zoals voorbehoedmiddelen. In de omliggende dorpen wordt ouders geadviseerd het huwelijk van hun dochters uit te stellen. In Bangladesh is twee op de drie meisjes getrouwd voor de wettelijke leeftijd van 18 jaar.

2. Verbeterde toegang tot aidsremmers, voorbehoedmiddelen en andere levensreddende middelen

Wereldwijd hebben nu acht miljoen mensen met hiv toegang tot aidsremmers. Dat is een spectaculair verschil met 10 jaar geleden toen slechts 400,000 mensen onder behandeling waren. Dit is mogelijk geworden door de sterke internationale financiële inzet en kennis waar Nederland via het Global Fund against Aids, TB and Malaria en UNAIDS aan bijdraagt. Hierdoor daalt nu jaarlijks het aantal nieuwe HIV-infecties en sterfgevallen door aids.

Vrouwencondooms: De Nederlandse IMPACT alliantie werkt in Nigeria, Kameroen en Mozambique aan de promotie van het vrouwencondoom. Sinds 2009 zijn er al 2,4 miljoen vrouwencondooms over de toonbank gegaan in Nigeria. Het aantal verkooppunten is toegenomen. Ook in Ethiopië is het vrouwencondoom dit jaar toegelaten tot de markt, waardoor vrouwen zich in toenemende mate zelf kunnen beschermen tegen HIV en andere seksueel overdraagbare aandoeningen.

Het gebruik van voorbehoedsmiddelen redt levens en is zeer kosteneffectief. Indien alle 220 miljoen vrouwen die voorbehoedmiddelen willen gebruiken, toegang zouden krijgen, zou driekwart van alle abortussen en ongewenste zwangerschappen vermeden kunnen worden. Daardoor zouden jaarlijks de levens van 80 000 vrouwen en meisjes worden gered. Van alle partnerlanden is het gebruik door vrouwen van moderne voorbehoedsmiddelen het laagst in Benin en Mali: slechts 7% van de vrouwen. In Ethiopië is het gebruik de laatste jaren verdubbeld van 13% naar 27%. De Nederlandse ondersteuning aan UNFPA en het Global Programme to enhance Reproductive Health Supplies and Commodities heeft het de afgelopen drie jaren mogelijk gemaakt dat 56 miljoen vrouwen zich konden beschermen tegen zwangerschap met diverse voorbehoedmiddelen.

3. Betere publieke en private gezondheidszorg tijdens zwangerschap en bevalling, inclusief veilige abortus

In alle partnerlanden wordt de laatste jaren meer gebruik gemaakt van zwangerschapscontroles en begeleid bevallen. De verschillen, tussen partnerlanden en in landen tussen arm en rijk, zijn groot. In Ethiopië bevalt slechts 1 op de 10 vrouwen onder medische begeleiding; in Benin 8 van de 10. In Ethiopië en Mozambique zijn de financiële barrières weggehaald voor reproductieve zorg. Bevalling, gezinsplanning en zwangerschapscontroles zijn gratis. Toch blijven transport, sociale barrières en culturele opvattingen beperkende factoren voor de bevalling in een kliniek of het gebruik van voorbehoedmiddelen. Nederland stimuleert de samenwerking tussen publieke en private zorgverleners in het toegankelijker maken van reproductieve zorg.

Publiek-Private samenwerking: De overheid van Ethiopië heeft 17 000 gezondheidswerkers getraind in moderne methoden voor gezinsplanning en rolmodellen ingezet in ieder dorp om zwangere vrouwen ervan te overtuigen in een kliniek te bevallen. Nederland ondersteunt deze inzet en zet tevens in op de complementaire rol van diverse lokale en internationale NGO’s.

In Jemen geeft Marie Stopes international met steun van Nederland training aan verloskundigen in overheidsdienst en heeft het een netwerk van zelfstandig opererende verloskundigen opgericht. In Mali heeft Nederland het mogelijk gemaakt dat de overheid NGO’s contracteert die 1 500 mensen hebben ingeschakeld om vrouwen van deur tot deur benaderen met diverse gezinsplanningsmethodes.

