Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2010-201132414 nr. 10

32 414 Voorstel van wet van de leden Eijsink, Van Dijk, Hachchi, El Fassed, Voordewind, Ouwehand, Van der Staaij, Hernandez, Bruins Slot en Bosman tot vaststelling van regels omtrent de bijzondere zorgplicht voor veteranen (Veteranenwet)

Nr. 10 NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG

Ontvangen19 september 2011

Inleiding

De initiatiefnemers zijn verheugd dat de Vaste commissie voor Defensie reeds zo spoedig na de inhandenstelling van het wetsvoorstel het verslag heeft uitgebracht. Zij constateren dat de leden van de VVD-fractie kennis genomen hebben van het wetsvoorstel en dat deze leden het van belang vinden dat de bevordering van erkenning en waardering en de zorg voor veteranen goed wordt geregeld zoals in het regeerakkoord is afgesproken. De door deze leden gestelde vragen zullen worden behandeld in deze nota.

Met vreugde constateren de initiatiefnemers dat de leden van de PvdA-fractie de inhoud van het voorstel volledig onderschrijven. Aan de door deze leden gemaakte opmerkingen zal de nodige aandacht worden besteed. De initiatiefnemers zijn verheugd over de constructieve inbreng van de leden van de PVV-fractie en delen het door deze leden geuite enthousiasme.

De initiatiefnemers stellen met de leden van de CDA-fractie en van de D66-fractie met genoegen vast dat het wetsvoorstel een brede ondersteuning in de Kamer geniet en zijn met deze leden van mening dat aan een aantal punten extra aandacht moet worden besteed; deze zullen in deze nota aan de orde komen.

Bijzondere positie ten opzichte van andere beroepsgroepen

Ten aanzien van de opmerkingen van de leden van de VVD-fractie over het advies van de Raad van State ten aanzien van de bijzondere positie van de veteranen wijzen de initiatiefnemers erop, dat in de Reactie van de indiener op het advies van de Raad van State1 reeds is vermeld dat naar aanleiding van de opmerkingen van de Raad het oorspronkelijke wetsvoorstel nader is overwogen en dat de inhoud en systematiek is gewijzigd. Gelet hierop behoeft op een aantal opmerkingen van de Raad niet te worden ingegaan, aangezien in het gewijzigde wetsvoorstel deze aspecten niet, of niet in deze vorm voorkomen.

Ten aanzien van de bijzondere rechtspositie van de veteranen zij verwezen naar punt 3 van de genoemde reactie, waarin staat vermeld dat weliswaar andere beroepsgroepen in het kader van hun werkzaamheden risico’s lopen, maar dat alleen voor militairen het hoofdkenmerk van het beroep is, dat zij door tegenstanders actief naar het leven worden gestaan en zij actief geweld moeten gebruiken om deze tegenstanders te doden of buiten gevecht te stellen. Aangezien de krijgsmacht als zwaardmacht van de overheid het geweldsinstrument bij uitstek is en de leden van de krijgsmacht meer dan wie dan ook als exponent van de overheid worden beschouwd en door deze overheid waar dan ook ter wereld worden ingezet, onder uitgebreide beperking van de voor alle andere werknemers geldende vrijheden en grondrechten, heeft deze zelfde overheid – en daardoor ook de Nederlandse samenleving als geheel – een bijzondere en pro-actieve zorgplicht voor militairen en veteranen, waarbij overigens geen afbreuk wordt gedaan aan de voor alle burgers geldende eigen individuele verantwoordelijkheid.

Ten aanzien van de vraag van de leden van de VVD-fractie, hoe de Veteranenwet zich verhoudt tot de Militaire ambtenarenwet merken de initiatiefnemers het volgende op.

Bij de behandeling van de wijziging van de Militaire ambtenarenwet 1931 (MAW) in 20062 is door de leden van de PvdA fractie gevraagd3 waarom de positie van de veteraan niet nader is uitgewerkt in de MAW. Bij die gelegenheid is gevraagd om wettelijk vastgelegde garanties met betrekking tot de rechten van veteranen. In dit kader werden genoemd erkenning, de veteranenpas, het veteranen registratie systeem, nazorg, de kwaliteit van de zorg, bovenwettelijke uitkeringen, en de (materiële) behoeften van veteranen en is gewezen op de noodzaak de rechten van de veteraan, maar ook de plichten van de overheid ten aanzien van de veteraan, inzichtelijk te maken. Deze leden hebben destijds gevraagd of niet aan artikel 1 MAW de definitie van «veteraan» moet worden toegevoegd en of in de wet kon worden vastgelegd dat «Onze Minister zorg draagt voor de uitwerking van de invulling van de specifieke zorg voor veteranen».

