32 372 Wijziging van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden in verband met de implementatie van Europese regelgeving op het gebied van het op de markt brengen en het duurzame gebruik van gewasbeschermingsmiddelen

nr. 49 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 25 mei 2011

Binnen de vaste commissies voor Economische Zaken, Landbouw en Innovatie1 en voor Infrastructuur en Milieu2 hebben enkele fracties de behoefte om over de volgende brief enkele vragen en opmerkingen voor te leggen over het ontwerpbesluit gewasbeschermingsmiddelen (Kamerstuk 32 372, nr. 47) van 29 maart 2011.

De staatssecretaris heeft deze vragen en opmerkingen, voorzien van een inleiding, beantwoord bij brief van 24 mei 2011.

De voorzitter van de commissie voor Economische Zaken, Landbouw en Innovatie,

Van der Ham

De voorzitter van de commissie voor Infrastructuur en Milieu,

Snijder-Hazelhoff

De adjunct-griffier van de commissie voor Economische Zaken, Landbouw en Innovatie,

Schüssel

Inleiding van de staatssecretaris

Met deze brief ga ik, mede namens de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, in op de vragen van de vaste commissie voor Economische Zaken, Landbouw en Innovatie van 22 april 2011 naar aanleiding van het op 29 maart jl. aan uw Kamer overgelegde ontwerpbesluit gewasbeschermingsmiddelen (Kamerstukken II 2010/11, 32 372, nr. 47). In mijn brief houd ik de volgorde van uw verslag aan. Gelijkluidende vragen van verschillende fracties probeer ik zoveel mogelijk op een plaats te beantwoorden.

Daarnaast leg ik nog enkele bepalingen voor (zie kamerstuk 32 372, nr. 50), waarvoor bij nader inzien ook een voorhangprocedure geldt. Het gaat daarbij om technische wijzigingen, zoals de verwijzing van de vindplaats van de uniforme beginselen.

De verordening (EG) 1107/2009, ter implementatie waarvan het ontwerpbesluit strekt, zal op 14 juni a.s. van kracht worden. Het is van belang dat het ontwerpbesluit in verband daarmee nu snel tot stand wordt gebracht, zodat ook de wetswijziging en de daarmee samenhangende uitvoeringsregelgeving tegelijk in werking kunnen treden. Het ontwerpbesluit zal nog ter advisering aan de Afdeling advisering van de Raad van State worden voorgelegd.

I. VRAGEN EN OPMERKINGEN VANUIT DE FRACTIES

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de VVD

De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het ontwerpbesluit gewasbeschermingsmiddelen (Kamerstuk 32 372, nr. 47). De leden hebben nog enkele vragen en opmerkingen over dit besluit.

De leden van de VVD-fractie signaleren tot tevredenheid dat het ontwerpbesluit onder meer uitwerking geeft aan het amendement van de leden Koopmans, Snijder-Hazelhoff en Gerbrands (Kamerstuk 32 372, nr. 41). Nationale specifieke methoden bij de toelating van gewasbeschermingsmiddelen zijn door het amendement alleen nog mogelijk waar geen Europese richtsnoeren zijn vastgesteld. Deze nationale methoden worden vastgelegd in het Besluit gewasbeschermingsmiddelen en biociden middels deze ontwerpwijziging. De in het besluit genoemde resterende nationale methoden zijn nu nog gerechtvaardigd voor hantering in de toelatingsbeoordeling totdat ook op deze terreinen Europese richtsnoeren zijn vastgesteld. De leden van de fractie van de VVD roepen het kabinet dan ook op zich op dit laatste punt actief in te zetten in Europees verband. Graag een reactie van de staatssecretaris op dit punt.

De leden van de VVD-fractie signaleren dat bij onderdeel C na artikel 25 een nieuw artikel 25a in het ontwerpbesluit wordt toegevoegd. Dit artikel geeft de regering de gelegenheid om bij regeling regels te stellen met betrekking tot de registratie van onder meer het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. De leden van de VVD-fractie zijn van mening dat dergelijke regels, die een groot effect kunnen hebben op de administratieve lastendruk van ondernemers, niet bij regeling maar bij algemene maatregel van bestuur vastgelegd dienen te worden, zodat er eerst een parlementaire beoordeling aan te pas komt.

Tot slot nog een vraag over een nieuw artikel 4 113b bij onderdeel C. Is het juist dat er drie leden zijn, genummerd 1, 6 en 7. Of ontbreken de leden 2 t/m 5? Zo ja, wat houden deze leden in?

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de PvdA

Het gebruik van bestrijdingsmiddelen is de laatste 15 jaar gehalveerd, maar toch neemt het aantal wilde dier-, insecten- en plantensoorten af, zo blijkt uit onderzoek van de Wageningen Universiteit.

De laatste weken staan gewasbeschermingsmiddelen weer volop in de belangstelling, zeer recent nog in het debat over de bijensterfte.

De afname van de belasting van het oppervlaktewater door het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen stagneert. Het gebruik van bestrijdingsmiddelen is in 2008 gegroeid naar gemiddeld 6,8 kg per hectare, terwijl dit in 2004 nog 6,4 kg per hectare was (bron: CBS, 26 mei 2010). Deze cijfers geven reden tot zorg.

Drinkwaterbedrijven geven aan nog steeds veel bestrijdingsmiddelen boven de norm aan te treffen in drinkwaterbronnen. Maar door grote druk vanuit de industrie, willen het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) en regeringspartijen milieu- en volksgezondheidsaspecten schrappen en stellen zij economische belangen voorop.

Het verheugt de leden van de PvdA-fractie dat in artikel 11 van de richtlijn 2009/128/EG staat dat de lidstaten verplicht zijn ervoor te zorgen dat het aquatische milieu en de drinkwatervoorziening worden beschermd tegen het effect van gewasbeschermingsmiddelen. Op welke wijze voldoet de huidige nationale wetgeving aan deze eis? En op welke vlakken moet de regelgeving nog aangepast worden?

Op pagina 9 van de Nota van toelichting staat te lezen dat er buiten de toelating geen nationale regels bestaan voor niet-landbouwkundige toepassingen, zoals op sportvelden. Wanneer zal voorzien worden in de aanvullende implementatievoorschriften op grond van de eisen van artikel 11?

Welke maatregelen zullen worden vastgesteld om de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen zoveel mogelijk te beperken dan wel uit te schakelen langs infrastructuur nabij oppervlaktewater en grondwater? Waarom wordt niet gekozen voor uitschakelen van gebruik tenzij het echt niet anders kan?

Het doel van richtlijn 2009/128/EG is de bevordering van een duurzaam gebruik van gewasbeschermingsmiddelen, uitgaande van een op voorzorg en preventie gebaseerde benadering, zo staat in de Nota van toelichting te lezen. Ook buiten de landbouw moeten gebruikers elk jaar een gewasbeschermingspan opstellen. Dat houdt in elk geval in dat een gebruiker eerst het gebruik van niet-chemische alternatieven moet overwegen. Hoe wordt hier op toegezien? Moet de gebruiker elk jaar opnieuw de overweging maken? Wordt actief ingezet op voorlichting over de beschikbare alternatieven?

De leden van de PvdA-fractie zijn van mening dat het terugbrengen van het gebruik momenteel voor een groot deel op vrijblijvende maatregelen stoelt en dat dit een negatief effect heeft op de effectiviteit.

Daarom vinden de leden van fractie van de PvdA dat serieus ingezet moet gaan worden op een verdere vermindering van het gebruik en daarmee een vermindering van de risico’s en gevolgen van het gebruik van bestrijdingsmiddelen voor mens, dier en milieu, met hierbij een veel duidelijkere focus op alternatieve gewasbeschermingstechnieken en -middelen.

Op pagina 18 wordt aangegeven dat drift ofwel de mate van verwaaiing van een gewasbeschermingsmiddel bij de toepassing ervan een belangrijk aspect is bij de beoordeling en toelating van een gewasbeschermingsmiddel. Het kabinet streeft naar een verbetering en harmonisatie van het richtsnoer met betrekking tot de beoordelingsmethode in Europees verband. Door middel van de motie Ouwehand (Kamerstuk 32 372, nr. 19) heeft de Kamer verzocht reeds toegelaten neonicotinoïden opnieuw te toetsen op de gezondheid van bijen en hierbij ook expliciet de sublethale effecten mee te nemen. Naast bijen hebben ook andere insecten als vlinders en hommels mogelijk last van dezelfde middelen. Kan dit opnieuw toetsen dan ook gebeuren op niet-doelwitsoorten voor de neonicotinoïden?

Dan hebben de leden van de PvdA-fractie nog een paar algemene vragen:

Hoe verhoudt het wegvallen van het maximum toelaatbaar risiconiveau (MTR) voor oppervlaktewater zich tot de algemene plicht in de verordening om naar de stand van wetenschap en techniek te beoordelen en daarbij uit te gaan van een hoog beschermingsniveau?

Waarom kiest de staatssecretaris voor een soort beoordeling, in een land als Nederland, die overeenkomt met die in andere landen? Voor wat betreft Nederland is sprake van een watermilieu dat immers niet met andere landen te vergelijken is. De verordening biedt nota bene juist meer ruimte voor nationale afwijkende criteria dan de nu nog geldende richtlijn.

Kan de staatssecretaris aangeven wat de reden is dat diverse Europese landen, waaronder Italië en Duitsland, al zijn overgegaan op een verbod terwijl wij er nog over nadenken? Wat was de hoofdreden van die Europese landen om tot een verbod over te gaan? En waarom is dat voor Nederland nog geen reden? Heeft dat met de teeltkeuze te maken, of met de intensiteit van voedselproductie?

De onderzoeksopdracht aan Alterra behelst alleen onderzoek naar de varroamijt en andere parasieten als de Nosema. Reeds op het wereldcongres Apimondia in Montpellier in 2009 waren wetenschappers en bijendeskundigen het erover eens dat het gebruik van landbouwgif een zeer belangrijke oorzaak is van de exploderende bijensterfte wereldwijd. Dit heeft geen gevolgen gehad voor de onderzoeksopdracht aan Alterra. Kan de staatssecretaris uitleggen waarom, terwijl de internationale bijenwereld de noodklok luidt over landbouwgif en de effecten op bijen en andere bestuivers, in Nederland daar niets aan is gedaan?

De staatssecretaris geeft aan dat als deze nieuwe generatie bestrijdingsmiddelen aantoonbaar schadelijk zijn voor bijen, ze dat ook wel zullen zijn voor andere insectensoorten. In het geval dat deze middelen geen nadelige effecten zouden hebben op bijen (wat natuurlijk kan, al verwachten de leden van de PvdA-fractie het niet), dan is het niet per definitie zo dat ze geen effecten zouden hebben op andere niet-doelsoorten (nachtvlinders, zweefvliegen, hommels) die in het agrarische gebied voorkomen. Wil de staatssecretaris aangeven hoe hij de zorg voor deze soorten dan denkt in te vullen?

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van het CDA

Artikel 28, derde lid, van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden dient ter implementatie van artikel 36, eerste lid, van verordening (EG) 1107/2009 en bepaalt dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels kunnen worden gesteld over de toepassing van de uniforme beginselen. Het artikel bevat echter als gevolg van het amendement van het lid Koopmans c.s. (Kamerstukken 32 372, nr. 41) twee beperkingen. Er kan geen norm worden gesteld bovenop de uniforme beginselen of een extra beoordelingsnorm. Wel kan de regering regelen «hoe» een norm uit de verordening of de uniforme beginselen moet worden beoordeeld door het Ctgb. In hoeverre kan dan nog sprake zijn van een nationale kop?

In hoeverre gaat de «hoe» vraag ook op in de volgende redenering zoals gesteld in de Nota van toelichting: de uniforme beginselen (UB) bestonden al onder richtlijn 91/414/EEG en zijn volgens artikel 29, zesde lid, van de verordening zonder ingrijpende wijzigingen overgenomen. De UB kent diverse open bepalingen, die door de lidstaat nader ingevuld moeten worden. De verplichting blijkt onder andere uit de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) over de toetsing op drinkwaterkwaliteit, waarin het CBb oordeelde dat Nederland een methode had moeten aanwijzen om op de EU-norm voor drinkwaterkwaliteit te toetsen, ook al voorzien de uniforme beginselen zelf niet in een methode voor de beoordeling van de effecten van het voorgenomen gebruik van een gewasbeschermingsmiddel op in dit geval de kwaliteit van het oppervlaktewater dat voor de onttrekking van drinkwater wordt gebruikt? Op welke wijze is Nederland door de Europese Unie en/of andere lidstaten op deze problematiek gewezen? Wat is de situatie in andere lidstaten en hoe gaan andere lidstaten hiermee om? Is sprake van een gelijkspeelveld? Zo nee, welke acties onderneemt de staatssecretaris om deze wel te creëren?

De uitwerking van de UB zal stap voor stap naar Europees niveau worden getild. De Europese Commissie zal richtsnoeren vaststellen volgens de procedure van artikel 77, en deze richtsnoeren moeten volgens artikel 36, eerste lid, van de verordening worden gebruikt in de zonale beoordeling. Het zal nog enkele jaren duren voordat deze invulling compleet is. Kan de staatssecretaris het tijdstraject aangeven alsmede welke stappen doorlopen dienen te worden? Op welke wijze kan Nederland het traject versnellen? Is hierbij het Europese gelijkspeelveld in beeld? Tot die tijd blijft het huidige toetsingskader gelden: de UB met verplichte nationale invullingen. Deze nationale invullingen blijven, gelet ook op voormelde gerechtelijke uitspraak, voorlopig noodzakelijk om aan de EU-verplichting voor een juiste beoordeling te voldoen. Deelt u de mening dat hier wel degelijk sprake is van een nationale kop in elk geval voor de «hoe»? Of niet? Of geldt deze aanpak voor de gehele zonale zone?

Artikel 67 registratie van verkochte en gebruikte gewasbeschermingsmiddelen

Voor de zekerheid voorziet artikel 25a in de mogelijkheid uitvoeringsregels te stellen bij ministeriële regeling. De reden hiervoor is dat artikel 67, vierde lid, van verordening (EG) 1107/2009 de mogelijkheid openhoudt dat er nog een uitvoeringsverordening volgt. Zolang er nog geen Europese uitvoeringsverordening is, kan het nodig zijn Nederlandse uitvoeringsregels te stellen. In welke gevallen zou hier sprake van kunnen zijn? En is het niet zo dat deze dan gelden voor de gehele zonale zone? Het ontwerpbesluit voegt bij onderdeel C na artikel 25 dus een nieuw artikel 25a in dat het mogelijk maakt dat de Minister bij regeling nadere regels stelt met betrekking tot de registratie van onder meer het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Dergelijke regels, die potentieel een groot effect op de administratieve lastendruk van ondernemers kunnen hebben, dienen niet bij regeling maar bij algemene maatregel van bestuur, te worden vastgesteld, zodat deze daarmee eerst aan parlementaire beoordeling onderhevig kunnen zijn.