4. Meer respect voor seksuele en reproductieve rechten van mensen aan wie deze rechten worden onthouden

In alle partnerlanden zijn ongelijkheid tussen mannen en vrouwen, seksueel en huiselijk geweld, illegale abortus, kinderhuwelijken en de positie van homoseksuelen en sekswerkers taboe-onderwerpen en de oorzaak van hogere moeder- en kindersterfte en de verspreiding van HIV. Rechtsonzekerheid en angst leiden tot kwetsbaarheid, risicovoller gedrag en gevaar op het verspreiden van ziektes als HIV/AIDS.

Inzet op risicogroepen: UNAIDS heeft bewezen dat investeren in effectieve en context-specifieke situaties meer value for money

oplevert dan algemene hiv-preventieprogramma’s. UNAIDS bracht in 30 landen in kaart door welke risicogroepen de HIVepidemie

gedreven wordt. Op grond van deze analyse zijn in veel landen de strategie en verdeling van financiële middelen binnen

nationale programma’s aangepast. Zo werd in Kenia de focus van HIV-programma’s verlegd naar mannen die seks hebben met

mannen en naar sekswerkers.

In de meeste partnerlanden is de minimum huwbare leeftijd vastgelegd in de wetgeving. Deze varieert van 16 jaar in Ghana en Mali tot 18 jaar in Benin, Burundi, Ethiopië, Mozambique en Bangladesh. Overal wordt de naleving van de wettelijke minimum leeftijd met voeten getreden. Nederland heeft zich tijdens de Dag van het Meisje op 11 oktober 2012 aangesloten bij de strijd tegen kind huwelijken en de gevolgen daarvan.

Diverse allianties van Nederlandse maatschappelijke organisaties hebben de rechtspositie van gemarginaliseerde groepen in kaart gebracht. Deze allianties werken samen met honderden lokale organisaties die het politieke debat en de beleidsvorming beïnvloeden. Vaak heeft deze lobby effect, zoals in Sierra Leone waar de partners van de Child Rights Alliantie hebben bereikt dat aanbevelingen voor het tegengaan van seksueel misbruik van gehandicapten zijn geaccepteerd.

Uitdagingen

  • Er is groeiende oppositie uit de traditioneel-culturele groepen tegen SRGR. Dit leidt in het bijzonder tot inperking van de keuzevrijheid van vrouwen en meisjes over moederschap en van de mensenrechten van seksuele minderheden.

  • De internationale financiering voor SRGR staat onder druk als gevolg van zowel de financiële crisis als de bovengenoemde weerstand tegen het thema.

  • Het blijft een uitdaging om gemarginaliseerde groepen toegang te verlenen tot voorbehoedmiddelen, medicijnen als aidsremmers en zorg. Het gaat daarbij onder meer om de armste groepen vrouwen in rurale en conflictgebieden, etnische en seksuele minderheden en jongeren.

  • De positie van SRGR in de ontwikkelingsagenda na 2015 is nog onduidelijk.

Budgettair

EUR

Begroting

2012

Begroting

2013

Begroting

2014

Begroting 2015

Departement

251 579 000

284 608 000

308 774 000

343 124 000

Ambassades

117 786 000

94 856 000

87 489 000

82 049 000

Totaal

369 365 000

379 464 000

396 263 000

425 173 000

Resultaten speerpunt Veiligheid en Rechtsorde

Ambities

De ambities met betrekking tot het speerpunt veiligheid en rechtsorde zijn vastgelegd in de Kamerbrief van 21 mei 2012 (Kamerstuk 32 605 nr. 94), waarin de beoogde resultaten op vijf doelen centraal staan, te weten veiligheid voor mensen, een functionerende rechtsorde, inclusieve politieke processen, een legitieme en capabele overheid en vredesdividend via werkgelegenheid en basisvoorzieningen. Nederland beoogt de veiligheid en rechtsorde in ontwikkelingslanden te bevorderen door onderliggende oorzaken van conflicten, instabiliteit en uitsluiting aan te pakken vanuit het oogpunt van human security. De landenspecifieke context is in alle gevallen leidend voor de keuze van de doelen die Nederland nastreeft, voor de keuze van internationale en nationale partners en voor de mix van interventies die daaruit volgt. Hieronder volgen representatieve voorbeelden van de resultaten die Nederland binnen het speerpunt veiligheid en rechtsorde wil behalen.