De regering heeft er destijds in haar antwoord4 op gewezen, dat de Militaire ambtenarenwet 1931 primair de kaders geeft voor de rechtspositie van militairen die nog in actieve dienst zijn. Op de vragen over de positie van veteranen heeft de regering geantwoord, dat lang niet alle veteranen gewezen militaire ambtenaren zijn. Vele veteranen zijn immers (ex-) dienstplichtigen, die nimmer de status van militair ambtenaar hebben gehad. Aan de andere kant zijn er ook vele gewezen militairen ambtenaren aan wie niet de status van veteraan toekomt, omdat zij nimmer zijn ingezet of uitgezonden. Aangezien de MAW aldus niet van toepassing is op alle veteranen meende de regering destijds dat een discussie over regelingen voor veteranen niet in het kader van een wijziging van de MAW diende te worden gevoerd, maar – zoals in het algemeen overleg van 9 oktober jl.5 met de Kamer is afgesproken – in het kader van de jaarlijkse notitie veteranenbeleid.

De Kamer kon zich destijds, en zo ook de initiatiefnemers thans, met het standpunt van de regering verenigen, zodat het er op gehouden dient te worden, dat het stelsel van de Militaire ambtenarenwet, alsook van de Kaderwet militaire pensioenen, en dat van de thans voorliggende Veteranenwet als complementair aan elkaar dienen te worden beschouwd. De MAW beziet de relatie tussen overheid en militair vanuit de invalshoek van rechten en verplichtingen van werkgever en werknemer, terwijl de Veteranenwet uitgaat van de bijzondere zorgplicht die de overheid en de maatschappij heeft jegens veteranen.

De initiatiefnemers wijzen er tevens op, dat militaire ambtenaren, aangesteld bij het beroepspersoneel of het reservepersoneel, als bedoeld in de Militaire ambtenarenwet (Geestelijke Verzorgers in dit geval daaronder begrepen) die in werkelijke dienst zijn en worden ingezet als bedoeld in de Veteranenwet, daardoor als gevolg van het onderhavige wetsvoorstel de status van veteraan verkrijgen (welke status zij niet meer kunnen verliezen) en aldus onder de werking van de Veteranenwet vallen. Onder «worden ingezet» moet ook de periode van voorbereiding op de uitzending worden begrepen, zodat ten aanzien van de bijzondere zorgplicht voor veteranen de werking van de Veteranenwet vooruitgrijpt op de uitzending, terwijl dan tevens de normale rechtspositionele voorzieningen van toepassing zijn. De MAW regelt aldus in hoofdzaak de rechtsverhouding tussen de Minister van Defensie als werkgever en de militair ambtenaar als werknemer, terwijl de Veteranenwet invulling geeft aan de bijzondere zorgplicht die de overheid als zodanig en de Nederlandse samenleving als geheel heeft ten aanzien van degenen die bij uitstek de uitvoerende macht van de overheid belichamen.

Inkomensvoorziening

De initiatiefnemers merken ten aanzien van de inkomensvoorziening, bedoeld in artikel 7, eerste lid van het gewijzigd wetsvoorstel op, dat deze inkomensvoorziening in het oorspronkelijk wetsvoorstel niet was opgenomen zodat de Raad van State daarover geen opmerkingen heeft gemaakt. Ten aanzien van de vraag van de leden van de VVD-fractie met betrekking tot het gelijkheidsbeginsel wijzen de initiatiefnemers erop, dat de inkomensvoorziening van toepassing is op veteranen, binnen het speelveld van de militaire rechtspositie. Indien andere groepen menen een vergelijkbare positie te kunnen claimen, zal die gestalte moeten krijgen in een met hun (al dan niet overheids-) werkgever tot stand te brengen regeling, binnen de daar geldende randvoorwaarden; dit gaat buiten de door dit wetsvoorstel bestreken invloedssfeer.

Naar aanleiding van de vraag naar de voorwaarden waaraan veteranen moeten voldoen om in aanmerking te komen voor de inkomensvoorziening antwoorden de initiatiefnemers de leden van de VVD fractie dat het moet gaan om veteranen die als gevolg van de inzet zorg nodig hebben, zoals aangeven in (de toelichting bij) artikel 5. Daarnaast is de medewerking van de veteraan aan zijn re-integratie een voorwaarde voor de voorziening; voorts moet de veteraan, zoals ook duidelijk uiteengezet is in de Memorie van Toelichting, alles doen om zijn genezing te bevorderen. Er hoeft niet specifiek sprake zijn van financiële problemen door gok- of drugsverslaving; deze zijn in de Memorie van toelichting niet vermeld als criteria maar als een illustratie van het soort problemen waarin veteranen terecht kunnen komen als gevolg van (psychische) problemen, gerelateerd aan de gevolgen van inzet. Wat betreft de doelgroep van de inkomensvoorziening, dit betreft veteranen die als gevolg van de inzet zorg nodig hebben en die maatschappelijk ondersteuning van node hebben zodat zij zich op onbezwaarde wijze, zonder financiële zorgen, geheel kunnen richten op het proces van revalidatie, re-integratie en begeleiding. De inkomensgarantie biedt financiële zekerheid voor de veteraan en zijn relaties en hierdoor de rust en stabiliteit om te kunnen deelnemen aan het revalidatie- en re-integratietraject.