Op grond van artikel 23 van de richtlijn 2009/128/EG moet de Nederlandse implementatieregelgeving uiterlijk op 26 november 2011 in werking treden. Implementatie vindt plaats in het Besluit gewasbeschermingsmiddelen en biociden, alsmede het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer, het Besluit lozingen buiten inrichtingen en het Lozingenbesluit open teelt en veehouderij. Zit ook het Activiteitenbesluit hieraan gekoppeld? Wat is het gevolg als deze termijn niet wordt gehaald?

Richtlijn 2009/128/EG stelt in aanvulling op verordening (EG) 1107/2009 en in aanvulling op richtlijn 2009/127/EG regels over de gebruiksfase van gewasbeschermingsmiddelen. Zo vereist de eerstgenoemde richtlijn artikel 9 dat de luchtvaarttoepassing van gewasbeschermingsmiddelen in principe wordt verboden. De leden van CDA-fractie vragen op dit punt opheldering. Vallen spuitvliegtuigen, welke fungicides spuiten, hieronder? Het gebruik van vliegtuigspuiten is al aan strikte eisen gehouden middels het Lozingsbesluit open teelt en veehouderij. Waarom dan toch deze verdere aanscherping? Graag een reactie hierop van de staatssecretaris. Hoe wordt deze problematiek van het landbouwluchtvaartbedrijfsleven, welke niet stil heeft gezeten, meegenomen bij het Activiteitenbesluit?

De leden van de CDA-fractie zijn tevreden met de erkenning dat daar waar het bedrijfsleven zelf een rol kan spelen, de regering aangeeft dat ook over te laten aan het bedrijfsleven.

Ook zijn de leden van de CDA-fractie tevreden met de constatering dat de huidige voorschriften zowel op het vlak van de Waterwet als op de artikelen 79 en 80 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden gebaseerde Lozingenbesluit open teelt en veehouderij (Lotv) voor agrarische toepassingen een voldoende implementatie van artikel 11 van de richtlijn 2009/128/EG zijn.

De leden van de CDA-fractie vragen opheldering op het punt dat alle te nemen maatregelen ondersteuning dienen te bieden aan en verenigbaar dienen te zijn met de Kaderrichtlijn water (KRW). In hoeverre is hier het gelijkspeelveld in beeld? Is hier sprake van een nationale invulling?

Wat is de Nederlandse input met betrekking tot herziening van de richtlijn prioritaire stoffen, een dochterrichtlijn van de KRW? De Europese Commissie is al geruime tijd bezig met de voorbereiding van de herziening van de richtlijn prioritaire stoffen, een dochterrichtlijn van de KRW. Welke meetgegevens heeft Nederland aan de Europese Commissie gestuurd? Eén van de criteria die de Europese Commissie voor plaatsing van een stof op de lijst hanteert, is dat de stof in minstens drie lidstaten een probleem vormt. Kan de staatssecretaris aangeven of dat het geval is voor werkzame stoffen welke in Nederland worden toegepast, bijvoorbeeld imidacloprid, chlothianidin, thiamethoxam en fipronil? En kan hij een overzicht geven welke stoffen Nederland wel op de lijst heeft staan en overige lidstaten niet? Wanneer wordt het voorstel van de Commissie verwacht? Heeft de staatssecretaris in beeld of de genoemde stoffen ook op lijsten van probleemstoffen op stroomgebiedniveau (lidstaat overstijgend) voorkomen?

Bij Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer Artikel II onderdeel C wordt na artikel 4 113a een nieuw artikel 4 113b ingevoegd. Het artikel kent drie leden genummerd 1, 6 en 7. Waarschijnlijk is niet correct genummerd. Of ontbreken de leden 2 t/m 5?

Handhaaf Besluit artikel 10 «Behandeling van zaaizaad voor derde landen». Als deze mogelijkheid vervalt, zal de zaadindustrie dit deel van haar activiteiten in Nederland moeten staken en verplaatsen naar of uitbesteden aan het land van bestemming. Dat betekent aanzienlijk verlies van zaken in Nederland. Graag een reactie hierop van de staatssecretaris.

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de SP

De leden van de SP-fractie hebben met zorg kennisgenomen van het ontwerpbesluit, houdende wijziging van het Besluit gewasbeschermingsmiddelen en biociden en enige andere besluiten in verband met de aanwijzing van nationale beoordelingsmethoden voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen. In de visie van de leden van de SP-fractie doet het amendement Koopmans c.s. (Kamerstuk 32 372, nr. 41) ernstige afbreuk aan de werking van de wet en het ontwerpbesluit.

De leden van de SP-fractie maken zich zorgen vanwege het te ruime toelatingsbeleid, waarbij onder meer onvoldoende rekening wordt gehouden met gezondheidseffecten op omwonenden, effecten op niet-doelwitorganismen zoals bijen (inclusief lange termijn en sublethaal), gewerkt wordt volgens verouderde methoden en geen rekening wordt gehouden met gestapelde effecten. Ook het feit dat er ondanks overschrijdingen in het oppervlaktewater nog steeds nieuwe toelatingen plaatsvinden van bijvoorbeeld neonicotinoïden. De leden van de SP-fractie vrezen een race naar de bodem met het zonale toelatingsbeleid, doordat er in Europa en zeker in Nederland te weinig waarborgen zijn ingebouwd om de kwaliteit van de beoordelingen te garanderen en concurrentie op kwaliteit te bevorderen versus concurrentie op dienstbaarheid aan het bedrijfsleven. De leden van de SP-fractie zijn nog niet gerust op de rol van het Ctgb en zien hier dit jaar graag verbetering in. Aan de te ruimhartige toelatingen en de gebrekkige onderbouwing moet onmiddellijk een einde komen.

De leden van de SP-fractie maken zich ernstig zorgen over de waterkwaliteit. De leden van de SP-fractie hebben met zorg gelezen in het artikel in de Spits van 10 maart jl. «Waterprijs omhoog» dat de Vewin verwacht dat door de nieuwe regelgeving de prijs van drinkwater omhoog zal gaan. Hoeveel extra kosten krijgen de drinkwaterbedrijven in Nederland door de extra vervuiling met pesticiden? Wie gaat er voor de kosten opdraaien? Waar zijn deze begroot? Ziet het kabinet mogelijkheden om de producenten of gebruikers van de pesticiden de extra zuiveringskosten te laten betalen?

De leden van de SP-fractie lazen «De Europese uniforme beginselen (PM deel B, punt 1 onder 2 en 5, en punt 2.4.1.1, alsmede deel C, punt 2.4) verplichten het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden ertoe met alle verwachte blootstellingsroutes rekening te houden. De methode onder nummer 22 is van belang voor de inschatting van de mate van blootstelling van omwonenden aan gewasbeschermingsmiddelen via de lucht met behulp van het zogenoemde lijwervelmodel.»

De leden van de SP-fractie vragen welke toekomstige, danwel toegelaten stoffen, wel dan niet hiermee beoordeeld zullen worden. Voorts vragen de leden van de SP-fractie welke rapporten en beoordelingen met betrekking tot gezondheidsgevolgen voor omwonenden er dit jaar te verwachten zijn.

Hoe is de toetsing op de gezondheid van mensen betreffende niet landbouwkundig gebruik op bijvoorbeeld sportvelden of andere gelegenheden waar veel kinderen spelen of voor langere tijd verblijven, zo vragen de leden van de SP-fractie.

Hoe wordt getoetst en met welke premissen? Wordt rekening hierbij gehouden met mogelijk onoordeelkundig gebruik? Zijn middelen met neonicotinoïden, zoals Merit Turf, voor sportvelden toegelaten bijvoorbeeld voor de bestrijding van emelten en engerlingen?

De leden van de SP-fractie vragen hoe de praktijk bij niet landbouwkundig gebruik wordt vormgegeven. De leden van de SP-fractie namen kennis van het volgende: «Overigens wijst de regering erop dat, ook buiten de landbouw, gebruikers van gewasbeschermingsmiddelen (buiten de landbouw vaak onkruidbestrijdingsmiddelen) op grond van

artikel 26, eerste lid, van het Besluit gewasbeschermingsmiddelen en biociden verplicht zijn ieder

jaar een gewasbeschermingsplan op te stellen. In dat plan moet in voorkomend geval ook rekening worden gehouden met de eisen van artikel 27b Bgb. Dit houdt in ieder geval in dat een gebruiker, voordat sprake is van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen, eerst het gebruik van niet-chemische alternatieven moet overwegen.» Hoe wordt dit vormgegeven, wat doet het kabinet aan controle en handhaving, welke capaciteit wordt hierop gezet met welke sanctie wordt gewerkt en wat is de pakkans? Hoe garandeert de staatssecretaris dat er serieus gekeken wordt naar niet-chemische alternatieven?

In welke mate wordt er momenteel bij onderhoud van auto- of spoorwegen gebruik gemaakt van zware onkruidbestrijdingsmiddelen zoals neonicotinoïden? In hoeverre wordt er gekeken naar alternatieven en is er een instructie vanuit het Rijk hiervoor? Vewin en de Unie van Waterschappen merken op dat het schrappen van de preregistratietoets (gebaseerd op artikel 2.10 Rgb) ertoe kan leiden dat knelpunten voor de waterkwaliteit toenemen. Dit

is volgens de leden van de SP-fractie zeer zorgelijk en deze leden willen graag een garantie van het kabinet dat de waterkwaliteit niet achteruit zal gaan betreffende residuen van bestrijdingsmiddelen in (oppervlakte)water.

Het argument dat het vervallen van de preregistratietoets het Nederlandse toelatingsbeleid in lijn brengt met hetgeen elders in Europa gebruikelijk is, houdt volgens de leden van de SP-fractie geen steek aangezien Nederland specifieke omstandigheden kent zoals een grote bevolkingsdruk en veel wind en water.

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de Partij voor de Dieren

De leden van fractie van de Partij voor de Dieren hebben met grote teleurstelling kennisgenomen van het ontwerpbesluit gewasbeschermingsmiddelen dat voortvloeit uit de wijziging van de wet gewasbeschermingsmiddelen om deze in lijn te brengen met EU-regelgeving. Zij willen graag vragen stellen over het voorliggende besluit.

De leden van fractie van de Partij voor de Dieren zien dat Nederland een uniek land is, met uitzonderlijke omstandigheden, door de kleine akkers en weilanden, de vele slootjes, het vele gebruik van oppervlaktewater om drinkwater van te produceren, en het extreem hoge gebruik van landbouwgif door de boeren en tuinders in ons land. Het oppervlaktewater in Nederland is in extreem hoge mate vervuild door bestrijdingsmiddelen, zeker in het Westland. De kosten voor de zuivering van het water nemen toe, en de bewijzen van de schadelijkheid van bestrijdingsmiddelen voor de menselijke gezondheid en voor de biodiversiteit stapelen zich op. De bijensterfte is extreem hoog in ons land. In deze context vinden de leden van fractie van de Partij voor de Dieren het onbegrijpelijk dat de regering de regelgeving op het gebied van het toelaten, het gebruik en het lozen van bestrijdingsmiddelen versoepeld. Graag een reactie hierop. Waarom stelt het kabinet het korte termijn economische belang van producenten en gebruikers van bestrijdingsmiddelen voorop op de volksgezondheid en de kwetsbare en onmisbare biodiversiteit?

De leden van fractie van de Partij voor de Dieren hebben niets kunnen merken van een begin van het besef bij het kabinet dat het hoge gebruik van bestrijdingsmiddelen daadwerkelijk snel naar beneden moet. Toch is de noodzaak daarvan erg groot; onze eigen gezondheid lijdt schade door het gebruik van de middelen, bestuivers, waaronder bijen, laten nu al zien het loodje te leggen door het hoge gebruik van extreem giftige middelen, maar ook de landbouw zelf is uiteindelijk de dupe van het hoge gifgebruik. Steeds meer onkruiden en plaaginsecten worden resistent door de continue blootstelling aan gif. Op welke wijze neemt het kabinet deze feiten mee in haar beleid omtrent bestrijdingsmiddelen? De leden van fractie van de Partij voor de Dieren zien dit niet terugkomen, er lijkt geen enkele urgentie aan gegeven te worden dat de Nederlandse landbouw moet leren te functioneren zonder het gebruik van landbouwgif. Ook de samenhang met het beleid om het verlies aan biodiversiteit te stoppen lijkt compleet vergeten in de wetswijziging en in het voorliggende ontwerpbesluit. Op welke wijze wordt het beleid over de toelating en het gebruik van giftige bestrijdingsmiddelen gekoppeld aan beleid gericht op het behoud van de biodiversiteit in ons land? Op welke manieren is hier institutioneel samenwerking en uitwisseling van kennis geborgd op het gebied van de negatieve effecten van bestrijdingsmiddelen, bijvoorbeeld tussen het Planbureau voor de leefomgeving (PBL), het Ctgb, en tussen het Rijksinsitituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM)? Is deze samenwerking er? Zo nee, waarom niet en is het kabinet bereid hier verandering in aan te brengen?

De zonale toelating zal naar mening van de leden van fractie van de Partij voor de Dieren een ernstig negatief effect hebben op de kwaliteit van ons oppervlaktewater en de biodiversiteit. Het stellen van nationale regels om onze specifieke omstandigheden mee te nemen in toelatingen en gebruiksvoorschriften wordt ernstig beperkt. Graag krijgen de leden van fractie van de Partij voor de Dieren een compleet overzicht van de wijze waarop Nederland nog aanvullende regels zal blijven kunnen stellen wanneer de EU-regelgeving eenmaal compleet geïmplementeerd is. Wat is nog mogelijk, en wat niet? Op welke wijze zal het Ctgb binnen het systeem van zonale toelatingen gaan beoordelen, wanneer de toelating door een andere lidstaat is uitgevoerd, of bij deze toelating wel voldoende is gelet op de specifieke omstandigheden in ons land? Kan de staatssecretaris bij het beantwoorden van deze vraag het hele proces uitgebreid beschrijven zodra er een zonale toelating aangevraagd wordt in de zone waartoe Nederland behoort?

De leden van fractie van de Partij voor de Dieren maken zich ernstig zorgen over de manieren waarop de producenten en verhandelaars van landbouwgif adverteren voor hun schadelijke middelen. Aan welke regels moet de etikettering van en reclame voor bestrijdingsmiddelen voldoen? Op welke wijze en met welke frequentie wordt hierop gecontroleerd? De leden van fractie van de Partij voor de Dieren zijn van mening dat reclame voor chemische bestrijdingsmiddelen helemaal niet mogelijk zou moeten zijn. Hiermee worden onduurzame landbouwpraktijken in stand gehouden en zelfs gestimuleerd. En dit, zonder dat er een verplichting schijnt te zijn om in advertenties te wijzen op de schadelijke effecten die het gebruik van bestrijdingsmiddelen kan hebben. Is het kabinet bereid tot het invoeren van een wettelijke verplichting voor het toevoegen van waarschuwingszinnen op advertenties van bestrijdingsmiddelen, zoals ook het geval is bij reclame voor andere schadelijke stoffen, zoals alcoholische dranken? Hierbij kan gedacht worden aan het verplicht vermelden van de waarschuwingslabels en -zinnen die ook op de etiketten van de betreffende middelen gevoerd moeten worden. Indien het kabinet hiertoe niet bereid is, wat is hier de reden voor, en hoe verhoudt zich dat tot de, in ieder geval theoretische, inzet van het kabinet om minder bestrijdingsmiddelen te gebruiken?