Voortgang

Sinds de behandeling van het speerpunt veiligheid en rechtsorde in uw Kamer op 4 juli 2012 zijn de volgende stappen gezet:

  • In de meeste partnerlanden zijn de Meerjarige Plannen in uitvoering; de plannen voor Jemen worden door de politieke situatie en de onvolledige bezetting op de post nog uitgewerkt.

  • De openbare aanbesteding wederopbouw voor het particulier kanaal is afgerond. Hiermee wordt de inzet van maatschappelijk organisaties op veiligheid en rechtsorde in partnerlanden geïntensiveerd.

  • Mede dankzij Nederlandse lobby activiteiten voor de New Deal on Engagement in Fragile States is het draagvlak binnen Wereldbank en VN voor vredesopbouw- en staatsopbouwdoelen toegenomen.

  • Door Nederlandse inzet werkt de VN nu meer geïntegreerd en zijn ruimere financiële middelen beschikbaar voor VN-organisaties op het gebied van vredesopbouw en rule of law.

  • De oprichting van het kennisplatform veiligheid en rechtsorde heeft verder vorm gekregen in nauwe samenwerking met maatschappelijke en kennisinstellingen.

  • In EU-verband streeft Nederland naar een geïntegreerde, effectieve en conflict sensitieve EU-inzet in fragiele staten. De invoering van de EDEO heeft de voortgang op dit gebied mede vertraagd.

1. Veiligheid voor burgers

De eerste doelstelling is het zekerstellen van de fysieke veiligheid voor mensen. In Afghanistan, Palestijnse Gebieden, Zuid-Soedan en Burundi beoogt Nederland deze doelstelling te realiseren door veiligheidssectorprogramma’s en/of demobilisatieprogramma’s uit te voeren samen met internationale missies van de VN of de EU. In Burundi is door Nederlandse ondersteuning de democratische controle op en de aansluiting bij de behoefte van de bevolking van de veiligheidssector (politie en leger) verbeterd. In Burundi heeft Nederland de volgende resultaten behaald: verbeterd Public Finance Management, waardoor corruptie in de veiligheidssector beter voorkomen en vervolgd kan worden; meer kennis bij leger en politie over gendergelijkheid, mensenrechten en ethiek; verminderde overlast voor bevolking door de bouw van kazernes voor leger en politie, meer stabiliteit door demobilisatie, ontwapening en re-integratie van oud-strijders. Ook is er een eerste onderzoek uitgevoerd door Burundese autoriteiten naar mensenrechtenschendingen door veiligheidsdiensten. Via de UN Mine Action Service en NGO’s draagt Nederland in een groot aantal landen bij aan de opruiming van mijnen en clustermunitie. Tevens vermindert Nederland de ongecontroleerde verspreiding van kleine wapens via het VN Actieprogramma voor kleine en lichte wapens.

2. Functionerende rechtsorde

Veiligheid, ontwikkeling en economische groei kunnen alleen op duurzame wijze tot stand worden gebracht als landen de capaciteit en de wil hebben om de rechtsorde te handhaven. In Afghanistan wordt sinds 2011 de politietrainingsmissie uitgevoerd. In Afghanistan en de Palestijnse Gebieden werkt Nederland aan het verbeteren van de primaire rechtsketen police-prison-prosecution door training van politie en justitie in mensenrechten en gendergelijkheid; betere (democratische) controle op de uitvoering; door bestrijden van corruptie en door modernisering van gevangenissen. In Zuid-Sudan zal Nederland de UNMISS vredesmissie ondersteunen bij o.a. de opbouw van politieposten in verschillende regio's. In Rwanda en Uganda richt Nederland zich op de institutionele opbouw van de rechtstaat.

Justitieprogramma Uganda: Het justitieprogramma in Uganda investeert in het verbeteren van de kwaliteit en kwantiteit van dienstverlening van politie en justitie. Hierdoor zijn burgers meer tevreden over de dienstverlening. Ook wordt een groter aantal verdachten binnen 48 uur voorgeleid en is de gemiddelde duur in voorarrest van verdachten verminderd. Bij het aanpakken van corruptie en het terugdringen van de achterstand in rechtszaken is tot nu toe slechts beperkte vooruitgang geboekt.

