Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2016-201731415 nr. 14

31 415 DNA-onderzoek in strafzaken

Nr. 14 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 23 november 2016

De vaste commissie voor Veiligheid en Justitie heeft een aantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Minister van Veiligheid en Justitie over de brief van 30 september 2015 over het ontwerpbesluit houdende wijziging van het Besluit DNA-onderzoek in strafzaken (Kamerstuk 31 415, nr. 12).

De vragen en opmerkingen zijn op 30 september 2015 aan de Minister van Veiligheid en Justitie voorgelegd. Bij brief van 22 november 2016 zijn de vragen beantwoord.

De voorzitter van de commissie, Ypma

De waarnemend griffier van de commissie, Hessing-Puts

I.

Vragen en opmerkingen vanuit de fracties

2

 

1.

Inleiding

2

 

2.

Artikelsgewijze toelichting

3

 

3.

Administratieve en financiële gevolgen

10

II.

Reactie van de Minister van Veiligheid en Justitie

10

I. Vragen en opmerkingen vanuit de fracties

1. Inleiding

Met interesse en een positieve grondhouding hebben de leden van de VVD-fractie kennisgenomen van de voorliggende wijzigingen in het Besluit DNA-onderzoek in strafzaken. De eerste voorgestelde wijziging betreft de uitvoering van de motie-Van der Steur c.s. (Kamerstuk 32 168, nr. 16) die in april 2011 is aangenomen. Hierin werd opgeroepen om de informatiepositie van DNA deskundigen die werkzaam zijn bij andere laboratoria dan bij het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) te verbeteren. Het spreekt volgens deze leden voor zich dat, indien deskundigen van particuliere laboratoria een opdracht van de (hulp)officier van justitie of de rechter-commissaris tot het verrichten van DNA onderzoek uitvoeren, zij toegang dienen te hebben tot de DNA-databank. Met de voorgestelde wijziging zijn zij dan ook content. Ten aanzien van de overige voorgestelde wijzigingen zijn zij eveneens positief gestemd. Deze betreffen met name het aanpassen van wettelijke bevoegdheden aan de huidige praktijk, dan wel de uitbreiding van wettelijke bevoegdheden aan de huidige stand van de technologie. De aan het woord zijnde leden onderkennen de noodzaak hiervan en kunnen hier goed mee leven.

Zij hebben nog enkele mineure vragen dan wel opmerkingen. Allereerst vragen zij of de voorgestelde wijzigingen substantiële gevolgen zal hebben voor de gerechten dan wel de DNA-deskundigen die DNA-onderzoek uitvoeren. Is de verwachting dat DNA-onderzoekers (werkzaam bij particuliere bureaus) meer tijd kwijt zullen zijn aan de uitvoering van hun werkzaamheden door de uitbreiding van wettelijke mogelijkheden? Zo ja, wat zijn de kosten die hieraan verbonden zijn?

Ook wordt voorgesteld medewerkers van de FIOD de bevoegdheid toe te kennen tot het verpakken van inbeslaggenomen stukken met daarop aanwezige sporen. Voornoemde leden vinden dit op zichzelf een positieve ontwikkeling. Zij vragen of alle medewerkers van de FIOD hiervoor de juiste kennis beschikken. Het is immers van groot belang dat personen die sporen in het kader van een (eventueel) misdrijf dienen veilig te stellen, de juiste kennis hiervoor hebben. Indien het NFI een opdracht tot DNA-onderzoek uitbesteedt aan een buitenlands laboratorium dat zich in een land bevindt dat niet behoort tot de Europese Unie, dat land pas de beschikking krijgt over de DNA-profielen uit de Nederlandse DNA-databank als dat land een passend niveau van bescherming biedt van de persoonlijke levenssfeer van degenen wier DNA-profielen het betreffen. Kan ten slotte nader worden ingegaan wanneer sprake is van een passend niveau van bescherming?

De leden van de PvdA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het ontwerpbesluit. Een van de opgenomen wijzigingen is de uitwerking van de motie-Van der Steur c.s. Voornoemde leden hebben deze motie ondersteund omdat zij het belangrijk vinden dat particuliere laboratoria onafhankelijk van het NFI toegang moeten hebben tot het DNA-materiaal als zij een opdracht tot onderzoek krijgen. Dit is belangrijk voor de kwaliteit van de sporen en het (vervolg-)onderzoek bij andere laboratoria, maar ook belangrijk in het kader van «equality of arms».

Deze leden willen nog enkele verduidelijkende vragen stellen en opmerkingen maken.

De leden van de SP-fractie willen weten of de politie er inmiddels klaar voor is om het DNA-vooronderzoek over te nemen. Hoe heeft die overdracht plaatsgevonden of in hoeverre vindt deze nog plaats en welke knelpunten worden daarbij ervaren? Is er voldoende capaciteit? In hoeverre moet het NFI nog bijspringen en is het daar op berekend?

De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de voorgestelde wijzigingen ten aanzien van het Besluit DNA-onderzoek. Deze steunen zij van harte. Zij hebben nog enkele vragen en suggesties.

Zekerheidshalve vragen zij of enkele van de aanbevelingen ten aanzien van DNA uit het rapport Hoekstra niet al verwerkt hadden kunnen worden in onderhavig besluit en wat in het algemeen de stand van zaken is ten aanzien van de uitwerking van deze aanbevelingen omtrent DNA.

De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van de bovengenoemde brief over het ontwerpbesluit. Naar aanleiding hiervan hebben deze leden de volgende vraag.

Voor de toegang tot het webportal heeft het NFI een protocol opgesteld, waarin voorwaarden zijn opgenomen die onder meer betrekking hebben op beveiligingseisen ten aanzien van het personeel, de digitale infrastructuur en op autorisatie van degenen die toegang hebben tot de digitale infrastructuur. Voornoemde leden vragen hoe, hoe vaak, door wie en wanneer wordt gecontroleerd of daadwerkelijk aan deze eisen van het protocol wordt voldaan. Wat zijn de gevolgen als later blijkt dat een gebruiker niet (meer) voldoet aan de voorwaarden van het protocol?