Tijdens de behandeling van de wetswijziging hebben de leden van fractie van de Partij voor de Dieren vragen gesteld over de rol die het Ctgb in het rondetafelgesprek over de wetswijziging hebben gespeeld. Zij wezen hier op de actieve lobby van het Ctgb om de «nationale koppen» oftewel de nationale wetgeving die onder andere de waterkwaliteit moet beschermen, te verwijderen in deze wetswijziging. De leden van fractie van de Partij voor de Dieren willen opmerken het ook zeer teleurstellend te vinden dat deze lobby gelukt is. Daarnaast willen zij alsnog graag een oordeel van het kabinet over deze rol van het Ctgb. Deelt het kabinet de mening dat het Ctgb het belang van een goede kwaliteit van de leefomgeving, voor mens en dier, voorop zou moeten stellen, en niet hun eigen economische positie en de belangen van de producenten van chemische bestrijdingsmiddelen? Is het kabinet bereid het Ctgb aan te spreken op de lobby die zij gevoerd hebben, of is dat wellicht in de tussentijd al gebeurd? Zo nee, waarom niet en welke conclusie moeten de leden van fractie van de Partij voor de Dieren hieruit trekken?

De leden van fractie van de Partij voor de Dieren willen graag weten op welke wijze het kabinet het gebruik van biociden in zowel door agrariërs als door particulieren wil terugdringen. Welke doelstellingen zijn er daarvoor, welke instrumenten gebruikt de regering hiervoor?

De leden van fractie van de Partij voor de Dieren zijn zeer ontstemd over het schrappen van de watertoets. Kan het kabinet bevestigen dat de verordening voorschrijft dat bij toelating van bestrijdingsmiddelen gekeken moet worden naar de gevolgen van deze toelating voor de kwaliteit van het oppervlaktewater? Op welke manier wordt daar na van toepassing worden van het voorliggende besluit uitvoering aangegeven? Kan het kabinet bij het beantwoorden van deze vraag zowel ingaan op de situatie dat het Ctgb de beoordeling verzorgt als op de situatie dat de beoordeling gedaan wordt in een andere lidstaat?

De bescherming van het grondwater wat voor de productie van drinkwater gebruikt wordt, behoeft naar mening van de leden van fractie van de Partij voor de Dieren meer aandacht dan thans gebeurt. Provinciale Staten zouden ervoor moeten zorgen dat er zones rondom de inwinpunten van dit water beschermd worden, maar de leden van fractie van de Partij voor de Dieren hebben de indruk dat dit lang niet overal goed gebeurt. Kan het kabinet hiervan een overzicht geven? Deelt het kabinet de mening van de leden van fractie van de Partij voor de Dieren dat het borgen van deze beschermingszones in nationale regelgeving zou moeten gebeuren om werkelijke bescherming te realiseren? Zo nee, waarom niet?

De Kamer heeft een toezegging gekregen nog geïnformeerd te worden over de teeltvrije zones en emissiereducerende maatregelen met het oog op het voorkomen van effecten ten aanzien van de waterkwaliteit. Wanneer zal de Kamer deze brief ontvangen, en zal het kabinet voor de inhoud van deze brief nog in overleg treden met drinkwaterbedrijven en milieu- en natuurorganisaties?

De leden van fractie van de Partij voor de Dieren hebben ernstige twijfels bij de manier waarop het Ctgb bestrijdingsmiddelen beoordeelt. Zij hebben de indruk dat dit niet gebeurt op basis van de meest recente wetenschappelijke inzichten. Bijlage 1, behorende bij artikel 8a eerste lid, over de methoden voor de beoordeling van gewasbeschermingsmiddelen, bevestigt deze indruk van de leden van fractie van de Partij voor de Dieren. De stellige indruk van de leden van fractie van de Partij voor de Dieren is dat er een groot aantal aspecten van de bestrijdingsmiddelen niet wordt meegenomen in de beoordeling, zoals de sublethale effecten, de chronische toxiciteit, de cumulatieve effecten en hormoonverstorende effecten. De reactie op het verzoek van de vaste commissie voor Economische Zaken, Landbouw en Innovatie van 12 april 2011 (2011Z08457), om een reactie te geven aan de Kamer op het onderzoek van het UMC St. Radboud in Nijmegen over mogelijke afwijking bij zonen door bestrijdingsmiddelen, waarbij het kabinet aangaf meer onderzoek hiernaar te laten doen door het RIVM, bevestigt het beeld dat dit soort nieuw onderzoek inderdaad niet wordt meegenomen in de toelatingsprocedure van bestrijdingsmiddelen. Graag krijgen de leden van fractie van de Partij voor de Dieren een inhoudelijke reactie op alle punten waarvan zij de indruk hebben dat deze onvoldoende worden meegenomen, waarbij zij vragen in te gaan op welke nieuwe inzichten er zijn op dit gebied en op welke wijze deze aspecten meegenomen worden in de toelatingsprocedure. Ook de statistische onderbouwing van de proeven die worden gedaan – meestal door de producent van het bestrijdingsmiddel zelf, om de toxiciteit op niet-doelwitorganismen aan te tonen. Er is recent een studie verschenen van James E. Cresswell (A meta-analysis of experiments testing the effects of a neonicotinoid insecticide (imidacloprid) on honey bees. Ecotoxicology d.d.16 november 2010) waarin wordt geconcludeerd dat alle uitgevoerde proeven op bijen te kort duurden en te klein waren opgezet om sublethale effecten aan te tonen. De leden van fractie van de Partij voor de Dieren krijgen graag een inhoudelijke reactie op dit onderzoek, en zij vragen op welke wijze en op welke termijn de beoordelingsprocedure aangepast zal worden om de kritiek die er te leveren is op de toelatingsprocedures weg te nemen.

De Nota van toelichting vermeldt dat er middels de veranderingen in de methoden voor de beoordeling van gewasbeschermingsmiddelen een administratieve lastenverlichting optreedt van een half miljoen, en dat de toelatingen sneller zullen gaan. Op welke wijze wordt deze lastenverlichting bereikt, en hoe kan het kabinet garanderen dat dit niet ten koste gaat van de bescherming van de milieukwaliteit? Graag een uitgebreide reactie op dit punt, de leden van fractie van de Partij voor de Dieren hebben hier grote zorgen over.

De leden van fractie van de Partij voor de Dieren hebben ook enkele vragen over de procedures van dringend vereiste toelatingen. Welke criteria zijn er om te beoordelen of een middel een dringend vereiste toelating zou moeten krijgen? Welke toetsen worden er uitgevoerd bij een dringend vereiste toelating en op welke wijze wijkt deze procedure af van de normale beoordeling? Welke veranderingen zal het systeem van zonale toelating hierin maken?

Het kabinet lijkt ervan uit te gaan dat gebruiksvoorschriften altijd worden nageleefd. Daarom worden er veel middelen toegelaten waarvan bekend is dat zij een ernstig negatief effect hebben op bijvoorbeeld bijen (en andere bestuivers), waarbij dan gebruiksvoorschriften gelden dat het bijvoorbeeld niet op bloeiende planten mag worden gebruikt. Dit is niet alleen het geval bij toepassingen voor agrarisch gebruik, maar ook bij toepassingen voor particulier gebruik. Zo zijn er middelen toegelaten voor particulier gebruik van de klasse neonicotinoïden, ook die neonicitinoïden waarvan bekend is dat zij gevaarlijk zijn voor bijen. Hoe wordt er bij particulier gebruik gehandhaafd op deze gebruiksvoorschriften? Deelt het kabinet de mening dat dit gebruik niet gehandhaafd kan worden en dat het zeer goed mogelijk is dat particulieren deze middelen ook buiten gebruiken, en ook op bloeiende planten? Deelt het kabinet de mening dat dit gebruik dus een ernstig negatief effect kan hebben op de o zo belangrijke bij? Deelt het kabinet dan ook de mening dat het gebruik van neonicitinoïde middelen door particulieren dan ook verboden moet worden? Zo nee, waarom niet, zeker gezien het feit dat er talloze middelen beschikbaar zijn voor particulieren die geen of een aanzienlijk kleiner risico betekenen voor de biodiversiteit in het algemeen, en de essentiële bestuivers in het bijzonder?

Maar ook bij het agrarisch gebruik is overduidelijk dat de gebruiksvoorschriften vaak niet worden nageleefd, kan de regering dat bevestigen? Hoe zijn anders de enorme normoverschrijdingen in het oppervlaktewater te verklaren? Is het kabinet bereid om toe te geven dat er tussen de theorie op basis waarvan middelen toegelaten worden, en de praktijk waarin de middelen gebruikt worden, een enorm verschil zit, en dat dit verschil voor zeer ernstige ecologische effecten kan zorgen? Op welke manier wil het kabinet dit verschil verkleinen, op welke manier wil het kabinet ervoor zorgen dat bij de toelating van giftige middelen uitgegaan wordt van de praktijksituaties? Deelt het kabinet dat alleen wanneer de huidige praktijk en de huidige fysieke omstandigheden, inclusief de huidige normoverschrijdingen in het oppervlaktewater, worden betrokken bij de toelating, de leefomgeving van mens en dier afdoende beschermd wordt? Zo nee, waarom niet?

Graag krijgen de leden van fractie van de Partij voor de Dieren hierbij ook een overzicht van de fte’s en het budget dat wordt besteed aan de handhaving van de genoemde gebruiksvoorschriften.

De leden van fractie van de Partij voor de Dieren hebben begrepen dat Wageningen UR nu een uitgebreider onderzoek aan het opstarten is naar de verschillende oorzaken van bijensterfte, en dat onderzoeker Van der Sluijs daarbij betrokken zal worden. De leden van fractie van de Partij voor de Dieren waarderen het betrekken van de expertise van de Universiteit Utrecht, en worden graag nader geïnformeerd over de opzet en reikwijdte van deze studie.

II. REACTIE VAN DE STAATSSECRETARIS

Vragen van de leden van de fractie van de VVD

De VVD-fractie roept het kabinet op zich actief in te zetten op de harmonisatie van Europese richtsnoeren.

Met de leden van de VVD-fractie ben ik van mening dat het van groot belang is dat Nederland actief is bij de ontwikkeling van richtsnoeren in Europees verband. Die rol vervult Nederland dan ook al jaar en dag. Nederland is op dit moment intensief betrokken bij de ontwikkeling van een nieuw Europees richtsnoer over de beoordeling van zaadcoatingsmiddelen en een nieuw richtsnoer over de beoordeling van emissies uit bedekte teelten.

Nederland is ook betrokken bij de verdere ontwikkeling van een geharmoniseerde beoordeling van de blootstelling van de toepasser, herbetreder, passanten en omwonenden. Nederland is intensief betrokken bij de European Food Safety Authority, (hierna: EFSA), door nationale experts te laten deelnemen aan «EFSA-Panels». De panels hebben een taak bij de (wetenschappelijke) ontwikkeling van richtsnoeren en de herziening ervan.

De VVD-fractie merkt op dat regels over de registratie van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen vanwege de potentiele administratieve lastendruk bij algemene maatregel van bestuur behoren te worden vastgesteld en niet bij ministeriële regeling.

Ik wijs erop dat artikel 67 van verordening (EG) 1107/2009 onder meer verplicht bij te houden welke middelen zijn gebruikt. Deze regels zijn bindend voor iedere professionele gebruiker. Nu de EU-bepaling uitdrukkelijk nog ruimte laat voor een uitvoeringsverordening, maar deze nog niet beschikbaar is, voorziet de Nederlandse regelgeving in een mogelijkheid aanvullende regels te stellen. Volgens aanwijzing 26 van de Aanwijzingen voor de regelgeving is het toegestaan de bevoegdheid tot het stellen van regels te delegeren naar het niveau van een ministeriële regeling, nu het hier gaat om de uitwerking van details van EU-regelgeving, die geen ruimte laten voor het maken van keuzen van beleidsinhoudelijke aard. De enige regel die ik overigens voornemens ben te stellen op dit terrein, is dat de Europees verplichte administratie volledig en naar waarheid moet zijn bijgewerkt.

Naar aanleiding van de vragen van de VVD- en CDA-fractie over de nummering van het nieuwe artikel 4113b in artikel II, onderdeel C van het ontwerpbesluit, merk ik tot slot op dat de leden 6 en 7 worden vernummerd tot de leden 2 en 3.

Vragen van de leden van de fractie van de PvdA

Het verheugt de leden van de PvdA-fractie dat in artikel 11 van de richtlijn 2009/128/EG staat dat de lidstaten verplicht zijn ervoor te zorgen dat het aquatische milieu en de drinkwatervoorziening worden beschermd tegen het effect van gewasbeschermingsmiddelen. Op welke wijze voldoet de huidige nationale wetgeving aan deze eis? En op welke vlakken moet de regelgeving nog aangepast worden?

De huidige nationale regelgeving voldoet daaraan, in die zin dat nationale regels voor veel onderwerpen uit de EU-richtlijn reeds bestaan. Het gaat dan bijvoorbeeld om teeltvrije zones uit het Lozingenbesluit open teelt en veehouderij of regels uit het Besluit landbouw milieubeheer, die beiden op korte termijn worden samengevoegd met het Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer (het zogenoemde «Activiteitenbesluit»).

Op pagina 9 van de Nota van toelichting staat te lezen dat er buiten de toelating geen nationale regels bestaan voor niet-landbouwkundige toepassingen, zoals op sportvelden. Wanneer zal voorzien worden in de aanvullende implementatievoorschriften op grond van de eisen van artikel 11? Welke maatregelen zullen worden vastgesteld om de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen zoveel mogelijk te beperken dan wel uit te schakelen langs infrastructuur nabij oppervlaktewater en grondwater? Waarom wordt niet gekozen voor uitschakelen van gebruik tenzij het echt niet anders kan?

De aanvullende implementatievoorschriften worden door middel van het thans voorliggende ontwerpbesluit gesteld, namelijk in artikel 4113b van het Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer, alsmede artikelen 27a en 27b van het Besluit gewasbeschermingsmiddelen en biociden, die onderdeel uitmaken van het andere ontwerpbesluit ter implementatie van EU-regelgeving op het gebied van gewasbeschermingsmiddelen. Deze voorschriften beperken het gebruik van middelen nabij oppervlaktewater of grondwaterbeschermingsgebieden.

Ook buiten de landbouw moeten gebruikers elk jaar een gewasbeschermingsplan opstellen. Dat houdt in elk geval in dat een gebruiker eerst het gebruik van niet-chemische alternatieven moet overwegen. Hoe wordt hier op toegezien? Moet de gebruiker elk jaar opnieuw de overweging maken? Wordt actief ingezet op voorlichting over de beschikbare alternatieven?