In Rwanda wordt de capaciteit van en verantwoording door justitiële instituties verbeterd en de toegang tot recht vergroot, ook voor de armen. Ook wordt straffeloosheid van internationale misdaden en de genocide ideologie bestreden. In Indonesië wordt een nieuw programma voor rechtsstaatontwikkeling opgezet in nauwe samenwerking met Nederlandse en internationale partners. Het regionale Midden-Amerika Programma richt zich op het versterken van de rechtsorde en het tegengaan van straffeloosheid, met name op het gebied van geweld tegen vrouwen en jeugdcriminaliteit.

3. Inclusieve politieke en vredesprocessen

Een noodzakelijke voorwaarde voor een stabiele samenleving is de aanwezigheid van mechanismen om conflicten in de samenleving op vreedzame wijze te beslechten. Nederland bevordert in diverse landen, zoals Kenia en Libië, dat conflicten sneller worden beëindigd of escalatie wordt voorkomen door capaciteit en expertise van VN-onderhandelaars via het UN Department of Political Affairs te ondersteunen. Ook vergroot Nederland de inclusiviteit van vredesbesprekingen door versterking van de capaciteit van maatschappelijke organisaties in deze vredesprocessen. Het Nederlandse beleid ten aanzien van vrouwen, vrede en veiligheid en het tweede Nationale Actieplan 1 325 staan hierbij centraal. Via steun aan het VN-vredesopbouwfonds bevordert Nederland stabiliteit en duurzame vrede in landen, zoals Zuid-Sudan, Burundi en het Grote Meren gebied, die net uit conflict komen. Ook draagt Nederland bij aan de financiering van conflictbemiddeling en inclusieve dialoog via gespecialiseerde organisaties, zoals het Centre for Humanitarian Dialogue,en het Interpeace en International Alert. Het kwantificeren van resultaten is door de aard van deze werkzaamheden en het landen specifieke karakter, niet eenvoudig.

4. Legitieme overheden

Een legitieme en capabele overheid is een belangrijke voorwaarde voor duurzame stabiliteit en veiligheid. In (post)conflictsituaties, zoals in Afghanistan en Zuid-Sudan, stelt Nederland via multi-donorfondsen de overheid in staat om essentiële diensten te verlenen door training van ambtenaren, betaling van salarissen en financiering van essentiële diensten, zoals gezondheidszorg en onderwijs. Via de MFS-allianties wordt de capaciteit van maatschappelijke organisaties versterkt waardoor in een groot aantal landen de dialoog tussen bevolkingsgroepen en de overheid wordt verbeterd, politieke, bestuurlijke en maatschappelijke checks and balances worden versterkt, straffeloosheid wordt verminderd en rechtmatig en transparant handelen bij overheden en bedrijven wordt afgedwongen. Resultaten bedoeld ter versterking van het democratische proces worden nagestreefd in het kader van de steun aan o.a. het Institute for Democracy and Electoral Assistance en het Netherlands Institute for Multi-party Democracy.

5. Vredesdividend

Het zichtbaar verbeteren van de levensomstandigheden van de bevolking direct na een conflictsituatie of oorlog draagt bij aan duurzame vrede, stabiliteit en herstel van vertrouwen in de samenleving (vredesdividend). Internationale en maatschappelijke organisaties kunnen hierin een belangrijke rol spelen door levering van sociale voorzieningen, livelihoods en werkgelegenheid. Het programma Wederopbouw 2012–2015 zal de deelnemende organisaties in staat stellen om resultaten te behalen op onder meer werkgelegenheid in bijvoorbeeld Burundi, Palestijnse Gebieden, Zuid-Soedan en Afghanistan. Voor de levering van basisvoorzieningen wordt ook synergie met andere speerpunten gezocht. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om levering van voorzieningen (water, SRGR) en het bevorderen van werkgelegenheid (voedselzekerheid). In de Grote Meren beoogt Nederland via ondersteuning van de VN-missie MONUSCO toegangswegen aan te leggen om economische ontwikkeling te bevorderen, de basisgezondheidszorg te verbeteren door steun aan klinieken en door het bevorderen van toegang tot onderwijs (ook via UNICEF programma).