2. Artikelsgewijze toelichting

Artikel I, onder A

Artikel I

De leden van de CDA-fractie vragen of het voorgestelde begrip «derde» niet beperkter is dan thans is gedefinieerd. Zij vragen uit te sluiten dat dit nadelige effecten kan hebben voor de politie en het openbaar ministerie (OM) in de opsporings- en vervolgingspraktijk.

Artikel I, onder B

Artikel 1b

De leden van de PvdA-fractie merken op dat het nu technisch mogelijk is om uit een DNA-spoor ook de haarkleur af te leiden. Dat wordt nu ook in het besluit opgenomen zodat het ook in het onderzoek meegenomen kan worden. In de toelichting bij het besluit wordt de betrouwbaarheid van het DNA-onderzoek ten aanzien van de rode haarkleur anders gewaardeerd dan ten aanzien van de andere haarkleuren. Voor de rode haarkleur kan met een vrij hoge mate van zekerheid de uiterlijk waarneembare persoonskenmerken worden afgeleid. Voor de andere haarkleuren kunnen de uiterlijk waarneembare persoonskenmerking met een voldoende mate van exactheid uit het celmateriaal worden afgeleid. Kunt u dit toelichten en aangeven of er verschil bestaat in betrouwbaarheid van de uitkomst van het onderzoek ten aanzien van de verschillende haarkleuren. Zo ja, welk verschil?

De leden van de CDA-fractie zijn verheugd met het voorstel omtrent haarkleur als uiterlijk waarneembare persoonsmerk voor de DNA-praktijk. Zij vragen zekerheidshalve of in het besluit niet de ruimte zou moeten en kunnen worden gecreëerd voor toekomstige ontwikkelingen ten aanzien van andere uiterlijke persoonskenmerken waarop het DNA-onderzoek gericht kan zijn.

Artikel I, onder D en H

Artikelen 4, eerste lid, onder c, 5, derde lid, en 8

De leden van de PvdA-fractie merken op dat sinds 2009 steeds vaker gebruik gemaakt wordt van particuliere laboratoria. Van hoeveel particuliere laboratoria wordt nu gebruik gemaakt? Hoeveel verzoeken gaan er naar de particuliere laboratoria ten opzichte van het aantal verzoeken dat naar het NFI gaat? Wie bepaalt, op welk moment welk laboratorium het celmateriaal gaat onderzoeken? Beheersen de particuliere laboratoria expertise zit die het NFI niet beheerst, of doet het NFI op sommige terreinen geen onderzoek? Zo ja, kan daarvan een paar voorbeelden worden gegeven? Weten de rechter-commissaris en het OM deze gespecialiseerde laboratoria te vinden of moet er nog regelmatig celmateriaal doorgestuurd worden?

De leden van de SP-fractie lezen dat deskundigen van particuliere onderzoeksinstituten straks ook via de beheerder van de DNA-databank inzage kunnen vragen in die databank. Om welke onderzoeksinstituten gaat het op dit moment? Met welke instituten wordt samengewerkt op gebied van DNA-onderzoek? Aan welke voorwaarden moeten particuliere instituten voldoen voordat de overheid met hen in zee gaat? Hoe wordt op kwaliteit gecontroleerd?

De leden van de CDA-fractie vragen of in de praktijk voor de betreffende opsporingsambtenaren altijd direct helder is waar de DNA-sporen naar toegestuurd moeten worden. Zij vragen dit ook gelet op de opmerking dat laboratoria soms vanwege capaciteitstekort niet in staat zijn DNA-onderzoek uit te voeren. Komt dit vaak voor? Wordt informatie over de capaciteitsproblematiek ook uitgewisseld met de nationale politie (en in de toekomst de Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst (FIOD)) om te voorkomen dat opsporingsambtenaren DNA-sporen insturen naar laboratoria die onderzoek hiernaar op korte termijn niet kunnen uitvoeren? Waar vindt coördinatie hierover plaats? Deelt u de mening dat behalve capaciteitstekort, ook het verzenden van sporen naar een laboratorium met te weinig capaciteit onwenselijk is omdat het dan extra lang duurt voordat het materiaal bij een laboratorium belandt dat wel capaciteit beschikbaar heeft? Hoe wordt dit voorkomen in de huidige en toekomstige praktijk?

Artikel I, onder D

Artikel 5, vierde lid

De leden van de SP-fractie zijn benieuwd wat eerder de reden was om FIOD-medewerkers de bevoegdheid te geven voorwerpen met sporen in beslag te nemen, maar hen niet de bevoegdheid te geven deze te verpakken en te verzenden naar een laboratorium voor DNA-onderzoek. Opsporingsambtenaren van de FIOD krijgen hier straks de benodigde training in en zal goede afspraken met de politie maken over de taakverdeling. Wordt er dit moment al gewerkt aan het vormgeven van deze werkafspraken?

De leden van de CDA-fractie vragen naar de stand van zaken ten aanzien van de werkafspraken tussen de FIOD en de nationale politie omtrent de training van FIOD opsporingsambtenaren in het veilig stellen van DNA-sporen. Zij vragen of in het besluit niet de ruimte zou moeten en kunnen worden gecreëerd voor toekomstige ontwikkelingen ten aanzien van de drie genoemde andere bijzondere opsporingsdiensten.

Artikel I, onder E

Artikel 6, eerste en tweede lid

Een puntje van zorg willen de leden van de PvdA-fractie graag delen. Zij lezen dat het NFI verantwoordelijk blijft voor het bijhouden van de DNA-databank. Dat lijkt deze leden zeer terecht. Hoe is geregeld dat nooit wordt vergeten de noodzakelijke gegevens van het DNA-onderzoek aan het NFI door te geven? Is het doorsturen van de gegevens onderdeel van het protocol op basis waarvan de laboratoria werken?