De leden van de PvdA-fractie zijn van mening dat het terugbrengen van het gebruik momenteel voor een groot deel op vrijblijvende maatregelen stoelt en dat dit een negatief effect heeft op de effectiviteit. Daarom vinden de leden van fractie van de PvdA dat serieus ingezet moet gaan worden op een verdere vermindering van het gebruik en daarmee een vermindering van de risico’s en gevolgen van het gebruik van bestrijdingsmiddelen voor mens, dier en milieu, met hierbij een veel duidelijkere focus op alternatieve gewasbeschermingstechnieken en -middelen.

Iedere gebruiker van gewasbeschermingsmiddelen, toegelaten voor professioneel gebruik, is nu al op grond van artikel 26 van het Besluit gewasbeschermingsmiddelen en biociden verplicht de beginselen van goede gewasbeschermingspraktijken en geïntegreerde gewasbescherming, zoals opgenomen in de bijlage bij dat besluit, te hanteren en in zijn gewasbeschermingsplan aan te geven hoe hij daaraan invulling geeft. Deze beginselen gaan uit van preventieve maatregelen. Als die niet voldoende helpen, mag het gebruik van niet-chemische bestrijding worden overwogen en ten slotte, chemische gewasbescherming. Deze verplichting acht ik vooralsnog voldoende.

Gebruikers buiten de landbouw betreffen veelal gemeenten en beheerders van bedrijventerreinen. De kennis van de gewasbeschermingsregelgeving laat daar te wensen over. Voor onkruidbestrijding op verhardingen is sinds enkele jaren een aantal praktisch toepasbare en breed inzetbare niet-chemische technieken beschikbaar in het kader van duurzaam onkruidbeheer. Voorlichting en onderzoek vinden plaats onder de vlag van een werkgroep van de stichting CROW, het «nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte».

Toezichthouders op het terrein van gewasbeschermingsmiddelen controleren of een actueel (voor het desbetreffende jaar aangepast) gewasbeschermingsplan aanwezig is op het bedrijf.

Gebruikers van gewasbeschermingsmiddelen, toegelaten voor professioneel gebruik, zowel binnen als buiten de landbouw, dienen bovendien te beschikken over een vakbekwaamheidsbewijs. Dit bewijs verplicht tot het volgen van bijscholingsbijeenkomsten, waarbij geïntegreerde gewasbescherming een belangrijk onderwerp is.

De regering zet zich samen met organisaties van producenten, handel, gebruikers en andere maatschappelijke actoren actief in voor voorlichting over beschikbare alternatieven en andere vormen van geïntegreerde teelt in vakbladen en op websites.

Richtlijn 2009/128/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van een kader voor communautaire actie ter verwezenlijking van een duurzaam gebruik van pesticiden (PbEU 2009, L 309) bevat vergelijkbare beginselen van geïntegreerde gewasbescherming. In het op grond van genoemde richtlijn verplichte nationaal actieprogramma, dat volgend jaar aan uw Kamer zal worden aangeboden, zal geïntegreerde gewasbescherming eveneens nadrukkelijk een uitgangspunt en pijler van het beleid zijn en zal ik uitsluitsel geven of extra maatregelen noodzakelijk zijn.

Door middel van de motie Ouwehand (Kamerstuk 32 372, nr. 19) heeft de Kamer verzocht reeds toegelaten neonicotinoïden opnieuw te toetsen op de gezondheid van bijen en hierbij ook expliciet de sublethale effecten mee te nemen. Naast bijen hebben ook andere insecten als vlinders en hommels mogelijk last van dezelfde middelen. Kan dit opnieuw toetsen dan ook gebeuren op niet-doelwitsoorten voor de neonicotinoïden?

Zoals eerder aan uw Kamer per brief gemeld richt de huidige systematiek van (her-)beoordeling van een gewasbeschermingsmiddel zich op representatieve soorten, omdat een beoordeling op de effecten voor alle organismen praktisch gezien onmogelijk is.

Voor de zogenoemde arthropoden (geleedpotigen) zijn de beoordeelde soorten in twee groepen te vatten. Ten eerste de groep van nectaretende soorten, waarvoor bijen en hommels representatief worden geacht. Vlinders behoren ook tot deze groep. Ten tweede de restgroep van andere niet-doelwit arthropoden, waartoe ook de vlindergroep behoort.

In de beoordeling wordt dus niet specifiek op vlinders getoetst. Voor vlindersoorten zijn overigens weinig specifieke ecotoxiciteitsdata beschikbaar; deze gegevens maken geen onderdeel uit van de Europese en nationale dossiervereisten. Ook zijn geen specifieke eco-tox toetsen (methodieken) beschikbaar voor de vlindergroep en is er geen toetsingskader.

Dan hebben de leden van de PvdA-fractie nog een paar algemene vragen: Hoe verhoudt het wegvallen van het maximum toelaatbaar risiconiveau (MTR) voor oppervlaktewater zich tot de algemene plicht in de verordening om naar de stand van wetenschap en techniek te beoordelen en daarbij uit te gaan van een hoog beschermingsniveau? Waarom kiest de staatssecretaris voor een soort beoordeling, in een land als Nederland, die overeenkomt met die in andere landen? Voor wat betreft Nederland is sprake van een watermilieu dat immers niet met andere landen te vergelijken is. De verordening biedt nota bene juist meer ruimte voor nationale afwijkende criteria dan de nu nog geldende richtlijn.

De uniforme beginselen, zoals opgenomen in richtlijn 91/414/EEG en vanaf 14 juni 2011 in verordening 1107/2009, gaan uit van een hoog beschermingsniveau. Verordening 1107/2009 bepaalt dat op grond van «de stand van de wetenschappelijke en technische kennis met gebruikmaking van de richtsnoeren die ten tijde van de aanvraag beschikbaar zijn» wordt onderzocht of een gewasbeschermingsmiddel aan de eisen voldoet. De Europees geharmoniseerde beoordelingsmethoden vertegenwoordigen in beginsel de «stand van de wetenschappelijke en technische kennis». Daartoe worden zij ook van tijd tot tijd aangepast.

Voor de beoordeling van de effecten van een gewasbeschermingsmiddel voor oppervlaktewater is een dergelijke methode beschikbaar. De beoordeling van de toxiciteit voor waterorganismen wordt in alle lidstaten verricht op basis van vergelijkbare scenario’s in een naast het behandelde perceel gelegen kavelsloot (edge of field).

Het zogenoemde MTR (preregistratietoets) is een Nederlandse beoordelingssystematiek, die echter niet op Europees niveau is geharmoniseerd.

Dat Nederland een waterrijk land is, is voor de beoordeling van een middel in beginsel minder relevant. Getoetst wordt op de effecten voor algen, watervlooien en vissen. Genoemde verordening biedt slechts ruimte voor het stellen van nationale risicoreducerende maatregelen bij de toelating, indien een risico overblijft, dat niet is beoordeeld in het kader van de zonale beoordeling. Indien noodzakelijk zal Nederland hier gebruik van maken.

Dat neemt niet weg dat op grond van andere regelgeving wel degelijk rekening kan worden gehouden met de waterkundige situatie in Nederland. Artikel 11 van de Richtlijn duurzaam gebruik pesticiden verplicht lidstaten ertoe om regels te stellen ter bescherming van het aquatisch milieu. Voornoemde artikelen 27a en 27b van het Besluit gewasbeschermingsmiddelen en biociden strekken tot implementatie van dat artikel, evenals de reeds bestaande artikelen 13, 15 en 17 van het Lozingenbesluit open teelt en veehouderij. Deze voorschriften beschermen de waterkwaliteit, omdat zij het gebruik van bepaalde gewasbeschermingsmiddelen verbieden of minimaliseren, teeltvrije zones voorschrijven bij het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en bepaalde driftreducerende technieken voorschrijven.

Kan de staatssecretaris aangeven wat de reden is dat diverse Europese landen, waaronder Italië en Duitsland, al zijn overgegaan op een verbod terwijl wij er nog over nadenken? Wat was de hoofdreden van die Europese landen om tot een verbod over te gaan? En waarom is dat voor Nederland nog geen reden? Heeft dat met de teeltkeuze te maken, of met de intensiteit van voedselproductie?

Alle 27 EU-lidstaten hebben gewasbeschermingsmiddelen op basis van de werkzame stof imidacloprid toegelaten op dit moment. Op basis van ondeugdelijke toepassing van zaadbehandeling met imidacloprid heeft een drietal lidstaten (Frankrijk, Duitsland en Italië) de toepassing op maïs op dit moment opgeschort. Zeer recent heeft ook Slovenië de toepassing als zaadcoating van mais en koolzaad opgeschort.

Dit is gebeurd, zo zeggen de betrokken lidstaten, op basis van incidenten in bepaalde gewassen, waarbij bijensterfte kon worden toegeschreven aan het (onjuiste) gebruik en toepassing van middelen gebaseerd op imidacloprid. De zaadcoating was niet op de juiste manier aangebracht op het zaad en in de toepassing ontstond vervolgens stofdrift en oneigenlijke verspreiding van middelen. De Commissie heeft na de opschorting door Frankrijk, Duitsland en Italië besloten dat de lidstaten aanvullende gebruiksvoorschriften moeten stellen bij de toelating van gewasbeschermingsmiddelen op basis van bepaalde neonicotinoïden.Daaraan hebben alle lidstaten, ook Nederland, uiteraard gehoor gegeven.

Kan de staatssecretaris uitleggen waarom, terwijl de internationale bijenwereld de noodklok luidt over landbouwgif en de effecten op bijen en andere bestuivers, in Nederland daar niets aan is gedaan. Wil de staatssecretaris aangeven hoe hij de zorg voor andere niet doelwitsoorten zoals nachtvlinders, zweefvliegen en hommels denkt in te vullen?

Momenteel bereidt Wageningen-UR een voorstel voor om in overleg met andere wetenschappelijke deskundigen (onder andere van de universiteiten van Utrecht en van Amsterdam) een onderzoek te doen naar de effecten van neonicotinoïden op bijen in het kader van het reeds lopende onderzoek. Zoals ik heb aangegeven in het spoeddebat over bijensterfte op 13-04-’11 (Handelingen II 2010/11, nr. 73, item 9, blz. 74), is het onderzoek begonnen met de inzichten van destijds over de meest voor de hand liggende veroorzakers van bijensterfte: de varroamijt en de ziekte nosema.

Voor de zorg van effecten op andere niet-doelwit-soorten, verwijs ik naar het antwoord op de eerdere vraag van de leden van de PvdA-fractie over het opnieuw toetsen van neonicotinoïden op niet-doelwitsoorten.

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van het CDA

Er kan geen norm worden gesteld bovenop de uniforme beginselen of een extra beoordelingsnorm. Wel kan de regering regelen «hoe» een norm uit de verordening of de uniforme beginselen moet worden beoordeeld door het Ctgb. In hoeverre kan dan nog sprake zijn van een nationale kop?

De CDA-fractie vraagt of er sprake kan zijn van een nationale kop bij het vaststellen van een nationale beoordelingsmethode, die door het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (hierna: Ctgb) dient te worden gehanteerd bij het toepassen van de Europese uniforme beginselen. Ik stel vast dat de term nationale kop geen eenduidige betekenis heeft. In dit verband is sprake van een nationale kop, voor zover de door de regering aangewezen methode het Ctgb ertoe zou nopen op een stringentere wijze te beoordelen dan de uniforme beginselen en de eventueel in dat kader vastgestelde Europese beoordelingsmethoden vereisen. Indien de uniforme beginselen niet ingevuld zijn door Europese beoordelingsmethoden, en zelf nopen tot het vaststellen van een nationale beoordelingsmethode – zoals voor alle in het ontwerpbesluit opgenomen beoordelingsmethoden het geval is – dan behoort Nederland dat zelf in te vullen. Dat noem ik geen nationale kop. Nederland legt de lat niet hoger dan Europees is voorgeschreven.

De UB kennen diverse open bepalingen, die door de lidstaat nader ingevuld moeten worden. De verplichting blijkt onder andere uit de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) over de toetsing op drinkwaterkwaliteit, waarin het CBb oordeelde dat Nederland een methode had moeten aanwijzen om op de EU-norm voor drinkwaterkwaliteit te toetsen, ook al voorzien de uniforme beginselen zelf niet in een methode voor de beoordeling van de effecten van het voorgenomen gebruik van een gewasbeschermingsmiddel op in dit geval de kwaliteit van het oppervlaktewater dat voor de onttrekking van drinkwater wordt gebruikt? Op welke wijze is Nederland door de Europese Unie en/of andere lidstaten op deze problematiek gewezen? Wat is de situatie in andere lidstaten en hoe gaan andere lidstaten hiermee om? Is sprake van een gelijkspeelveld? Zo nee, welke acties onderneemt de staatssecretaris om deze wel te creëren?

Het College van Beroep voor het bedrijfsleven heeft het Ctgb in zijn rechterlijke uitspraak op de problematiek gewezen, na zorgvuldige studie van de Europese regelgeving. De Europese Commissie of andere lidstaten hebben hierin geen rol gespeeld. De toetsing aan de drinkwaternormen vloeit rechtstreeks voort uit de Europese uniforme beginselen, die voor alle lidstaten gelden.

Er is nog geen geharmoniseerde methodiek voor de beoordeling van de kwaliteit van het oppervlaktewater dat wordt gebruikt voor de onttrekking van het drinkwater. Het gelijke speelveld in de EU betreft alleen het uiteindelijke criterium dat geldt in het drinkwater van 0.1 microgram/liter. Nederland heeft zijn werkwijze om een blootstellingsbeoordeling te doen in de drinkwateronttrekkingspunten in oppervlaktewater ingebracht bij EFSA. De overige lidstaten en EFSA hebben hieraan nog geen hoge prioriteit toegekend.

De wijze van onttrekking van het drinkwater uit oppervlaktewater verschilt tussen de diverse lidstaten. Het Verenigd Koninkrijk past het drinkwatercriterium toe na zuivering van het oppervlaktewater. Sommige lidstaten passen een vorm van oeverinfiltratie toe. Samenwerking tussen lidstaten in het zonale stelsel zal de lidstaten doen kennisnemen van de verschillende beoordelingsmethodieken. Naar verwachting zal dit de behoefte aan verdere harmonisatie doen toenemen en dus de lidstaten dichter tot elkaar brengen.

De uitwerking van de UB zal stap voor stap naar Europees niveau worden getild. De Europese Commissie zal richtsnoeren vaststellen volgens de procedure van artikel 77, en deze richtsnoeren moeten volgens artikel 36, eerste lid, van de verordening worden gebruikt in de zonale beoordeling. Het zal nog enkele jaren duren voordat deze invulling compleet is. Kan de staatssecretaris het tijdstraject aangeven alsmede welke stappen doorlopen dienen te worden? Op welke wijze kan Nederland het traject versnellen? Is hierbij het Europese gelijkspeelveld in beeld? Tot die tijd blijft het huidige toetsingskader gelden: de UB met verplichte nationale invullingen. Deze nationale invullingen blijven, gelet ook op voormelde gerechtelijke uitspraak, voorlopig noodzakelijk om aan de EU-verplichting voor een juiste beoordeling te voldoen. Deelt u de mening dat hier wel degelijk sprake is van een nationale kop in elk geval voor de «hoe»? Of niet? Of geldt deze aanpak voor de gehele zonale zone?