Wat betreft de procedure gaan de initiatiefnemers ervan uit, dat een veteraan die zorg nodig heeft waarvan hij vermoedt dat deze het gevolg is van de inzet, zich tot het Veteranenloket wendt met een zorgvraag. Hem zal dan een zorgcoördinator worden toegewezen die verantwoordelijk is voor het hele dossier van de veteraan. Deze zal al naar gelang de individuele problematiek de feitelijke uitvoering beleggen bij de meest gerede instelling of organisatie. In dit traject zal dan ook worden vastgesteld of een inkomensvoorziening voor betrokkene nodig is. De initiatiefnemers wijzen erop, dat de zorgcoördinator alle gegevens betreffende de veteraan tot zijn beschikking heeft zodat een redelijke inschatting gemaakt kan worden of de problemen van de veteraan mogelijk inzetgerelateerd zijn. Het gaat erom in de eerste plaats escalatie van problemen te voorkomen en de veteraan in het proces van re-integratie te brengen. In dat proces vinden ook medische keuringen plaats; het eventueel toekennen van een inkomensvoorziening draagt dan ook bij om de belasting daarvan weg te nemen.

Samengevat zullen de globale voorwaarden waaraan de veteraan moet voldoen om voor deze inkomensvoorziening in aanmerking te komen de volgende elementen omvatten. Het moet een veteraan betreffen, die door gezondheidsklachten niet in staat is om te werken. Er moet sprake zijn van een vermoeden dat deze gezondheidsklachten zijn veroorzaakt door de uitoefening van de militaire dienst tijdens inzet. Tenslotte moet hij de aangeboden behandeling en zorg accepteren en meewerken aan zijn herstel en re-integratie. Er zullen periodieke toetsmomenten worden ingebouwd teneinde de vorderingen van zijn herstel te beoordelen. Indien de veteraan niet meewerkt aan de bevordering van zijn herstel en re-integratie zal er sprake zijn van sancties, afhankelijk van de ernst en toerekenbaarheid, in de vorm van vermindering van de inkomensvoorziening, dan wel stopzetting daarvan. Stopzetting vindt uiteraard ook plaats op het moment dat de veteraan is hersteld en is gere-integreerd voordat de twee jaar is verstreken. Deze voorwaarden zullen zoals aangekondigd in een algemene maatregel van bestuur worden verankerd.

Wat het percentage betreft, er kunnen inderdaad omstandigheden zijn die een hogere uitkering dan 80% kunnen rechtvaardigen. Het gaat daarbij in de eerste plaats om het vaststellen van een behoefte of een noodzaak gelegen in omstandigheden van het gezin of andere van het inkomen van de veteraan afhankelijke personen. De behoefte is leidend en een percentage van 70% als in de sociale zekerheid is bij deze tijdelijke en specifieke inkomensvoorziening dan ook niet relevant. De hoogte van de voorziening is zodanig dat, in combinatie met andere inkomsten uit of in verband met arbeid (loondoorbetaling of ander uitkeringen), de veteraan en zijn gezin in ieder geval 80% van het recente inkomstenniveau tot hun besteding hebben. Daarbij is het mogelijk dat bijvoorbeeld door het verschaffen van andere materiële hulp en door vergoedingen voor specifieke zorgkosten het totaal van de met de voorziening gemoeide uitgave boven een niveau van 100% van de laatstgenoten inkomsten uitkomt. Het gaat dus om een vangnet, een bodem. De voorziening is tijdelijk, namelijk voor zolang voor genezings- of het re-integratieproces noodzakelijk is en onder de voorwaarde dat de veteraan meewerkt aan zijn re-integratie of alles doet om zijn genezing te bevorderen, totdat de medische eindsituatie is bereikt en de definitieve beoordeling en toekenning van aanspraken in verband met invaliditeitspensioen en arbeidsongeschiktheid zijn vastgesteld. Er is gekozen voor een uitkeringsniveau van 80 procent om daarmee te benadrukken dat de veteraan die gezondheidsklachten ondervindt als gevolg van zijn deelname aan een vredesmissie een bijzondere positie heeft en uit dien hoofde ook een bijzondere behandeling verdient. Dat gaat samen met het doel van de inkomensvoorziening om de veteraan in een financieel stabiele situatie te brengen zodat hij zich volledig kan richten op zijn herstel en re-integratie. Teneinde mogelijke verwarring te voorkomen zal bij nota van wijziging artikel 7, tweede lid onder b worden gewijzigd door het schrappen van de woorden «ten minste».