Tevens blijkt uit de toelichting bij het besluit dat het heel goed mogelijk is om fouten te maken ten aanzien van de opslag van de DNA-gegevens. Het vermelden van DNA-profielen van ongeïdentificeerde stoffelijke resten die opgenomen zijn worden benoemd als onbekende verdachten. Hoe kan worden voorkomen dat dergelijk fouten worden gemaakt en te meer, hoe kan worden voorkomen dat DNA-gegevens van derden zoals getuigen of slachtoffers in het databank worden opgeslagen als (onbekende) verdachte?

De leden van de SP-fractie begrijpen dat niet alleen het NFI, maar ook de laboratoria waarnaar het celmateriaal is gestuurd er straks verantwoordelijk voor worden dat gegevens over te onderzoeken celmateriaal (via het NFI zelf) centraal worden geregistreerd. Hoe vindt de controle, het toezicht en eventuele handhaving van deze medeverantwoordelijkheid plaats? Hoe wordt gecontroleerd of de privacy voldoende is en blijft gewaarborgd door particuliere instituten?

De leden van de CDA-fractie achten het verstandig dat bij het NFI centraal wordt bijgehouden bij welk laboratorium het eerste DNA-onderzoek is uitgevoerd. Zij vragen wel hoe zekerheid kan worden gecreëerd dat het NFI op de hoogte is dat een DNA-onderzoek in een (particulier) laboratorium wordt uitgevoerd. Deze leden begrijpen dat het particuliere laboratorium dit dient door te geven, maar deze afspraak kan zowel bewust als onbewust niet worden nagekomen. Hoe denkt u over een extra check dat bij verzending van DNA-sporen naar een particulier laboratorium een afschrift van deze verzending hiervan aan het NFI wordt gezonden? Is dat eenvoudigweg te regelen of zou dat de administratieve lasten al te zeer verhogen voor de betreffende opsporingsambtenaar? Graag vernemen voornoemde leden hierop een reactie.

Artikel I, onder F

Artikel 6a

De leden van de PvdA-fractie merken op dat volgens artikel 6a van het besluit het laboratorium dat het celmateriaal ontvangt maar geen capaciteit heeft om het celmateriaal te onderzoeken het materiaal moet doorsturen naar een ander laboratorium. Hoe gaat dat in zijn werk? Blijft het OM verantwoordelijk voor het doorsturen van het celmateriaal en wordt het OM daarop geïnformeerd dat de opdracht is geweigerd? Kunnen de laboratoria onderling contact met elkaar opnemen? Hoe is de onderlinge samenwerking? Wisselen ze kennis uit om op die manier een nog hogere standaard te krijgen?

Artikel I, onder G

Artikel 7, eerste en tweede lid

De leden van de SP-fractie lezen dat als de opdracht tot DNA-onderzoek uitbesteed wordt aan een buitenlands laboratorium, dat zich buiten de EU bevindt, het alleen beschikking kan krijgen over profielen uit de Nederlandse DNA-databank indien dat land een passend niveau van persoonsbescherming biedt van degenen wier DNA-profiel het betreft. Hoe wordt gecontroleerd dat hier sprake van is?

Artikel I, onder J

Artikel 10, derde lid, onder b, en vierde lid

De leden van de PvdA-fractie willen graag een uitleg over de zinsnede: «...omdat die organisaties niet bijhouden bij welk laboratorium het celmateriaal uit een bepaalde strafzaak zich bevindt...». Met «die organisaties» worden de Justitiële Informatiedienst en het OM bedoeld. De aan het woord zijnde leden kunnen zich niet voorstellen dat het OM niet bijhoudt aan welk laboratorium zij het celmateriaal sturen. Wordt met de aangehaalde zinsnede bedoeld dat het OM in het dossier van de strafzaak geen aantekening maakt waar het celmateriaal zich bevindt en wanneer het is opgestuurd? Kan het OM dus geen contact leggen met het betreffende laboratorium om te vragen naar de voortgang van het DNA-onderzoek of moeten de leden de aangehaalde zinsnede anders begrijpen? Kan hierop een toelichting worden gegeven?

De leden van de SP-fractie vragen wie uiteindelijk de toegang van een laboratorium tot het systeem goedkeurt en daarmee dus controleert of het verplicht te overleggen veiligheidsplan goed is? Is er voldoende expertise in huis om het veiligheidsplan te controleren en te toetsen? Wat wordt er van laboratoria verwacht waar het gaat om het waarborgen van de veiligheid en de beveiliging?

Bij deze wijziging verwijzen de leden van de CDA-fractie naar hun eerdere vraag omtrent de zekerheid die kan worden bewerkstelligd dat het NFI op de hoogte is van onderzoek dat bij particuliere laboratoria wordt uitgevoerd.

Ook vragen deze leden hoe «verloop van tijd» gedefinieerd wordt en qua tijdsbestek wenselijk wordt geacht de periode waarin het NFI zal informeren bij particuliere laboratoria waarom geen resterend celmateriaal is (terug)gezonden naar het NFI. Ook vragen zij wie binnen de organisatie van het NFI de regie op dit punt zal houden.

Voornoemde leden vragen of de genoemde termijn van een week waarbinnen het onderzoeksverslag toegestuurd wordt naar het NFI haalbaar is gelet op de huidige praktijk.

De aan het woord zijnde leden zijn benieuwd of u het wenselijk acht dat ook andere strafrechtspartners, in het bijzonder de nationale politie en het OM, worden aangesloten op het voorgestelde webportal. Deze leden vragen of het juist is dat in het webportal ook informatie kan worden gesteld omtrent personen die vermist worden en kennisname/uitwisseling daarvan zowel op nationaal als internationaal niveau wenselijk is.

Ten aanzien van het informeren door het NFI aan particuliere laboratoria of verslagen volgens het Besluit-DNA-onderzoek moeten worden vernietigd, vragen de leden van de CDA-fractie of deze informatie ook via het webportal gedeeld kan worden of dat afzonderlijke verzoeken/berichten vanuit het NFI hiertoe noodzakelijk zijn. Zou dat laatste niet al te zeer de administratieve ballast bij het NFI vergroten?