De huidige uniforme beginselen blijven ook na het van kracht worden van verordening (EG) 1107/2009 op 14 juni 2011 het toetsingskader dat in alle drie EU-zones zal worden toegepast. De Europese Commissie zorgt voor verdere uitwerking van de uniforme beginselen in richtsnoeren, in overleg met de lidstaten. Vastgestelde richtsnoeren worden toegepast door EFSA bij de beoordeling en goedkeuring van werkzame stoffen en door alle lidstaten bij de beoordeling en toelating van gewasbeschermingsmiddelen.

Nederland levert een bijdrage bij het ontwikkelen van enkele richtsnoeren ter versnelling van het proces. Een richtsnoer wordt opgesteld door EFSA in samenwerking met lidstaten die over de desbetreffende expertise beschikken. Daarna vindt een «peer-review» plaats en vervolgens vaststelling door de Europese Commissie.

Zoals hiervoor overwogen ben ik niet van opvatting dat iedere nationaal aangewezen methode per definitie een nationale kop oplevert. De uniforme beginselen vereisen dat een gewasbeschermingsmiddel op alle relevante aspecten uit die beginselen wordt beoordeeld. Als er geen Europese methode is vastgesteld, moet op nationaal niveau een invulling worden gegeven aan het uniforme beginsel, zo leert de rechtsgeschiedenis en eist de Europese systematiek. Uiteraard kunnen andere lidstaten tot een andere keuze komen of andere methoden prefereren dan de in Nederland aangewezen methoden. De kern van het nog steeds voortgaande harmonisatieproces is ook op het punt van beoordelingsmethoden tot meer harmonisatie te komen. Zoals gezegd zet Nederland zich hier ook voor in.

Artikel 67 registratie van verkochte en gebruikte gewasbeschermingsmiddelen.Dergelijke regels, die potentieel een groot effect op de administratieve lastendruk van ondernemers kunnen hebben, dienen niet bij regeling maar bij algemene maatregel van bestuur, te worden vastgesteld, zodat deze daarmee eerst aan parlementaire beoordeling onderhevig kunnen zijn.

Ik verwijs naar mijn eerdere antwoord op de gelijkluidende vraag van de VVD-fractie.

Op grond van artikel 23 van de richtlijn 2009/128/EG moet de Nederlandse implementatieregelgeving uiterlijk op 26 november 2011 in werking treden. Implementatie vindt plaats in het Besluit gewasbeschermingsmiddelen en biociden, alsmede het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer, het Besluit lozingen buiten inrichtingen en het Lozingenbesluit open teelt en veehouderij. Zit ook het Activiteitenbesluit hieraan gekoppeld? Wat is het gevolg als deze termijn niet wordt gehaald?

Het Lozingenbesluit open teelt en veehouderij en het Besluit landbouw milieubeheer worden op korte termijn samengevoegd met het Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer. Het zogenoemde «Activiteitenbesluit» is een niet-officiële «bijnaam» voor het Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer.

Indien de termijn niet wordt gehaald, riskeert Nederland een ingebrekestelling door de Europese Commissie vanwege niet-tijdige implementatie. Los daarvan leidt termijnoverschrijding tot onduidelijkheid in de praktijk: welk recht is van toepassing gedurende de periode dat de Europese verplichtingen niet zijn geïmplementeerd of nationaal recht niet is gewijzigd: het verouderde nationale recht of kan beroep worden gedaan op de Europese richtlijn? Het maakt het voor burger en bedrijfsleven, en niet te vergeten de uitvoerende diensten, niet eenvoudiger.

Richtlijn 2009/128/EG stelt in aanvulling op verordening (EG) 1107/2009 en in aanvulling op richtlijn 2009/127/EG regels over de gebruiksfase van gewasbeschermingsmiddelen.

Zo vereist de eerstgenoemde richtlijn artikel 9 dat de luchtvaarttoepassing van gewasbeschermingsmiddelen in principe wordt verboden. De leden van CDA-fractie vragen op dit punt opheldering. Vallen spuitvliegtuigen, welke fungicides spuiten, hieronder? Het gebruik van vliegtuigspuiten is al aan strikte eisen gehouden middels het Lozingsbesluit open teelt en veehouderij. Waarom dan toch deze verdere aanscherping? Graag een reactie hierop van de staatssecretaris. Hoe wordt deze problematiek van het landbouwluchtvaartbedrijfsleven, welke niet stil heeft gezeten, meegenomen bij het Activiteitenbesluit?

Artikel 9 van Richtlijn 2009/128/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van een kader voor communautaire actie ter verwezenlijking van een duurzaam gebruik van pesticiden (PbEU 2009, L 309) verbiedt luchtvaarttoepassingen ten algemene vanaf 26 november 2011, behoudens onder zeer strenge en kostbare voorwaarden voor overheid en bedrijfsleven. Dergelijke toepassing kan in bepaalde uitgestrekte landbouwgebieden elders in Europa worden overwogen, maar niet in het dichtbevolkte Nederland met zijn vele waterrijke gebieden en relatief kleinschalige percelen. Dat neemt niet weg dat ik de mogelijkheid heb opengehouden om op aanvraag in noodsituaties vrijstelling te verlenen voor het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen vanuit de lucht.

De leden van de CDA-fractie stellen een aantal vragen rond de Kaderrichtlijn water (Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (PbEU 2000, L 327) en de herziening van de dochterrichtlijn prioritaire stoffen van de KRW.

De Kaderrichtlijn water stelt Europese doelen met betrekking tot waterkwaliteit. Nederland is verplicht maatregelen te treffen teneinde die doelen te bereiken. De doelen van de KRW zijn voor alle lidstaten gelijk. De mate waarin maatregelen nodig zijn om die doelen te bereiken, zullen echter per lidstaat verschillen. Met andere woorden: de Kaderrichtlijn water bepaalt dat alle lidstaten de gestelde einddoelen moeten bereiken, maar zelf de «marsroute» bepalen. Vanwege de landbouwkundige en milieukundige verschillen tussen lidstaten is een nationale instrumentkeuze ook noodzakelijk. Dit is inherent aan het rechtskarakter van een EU-richtlijn.

Nederland kent een intensieve landbouw in een veelal waterrijke omgeving en maatregelen voor de landbouw kunnen daarom eerder nodig zijn dan in andere landen. Dat heeft niets met «ongelijk speelveld» te maken: een dergelijk maatwerk is nodig om Europees geharmoniseerde doelstellingen te kunnen realiseren.

Het proces voor de herziening van de dochterrichtlijn prioritaire stoffen heeft forse vertraging opgelopen. De Europese Commissie heeft gesignaleerd dat het proces van prioritering van stoffen verbetering behoeft. De planning is nu dat de Commissie in september 2011 met een voorstel komt. In beeld zijn 19 kandidaatstoffen om aan de bestaande prioritaire stoffenlijst toe te voegen. Voor het selecteren van de stoffen heeft de Commissie onder andere gebruikgemaakt van meetgegevens uit de stroomgebiedsbeheersplannen. Die zijn met name gericht geweest op de zogenaamde stroomgebiedrelevante stoffen. Van de vier stroomgebieden in Nederland varieert het aantal stroomgebiedrelevante bestrijdingsmiddelen van 0 (Schelde) tot 6 (Rijn). Hier zitten geen neonicotinoïden bij. Daarom zijn ze ook niet aanwezig onder de 19 kandidaatstoffen voor de herziening van de prioritaire stoffenlijst. De volgende werkzame stoffen zijn kandidaatstoffen: aclonifen, bifenox, cybutrin, cypermethrin, dichloorvos, terbutryn, quinoxifen, dicofol. De vijf eerstgenoemde stoffen maken onderdeel uit van toegelaten gewasbeschermingsmiddelen in Nederland.

Handhaaf Besluit artikel 10 «Behandeling van zaaizaad voor derde landen». Als deze mogelijkheid vervalt, zal de zaadindustrie dit deel van haar activiteiten in Nederland moeten staken en verplaatsen naar of uitbesteden aan het land van bestemming. Dat betekent aanzienlijk verlies van zaken in Nederland. Graag een reactie hierop van de staatssecretaris.

Ik wijs erop dat verordening (EG) 1107/2009 direct werkende regels bevat en op dit punt de nationale beleidsruimte inperkt met ingang van 14 juni 2011.

Zaadbehandeling blijft mogelijk, maar wordt aan strengere regels gebonden. Artikel 28, eerste lid, van verordening (EG) 1107/2009 bepaalt dat een gewasbeschermingsmiddel enkel mag worden gebruikt wanneer het middel in de lidstaat overeenkomstig genoemde verordening is toegelaten. Dit geldt ook voor de behandeling van zaaizaad, ook als dat voor uitvoer buiten de EU is bestemd. De behandeling van zaaizaad betreft namelijk het gebruik van een gewasbeschermingsmiddel, in dit geval op zaaizaad.

Het vervallen van de mogelijkheid zaaizaad bestemd voor export naar derde landen te behandelen met niet toegelaten gewasbeschermingsmiddelen, is derhalve geen nationale keuze, maar volgt rechtstreeks uit verordening (EG) 1107/2009. Overigens gelden deze regels voor alle lidstaten van de Europese Unie, zodat hier van een gelijk speelveld sprake is.

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de SP

In de visie van de leden van de SP-fractie doet het amendement Koopmans c.s. (Kamerstuk 32 372, nr. 41) ernstige afbreuk aan de werking van de wet en het ontwerpbesluit. De leden van de SP-fractie maken zich zorgen vanwege het te ruime toelatingsbeleid, waarbij onder meer onvoldoende rekening wordt gehouden met gezondheidseffecten op omwonenden, effecten op niet-doelwitorganismen zoals bijen (inclusief lange termijn en sublethaal), gewerkt wordt volgens verouderde methoden en geen rekening wordt gehouden met gestapelde effecten. De leden van de SP-fractie vrezen een race naar de bodem met het zonale toelatingsbeleid, doordat er in Europa en zeker in Nederland te weinig waarborgen zijn ingebouwd om de kwaliteit van de beoordelingen te garanderen en concurrentie op kwaliteit te bevorderen versus concurrentie op dienstbaarheid aan het bedrijfsleven. De leden van de SP-fractie zijn nog niet gerust op de rol van het Ctgb en zien hier dit jaar graag verbetering in.Aan de te ruimhartige toelatingen en de gebrekkige onderbouwing moet onmiddellijk een einde komen.

Zoals gezegd in het debat met uw Kamer op 13-04-’11 (Handelingen II 2010/11, nr. 73, item 9, blz. 78) beraad ik mij over de vraag welke verbeteringen mogelijk zijn in relatie tot de aansturing van het Ctgb. Niet eerder dan rond de zomer ontvangt u hierover nader bericht. Ik ben het oneens met de opmerking dat er te weinig waarborgen zijn ingebouwd. Daarvoor verwijs ik naar de Nota naar aanleiding van het verslag (Kamerstukken II 2009/10, 32 372, nr. 6, p. 12 en 13), waar op de waarborgen voor kwaliteit is ingegaan ter vermijding van onzorgvuldige besluitvorming.

De leden van de SP-fractie maken zich ernstig zorgen over de waterkwaliteit. De leden van de SP-fractie hebben met zorg gelezen in het artikel in de Spits van 10 maart jl. «Waterprijs omhoog» dat de Vewin verwacht dat door de nieuwe regelgeving de prijs van drinkwater omhoog zal gaan. Hoeveel extra kosten krijgen de drinkwaterbedrijven in Nederland door de extra vervuiling met pesticiden? Wie gaat er voor de kosten opdraaien? Waar zijn deze begroot? Ziet het kabinet mogelijkheden om de producenten of gebruikers van de pesticiden de extra zuiveringskosten te laten betalen?

De leden van de SP-fractie hebben vragen gesteld over drinkwater naar aanleiding van de signalering van de vereniging van drinkwaterbedrijven (Vewin) over toename in zuiveringskosten door het schrappen van de preregistratietoets op Kaderrichtlijn waternormen. Drinkwater wordt in Nederland gewonnen uit grondwater en oppervlaktewater. Indien het oppervlaktewater meer vervuild zou raken, zouden de zuiveringsinspanningen en daarmee de -kosten stijgen. In dat verband is het van belang dat Vewin geen bedrag heeft genoemd waarmee zuiveringskosten kunnen stijgen. De Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu heeft tijdens een debat in de Tweede Kamer op 9 februari 2011 aangegeven dat de kwaliteit van het drinkwater van meerdere factoren afhankelijk is, waarbij het niet alleen gaat om het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen, maar ook andere stoffen (Handelingen II 2010/11, nr. 50, item 2, p. 25).

De kosten die waterbedrijven voor zuivering maken, worden gedekt door de prijs voor drinkwater. Tot nu toe is het zo dat alle kosten van zuivering worden doorberekend aan de eindgebruikers van water. Geen enkele categorie «vervuilers» wordt geconfronteerd met een doorberekening van kosten, nog daargelaten dat het niet eenvoudig is te bepalen wie of welke groep in welke mate verantwoordelijk is voor zuiveringskosten. Het kabinet heeft geen plannen deze kosten bij producenten of gebruikers van gewasbeschermingsmiddelen in rekening te brengen.

Rond de blootstelling van omwonenden stelt de SP-fractie vragen naar aanleiding van de aanwijzing van het zogenoemde lijwervelmodel in het ontwerpbesluit. Met dit model kan de concentratie van bestrijdingsmiddelen in de lucht worden berekend in de lijwervel van kassen. Bij de aanvraag voor een toelating van een gewasbeschermingsmiddel voor gebruik in de kas zal hiermee het risico voor omwonenden worden beoordeeld. Voor de risico’s van omwonenden van bijvoorbeeld bollenvelden heeft dit model geen betekenis. Voor een dergelijke boordeling wordt gewacht op een Europees richtsnoer. Momenteel werkt de Gezondheidsraad aan een advies over de mogelijke risico’s van omwonenden. Hij zal daarbij ook ingaan op de Europese ontwikkelingen en de situatie bij kassen. Een deeladvies over de wenselijkheid van het uitvoeren van bevolkingsonderzoek naar de risico’s van gewasbeschermingsmiddelen wordt komende zomer verwacht; het hele advies komt in de loop van 2012.

Hoe is de toetsing op de gezondheid van mensen betreffende niet landbouwkundig gebruik op bijvoorbeeld sportvelden of andere gelegenheden waar veel kinderen spelen of voor langere tijd verblijven, zo vragen de leden van de SP-fractie. Hoe wordt getoetst en met welke premissen?