De reden waarom de voorziening wordt gebaseerd op de inkomsten uit hoofde van beroep of bedrijf, genoten of gebruikelijk genoten in het jaar voorafgaand aan aanmelding is, zoals in de Memorie van Toelichting is vermeld, gelegen in het feit dat het veelal veteranen betreft die al jaren geleden de defensie organisatie hebben verlaten en hun inkomen door leeftijd en carrière veelal hoger is dan de bezoldiging die zij als militair in actieve dienst genoten. Daarnaast is dit een gebruikelijke berekeningswijze voor uitkeringen zoals die sinds jaar en dag al wordt gehanteerd voor in werkelijke dienst verblijvende militairen die de organisatie om gezondheidsredenen moeten verlaten. Bij de vaststelling bij het uitoefenen van een bedrijf wordt uitgegaan van fiscale gegevens. Ten aanzien van het voortduren van de inkomensvoorziening wijzen de initiatiefnemers andermaal op de rol van de zorgcoördinator, die op de hoogte is van aan welke verplichtingen de veteraan moet voldoen in het kader van het re-integratie of revalidatieproces en kan toetsen of de veteraan daaraan zijn volle medewerking verleent. Een uiteindelijk besluit tot voortzetten of stopzetten van de voorzieningen wordt door of namens de Minister genomen. De in de Memorie van Toelichting genoemde periode is een ervaringsfeit en komt overeen met een reguliere herstel- en re-integratieperiode voor de veteraan die in zich nog in werkelijke dienst bevindt. Ook de richtlijn medische eindtoestand duurzame functionele invaliditeit die op dit moment met de Centrales van Overheidspersoneel in het Sectoroverleg Defensie wordt besproken gaat uit van een periode van twee jaar met een uitloop naar drie jaar, waarna een medische eindtoestand is bereikt. De uitgangspunten van deze richtlijn zullen verankerd worden in de amvb ter uitwerking van de inkomensvoorziening. In de praktijk is in 90% van de gevallen binnen twee jaar een eindtoestand bereikt. In uitzonderingsgevallen kan een langere periode noodzakelijk zijn. Aangezien de inkomensvoorziening is bedoeld als een vangnet voor de gevallen waarin deze noodzakelijk is, is met opzet niet gekozen voor begrenzingen. Het is de taak van Defensie, de zorgcoördinator en de zorginstellingen om er tezamen met de veteraan voor te zorgen dat binnen een periode van twee jaar een toestand is bereikt waarin de inkomensvoorziening is vervangen door het wederom toetreden tot het arbeidsproces en het daardoor verwerven van inkomsten uit arbeid. Op dat moment kan afhankelijk van de blijvende mate van invaliditeit het militair invaliditeitspensioen worden toegekend.

De voorgestelde inkomensvoorziening zal gaan gelden voor alle veteranen die zorg behoeven in verband met revalidatie, re-integratie en begeleiding vanwege hun dienstverbandaandoening6. Dus niet alleen voor veteranen die gezondheidsproblemen ondervinden ten gevolge van PTSS.

Het karakter van de inkomensvoorziening als een vangnet houdt in, dat deze aanvullend is op eventuele andere inkomsten die de veteraan wellicht heeft, waaronder uitkeringen krachtens WIA of WW.

De initiatiefnemers danken de leden van de PVV-fractie voor de het uitgesproken vertrouwen in de gekozen voorhangprocedures en zij zijn met deze leden benieuwd naar de door de regering op te stellen algemene maatregelen van bestuur, waarbij zij ervan uitgaan dat er sprake zal zijn van één algemene maatregel van bestuur, zo nodig tevens wijzigingen in bestaande amvb’s omvattend.

De initiatiefnemers zijn met de leden van de CDA-fractie van mening, dat een inkomensvoorziening niet een panacee is voor alle problemen en het alleen verstrekken van geld soms de problematiek zou kunnen versterken en zij onderschrijven dan ook de noodzaak van brede flankerende zorg en maatwerk, zoals verslavingshulp en psychische begeleiding naast de in het wetsvoorstel genoemde schuldhulpverlening en hulp bij huisvestingsproblematiek. Zij wijzen deze leden ook hier weer op de centrale rol van de zorgcoördinator. Ten aanzien van de vraag betreffende een inkomensval merken de initiatiefnemers op, dat zoals in het antwoord gegeven aan de leden van de VVD fractie is vermeld de doelstelling van de inkomensvoorziening het creëren van financiële rust op het gebied van inkomen is, zodat de veteraan zich geheel kan richten op zijn herstel en re integratie. Na een geslaagd herstel en re-integratie neemt de veteraan weer deel aan het arbeidsproces en ontvangt hij inkomen uit arbeid, eventueel aangevuld met een militair invaliditeitspensioen. Mocht (volledige) werkhervatting om gezondheidsredenen niet mogelijk zijn dan volgt een arbeidsongeschiktheidsuitkering, mogelijk aangevuld met een militair invaliditeitspensioen.

Anders dan de leden van de CDA-fractie zijn de initiatiefnemers niet van mening dat het militair invaliditeitspensioen wordt vervangen door de nu voorgestelde inkomensvoorziening. Zoals uit de Memorie van Toelichting blijkt is de inkomensvorming tijdelijk en wordt deze beëindigd indien sprake is van een medisch stabiele situatie waarna toekenning van het militair invaliditeitspensioen kan plaatsvinden. Gezien het tijdelijk karakter van de inkomensvoorziening hebben de initiatiefnemers er niet voor gekozen de Kaderwet militaire pensioen op dit punt aan te passen. Daarnaast is de inkomensvoorziening ook geen pensioen.

