De regering dankt de leden van de fracties van de VVD, de SP en GL voor hun bijdrage aan het voorliggende wetsvoorstel. Hierna
ga ik, mede namens de minister van Economische zaken, Landbouw en Innovatie, in op de vragen en opmerkingen.
De leden van de VVD-fractie hebben enige vragen over het wetsvoorstel. De leden van de fracties van SP en GL sluiten zich
bij deze vragen aan. De leden van deze fracties willen weten of met dit wetsvoorstel niet via een omweg al het burgerservicenummer
(BSN) wordt ingevoerd in het onderwijs. Zij zouden hiertegen ernstig bezwaar hebben, omdat het wetsvoorstel over het gebruik
van het persoonsgebonden nummer bij onder meer de uitwisseling van leer- en begeleidingsgegevens van leerlingen (Kamerstukken
I 2010/11, 32 176; wetsvoorstel PGN bij leer- en begeleidingsgegevens) nog in behandeling is bij de Eerste Kamer.
Het persoonsgebonden nummer is al ingevoerd in het onderwijs op grond van de Wet van 6 december 2001 tot wijziging van enkele
onderwijswetten in verband met de invoering van persoonsgebonden nummers in het onderwijs (Stb. 2001, 681). Als persoongebonden nummer is indertijd het sociaal-fiscaalnummer gekozen of, bij het ontbreken daarvan, het onderwijsnummer.
Het sociaal-fiscaalnummer is op grond van de Wet algemene bepalingen burgerservicenummer (Stb. 2007, 288) en de Aanpassingswet burgerservicenummer (Stb. 2009, 108) vervangen door het BSN.
Voornoemde wet van 6 december 2001 is voor de verschillende onderwijssectoren op verschillende tijdstippen in werking getreden.
Het persoonsgebonden nummer is inmiddels opgenomen in de leerling- en studentadministraties van scholen en instellingen. Het
nummer wordt gebruikt bij de uitwisseling van gegevens tussen een school of instelling en de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO)
ten behoeve van de bekostiging. Op grond van de wet van 6 december 2001 gebruikt een school of instelling het persoonsgebonden
nummer ook in contacten met een andere school of instelling ten behoeve van de in- en uitschrijving van leerlingen of studenten.
Het bij de Eerste Kamer in behandeling zijnde wetsvoorstel PGN bij leer- en begeleidingsgegevens regelt in aanvulling hierop
dat onomstotelijk vaststaat dat behalve in- en uitschrijfgegevens ook leer- en begeleidingsgegevens met het persoonsgebonden
nummer mogen worden uitgewisseld tussen scholen en instellingen.
Het voorliggende wetsvoorstel diplomaregister regelt dat DUO de diplomagegevens die hij met het persoongebonden nummer heeft
ontvangen, onder bepaalde voorwaarden mag verstrekken aan de betrokkene zelf, aan scholen en instellingen en aan bepaalde
overheidsorganisaties. De doelen van deze verstrekkingen zijn: bestrijding van diplomavervalsingen, een voorziening bij verlies
of diefstal van een diploma en lastenverlichting voor (toekomstige) diplomabezitters, onderwijsinstellingen, potentiële werkgevers
en overheidsinstanties (zie paragraaf 1.1 van de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel).
Uit het voorgaande blijkt dat het wetsvoorstel diplomaregister niet het persoonsgebonden nummer invoert in het onderwijs en
dat het een ander gebruik van het persoonsgebonden nummer regelt dan het wetsvoorstel PGN bij leer- en begeleidingsgegevens.
Verder vragen deze leden of er bij dit wetsvoorstel een privacy impact assessment heeft plaatsgevonden, en indien dit niet
het geval is, waarom dit niet nodig werd geacht.
Van een privacy impact assessment als zodanig was bij de totstandkoming van het onderhavige wetsvoorstel nog geen sprake.
De desbetreffende motie van het lid Franken c.s. (Kamerstukken I 2010/11, 31 051, D) is immers pas onlangs door de Eerste Kamer aanvaard. Aan de mogelijke risico’s voor de privacy en de bescherming van de
persoonsgegevens van de diplomabezitters is echter aandacht besteed in alle fasen van de wetgevingsprocedure (zie de paragrafen
3 en 9 van de memorie van toelichting, punt 1 van het nader rapport en paragraaf 3 van de nota naar aanleiding van het verslag).
Verder zijn het nut en de noodzaak van het wetsvoorstel afgewogen tegen de privacy van de diplomabezitter en is bij de gegevensverstrekking
aan derden de proportionaliteit in acht genomen (zie de paragrafen 1, 3 en 9 van de memorie van toelichting en de toelichting
op het voorgestelde artikel 24r van de Wet op het onderwijstoezicht).
Ook bij de implementatie van het diplomaregister worden de nodige maatregelen genomen om de persoonsgegevens van de diplomabezitters
te beschermen. Zo zal bij het verstrekken van gegevens aan de diplomabezitter gebruik worden gemaakt van DiGiD (de toegangsbeveiliging
van de overheid).
Bij de gegevensverstrekking aan de in het wetsvoorstel genoemde onderwijsinstellingen en overheidsinstanties zal ook gebruik
worden gemaakt van beveiligde internetverbindingen. Daarbij wordt vooraf heel precies nagegaan welke gegevens deze instellingen
en instanties nodig hebben voor de in het wetsvoorstel genoemde doelen. Alleen die gegevens zullen worden verstrekt.
Concluderend kan worden opgemerkt dat alle aspecten waaraan bij een privacy impact assessment kan worden gedacht in de verschillende
fasen van het wetsvoorstel aan de orde zijn gekomen of bij de implementatie van het diplomaregister aan de orde zullen komen.
De staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
Halbe Zijlstra