De gevolgen voor de gezondheid van mensen in de door de leden van de SP-fractie bedoelde situaties worden beoordeeld met het RIVM model voor secondary exposure to lawn pesticides. In dit model wordt de dermale blootstelling geschat van spelende en recreërende mensen op grasvelden die behandeld zijn met een gewasbeschermingsmiddel. Hierbij worden 4 categorieën beoordeeld (kleine kinderen van 10 maanden (inclusief hand-mondcontact), kinderen van 4 jaar, sportende volwassenen en liggende (zonnebadende) volwassenen. Daarnaast worden op basis van richtlijn 2009/12/8EG in artikel 27b Bgb aanvullende voorschriften voor het gebruik buiten de landbouw gesteld.

Wordt rekening hierbij gehouden met mogelijk onoordeelkundig gebruik? Zijn middelen met neonicotinoïden, zoals Merit Turf, voor sportvelden toegelaten bijvoorbeeld voor de bestrijding van emelten en engerlingen?

De beoordeling in het kader van de toelating vindt plaats volgens realistische gebruiksomstandigheden. Dit betekent in principe dat het Ctgb en iedere toelatingsautoriteit in de Europese Unie uitgaat van het opvolgen van de gebruiksvoorschriften die bij de toelating zullen worden gesteld. Het Ctgb kan alleen het wettelijk toegestaan gebruik beoordelen. Wel let het Ctgb op dat de te stellen gebruiksvoorschriften naleefbaar en handhaafbaar zijn, kortom begrijpelijk. De wettelijk aangewezen toezichthouders zien toe op de naleving van de wettelijke of bij de toelating gestelde voorschriften.

Het genoemde middel Merit Turf is toegestaan als insectenbestrijdingsmiddel in openbare grasvegetatie (waaronder gazon; speelweide; sportveld, golfgreens; grasbermen; overige openbare grasvegetatie) en in de graszodenteelt.

De leden van de SP-fractie vragen hoe de praktijk bij niet landbouwkundig gebruik wordt vormgegeven. De leden van de SP-fractie namen kennis van het volgende: «Overigens wijst de regering erop dat, ook buiten de landbouw, gebruikers van gewasbeschermingsmiddelen (buiten de landbouw vaak onkruidbestrijdingsmiddelen) op grond van artikel 26, eerste lid, van het Besluit gewasbeschermingsmiddelen en biociden verplicht zijn ieder jaar een gewasbeschermingsplan op te stellen. In dat plan moet in voorkomend geval ook rekening worden gehouden met de eisen van artikel 27b Bgb. Dit houdt in ieder geval in dat een gebruiker, voordat sprake is van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen, eerst het gebruik van niet-chemische alternatieven moet overwegen.» Hoe wordt dit vormgegeven, wat doet het kabinet aan controle en handhaving, welke capaciteit wordt hierop gezet met welke sanctie wordt gewerkt en wat is de pakkans? Hoe garandeert de staatssecretaris dat er serieus gekeken wordt naar niet-chemische alternatieven?

De richtlijn duurzaam gebruik pesticiden en verordening (EG) 1107/2009 verplichten professionele gebruikers van gewasbeschermingsmiddelen tot de toepassing van geïntegreerde gewasbescherming. Thans zijn daartoe in de bijlage bij het Besluit gewasbeschermingsmiddelen en biociden de beginselen van geïntegreerde gewasbescherming vastgelegd. Ingevolge de EU-regelgeving zal echter uiterlijk met ingang van 1 januari 2014 daarvoor in de plaats de implementatie plaatsvinden van bijlage III bij de richtlijn duurzaam gebruik pesticiden, die eveneens algemene beginselen van geïntegreerde gewasbescherming bevat.

De invulling van de beginselen op bedrijfsniveau worden vastgelegd in het gewasbeschermingsplan. Het gewasbeschermingsplan maakt onderdeel uit van de bedrijfsvoering van een boer of tuinder, of een gebruiker buiten de landbouw.

Bij gebruik van gewasbeschermingsmiddelen buiten de land- en tuinbouw kan onderscheid gemaakt worden tussen onkruidbeheer op openbare terreinen en bedrijventerreinen (verhardingen) en in openbaar groen. De controle en handhaving vindt op dezelfde wijze plaats als bij gebruik in de landbouw. Geconstateerde overtredingen worden in beginsel bestraft met een bestuurlijke boete (volgens bijlage XIII van de Regeling gewasbeschermingsmiddelen en biociden).

De invulling van de beginselen van geïntegreerde gewasbescherming is afhankelijk van de teelt en de individuele bedrijfssituatie.

De pakkans voor een gebruiker van gewasbeschermingsmiddelen is onder andere afhankelijk van de beschikbare capaciteit van het toezicht. Daarnaast speelt een veelheid van factoren een rol zoals de teelt en het aantal keren per teeltseizoen dat een gewasbeschermingsmiddel wordt gebruikt, het aantal bedrijven en het beteelde oppervlakte van een teelt, de overtredingsgevoeligheid (die bepaald wordt op basis van een risico-analyse) van de betreffende teelt en de bereidheid tot naleven van de toepasser. Op basis van een risicogerichte benadering is een prioritering aangebracht tussen de doelgroepen, waarbij rekening is gehouden met voornoemde factoren. De capaciteit en inzet is hier op afgestemd. Inzake de niet-chemische alternatieven verwijs ik naar mijn antwoord op de vergelijkbare vraag van de leden van de PvdA-fractie.

In welke mate wordt er momenteel bij onderhoud van auto- of spoorwegen gebruik gemaakt van zware onkruidbestrijdingsmiddelen zoals neonicotinoïden? In hoeverre wordt er gekeken naar alternatieven en is er een instructie vanuit het Rijk hiervoor?

Het onkruidbeheer in de openbare ruimte wordt veelal opgedragen aan loonwerk- en hovenierbedrijven. Een aantal bedrijven maakt daarbij gebruik van niet-chemische onkruidbeheertechnieken, zoals heetwaterbehandeling of borstelen; anderen passen glyfosaathoudende middelen toe. Een deel daarvan beschikt vrijwillig over een certificaat «duurzaam terreinbeheer», waarvan de criteria zijn opgesteld door de stichting Milieukeur.

Het «milieurisicoprofiel» van de middelen is gematigd, maar als gevolg van de grote omvang van het gebruik is glyfosaat een «probleemstof» geworden voor de drinkwaterbereiding. Onkruidbestrijdingsmiddelen zijn overigens niet gebaseerd op neonicotinoïdenstoffen.

Vewin en de Unie van Waterschappen merken op dat het schrappen van de preregistratietoets (gebaseerd op artikel 2.10 Rgb) ertoe kan leiden dat knelpunten voor de waterkwaliteit toenemen. Dit is volgens de leden van de SP-fractie zeer zorgelijk en deze leden willen graag een garantie van het kabinet dat de waterkwaliteit niet achteruit zal gaan betreffende residuen van bestrijdingsmiddelen in (oppervlakte-)water. Het argument dat het vervallen van de preregistratietoets het Nederlandse toelatingsbeleid in lijn brengt met hetgeen elders in Europa gebruikelijk is, houdt volgens de leden van de SP-fractie geen steek aangezien Nederland specifieke omstandigheden kent zoals een grote bevolkingsdruk en veel wind en water.

Het «in lijn brengen» van de methoden voor beoordeling van gewasbeschermingsmiddelen leidt ertoe dat bepaalde nationale beoordelingsmethoden niet langer worden toegepast. Dit houdt verband met de zonale beoordelingssystematiek volgens verordening (EG) 1107/2009 en het naar aanleiding daarvan geformuleerde artikel 28, derde lid, Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden, zoals ook toegelicht in de nota van toelichting bij het aan uw Kamer voorgelegde ontwerpbesluit.

De preregistratietoets voorzag als nationale methode in een beschermingsniveau tegen de negatieve effecten van gewasbeschermingsmiddelen, dat hoger lag dan elders gebruikelijk en verdergaand dan Europees verplicht.

Het vervallen van de preregistratietoets betekent dat het Ctgb niet meer voorafgaand aan een toelating beoordeelt of een bepaald gewasbeschermingsmiddel naar verwachting onaanvaardbare effecten zou hebben op de doelstellingen van de Kaderrichtlijn water.

Wel blijft het ingevolge verordening (EG) 1107/2009 en de uniforme beginselen verplicht in het kader van een aanvraag tot toelating van een gewasbeschermingsmiddel te beoordelen of het desbetreffende middel onaanvaardbare effecten heeft op waterorganismen in het naastgelegen oppervlaktewater. Daarvoor is een methode beschikbaar: de beoordeling van de toxiciteit voor waterorganismen wordt in alle lidstaten verricht op basis van vergelijkbare scenario’s in een naast het behandelde perceel gelegen kavelsloot (edge of field).

Dat Nederland een waterrijk land is, is voor de beoordeling van een middel in beginsel minder relevant. Getoetst wordt op de effecten voor algen, watervlooien en vissen.

De verplichting de einddoelen van de Kaderrichtlijn water te realiseren, blijft ongewijzigd. Bijdragen aan de realisatie van die einddoelen gebeurt dan echter niet (meer) via een nationale beoordelingsmethode bij de toelating van gewasbeschermingsmiddelen, maar op andere wijze. Andere instrumenten zijn bijvoorbeeld een gerichte aanpak op basis van monitoringsresultaten, intensivering van de handhaving, en algemene maatregelen ter uitvoering van de Kaderrichtlijn water en andere Europese regelgeving, zoals de Richtlijn duurzaam gebruik pesticiden.

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de Partij voor de Dieren

De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren verwijten de regering de regelgeving te versoepelen inzake het toelaten, het gebruik en het lozen van gewasbeschermingsmiddelen.

Ik wijs erop dat verordening (EG) 1107/2009 in de plaats van de huidige wet- en regelgeving strengere en rechtstreeks werkende Europese regels stelt voor de goedkeuring van werkzame stoffen en daarnaast de toelatingsprocedure aanscherpt. Er is dus per saldo geen sprake van soepeler regels. Het is mijn inzet geen nationale regels bovenop die EU-regelgeving te laten bestaan in verband met de bevordering van een gelijk speelveld voor het bedrijfsleven. Artikel 28, derde lid, van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden laat daartoe ook geen ruimte meer voor nationale beoordelingsmethoden in de plaats van beschikbare Europese beoordelingsmethoden.

Bij de implementatie van richtlijn 2009/128/EG is gebleken dat de thans bestaande Nederlandse regelgeving grotendeels kan dienen als implementatie van die richtlijn.

Bij de voorbereiding van het ontwerpbesluit is gebleken dat voor ongeveer de helft van de voorheen aangewezen nationale beoordelingsmethoden Europese alternatieven bestaan, waarop die nationale methoden niet in het ontwerpbesluit zijn opgenomen. Als de fractie doelt op het vervallen van de preregistratietoets voor water, wijst de regering erop dat in dat geval sprake was van een specifieke, Nederlandse aanpak, waarvoor elders in Europa geen steun is en die niet toepasbaar is in het kader van de zonale beoordelingsprocedure. Zoals eerder aangegeven aan uw Kamer (Handelingen II 2010/11, nr. 50, item 2, blz. 23) zal ik mij beraden over driftreducerende maatregelen.

Waarom stelt het kabinet het korte termijn economische belang van producenten en gebruikers van bestrijdingsmiddelen voorop op de volksgezondheid en de kwetsbare en onmisbare biodiversiteit?

Verordening (EG) 1107/2009 gaat uit van Europees geharmoniseerde beoordelingsmethoden voor het op de markt brengen en gebruiken van gewasbeschermingsmiddelen. Deze EU-regelgeving beoogt een hoog beschermingsniveau van de gezondheid van mens en dier en van het milieu te waarborgen (overweging 8 bij Verordening (EG) 1107/2009). Er is geen sprake van dat het economisch belang van de producent en gebruiker prevaleert boven aspecten als bescherming van de volksgezondheid en biodiversiteit.

Volgens genoemde verordening moeten onaanvaardbare effecten voor mens en milieu worden voorkomen. Op basis van de Kaderrichtlijn water of de richtlijn duurzaam gebruik pesticiden moeten of kunnen regels worden gesteld die aanvullend op de EU-verordening bescherming bieden zonder echter afbreuk te doen aan de Europese gewasbeschermingsmiddelenverordening. Het kabinet stelt die regels ook, waar nodig en waar nuttig, bij voorbeeld in het aan uw Kamer overgelegde ontwerpbesluit en in het andere ontwerpbesluit ter implementatie van EU-regelgeving op het gebied van gewasbeschermingsmiddelen.

Steeds meer onkruiden en plaaginsecten worden resistent door de continue blootstelling aan gif. Op welke wijze neemt het kabinet deze feiten mee in zijn beleid omtrent bestrijdingsmiddelen? De leden van fractie van de Partij voor de Dieren zien dit niet terugkomen, er lijkt geen enkele urgentie aan gegeven te worden dat de Nederlandse landbouw moet leren te functioneren zonder het gebruik van landbouwgif.

Het voorkomen van resistentie bij plaagorganismen is al langer onderdeel van mijn beleid inzake de toelating van gewasbeschermingsmiddelen. Samen met producenten, handelaren en gebruikers werk ik samen voor een juist en duurzaam gebruik van gewasbeschermingsmiddelen (Product Stewardship), met het oog op het voorkomen van resistentie bij te bestrijden schadelijke organismen tegen gewasbeschermingsmiddelen.

Ook de samenhang met het beleid om het verlies aan biodiversiteit te stoppen lijkt compleet vergeten in de wetswijziging en in het voorliggende ontwerpbesluit. Op welke wijze wordt het beleid over de toelating en het gebruik van giftige bestrijdingsmiddelen gekoppeld aan beleid gericht op het behoud van de biodiversiteit in ons land?

Bij de beoordeling van gewasbeschermingsmiddelen wordt onder meer getoetst op mogelijke effecten op niet-doelwitorganismen, om de effecten op de biodiversiteit zo minimaal mogelijk te houden. Ook indien een middel wordt toegelaten blijft het mogelijk om, op basis van nieuwe wetenschappelijke inzichten, te besluiten tot hernieuwde toetsing. Belangrijk is ook na te gaan hoe behoud van biodiversiteit kan helpen bij duurzamer gewasbescherming. Op dit vlak zijn de laatste jaren opmerkelijke resultaten geboekt, onder meer in het innovatieproject «Functionele agrobiodiversiteit', van LTO, EL&I en I&M, in de Hoekse Waard. Groenblauwe dooradering van het landschap en herstel van biodiversiteit blijken, mits goed begeleid, de noodzaak van toepassing van chemische gewasbeschermingsmiddelen fors te verminderen. Inmiddels wordt in dit project niet alleen de innovatieve benutting van bovengrondse biodiversiteit, maar ook van de bodembiodiversiteit onderzocht. Dergelijk onderzoek wordt ook in andere provincies, uit het «Investeringsbudget Landelijk gebied» voor «duurzaam ondernemen» bevorderd, om bredere toepassing te bevorderen.

Op welke manieren is hier institutioneel samenwerking en uitwisseling van kennis geborgd op het gebied van de negatieve effecten van bestrijdingsmiddelen, bijvoorbeeld tussen het Planbureau voor de leefomgeving (PBL), het Ctgb, en tussen het Rijksinsitituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM)? Is deze samenwerking er? Zo nee, waarom niet en is het kabinet bereid hier verandering in aan te brengen?