Ten aanzien van de «bandbreedte» van de voorziening zij verwezen naar het aan de leden van de VVD fractie gegeven antwoord.

Re-integratie

Ten aanzien van de vraag van de leden van de VVD-fractie met betrekking tot uitval van werk wijzen de initiatiefnemers er op, dat voortzetting van de inkomensvoorziening afhankelijk is van het zich volledig inzetten van de veteraan in het kader van medewerken aan zijn re-integratie. De veteraan dient aan al zijn verplichtingen ten behoeve van het verloop van het re-integratieproces te voldoen en zich volledig in te zetten voor zijn genezing. Indien de veteraan nog een werkkring heeft en om gezondheidsredenen uitvalt is zijn werkgever verantwoordelijk voor loondoorbetaling bij ziekte en re-integratie. Uitgangspunt blijft dan ook dat de veteraan bij die werkgever gere-integreerd wordt op grond van de wettelijke voorschriften ter zake neergelegd in de WIA. Ingevolge die voorschriften is de veteraan verplicht mee te werken aan zijn re-integratie. De aanvullende re-integratie voorzieningen voor militaire oorlogs- en dienstslachtoffers zoals verwoord in de Memorie van Toelichting kunnen bij de re-integratie behulpzaam zijn.

De opmerking in de Memorie van Toelichting dat de periode van re-integratie van één à anderhalf jaar bij het Dienstencentrum Re-integratie (DCR) te kort zou zijn moet worden gezien in relatie tot veteranen die al jaren geleden de militaire dienst hebben verlaten. De plaatsing bij DCR vindt voor militairen in actieve dienst plaats na zes maanden arbeidsverzuim. Gedurende die eerste zes maanden zijn de re-integratie activiteiten gericht op de terugkeer naar de eigen functie. De reguliere termijn voor re-integratie is twee jaar. Deze systematiek geldt ook voor de veteraan die bij de nieuwe werkgever ziek wordt. In dat opzicht is er dus geen verschil in behandeling tussen de veteraan in actieve dienst en de veteraan die al jaren geleden de militaire dienst op reguliere wijze heeft verlaten en later ziek wordt.

De initiatiefnemers zijn van mening dat de verantwoordelijkheid voor de coördinatie van de zorg, zowel binnen de defensie organisatie (de defensieonderdelen) als daarbuiten (zorgloket en CAP/VI) te versnipperd is. Voor een eenduidige aansturing en invulling van zorgcoördinatie zal deze verantwoordelijkheid bij één instelling of organisatie moeten worden neergelegd. Zij roepen de Minister dan ook op hiermee bij de instelling van één veteranenloket gevolg aan te geven.

Tenslotte merken de initiatiefnemers op dat zij eraan hechten dat het CAP/VI 24 uur per dag bereikbaar is. Dit is overigens ook in lijn met het standpunt dat de Tweede Kamer in deze heeft ingenomen.

Zoals opgemerkt in de memorie van toelichting krijgt de zorgcoördinator een spilfunctie in de totale zorg. Dit betekent zowel in de materiële en immateriële zorg. De initiatiefnemers zijn van mening dat een eenmaal toegewezen zorgcoördinator de veteraan en zijn gezin, indien nodig en gewenst, «life-time» bij staat. Het moet een vertrouwensfunctionaris worden waar de veteraan en zijn gezin altijd terecht kunnen.

Het is niet de intentie van de initiatiefnemers om relaties van veteranen financieel te ondersteunen. De relaties kunnen daarvoor in voorkomend geval een beroep doen op de sociale verzekeringswetgeving. Wel kan de zorgcoördinator daarbij een bemiddelende rol vervullen.

De invulling van de zorg voor relaties zal plaatsvinden middels de aangekondigde algemene maatregel van bestuur. De initiatiefnemers gaan ervan uit dat daarbij geen onderscheid zal worden gemaakt tussen de in artikel 1 onder e van de Veteranenwet gedefinieerde relaties.

De initiatiefnemers hechten, zoals in de memorie van toelichting is verwoord, grote waarde aan de zogenaamde terugkeerdagen. Veteranen kunnen elkaar ontmoeten en ervaringen uitwisselen. Door aanwezigheid van het SMT kunnen eventuele problemen vroegtijdig worden gesignaleerd. Daarom dienen belemmeringen om aan deze terugkeerdagen deel te nemen zoveel als mogelijk te worden weggenomen. Zij vragen daarom aan de minister om in overleg te treden met de werkgeversorganisaties teneinde te bevorderen dat civiele werkgevers hiervoor verlof verlenen en de mogelijkheid te onderzoeken hiervoor door Defensie een reiskostenvergoeding toe te kennen.

Zorg

De wijze waarop het veteranenloket in de praktijk zal moeten werken is in hoofdlijnen verwoord in de memorie van toelichting. Uitgangspunt moet zijn dat er sprake is van één loket waar de veteraan en zijn relaties met alle vragen op het gebied van het veteranenbeleid, de materiële en immateriële zorg terecht kan. De verdere uitwerking daarvan zal worden neergelegd in de aangekondigde algemene maatregel van bestuur.