Artikel I, onder N

Artikel 13

De leden van de SP-fractie lezen dat DNA-profielen van derden pas worden vernietigd na een onherroepelijke veroordeling in de zaak waarvoor hun celmateriaal is verwerkt. Bij vrijspraak wordt het materiaal niet vernietigd, aangezien de zaak dan niet is opgelost en het materiaal dan altijd nog bruikbaar kan zijn. Begrijpen deze leden het goed dat langer bewaren dan alleen mag na uitdrukkelijk schriftelijke toestemming van betreffende derde? Wat gebeurt er als er sprake is van een beleidssepot, technisch sepot of voorwaardelijk sepot van een zaak?

De leden van de CDA-fractie maken zich zorgen over de opmerking dat ondanks de voorgestelde wijzigingen het onverhoopt toch nog kan voorkomen dat wanneer in de loop van het opsporingsonderzoek nieuwe sporen gevonden worden, opnieuw een derde zal moeten verzocht zijn celmaterialen af te staan. Deze leden menen dat dit nu juist een situatie is die zou moeten worden voorkomen.

Zou het daarom niet wenselijk zijn het besluit als volgt aan te passen dat verzameld materiaal van een derde zolang beschikbaar blijft als het opsporingsonderzoek loopt en het strafproces nog niet onherroepelijk tot een einde is gekomen. Nadien kan het dan echter alleen bewaard blijven indien – conform het voorgelegde besluit – de derde hier uitdrukkelijk zijn schriftelijke toestemming voor heeft gegeven. Hoe kijkt u aan tegen dit idee? Deelt u de mening dat dit voor alle partijen de meest wenselijke regeling is, gelet op het niet uit te sluiten scenario dat nieuwe sporen kunnen worden gevonden tijdens het opsporingsonderzoek en/of durende het strafproces en dat dit idee ook in het kader van gegevensbewaring niet onredelijk mag worden geacht, zeker wanneer de derde duidelijk wordt uitgelegd met welk doel (zie hiervoor) bewaring van diens DNA-materiaal plaatsvindt? Graag vernemen deze leden een reactie en liefst een wijziging van het besluit op dit punt.

Artikel I, onder P

Artikel 15, eerste lid, onder a

De leden van de CDA-fractie vragen waarom de genoemde software niet gebruikt zal worden voor het zoeken naar gedeeltelijke overeenkomsten met als doel familiebanden tussen de twee donoren van de vergeleken DNA-profielen vast te stellen, zoals ook in Nederland is toegestaan.

Artikel 15, eerste lid, onder b tot en met e

De leden van de PvdA-fractie merken op dat ten aanzien van het uitwisselen van de persoonsgegevens tussen Nederland, de BES-eilanden en Aruba, Curaçao en Sint Maarten onderhandelingen zijn gestart om het niveau van de persoonsbescherming gelijk te trekken met het niveau dat in Nederland en de EU geldt. De verwachting is dat bij het in werking treden van dit besluit de regeling door de betrokken autoriteiten ondertekend is. Vloeien uit die regeling acties voort die zijn vereist om de verwerking van de persoonsgegevens op een passend beschermingsniveau te brengen, bijvoorbeeld het aanpassen van systemen die de persoonsgegevens dienen op te slaan en te verwerken? Zo ja, zijn die aanpassingen gerealiseerd op het moment dat dit besluit in werking treedt?

De leden van de SP-fractie lezen dat de BES-eilanden, Aruba, Curaçao en Sint Maarten rechtstreeks via een hit-no-hit-systeem DNA-profielen kunnen vergelijken, maar alleen voor situaties waarin het nodig is ter uitvoering van een DNA-onderzoek. Wie controleert of de toegang proportioneel is en landen zich aan de regels en dus gestelde voorwaarde houden?

Artikel 15, eerste lid, onder f

De leden van de SP-fractie merken op dat ook lidstaten van de EU rechtstreekse toegang hebben tot de Nederlandse databank. Hoe is die toegang gereguleerd? Betekent rechtstreekse toegang ook daadwerkelijk vrije toegang of zit er nog een instantie (zoals bijvoorbeeld het NFI) tussen die bekijkt of de toegang onderbouwd en proportioneel is? Wie controleert dit en houdt toezicht op deze rechtstreekse toegang?

Voornoemde leden merken op dat straks ook in EU-verband DNA-profielen kunnen worden vergeleken van personen die vermoedelijk slachtoffer zijn van een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis mogelijk is. Aan welke voorwaarden moet worden voldaan voordat een dergelijk vermoeden gerechtvaardigd is? Wie bepaalt of sprake is van een dergelijk vermoeden?

Nabestaanden van vermisten ondervinden vaak financiële gevolgen naar aanleiding van de afwezigheid van een vermiste (https://petities.nl/petitie/officiele-status-voor-vermisten). Als het DNA-profiel van een vermiste wordt opgenomen in de DNA-databank, omdat vermoed wordt dat deze slachtoffer is van een misdrijf, kunnen nabestaanden dit dan als extra bewijs aandragen bij instanties om bijvoorbeeld toegang te krijgen tot een bankrekening, een verzekering op te zeggen, een huis te verkopen of een financiële regeling te kunnen treffen, zonder dat tevens wordt gevraagd om toestemming van de vermiste?

De leden van de CDA-fractie vragen of het klopt dat behalve Nederland, Spanje, Litouwen, Oostenrijk en Polen geen andere lidstaten de mogelijkheden bieden om andere landen een vergelijking met DNA-profielen uit te voeren ten aanzien van vermiste en overleden personen. Deelt u de mening dat het wenselijk is dat meer lidstaten dit gaan doen? Bent u bereid dit punt aan te kaarten tijdens de eerstvolgende JBZ-raad of op een andere wijze tijdens het EU-voorzitterschap van Nederland in 2016?