De instituten PBL, RIVM en Alterra werken samen in programma’s die zijn gericht op de verbetering van beoordelingsmethoden in richtsnoeren op het gebied van uitspoeling naar grond- en oppervlaktewater alsook de effecten van gewasbeschermingsmiddelen op aquatische organismen.

De zonale toelating zal naar mening van de leden van de fractie van de Partij voor de Dieren een ernstig negatief effect hebben op de kwaliteit van ons oppervlaktewater en de biodiversiteit. Het stellen van nationale regels om onze specifieke omstandigheden mee te nemen in toelatingen en gebruiksvoorschriften wordt ernstig beperkt. Graag krijgen de leden van de fractie van de Partij voor de Dieren een compleet overzicht van de wijze waarop Nederland nog aanvullende regels zal blijven kunnen stellen wanneer de EU-regelgeving eenmaal compleet geïmplementeerd is. Wat is nog mogelijk, en wat niet? Op welke wijze zal het Ctgb binnen het systeem van zonale toelatingen gaan beoordelen, wanneer de toelating door een andere lidstaat is uitgevoerd, of bij deze toelating wel voldoende is gelet op de specifieke omstandigheden in ons land? Kan de staatssecretaris bij het beantwoorden van deze vraag het hele proces uitgebreid beschrijven zodra er een zonale toelating aangevraagd wordt in de zone waartoe Nederland behoort?

De Europese standaard voor de zonale beoordeling ligt hoog en er zijn voldoende controlemomenten ingebouwd, zodat ik niet bevreesd ben voor ernstige negatieve effecten na invoering van dit systeem. Zie ook de Nota naar aanleiding van het verslag, Kamerstukken II 2009/10, 32 372, nr. 6, p. 12 en 13), waar is ingegaan op de waarborgen voor een kwalitatief goede beoordeling.

Voorop staat de zonale beoordeling op basis waarvan een besluit omtrent toelating wordt genomen. De zonale aanvraag zal, inclusief alle bijlagen, worden ingediend bij alle lidstaten waar een toelating wordt aangevraagd. De zonale rapporterende lidstaat stelt een concept basisbeoordeling op, waarna een commentaarronde op deze concept basisbeoordeling door alle lidstaten binnen de zone volgt. Bij deze commentaarronde kan Nederland beoordelen of de basisbeoordeling volgens het meest recente toetsingskader is uitgevoerd. Het commentaar van de lidstaten wordt meegenomen bij het afronden van de definitieve basisbeoordeling.

In restgevallen, bij nog niet beoordeelde risico’s omdat zij dermate specifiek betrekking hebben op Nederlandse gebruiksomstandigheden op het gebied van landbouw of milieu, blijft het Ctgb bevoegd op basis van artikel 36, derde lid, van verordening (EG) 1107/2009 aanvullende of andere gebruiksvoorschriften te stellen. Hierdoor is gewaarborgd dat toelatingen voldoen aan het meest recente toetsingskader en dat tevens – zo nodig – rekening is gehouden met de specifieke gebruiksomstandigheden in Nederland.

Aan welke regels moet de etikettering van en reclame voor bestrijdingsmiddelen voldoen? Op welke wijze en met welke frequentie wordt hierop gecontroleerd? De leden van fractie van de Partij voor de Dieren zijn van mening dat reclame voor chemische bestrijdingsmiddelen helemaal niet mogelijk zou moeten zijn. Hiermee worden onduurzame landbouwpraktijken in stand gehouden en zelfs gestimuleerd. En dit, zonder dat er een verplichting schijnt te zijn om in advertenties te wijzen op de schadelijke effecten die het gebruik van bestrijdingsmiddelen kan hebben. Is het kabinet bereid tot het invoeren van een wettelijke verplichting voor het toevoegen van waarschuwingszinnen op advertenties van bestrijdingsmiddelen, zoals ook het geval is bij reclame voor andere schadelijke stoffen, zoals alcoholische dranken? Hierbij kan gedacht worden aan het verplicht vermelden van de waarschuwingslabels en -zinnen die ook op de etiketten van de betreffende middelen gevoerd moeten worden. Indien het kabinet hiertoe niet bereid is, wat is hier de reden voor, en hoe verhoudt zich dat tot de, in ieder geval theoretische, inzet van het kabinet om minder bestrijdingsmiddelen te gebruiken?

In reactie op de zorg van de leden van de PvdD-fractie over het adverteren voor gewasbeschermingsmiddelen wijst de regering erop dat artikel 66 van verordening (EG) 1107/2009 de mogelijkheid van reclame maken beperkt. Alle misleidende reclame is verboden, alsmede reclame voor niet toegelaten gewasbeschermingsmiddelen en niet toegestane toepassingen. Overtredingen zullen in eerste instantie worden beboet met een bestuurlijke boete van € 1500,– of € 2000,–. Bij aanhoudende overtredingen kunnen hogere boetes al dan niet in combinatie met een last onder dwangsom ter voorkoming van herhaling van de overtreding worden opgelegd.

Ten aanzien van het verzoek over te gaan tot het stellen van nationale, aanvullende reclameregels ontbreekt de noodzaak daarvoor, aangezien artikel 66, zesde lid, van verordening (EG) 1107/2009 ertoe verplicht in reclame- en promotiemateriaal de aandacht te vestigen op de passende waarschuwingszinnen en -symbolen overeenkomstig de etikettering. Deze Europese verplichting geldt met ingang van 14 juni 2011.

Elk jaar wordt een tiental gewasbeschermingsmiddelen specifiek geselecteerd voor controle van het middel op kwaliteit en op conformiteit van het etiket met de verleende toelating van dat middel. In de toelating staat vermeld waaraan de etikettering van het desbetreffende gewasbeschermingsmiddel moet voldoen. Indien de AID daarnaast tijdens reguliere controles bij handelaren schijnbare afwijkingen op het etiket ten opzichte van de toelating constateert, neemt zij contact op met de houder van de toelating.

Tijdens de behandeling van de wetswijziging hebben de leden van fractie van de Partij voor de Dieren vragen gesteld over de rol die het Ctgb in het rondetafelgesprek over de wetswijziging hebben gespeeld. Zij wezen hier op de actieve lobby van het Ctgb om de «nationale koppen» oftewel de nationale wetgeving die onder andere de waterkwaliteit moet beschermen, te verwijderen in deze wetswijziging. De leden van fractie van de Partij voor de Dieren willen opmerken het ook zeer teleurstellend te vinden dat deze lobby gelukt is. Daarnaast willen zij alsnog graag een oordeel van het kabinet over deze rol van het Ctgb. Deelt het kabinet de mening dat het Ctgb het belang van een goede kwaliteit van de leefomgeving, voor mens en dier, voorop zou moeten stellen, en niet hun eigen economische positie en de belangen van de producenten van chemische bestrijdingsmiddelen? Is het kabinet bereid het Ctgb aan te spreken op de lobby die zij gevoerd hebben, of is dat wellicht in de tussentijd al gebeurd? Zo nee, waarom niet en welke conclusie moeten de leden van fractie van de Partij voor de Dieren hieruit trekken?

Het Ctgb is de wettelijk aangewezen beoordelings- en toelatingsautoriteit voor Nederland. Het Ctgb heeft tot taak een zorgvuldige beoordeling van gewasbeschermingsmiddelen voordat zij op de markt mogen worden gebracht, rekening houdend met hun effecten voor mens, dier en milieu. Daarbij is het Ctgb gebonden aan het wettelijk kader. Verder verwijs ik u naar de Nota naar aanleiding van het verslag (Kamerstukken II 2009/10, 32 372, nr. 6, p.12 en 13), waar op de waarborgen voor kwaliteit van de besluitvorming is ingegaan. Tenslotte verwijs ik u ten aanzien van uw vraag over het functioneren van het Ctgb naar mijn antwoord op de hierover door de leden van de SP-fractie gestelde vraag.

De leden van fractie van de Partij voor de Dieren willen graag weten op welke wijze het kabinet het gebruik van biociden zowel door agrariërs als door particulieren wil terugdringen. Welke doelstellingen zijn er daarvoor, welke instrumenten gebruikt de regering hiervoor?

Het kabinet heeft in het beleidsprogramma biociden (Kamerstukken II 2006/07, 27 858, nr. 59) de ambitie neergelegd om te komen tot een maatschappelijk verantwoord gebruik van biociden. De belangrijkste doelen uit het beleidsprogramma zijn:

  • uitsluitend gebruik van toegelaten biociden en gebruik conform gebruiksvoorschriften bij die toelating;

  • biociden alleen gebruiken als het echt nodig is;

  • beschikbaarheid van een adequaat middelenpakket;

  • verbetering van de communicatie tussen betrokken bedrijven en overheden.

Op 5 oktober 2010 bent u geïnformeerd over de voortgang van het beleidsprogramma biociden (Kamerstukken II 2010/11, 27 858, nr. 92). Vanuit het beleidsprogramma worden verschillende instrumenten ingezet om het beleidsdoel te realiseren, onder andere:

  • het gedifferentieerd handhavingsbeleid (Kamerstukken II 2008/09, 27 858, nr. 75) om een einde te maken aan het grote aantal middelen in Nederland zonder toelating;

  • initiatiefgroep dierplaagbestrijding om resistentieproblematiek aan te pakken bij ratten en muizen;

  • verschillende drempels verlagen om de beschikbaarheid van een adequaat middelenpakket te waarborgen;

  • oprichten Kennisnetwerk biociden om diverse partijen rondom (zelf door partijen aangedragen) specifieke thema’s te verenigen;

  • de inspectie van het Ministerie van I&M controleert op aanwezigheid van niet-toegelaten biociden.

De leden van fractie van de Partij voor de Dieren zijn zeer ontstemd over het schrappen van de watertoets. Kan het kabinet bevestigen dat de verordening voorschrijft dat bij toelating van bestrijdingsmiddelen gekeken moet worden naar de gevolgen van deze toelating voor de kwaliteit van het oppervlaktewater? Op welke manier wordt daar na van toepassing worden van het voorliggende besluit uitvoering aangegeven? Kan het kabinet bij het beantwoorden van deze vraag zowel ingaan op de situatie dat het Ctgb de beoordeling verzorgt als op de situatie dat de beoordeling gedaan wordt in een andere lidstaat?

Ik bevestig, dat ook na 14 juni 2011 een beoordeling van de effecten van een gewasbeschermingsmiddel op waterorganismen in oppervlaktewater nog steeds onderdeel uitmaakt van de toelatingsprocedure. Zowel het Ctgb als een andere Europese toelatingsinstantie beoordelen de gevolgen van het gebruik van een gewasbeschermingsmiddel in de perceelsloot naast het met het gewasbeschermingsmiddel behandelde perceel. De perceelsloot is immers de waterloop die het meest en intensief getroffen kan worden ten gevolge van drift van het gewasbeschermingsmiddel. Deze toetsing is Europees voorgeschreven in het kader van de toelatingsbeoordeling van gewasbeschermingsmiddelen.

De bescherming van het grondwater wat voor de productie van drinkwater gebruikt wordt, behoeft naar mening van de leden van fractie van de Partij voor de Dieren meer aandacht dan thans gebeurt. Provinciale Staten zouden ervoor moeten zorgen dat er zones rondom de inwin-punten van dit water beschermd worden, maar de leden van fractie van de Partij voor de Dieren hebben de indruk dat dit lang niet overal goed gebeurt. Kan het kabinet hiervan een overzicht geven? Deelt het kabinet de mening van de leden van fractie van de Partij voor de Dieren dat het borgen van deze beschermingszones in nationale regelgeving zou moeten gebeuren om werkelijke bescherming te realiseren? Zo nee, waarom niet?

De provincies hebben wettelijke taken en bevoegdheden ter bescherming van de grondwaterkwaliteit, onder meer tegen de nadelige effecten van gewasbeschermingsmiddelen. Centralisering van (een deel van) die taken en bevoegdheden naar de rijksoverheid is nu niet aan de orde. Regelgeving op provinciaal niveau heeft als voordeel dat de provincie maatwerk kan leveren, afhankelijk van de provinciale omstandigheden.

De Kamer heeft een toezegging gekregen nog geïnformeerd te worden over de teeltvrije zones en emissiereducerende maatregelen met het oog op het voorkomen van effecten ten aanzien van de waterkwaliteit. Wanneer zal de Kamer deze brief ontvangen, en zal het kabinet voor de inhoud van deze brief nog in overleg treden met drinkwaterbedrijven en milieu- en natuurorganisaties?

Ik streef ernaar de brief ná de zomer aan Uw Kamer te sturen. Naar goed gebruik wordt over eventuele maatregelen met betrokken partijen overleg gevoerd.

De leden van fractie van de Partij voor de Dieren hebben ernstige twijfels bij de manier waarop het Ctgb bestrijdingsmiddelen beoordeelt. Zij hebben de indruk dat dit niet gebeurt op basis van de meest recente wetenschappelijke inzichten. Bijlage 1, behorende bij artikel 8a eerste lid, over de methoden voor de beoordeling van gewasbeschermingsmiddelen, bevestigt deze indruk van de leden van fractie van de Partij voor de Dieren. De stellige indruk van de leden van fractie van de Partij voor de Dieren is dat er een groot aantal aspecten van de bestrijdingsmiddelen niet wordt meegenomen in de beoordeling, zoals de sublethale effecten, de chronische toxiciteit, de cumulatieve effecten en hormoonverstorende effecten. De reactie op het verzoek van de vaste commissie voor Economische Zaken, Landbouw en Innovatie van 12 april 2011 (2011Z08457), om een reactie te geven aan de Kamer op het onderzoek van het UMC St. Radboud in Nijmegen over mogelijke afwijking bij zonen door bestrijdingsmiddelen, waarbij het kabinet aangaf meer onderzoek hiernaar te laten doen door het RIVM, bevestigt het beeld dat dit soort nieuw onderzoek inderdaad niet wordt meegenomen in de toelatingsprocedure van bestrijdingsmiddelen. Graag krijgen de leden van fractie van de Partij voor de Dieren een inhoudelijke reactie op alle punten waarvan zij de indruk hebben dat deze onvoldoende worden meegenomen, waarbij zij vragen in te gaan op welke nieuwe inzichten er zijn op dit gebied en op welke wijze deze aspecten meegenomen worden in de toelatingsprocedure

Stoffen en middelen worden conform de wetenschappelijke inzichten, zoals die zijn vastgelegd in het Europese toetsingskader en met behulp van de Europese richtsnoeren beoordeeld. Nieuwe wetenschappelijke inzichten worden, op instigatie van EFSA, in het toetsingskader opgenomen. Zie daarvoor ook mijn antwoord op de desbetreffende vraag van de leden van de CDA-fractie. Per definitie is het zo, dat er enige tijd verstrijkt tussen een nieuw wetenschappelijk inzicht, de acceptatie daarvan in bredere kring en de vaststelling daarvan in een Europees richtsnoer.