De initiatiefnemers delen de mening van de leden van de PvdA-fractie, dat aandacht geboden is voor de positie van individueel uitgezonden militairen, of militairen die later aan een eenheid worden toegevoegd. Zij zijn evenwel van mening, dat de bepalingen van artikel 3 van de wet voldoende grondslag bieden om in de algemene maatregel van bestuur hierover regels te stellen en zij wachten dan ook met belangstelling de voorstellen van de regering op dit punt af.

Ten aanzien van de Evaluatie Uruzgan merken de initiatiefnemers op, dat deze door het Ministerie van Defensie zal worden aangeboden in dezelfde periode waarin deze Nota naar aanleiding van het Verslag verschijnt. Het komt de initiatiefnemers voor, éérst het overleg met de Minister te voeren over deze evaluatie en naar aanleiding van de uitkomst daarvan te bezien, welke «lessons learned» en «lessons identified» zich lenen voor verwerking in de algemene maatregel van bestuur. Zo nodig kan deze visie bij het debat aan de Minister kenbaar worden gemaakt.

In antwoord op de vraag van de leden van de PvdA-fractie naar het aantal zorgcoördinatoren antwoorden de initiatiefnemers, dat er thans tien vte'n zorgcoördinatoren in de vorm van case-coördinators bij de defensie onderdelen zijn en 12,5 vte'n bij het Zorgloket voor militaire oorlogs- en dienstslachtoffers. Het invoeren van de zorgcoördinatoren van het veteranenloket kan hier ook efficiëntiewinst tot gevolg hebben, om de versnippering van de hulpverlening wordt tegengegaan. Indien de bedrijfsvoering daartoe aanleiding geeft kan het aantal zorgcoördinatoren worden aangepast.

Met betrekking tot de door de leden van de PvdA- fractie aangehaalde passage uit het Jaarverslag Inspecteur-Generaal der Krijgsmacht over 20107 dat zowel commandanten als Sociaal Medisch Teamleden aangeven dat de informatievoorziening vanuit de tweedelijns zorgketen naar eenheidscommandanten niet optimaal is, wijzen de initiatiefnemers erop dat de informatie van tweedelijns zorgverleners veelal medische informatie betreft, die niet met derden, dus ook niet met commandanten, mag worden gedeeld. De informatie vanuit de tweedelijns zorgketen geschiedt dan ook naar de verantwoordelijk militair arts van het medisch zorgteam (de militaire huisarts). Deze informeert de commandant over de inzetbaarheid van de militair, zonder dat daarbij medische informatie wordt verstrekt. Dit is bij gelegenheid van de eerder genoemde wijziging8 vastgelegd in artikel 12h, zesde lid, van de MAW.

Ten aanzien van de aanbevelingen van de Inspecteur-Generaal der Krijgsmacht wijzen de initiatiefnemers erop, dat de minister van Defensie in zijn brief van 18 mei 20119 reeds heeft bericht, dat hij de toezeggingen op het gebied van nazorg en veteranenbeleid gestand zal doen; dat hij het eens is met de aanbevelingen van de IGK en dat die waar mogelijk snel zullen worden uitgevoerd. Verder heeft de Minister bericht dat bij de formulering van nieuw zorgbeleid rekening zal worden gehouden met de aanbevelingen van de IGK. De initiatiefnemers hebben hiervan kennis genomen en zij zullen nauwgezet volgen op welke wijze de minister hieraan invulling zal geven.

Het komt de initiatiefnemers dan ook voor, dat een beschouwing per aanbeveling in het kader van de Veteranenwet niet meer nodig is. De initiatiefnemers gaan ervan uit dat daar waar nodig elementen daarvan een verankering krijgen in de algemene maatregel van bestuur.

Ten aanzien van het bijdragen van de Veteranenwet aan de communicatie intern en extern Defensie en aan de ondersteuning van de commandant bij de uitvoering van zijn zorgtaken zijn de initiatiefnemers van mening dat die bijdrage er wel degelijk is. Met name de artikelen 3, 4 en 5 van de Veteranenwet verschaffen een toetsbaar kader voor de zorgplicht die in deze op de Minister van Defensie rust, zodat door deze wet en de daarop berustende algemene maatregel van bestuur een betere en controleerbare invulling kan worden geregeld. Hetzelfde geldt ten aanzien van voorlichting en communicatie.

In de Veteranenwet is duidelijk het principe neergelegd, dat een veteraan die zorg behoeft dient mee te werken aan zijn herstel en re-integratie en houdt de veteraan daar dan ook in die zin mede verantwoordelijk voor. Het is de taak van de zorgcoördinator en de zorginstellingen om veteranen te begeleiden bij het maken van keuzes, waarbij zeker rekening wordt gehouden met het proces van verwerking.