Artikel 15, tweede en zesde lid

De leden van de PvdA-fractie merken op dat de procedure is beschreven over het verstrekken van DNA-profielen en persoonsgegevens uit de DNA-databank aan een onderzoeker als dat in het kader van een DNA-onderzoek nodig is. Hoe lang duurt het voordat de onderzoeker de DNA-profielen en persoonsgegevens heeft ontvangen, gerekend vanaf het moment dat hij een schriftelijk verzoek doet?

De leden van de SP-fractie lezen dat een nieuw laboratorium alleen toegang kan krijgen tot de webportal door ondertekening van het opgestelde protocol. Wie controleert en houdt toezicht op correcte uitvoering van wat is overeengekomen in het protocol? Wat kan een reden zijn voor laboratoria om zich niet aan te sluiten bij het protocol? Zij dienen dan de gemandateerd beheerder van de DNA-databank te bezoeken voor het vergelijken van profielen. Wat wordt ermee bedoeld, dat zij niet via de webportal toegang kunnen krijgen tot de databank?

De leden van de CDA-fractie vragen waarom de gemandateerd beheerder de vergelijking dient uit te voeren en niet de DNA-deskundige zelf hiertoe gemachtigd kan worden.

Ten aanzien van het raadplegen van gegevens uit het webportal vragen deze leden in hoeverre een beperking van het begrip «verstrekken» houdbaar en ook wenselijk is. Immers, voor een goede bestudering van deze informatie kunnen deze leden zich voorstellen dat naast het aflezen van een scherm ook het printen van deze informatie gewenst is en indien hier geen duidelijkheid over zal worden verschaft, deskundigen wellicht zullen overgaan tot het maken van screenshots. Hoe kijkt u hier tegenaan? Is het niet beter in plaats van een zeer beperkt gebruik voor te stellen eenvoudigweg concrete afspraken te maken over wat wel is toegestaan zodat deskundigen de informatie uit het webportal nader kunnen bestuderen?

Artikel 15, vijfde lid

De leden van de PvdA-fractie merken op dat het besluit in 2001 in werking is getreden. Volgens artikel 17 van het besluit moet de Justitiële Informatiedienst het NFI op de hoogte brengen als een persoon niet langer verdacht is en de gegevens uit de DNA-databank verwijderd moet worden. Deze leden zouden graag willen weten hoe lang het duurt, vanaf het moment dat de Justitiële Informatiedienst het NFI informeert, totdat de gegevens verwijderd zijn uit de DNA-databank. Heeft het verwijderen van een DNA-profiel van een persoon uit de DNA-databank de afgelopen periode tot problemen geleid?

Begrijpen de leden van de PvdA-fractie het goed dat het OM een afloopbericht zowel via de Justitieel Informatiedienst als rechtstreeks aan het NFI versturen? Zo ja, leidt dit niet tot problemen?

De reactie op het advies van het College van procureurs-generaal is dat de Justitiële Informatiedienst als een centrale taak heeft het in de gaten houden van de bewaartermijn van voor biometrische gegevens. Daarvoor lijkt de Informatiedienst over alle informatie te moeten beschikken, aldus de toelichting bij dit besluit. Die informatie omvat onder meer de beslissingen van de officieren van justitie en de rechters. Kunt u uitleggen waarom de Informatiedienst alle informatie nodig heeft om de bewaartermijnen goed in de gaten te kunnen houden? Naast de informatie die de rechters en de officieren van Justitie verstrekken, hebben zij nog meer informatie tot hun beschikking (de toelichting spreekt immers over «onder meer»). Om welke informatie gaat het nog meer en waarom is die informatie juist zo belangrijk voor het uitoefenen van hun taak?

Begrijpen leden van de SP-fractie het goed dat in de praktijk het OM vernietigingsberichten rechtstreeks naar het NFI stuurt? Waarom wordt dan bepaald dat daar per se de Justitiële Informatiedienst tussen moet zitten? Wat is de meerwaarde? Betekent dit dat het OM de staande praktijk dient aan te passen?

De leden van de CDA-fractie vragen of behoudens de genoemde uitzondering dat DNA-profiel kan worden bewaard omdat de betreffende persoon in andere zaak als verdachte is aangemerkt, ook andere uitzonderingen van kracht kunnen zijn. Deze leden denken aan de omschrijving omtrent derden. Alle personen op wie geen verdenking van een strafbaar feit rust en die ook niet wegens een strafbaar feit veroordeeld zijn of geweest zijn, maar die wel op een of andere manier bij het strafbare feit betrokken zijn, bijvoorbeeld omdat zij slachtoffer en/of getuige daarvan zijn of omdat zij gevraagd om mee te doen aan grootschalig DNA-onderzoek. Geldt de mogelijkheid voor bewaring van DNA-profielen ook voor hen, alsmede voor personen wiens DNA-materiaal is opgeslagen omdat zij vermoedelijk als gevolg van een misdrijf vermist zijn of (inmiddels) overleden? Graag vernemen deze leden hierop een reactie.

De aan het woord zijnde leden ondersteunen de keuze om de voorgestane redactie van de artikelen 15, vijfde lid en 17, eerste lid, van het Besluit, te handhaven ten zeerste.

Artikel I, onder Q juncto M

Artikel 15a

De leden van de CDA-fractie vragen nadrukkelijk of afschriften van verslagen van DNA-deskundigen digitaal bewaard kunnen worden en/of opgenomen kunnen worden in het webportal, dit in verband met de administratie en logistieke lasten voor laboratoria.

Artikel I, onder R

Artikelen 16 en 17

Ten aanzien van deze artikelen herhalen de leden van de CDA-fractie hun vraag gesteld bij artikel 15, vijfde lid, in hoeverre de aldaar genoemde uitzonderingen hierop van toepassing kunnen zijn.