De herbeoordeling van stoffen en middelen vindt periodiek plaats, elke 10 jaar, aangezien de goedkeuring respectievelijk toelating voor een dergelijke periode wordt verleend.

Indien er tussentijds aantoonbare aanwijzingen zijn dat er sprake is van nieuwe, nog niet eerder gesignaleerde risico’s, kan een reeds toegelaten gewasbeschermingsmiddel conform de artikelen 40 en 41 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden worden herbeoordeeld.

Het Ctgb beoordeelt het risico van effecten op bijen bij een aanvraag tot toelating van een gewasbeschermingsmiddel volgens het Europese toetsingskader, zoals dat in alle Europese lidstaten wordt toegepast. Op basis van dat kader worden de volgende sublethale effecten standaard betrokken in de beoordeling: effecten op gedrag, lucht- en foerageeractiviteit, broedontwikkeling en stuifmeel- en nectaropslag.

Voor de chronische effecten zijn voor de beoordeling studies vereist voor 2 diersoorten en voor semi-chronische effecten studies voor 3 diersoorten. Hormoonverstorende effecten worden nu al meegenomen in de nationale en EU-beoordeling aan de hand van eveneens vereiste studies, ook reprotoxiciteitsstudies zijn nu al vereist in het beoordelingsdossier. Alle studies dienen overigens aan strenge kwaliteitsnormen te voldoen en worden uitgevoerd door geaccrediteerde laboratoria volgens OESO- en EU-richtlijnen.

Ik heb uw Kamer eerder, op 15 februari 2011, tijdens de behandeling van de wijziging van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Handelingen II, 2010/11, nr. 52, item 22) gemeld dat het combinatierisico wordt beoordeeld, daar waar stoffen of middelen in combinatie worden aangevraagd. Waar onbekend is, welke combinaties voorkomen, kan het risico niet worden beoordeeld. Er bestaan daarvoor geen toetsingskaders.

Ook de statistische onderbouwing van de proeven die worden gedaan – meestal door de producent van het bestrijdingsmiddel zelf, om de toxiciteit op niet-doelwitorganismen aan te tonen. Er is recent een studie verschenen van James E. Cresswell (A meta-analysis of experi-ments testing the effects of a neonicotinoid insecticide (imidacloprid) on honey bees. Ecotoxicology d.d.16 november 2010) waarin wordt geconcludeerd dat alle uitgevoerde proeven op bijen te kort duurden en te klein waren opgezet om sublethale effecten aan te tonen. De leden van fractie van de Partij voor de Dieren krijgen graag een inhoudelijke reactie op dit onderzoek, en zij vragen op welke wijze en op welke termijn de beoordelingsprocedure aangepast zal worden om de kritiek die er te leveren is op de toelatingsprocedures weg te nemen.

De risicobeoordeling van middelen neemt zowel korte- als lange-termijneffecten mee, waarin rekening wordt gehouden met de frequentie van toepassen van het middel.

Cumulatieve effecten van verschillende middelen worden meegenomen voor zover gelijktijdige toepassing van meerdere middelen expliciet wordt aangevraagd, zoals hierboven reeds aangegeven.

Wageningen-UR doet op mijn verzoek een literatuurstudie over neonicotinoïden en de sterfte van bijenvolken. Daarin wordt, op basis van collegiaal getoetste wetenschappelijke literatuur die beschikbaar is over de effecten van neonicotinoïden en fipronil op bijen, antwoord gegeven op de gestelde vraag. Het genoemde onderzoek van Cresswell wordt in deze literatuurstudie meegenomen. Ik heb uw Kamer reeds toegezegd het onderzoeksresultaat toe te zenden, zodra dit beschikbaar is.

De Nota van toelichting vermeldt dat er middels de veranderingen in de methoden voor de beoordeling van gewasbeschermingsmiddelen een administratieve lastenverlichting optreedt van een half miljoen, en dat de toelatingen sneller zullen gaan. Op welke wijze wordt deze lastenverlichting bereikt, en hoe kan het kabinet garanderen dat dit niet ten koste gaat van de bescherming van de milieukwaliteit?

De lastenverlichting is berekend op basis van de beschikbare gegevens en met behulp van het standaardkostenmodel dat overal in de overheid wordt gebruikt. Voor de inhoudelijke berekening verwijs ik naar paragraaf 3.3 van de nota van toelichting bij het ontwerpbesluit. Voor het bedrijfsleven is de kortere doorlooptijd van toelatingsprocedures in Nederland wellicht nog belangrijker dan de kostenreductie zelf, omdat een eerdere toelating betekent dat een middel eerder op de markt kan worden gebracht.

Zoals hiervoor vermeld is de preregistratietoets vervallen, omdat deze toets niet past in het beoordelingskader van de nieuwe verordening (EG) 1107/2009. De wijzigingen in de nationale regelgeving zorgen ervoor dat Nederland aansluit bij de Europese vereisten. Effecten op waterorganismen en op drinkwaterkwaliteit blijven worden beoordeeld in het kader van de toelating, zoals eerder aangegeven.

Op waterkwaliteit zal blijven worden gemonitord. Nederland moet immers aan het einde van de rit de einddoelen van de Kaderrichtlijn water behalen. Daarvoor is voldoende instrumentarium beschikbaar.

Als het duidelijk is dat een toegelaten middel de boosdoener is van achteruitgang in waterkwaliteit in een bepaald stroomgebied waardoor de Europees bepaalde doelen voor dat gebied niet kunnen worden verwezenlijkt, zullen passende maatregelen moeten worden getroffen, teneinde die achteruitgang te stoppen en om te buigen naar vooruitgang, overeenkomstig het bepaalde in artikel 44 van verordening (EG) 1107/2009.

De leden van fractie van de Partij voor de Dieren hebben ook enkele vragen over de procedures van dringend vereiste toelatingen. Welke criteria zijn er om te beoordelen of een middel een dringend vereiste toelating zou moeten krijgen? Welke toetsen worden er uitgevoerd bij een dringend vereiste toelating en op welke wijze wijkt deze procedure af van de normale beoordeling? Welke veranderingen zal het systeem van zonale toelating hierin maken?

Met ingang van 14 juni 2011 verdwijnt de mogelijkheid tot het aanvragen van een dringend vereist gewasbeschermingsmiddel, doordat verordening (EG) 1107/2009 deze figuur niet kent. Er is dan geen wettelijke basis meer voor dit instrument.

Het kabinet lijkt ervan uit te gaan dat gebruiksvoorschriften altijd worden nageleefd. Daarom worden er veel middelen toegelaten waarvan bekend is dat zij een ernstig negatief effect hebben op bijvoorbeeld bijen (en andere bestuivers), waarbij dan gebruiksvoorschriften gelden dat het bijvoorbeeld niet op bloeiende planten mag worden gebruikt. Dit is niet alleen het geval bij toepassingen voor agrarisch gebruik, maar ook bij toepassingen voor particulier gebruik. Zo zijn er middelen toegelaten voor particulier gebruik van de klasse neonicotinoïden, ook die neonicitinoïden waarvan bekend is dat zij gevaarlijk zijn voor bijen. Hoe wordt er bij particulier gebruik gehandhaafd op deze gebruiksvoorschriften? Deelt het kabinet de mening dat dit gebruik niet gehandhaafd kan worden en dat het zeer goed mogelijk is dat particulieren deze middelen ook buiten gebruiken, en ook op bloeiende planten? Deelt het kabinet de mening dat dit gebruik dus een ernstig negatief effect kan hebben op de o zo belangrijke bij? Deelt het kabinet dan ook de mening dat het gebruik van neonicitinoïde middelen door particulieren dan ook verboden moet worden? Zo nee, waarom niet, zeker gezien het feit dat er talloze middelen beschikbaar zijn voor particulieren die geen of een aanzienlijk kleiner risico betekenen voor de biodiversiteit in het algemeen, en de essentiële bestuivers in het bijzonder?

Voor de middelen voor niet-professioneel (particulier) gebruik is het naleefgedrag van de voorschriften onbekend, aangezien deze middelen niet op recept worden verkocht en controle op gebruik in iedere tuin of op ieder balkon onmogelijk en ook ongewenst is. Dit jaar heeft de nVWA overigens wel een nalevingscontrole voorzien op particulier gebruik van gewasbeschermingsmiddelen, onder andere in volkstuinen.

Daarnaast worden klachten en meldingen van particulieren en politie in behandeling genomen. Dit betreft hoofdzakelijk het gebruik van onkruidbestrijdingsmiddelen.

Niet-professionele middelen zijn door het Ctgb beoordeeld voor gebruik door particulieren. Deze middelen kunnen zonder vakbekwaamheidsbewijs veilig worden toegepast, voor zover de gebruiker zich aan het gebruiksvoorschrift houdt.

Maar ook bij het agrarisch gebruik is overduidelijk dat de gebruiksvoorschriften vaak niet worden nageleefd, kan de regering dat bevestigen? Hoe zijn anders de enorme normoverschrijdingen in het oppervlaktewater te verklaren? Is het kabinet bereid om toe te geven dat er tussen de theorie op basis waarvan middelen toegelaten worden, en de praktijk waarin de middelen gebruikt worden, een enorm verschil zit, en dat dit verschil voor zeer ernstige ecologische effecten kan zorgen? Op welke manier wil het kabinet dit verschil verkleinen, op welke manier wil het kabinet ervoor zorgen dat bij de toelating van giftige middelen uitgegaan wordt van de praktijksituaties? Deelt het kabinet dat alleen wanneer de huidige praktijk en de huidige fysieke omstandigheden, inclusief de huidige normoverschrijdingen in het oppervlaktewater, worden betrokken bij de toelating, de leefomgeving van mens en dier afdoende beschermd wordt? Zo nee, waarom niet? Graag krijgen de leden van fractie van de Partij voor de Dieren hierbij ook een overzicht van de fte’s en het budget dat wordt besteed aan de handhaving van de genoemde gebruiksvoorschriften.

Ik kan niet bevestigen, dat de gebruiksvoorschriften vaak niet worden nageleefd, hetgeen uiteraard niet betekent dat de naleving 100% is. Mijn handhavingsinzet is gebaseerd op een risicobenadering. Normoverschrijding in het oppervlaktewater kan meerdere oorzaken hebben. Naast niet-naleving van de voorschriften kunnen er andere oorzaken of andere emissiebronnen zijn zoals aanvoer van buiten het desbetreffende waterlichaam.

Daarnaast is een monitoringsprotocol in ontwikkeling dat in 2011 met alle uitvoerende partijen nader wordt getoetst aan de hand van een viertal praktijkgevallen uit de monitoringsprogramma’s. Het protocol beoogt de overschrijdingen van de waterkwaliteitsnormen in grotere waterlopen terug te dringen. In het jaarplan van de nVWA is voor 2011 in totaal 40 372 uur opgenomen voor toezicht op gewasbeschermingsmiddelen en biociden. Hiervoor zijn 29,3 fte inzetbaar.

De leden van fractie van de Partij voor de Dieren hebben begrepen dat Wageningen UR nu een uitgebreider onderzoek aan het opstarten is naar de verschillende oorzaken van bijensterfte, en dat onderzoeker Van der Sluijs daarbij betrokken zal worden. De leden van fractie van de Partij voor de Dieren waarderen het betrekken van de expertise van de Universiteit Utrecht, en worden graag nader geïnformeerd over de opzet en reikwijdte van deze studie.


X Noot
1

Samenstelling:

Leden: Dijksma, S.A.M. (PvdA), Snijder-Hazelhoff, J.F. (VVD), Verburg, G. (CDA), Koopmans, G.P.J. (CDA), Ham, B. van der (D66), Voorzitter, Smeets, P.E. (PvdA), Samsom, D.M. (PvdA), Jansen, P.F.C. (SP), Ondervoorzitter, Jacobi, L. (PvdA), Koppejan, A.J. (CDA), Graus, D.J.G. (PVV), Thieme, M.L. (PvdD), Gesthuizen, S.M.J.G. (SP), Wiegman-van Meppelen Scheppink, E.E. (CU), Tongeren, L. van (GL), Ziengs, E. (VVD), Braakhuis, B.A.M. (GL), Gerbrands, K. (PVV), Lodders, W.J.H. (VVD), Vliet, R.A. van (PVV), Dijkgraaf, E. (SGP), Schaart, A.H.M. (VVD) en Verhoeven, K. (D66).

Plv. leden: Jadnanansing, T.M. (PvdA), Elias, T.M.Ch. (VVD), Ormel, H.J. (CDA), Blanksma-van den Heuvel, P.J.M.G. (CDA), Koolmees, W. (D66), Dikkers, S.W. (PvdA), Dekken, T.R. van (PvdA), Irrgang, E. (SP), Groot, V.A. (PvdA), Werf, M.C.I. van der (CDA), Dijck, A.P.C. van (PVV), Ouwehand, E. (PvdD), Gerven, H.P.J. van (SP), Schouten, C.J. (CU), Gent, W. van (GL), Leegte, R.W. (VVD), Grashoff, H.J. (GL), Mos, R. de (PVV), Taverne, J. (VVD), Bemmel, J.J.G. van (PVV), Staaij, C.G. van der (SGP), Houwers, J. (VVD) en Veldhoven, S. van (D66).

X Noot
2

Samenstelling:

Leden: Dijksma, S.A.M. (PvdA), Gent, W. van (GL), Snijder-Hazelhoff, J.F. (VVD), Voorzitter, Slob, A. (CU), Aptroot, Ch.B. (VVD), Samsom, D.M. (PvdA), Jansen, P.F.C. (SP), Koppejan, A.J. (CDA), Graus, D.J.G. (PVV), Ouwehand, E. (PvdD), Rouwe, S. de (CDA), Bashir, F. (SP), Mos, R. de (PVV), Tongeren, L. van (GL), Monasch, J.S. (PvdA), Dekken, T.R. van (PvdA), Dijkgraaf, E. (SGP), Veldhoven, S. van (D66), Koolmees, W. (D66), Ondervoorzitter, Jong, L.W.E. de (PVV), Huizing, M.E. (VVD), Leegte, R.W. (VVD) en Werf, M.C.I. van der (CDA).

Plv. leden: Groot, V.A. (PvdA), Braakhuis, B.A.M. (GL), Houwers, J. (VVD), Wiegman-van Meppelen Scheppink, E.E. (CU), Lucas-Smeerdijk, A.W. (VVD), Smeets, P.E. (PvdA), Gerven, H.P.J. van (SP), Haverkamp, M.C. (CDA), Bontes, L. (PVV), Thieme, M.L. (PvdD), Bochove, B.J. van (CDA), Vacature, SP (), Agema, M. (PVV), Grashoff, H.J. (GL), Plasterk, R.H.A. (PvdA), Jacobi, L. (PvdA), Staaij, C.G. van der (SGP), Ham, B. van der (D66), Verhoeven, K. (D66), Bemmel, J.J.G. van (PVV), Boer, B.G. de (VVD), Lodders, W.J.H. (VVD) en Koopmans, G.P.J. (CDA).

Naar boven