De initiatiefnemers danken de leden van de CDA-fractie voor de helder geformuleerde ondersteuning van de uitgangspunten van dit wetsvoorstel en zij zijn met deze leden van mening, dat het bij wet vastleggen van verantwoordelijkheden bijdraagt aan een betere invulling van de controlerende taak van de Tweede Kamer.

Ook de duidelijk uitgesproken steun van de leden van de D66-fractie wordt door de initiatiefnemers ten zeerste op prijs gesteld. Met deze leden zien zij het komen tot één veteranenloket van de veelheid van ingangen van instanties die betrokken zijn bij de uitvoering van het veteranenbeleid als een belangrijk winstpunt van dit wetsvoorstel, dat de zorg voor veteranen zal verbeteren en zeker transparantie en laagdrempeligheid van de uitvoering zal vergroten.

Veteranenregistratiesysteem

Ten aanzien van de vraag van de leden van de VVD-fractie naar de onvrijwilligheid van opname in het veteranenregistratiesysteem en de eisen die het EVRM en de Grondwet dienaangaand stellen, volstaan de initiatiefnemers met verwijzen naar het betoog op pagina 31, tweede en derde alinea, van de Gewijzigde memorie van Toelichting10 waar uitvoerig is uiteengezet, dat aan deze eisen wordt voldaan. Aangezien het Veteranenregistratiesysteem een bestaand registratiesysteem is dat in deze wet een wettelijke grondslag krijgt, is het wetsvoorstel niet voor dit doel voorgelegd aan het College bescherming persoonsgegevens. Wel zal dit aspect uit de amvb aan dit College worden voorgelegd.

Ten aanzien van afscherming van gegevens, waar deze leden naar vragen, wijzen de initiatiefnemers erop, dat in de gewijzigde Memorie van toelichting11 is uiteengezet dat indien de veteraan heeft gekozen voor afscherming van zijn gegevens, deze alleen ter beschikking zijn in de situatie dat hij moet worden benaderd indien hij aan bepaalde gezondheidsrisico’s heeft blootgestaan. Voor beleidsmatig, wetenschappelijk of historisch onderzoek zijn zijn identificeerbare gegevens dan ook niet beschikbaar. Niet identificeerbare statistische gegevens zijn vanzelfsprekend wel beschikbaar. De koppeling van het VRS aan het GBA is een eenrichtingsverkeer. In het VRS is door de koppeling de actualiteit van de naam, adres, woonplaatsgegevens van de veteraan gewaarborgd, terwijl vanuit het GBA niet «in het VRS» kan worden gekeken.

Veteranenombudsman

Op de vraag van de leden van de VVD-fractie naar de meerwaarde van een aparte veteranenombudsman, wijzen de initiatiefnemers erop dat behalve het feit dat door het instellen van de veteranenombudsman een specifieke klachtencommissie niet behoeft te worden ingesteld, maar dat dit ook bijdraagt aan het bevorderen van de erkenning van veteranen. Voorts wordt – en dit wordt door de Nationale ombudsman in zijn zienswijze bevestigd – op deze wijze een expertise verworven ten aanzien van veteranen en hun vaak zeer specifieke en complexe klachten. Hierdoor kan, zoals de Nationale ombudsman ook opmerkt, de structuur van de zorg voor veteranen versterkt worden. Bovenal bepaalt de Veteranenwet dat de ombudsfunctie voor veteranen niet alleen voor de overheid, maar ook voor privaatrechtelijke organisaties geldt. Tenslotte voorziet de Veteranenwet in nieuwe taken, zoals het geven van advies over de uitvoering van de Veteranenwet en over beleid dat de belangen van Veteranen raakt. Een en ander is in de gewijzigde Memorie van Toelichting reeds uiteengezet. De initiatiefnemers wijzen deze leden erop, dat de laagdrempeligheid van de veteranenombudsman niet is afgezet ten opzichte van de Nationale ombudsman, maar ten opzichte van een klachtencommissie, die zoals is uiteengezet, hierdoor achterwege kan blijven. Tenslotte antwoorden de initiatiefnemers de leden van de VVD-fractie op de vraag naar de wijze waarop de veteranenombudsman in het instituut van de Nationale ombudsman zal worden ingepast, dat, zoals in artikel 11, onderdeel A van de veteranenwet is aangegeven, de rol van veteranenombudsman zal worden vervuld door de Nationale ombudsman of door een substituut ombudsman.

Op de vraag van de leden van de PvdA-fractie naar de wijze en de termijn waarop de veteranenombudsman kan worden geïnstalleerd, dat hierover overlegd zal worden tussen de Nationale ombudsman en de Ministers van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksaangelegenheden en van Defensie. Daarbij speelt een rol wanneer de Veteranenwet en de uitvoerende regelingen in werking zullen kunnen treden. Het komt de initiatiefnemers voor dat het voeren van overleg over de bevindingen en aanbevelingen van de veteranenombudsman kan geschieden in het kader van het tweejaarlijkse overleg over de nazorg van veteranen, aan de hand van een hoofdstuk «Veteranen» in het jaarverslag van de Nationale ombudsman.