Uitdagingen

  • Resultaatbereiking in fragiele situaties vraagt om een specifieke werkwijze: een flexibele, risicobewuste inzet en voldoende lange termijn betrokkenheid om resultaten te kunnen behalen. Nederland zal zich samen met partners inzetten om een goede afweging te maken tussen beoogde resultaten en risico’s en het management van risico’s te verbeteren.

  • Op dit moment zijn er voor activiteiten op het gebied van veiligheid en rechtsorde geen internationaal overeengekomen indicatoren voor monitoring en evaluatie zoals dat voor gezondheid en drinkwater wel het geval is. Nederland werkt hier samen met (internationale) partners aan.

  • Het aggregeren van landenresultaten op het gebied van veiligheid en rechtsorde is complex en niet altijd mogelijk, omdat de (beoogde en) bereikte resultaten vaak zeer contextafhankelijk zijn.

  • In fragiele en conflictsituaties is er vaak een gebrek aan goede en betrouwbare informatie. Voor het in kaart brengen van bereikte resultaten is het daarom soms nodig om aparte, vaak dure activiteiten uit te voeren (bijvoorbeeld perceptieonderzoeken).

Budgettair

EUR

Begroting 2012

Begroting 2013

Begroting 2014

Begroting 2015

Departement

166 459 000

176 602 000

241 248 000

272 416 000

Ambassades

112 143 000

146 035 000

143 906 000

138 992 000

Totaal

278 602 000

322 637 000

385 154 000

411 408 000


X Noot
1

Tweede Kamer, vergaderjaar 2011–2012, 32 605, nrs. 54/56, 65, 93, 94

X Noot
2

Ook ref. motie De Lange (Kamerstuk 32 605, 84), voor de begrotingsbehandeling brief naar Tweede Kamer over jaarlijkse voortgangsrapportage op de 4 speerpunten, waarin de resultaten van de regionale programma's worden meegenomen

X Noot
3

Tweede Kamer, vergaderjaar 2011–12, 32 605, nr. 69

X Noot
4

Het personeelsbeleid van Buitenlandse Zaken werkt met vierjarige overplaatsing in de zomer

X Noot
5

Motie Thieme/Ouwehand (31250 nr. 81): verzoekt de regering ontwikkelingsgelden die besteed worden aan voedselzekerheid ten goed te laten komen aan kleine boeren en het ondersteunen van agro-ecologische landbouwpraktijken.

Motie Dikkers/El Fassed (31250 nr. 90): verzoekt de regering bij het afsluiten van contracten met landbouwondernemingen ervoor te zorgen dat deze contracten zo veel mogelijk vrouwelijke agrarische ondernemers en boerinnen in ontwikkelingslanden bereiken.

Motie El Fassed (31250 nr. 91): verzoekt de regering resultaatsindicatoren te formuleren in de uitwerking van het voedselzekerheidsbeleid die gericht zijn op het versterken van de positie van kleine producenten en vrouwen en de Kamer hierover te informeren.

Motie Ferrier (31250 nr. 99): verzoekt de regering obstakels in het bedrijfsleveninstrumentarium die de toegang voor vrouwen tot financiële middelen belemmeren waardoor hun ondernemerschap beperkt wordt, weg te nemen en daartoe, indien nodig, het bedrijfsleveninstrumentarium aan te passen.

X Noot
6

Motie El Fassed (33 000 nr. 51) over de FIETS duurzaamheidscriteria

X Noot
7

Onder voorbehoud van financiering

X Noot
8

Motie Wiegman (32 605 nr. 80) over jaarlijkse rapportage over water en sanitatie


SnelzoekenInfo

Snelzoeken
U kunt dit veld gebruiken om te zoeken op
–een vrije zoekterm voor het zoeken op tekst (bijvoorbeeld "milieu")
–een betekenisvolle zoekterm voor het zoeken naar specifieke publicaties (bijvoorbeeld dossiernummer '32123' of 'trb 2009 16').
U kunt termen combineren door EN te zetten tussen de termen (blg 32123 EN milieu).
U kunt zoeken op letterlijke tekst door '' om de term te zetten. ('appellabele toezeggingen').

Voor meer mogelijkheden en uitleg verwijzen wij u naar de help-pagina's van Officiële bekendmakingen op overheid.nl