3. Administratieve en financiële gevolgen

De leden van de PvdA-fractie hebben nog een korte vraag over de financiering van de kosten die voortvloeien uit dit besluit. In de toelichting lezen zij dat die financiering uit de bestaande middelen bij het NFI moeten komen. Is bij de toewijzing van extra middelen bij de begrotingsbehandeling 2016 rekening gehouden met de kosten die voortvloeien uit dit besluit? Kunt u het antwoord toelichten?

II. Reactie van de Minister van Veiligheid en Justitie

Bij brief van 30 september 2015 heb ik bij uw Kamer het ontwerpbesluit houdende wijziging van het Besluit DNA-onderzoek in strafzaken voorgehangen. De vaste commissie voor Veiligheid en Justitie heeft naar aanleiding van dit voorgehangen ontwerpbesluit een schriftelijk verslag uitgebracht.

1. Inleiding

Het verheugt mij dat de leden van de VVD-fractie met interesse en een positieve grondhouding kennisgenomen hebben van de wijzigingen die in het voorgehangen ontwerpbesluit zijn voorgesteld. Volgens deze leden spreekt het voor zich dat deskundigen van particuliere laboratoria, indien zij een opdracht van de (hulp)officier van justitie of de rechter-commissaris tot het verrichten van DNA onderzoek uitvoeren, toegang dienen te hebben tot de DNA-databank. Met de voorgestelde wijziging zijn zij dan ook content.

De leden van de PvdA- en de CDA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het ontwerpbesluit. De leden van de CDA-fractie steunen dat van harte. De leden van de PvdA-fractie vinden het belangrijk dat particuliere laboratoria onafhankelijk van het Nederlands Forensisch Instituut (verder: NFI) toegang hebben tot de DNA-databank als zij een opdracht tot DNA-onderzoek krijgen. Tot slot hebben de leden van de PVV-fractie kennisgenomen van de brief die het ontwerpbesluit begeleidde.

De positieve bejegening van de in het ontwerpbesluit voorgestelde wijzigingen neemt echter niet weg dat de leden van de hiervoor genoemde fracties en van de SP-fractie op onderdelen daarvan aanleiding hebben gezien om vragen te stellen en opmerkingen te maken. Graag maak ik van deze gelegenheid gebruik om hierna die vragen te beantwoorden en op die opmerkingen te reageren.

De leden van de VVD-fractie vragen of de voorgestelde wijzigingen substantiële gevolgen zullen hebben voor de gerechten dan wel de DNA-deskundigen die DNA-onderzoek uitvoeren.

De wijzigingen uit het ontwerpbesluit hebben geen gevolgen voor de gerechten. Die situatie ligt anders ten aanzien van de DNA-deskundigen. Voor hen hebben de voorgestelde wijzigingen, voor zover zij werkzaam zijn bij de andere laboratoria dan het laboratorium van het NFI, wel gevolgen. Voor een beschrijving daarvan verwijs ik naar het onderdeel «particuliere laboratoria» in paragraaf 3 van de nota van toelichting.

Verder vragen de leden van de VVD-fractie of de verwachting is dat DNA-onderzoekers die bij particuliere bureaus werkzaam zijn, door de uitbreiding van wettelijke mogelijkheden meer tijd kwijt zullen zijn aan de uitvoering van hun werkzaamheden en zo ja, wat de kosten zijn die hieraan verbonden zijn.

De verwachting is gerechtvaardigd dat de DNA-deskundigen die bij de particuliere laboratoria werkzaam zijn, tijd zullen besparen. Die verwachting is gebaseerd op het feit dat zij door middel van de in de nota van toelichting beschreven online beveiligde verbinding (het webportal) geen tijdrovende bezoeken meer aan het NFI hoeven af te leggen om inzage te krijgen in de DNA-profielen die zij voor een goede uitvoering van een DNA-onderzoek nodig hebben, maar die via die verbinding kunnen inzien. De tijd die zij daarmee winnen, is groter zijn dan de tijd die zij kwijt zijn aan de lasten die daaruit voortvloeien. Voor een beschrijving van die lasten verwijs ik naar het onderdeel «particuliere laboratoria» in paragraaf 3 van de nota van toelichting.

De leden van de VVD-fractie vinden het op zichzelf een positieve ontwikkeling dat in het ontwerpbesluit de medewerkers van de FIOD de bevoegdheid wordt toegekend tot het verpakken van inbeslaggenomen stukken met daarop aanwezige sporen. Zij vragen of alle medewerkers van de FIOD hiervoor over de juiste kennis beschikken.

De medewerkers van de FIOD die die bevoegdheid na de inwerkingtreding van dit besluit zullen toepassen, zullen over de daarvoor benodigde kennis en opleiding beschikken. Het betreft hier een opleiding die een beperkt beslag op de tijd van de betrokken medewerkers zal leggen.

Indien het NFI een opdracht tot DNA-onderzoek uitbesteedt aan een laboratorium dat zich in een land bevindt dat niet behoort tot de Europese Unie, kan dat land pas de beschikking krijgen over de DNA-profielen uit de Nederlandse DNA-databank als dat land een passend niveau van bescherming biedt van de persoonlijke levenssfeer van degenen wier DNA-profielen het betreffen. De leden van de VVD-fractie vragen of aangegeven kan worden wanneer sprake is van een passend niveau van bescherming.