De initiatiefnemers hebben goede nota genomen van de opmerking van de leden van de CDA-fractie naar de verhouding tussen de Veteranenombudsman en de Inspecteur-Generaal der Krijgsmacht in diens rol als Inspecteur der Veteranen. Zij menen dat hiertoe nader overleg tussen de Minister van Defensie en deze beide functionarissen geboden zal zijn. Zij wijzen er overigens op, dat de Inspecteur-Generaal der Krijgsmacht in diens rol als Inspecteur der Veteranen een bemiddelende rol vervult, maar niet, zoals de veteranenombudsman, een klachtenfunctionaris is.

Kosten verbonden aan het wetsvoorstel

Ten aanzien van de vraag van de leden van de VVD-fractie naar de geraamde kosten van dit wetsvoorstel antwoorden de initiatiefnemers, dat deze kosten zijn gebaseerd op ruim bemeten en naar boven afgeronde aannames gestoeld op de huidige praktijk. Voor een groot deel zijn de kosten van het veteranenbeleid al in de begroting opgenomen. Deze wet brengt dan ook slechts geringe additionele kosten met zich.12 Door de bundeling en vergroting van de efficiency van de aanpak van zorgvragen kan een dempende werking optreden.

Overig

Aan de leden van de PvdA-fractie kan gegarandeerd worden, dat alle veteranen, dus ook degenen die nog in actieve dienst zijn, Checkpoint zullen ontvangen. De verbreding van de definitie van veteraan heeft geen gevolgen voor de organisatie van de landelijke Veteranendag, aangezien actief dienende militairen daaraan reeds konden deelnemen. Zoals uit artikel 15 van de Veteranenwet blijkt zijn de initiatiefnemers van mening dat het veteranenbeleid en de uitvoering van de Veteranenwet elke twee jaar moet plaatsvinden, terwijl de regering elk jaar een nota over het veteranenbeleid zal uitbrengen. De tweejaarlijkse evaluatie zal dan plaatsvinden bij het jaarlijkse notaoverleg Als randvoorwaarde zal gelden, dat de Minister van Defensie tijdig vóór het overleg een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de Veteranenwet aan de Kamer zal aanbieden, waarin ontwikkelingen ten aanzien de onderdelen van beleid die ingevolge de Veteranenwet toetsbaar en controleerbaar worden gemaakt, duidelijk en afzonderlijk worden uiteengezet. Het zou de effectiviteit van dit overleg bevorderen, indien de Minister in zijn verslag de visie van diverse instanties zou kunnen meenemen.

Tenslotte merken de initiatiefnemers op, dat een totaaloverzicht van aanhangige wetgeving vanwege de omvang ervan niet in deze nota kan worden opgenomen, maar is wel beschikbaar. Wetten die wijzigen door inwerkingtreden van de Veteranenwet zijn de Wet Nationale ombudsman en de Militaire ambtenarenwet. Verwezen zij naar artikel 11 en 12 van het gewijzigd wetsvoorstel. De initiatiefnemers onderkennen dat de nummering van het wetsvoorstel op dit punt een kleine verbetering behoeft. Ook hiervoor zal bij nota van wijziging zorg worden gedragen. Tenslotte zijn de initiatiefnemers erop gewezen, dat in de Memorie van toelichting in paragraaf 2, geschiedenis van het veteranenbeleid een hinderlijke verschrijving is geslopen. In de eerste zin van het tweede tekstblok dient voor «Toenmalig Eerste Kamerlid mevrouw M.L. Tiesinga-Autsema» gelezen te worden: oud-Eerste Kamerlid J.L.E.M.W.R.R. Tiesinga-Autsema.

Eijsink

Jasper van Dijk

Hachchi

El Fassed

Voordewind

Ouwehand

Van der Staaij

Hernandez

Bruins Slot

Bosman


X Noot
1

Kamerstukken Tweede Kamer, vergaderjaar 2010–2011, 32 414, nr. 5.

X Noot
2

Tweede Kamer, vergaderjaar 2006–2007, kamerstukken 30 674.

X Noot
3

Kamerstukken 30 674, nr. 8, pag. 5.

X Noot
4

Kamerstukken 30 674, nr. 9, pag. 5.

X Noot
5

Tweede Kamer, vergaderjaar 2006–2007, 30 139, nr. 18.

X Noot
6

«Dienstverband» in de zin van het Besluit aanvullende arbeidsongeschiktheids- en invaliditeitsvoorzieningen militairen (Stb. 2001, 140).

X Noot
7

Kamerstuk 32 500-X, nr. 102, p. 100).

X Noot
8

Kamerstukken 30 674.

X Noot
9

Kamerstukken 32 500-X, nr. 102.

X Noot
10

TK, vergaderjaar 2010–2011, 32 414, nr. 7.

X Noot
11

T.a.p.

X Noot
12

Het overzicht «Additionele kosten als gevolg van het wetsvoorstel initiatiefwet Veteranen» is ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer. Dit geldt ook voor het overzicht «Uitgaven voor veteranen en de uitgaven voor zorg en nazorg Veteranen zoals opgenomen in de begroting».