Of het beschermingsniveau passend is, is afhankelijk van het feit of de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en de fundamentele rechten en vrijheden van de personen wier DNA-profiel het betreft, zijn gewaarborgd (vgl. artikel 77, tweede lid, laatste volzin, van de Wet bescherming persoonsgegevens). Het passend karakter van het beschermingsniveau wordt op grond van artikel 76, derde lid, van die wet beoordeeld aan de hand van de omstandigheden die op de doorgifte van de gegevens van invloed zijn. Bij die beoordeling wordt in het bijzonder rekening gehouden met de aard van de gegevens, het doeleinde of de doeleinden van de verwerking, de duur van de voorgenomen verwerking of verwerkingen, het land van herkomst en het land van eindbestemming, de algemene en sectorale rechtsregels die in het betrokken derde land gelden, alsmede de regels van het beroepsleven en de veiligheidsmaatregelen die in dat land worden nageleefd. Om in het onderhavige geval in die passende waarborgen te voorzien heeft Nederland de BES-eilanden en de drie Caribische landen een voorstel voor een onderlinge regeling als bedoeld in artikel 38, eerste lid, van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden gedaan. Bij het bepalen van de inhoud van die ontwerpregeling is het Besluit 2008/615/JBZ van de Raad van de Europese Unie van 23 juni 2008 inzake de intensivering van de grensoverschrijdende samenwerking, in het bijzonder ter bestrijding van terrorisme en grensoverschrijdende criminaliteit (Pb. EU L 210) dat binnen de Europese Unie van toepassing is bij de uitwisseling van DNA-profielen, zoveel mogelijk als vertrekpunt genomen.

De leden van de SP-fractie willen weten of de politie er inmiddels klaar voor is om het DNA-vooronderzoek over te nemen. Verder vragen zij zich af hoe die overdracht heeft plaatsgevonden of in hoeverre die nog plaatsvindt. Indien sprake is van die laatste situatie, willen zij weten welke knelpunten bij de overdracht worden ervaren, of er voldoende capaciteit is, in hoeverre het NFI nog moet bijspringen en of dat instituut daarop berekend is.

In het kader van de herijking van de opgaven ten aanzien van de politiële taakuitvoering en operatiën is aangegeven dat bepaalde activiteiten getemporiseerd worden uitgevoerd1. Dit geldt ook voor de inrichting van de ruimten voor eenvoudig vooronderzoek met betrekking tot DNA-sporen. Op dit moment heeft de politie op drie locaties de beschikking over vooronderzoeksruimten. Uiteindelijk moet er in elke eenheid een vooronderzoeksruimte komen. De invoering van de vooronderzoeksruimten in alle eenheden is voorzien in 2017 en 2018. De politie, het openbaar ministerie en het NFI zijn in nauw overleg over de precieze invulling en fasering van de inrichting van deze ruimten en de gefaseerde overdracht van werkzaamheden van het NFI aan de politie. Het NFI zal de werkzaamheden blijven uitvoeren zolang de vooronderzoeksruimten nog niet zijn gerealiseerd. Over de capaciteit die hiervoor nodig is, worden afspraken gemaakt in de Service Level Agreement tussen de politie, het openbaar ministerie en het NFI.

De leden van de CDA-fractie vragen zekerheidshalve of enkele van de aanbevelingen ten aanzien van DNA-onderzoek uit het rapport Hoekstra niet al verwerkt hadden kunnen worden in het onderhavige besluit en wat in het algemeen de stand van zaken is ten aanzien van de uitwerking van deze aanbevelingen die betrekking hebben op DNA-onderzoek.

De aanbevelingen van de Commissie Hoekstra over DNA-onderzoek vragen niet om wijziging van het Besluit DNA-onderzoek in strafzaken. De aanbevelingen die betrekking hebben op een adequatere toepassing van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden, zoals de inhaalslag ten aanzien van het afnemen van celmateriaal van veroordeelden, kunnen namelijk met behulp van die wet en de uitvoeringsregels die al in het Besluit DNA-onderzoek zijn opgenomen, worden uitgevoerd. De aanbeveling van de Commissie Hoekstra om het wettelijk mogelijk te maken dat van iedere in verzekering gestelde verdachte standaard celmateriaal wordt afgenomen met het doel daaruit na zijn eventuele veroordeling zijn DNA-profiel te bepalen en in de DNA-databank te verwerken, zou een wijziging van het Wetboek van Strafvordering en de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden vergen. Deze kan derhalve niet via een wijziging van het Besluit DNA-onderzoek in strafzaken geregeld worden. In mijn brief van 12 mei 20162 heb ik uw Kamer nader geïnformeerd over de uitvoering van deze aanbeveling en de vorderingen die met de uitvoering van de andere door de commissie voorgestelde maatregelen zijn gemaakt. In aanvulling daarop merk ik op dat ik op 30 mei jl. de Raad van State voorlichting heb gevraagd over de juridische houdbaarheid van de aanbeveling van de Commissie Hoekstra, gelet op de discrepantie tussen de opvatting van de heer Hoekstra en de onderzoekers van het bij mijn brief van 12 mei gevoegde rapport van de Erasmus Universiteit Rotterdam dat zij onder leiding van prof. mr. P.A.M. Mevis hebben opgesteld. Op 7 oktober heeft de Afdeling advisering van de Raad van State de door mij verzochte voorlichting gegeven. De inhoud daarvan en mijn reactie daarop zal ik binnen afzienbare tijd aan de Tweede Kamer kenbaar maken.

De leden van de PVV-fractie vragen hoe, hoe vaak, door wie en wanneer wordt gecontroleerd of een particulier laboratorium daadwerkelijk voldoet aan de eisen die in het protocol zijn opgenomen en waaraan moet zijn voldaan voordat het laboratorium toegang tot de webportal van het NFI wordt verleend. Verder vragen zij zich af wat de gevolgen zijn als blijkt dat een gebruiker van het webportal niet (meer) voldoet aan de voorwaarden van het protocol.

Een laboratorium dient op grond van artikel 7 van het Besluit DNA-onderzoek in strafzaken aan de hand van de criteria uit de NEN-ISO/IEC 17 025 door de Raad voor Accreditatie geaccrediteerd te zijn voor het doen van DNA-onderzoek. Een van de voorwaarden waaraan een laboratorium dient te voldoen, wil het geaccrediteerd worden, is dat het beschikt over een overeenkomstig artikel 13 van de Wet bescherming persoonsgegevens vastgesteld beveiligingsplan. Dat betekent dat in het geval waarin een geaccrediteerd laboratorium toegang verzoekt tot het webportal van het NFI, het vanzelfsprekend ook aan die voorwaarde voldoet. Voor de volledigheid bepaalt het protocol dat het laboratorium door ondertekening van het protocol te kennen geeft over een kwalitatief goed beveiligingsplan te beschikken. Op grond van artikel 7.3. van het protocol dient het laboratorium de aanwezigheid en toepassing van het beveiligingsplan jaarlijks door middel van een audit die door een daartoe bevoegde en erkende auditor wordt uitgevoerd, te laten controleren. Deze audit kan onderdeel zijn van een bredere audit die het particuliere laboratorium dient te laten uitvoeren om zijn accreditatie voor forensisch DNA-onderzoek te kunnen behouden. Als de uitkomst van de audit ten aanzien van het beveiligingsplan negatief is, vervalt het recht gebruik te maken van het protocol en daarmee van het webportal. Wanneer een nieuw geaccrediteerd laboratorium dat nog geen partij is bij het protocol, wordt ingeschakeld voor een DNA-onderzoek, kan het eveneens slechts toegang tot het webportal verkrijgen door ondertekening van het protocol. Hiermee verbindt dat laboratorium zich aan de regels die daarin zijn opgenomen. De verzoeken van laboratoria en de daaraan verbonden deskundigen die geen partij willen worden van het protocol of voor wie het niet in de rede ligt om zich daarbij aan te sluiten omdat zij slechts incidenteel een DNA-onderzoek verrichten, zoals buitenlandse laboratoria, zullen met inachtneming van de geldende regels buiten het protocol worden behandeld en afgedaan. Dat houdt in dat zij voor bijvoorbeeld het vergelijken van DNA-profielen en het beoordelen van mogelijke matches de gemandateerd beheerder van de DNA-databank zullen moeten bezoeken.

2. Artikelsgewijze toelichting

Artikel I, onder A

Artikel 1

De leden van de CDA-fractie vragen of het voorgestelde begrip «derde» niet beperkter is dan thans is gedefinieerd. Zij vragen uit te sluiten dat dit nadelige effecten kan hebben voor de politie en het openbaar ministerie (OM) in de opsporings- en vervolgingspraktijk.

Anders dan de leden van de CDA-fractie veronderstellen is in het Besluit DNA-onderzoek in strafzaken nu geen definitie van het begrip «derde» opgenomen. Van de definitie die van deze term in artikel 1 is vastgelegd, verwacht ik geen nadelige effecten voor de politie en het openbaar ministerie. Die verwachting is gebaseerd op het feit dat de politie geen aanleiding heeft gezien om over het ontwerpbesluit te adviseren, ook niet over de voorgestelde definitie van het begrip «derde», en dat deze definitie voor het openbaar ministerie geen aanleiding heeft gevormd om in zijn advies daarover opmerkingen te maken.

Artikel I, onder B

Artikel 1b

De leden van de PvdA-fractie merken op dat in de toelichting bij het besluit de betrouwbaarheid van het DNA-onderzoek ten aanzien van de rode haarkleur anders wordt gewaardeerd dan ten aanzien van de andere haarkleuren. De rode haarkleur kan met een vrij hoge mate van zekerheid uit celmateriaal worden afgeleid. De andere haarkleuren kunnen met een voldoende mate van exactheid uit het celmateriaal worden afgeleid. Kunt u dit verschil in waardering toelichten en aangeven of er verschil bestaat in betrouwbaarheid van de uitkomst van het onderzoek ten aanzien van de verschillende haarkleuren. Zo ja, welk verschil?

Het verschil in de mate van voorspelbaarheid van de aanwezigheid van rode haarkleur in het DNA van iemands celmateriaal ten opzichte van de haarkleuren blond, bruin en zwart is het gevolg van het feit dat de rode haarkleur anders dan de andere haarkleuren niet door pigment wordt bepaald. Dat komt doordat bij de rode haarkleur geen haarpigmenten worden aangemaakt, terwijl dat bij blond, bruin en zwart haar wel gebeurt. Die haarkleuren worden door twee pigmenttypes bepaalt die per individu verschillen als gevolg waarvan er verschillende tinten blond, bruin en zwart haar bestaan. Het is complexer om aan de hand van het DNA van iemands celmateriaal te voorspellen hoeveelheid pigment in zijn haar wordt aangemaakt dan aan de hand daarvan vast te stellen of er wel of geen pigment in zijn haar wordt aangemaakt. Dat verklaart waarom met een grotere mate van betrouwbaarheid een voorspelling kan worden gedaan over de rode haarkleur (93%) dan de andere haarkleuren (81%).

De leden van de CDA-fractie zijn verheugd met het voorstel haarkleur als uiterlijk waarneembare persoonsmerk voor de DNA-praktijk aan te wijzen. Zij vragen zekerheidshalve of in het besluit niet de ruimte zou moeten en kunnen worden gecreëerd voor toekomstige ontwikkelingen ten aanzien van andere uiterlijke persoonskenmerken waarop het DNA-onderzoek gericht kan zijn.

De systematiek van de aanwijzing van uiterlijk waarneembare persoonskenmerken is in de regeling van het DNA-onderzoek in het Wetboek van Strafvordering op een zodanige manier opgezet dat met toekomstige ontwikkelingen rekening kan worden gehouden. De artikelen 151d, tweede lid, en 195f, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering bieden namelijk de ruimte om bij algemene maatregel van bestuur aan de daarin al aangewezen uiterlijk waarneembare persoonskenmerken een nieuwe toe te voegen, zoals in dit besluit in artikel 1b ook geschiedt voor wat betreft haarkleur. Aan de wens van de aan het woord zijnde leden is volgens mij dan ook al voldaan. In het verleden zijn drie criteria geformuleerd waaraan een uiterlijk persoonskenmerk dient te voldoen, voordat wordt bevorderd het in artikel 1b op te nemen3. Het eerste criterium is of het kenmerk relevant is voor de opsporing. Het tweede criterium is of de techniek het mogelijk maakt het persoonskenmerk met voldoende betrouwbaarheid uit het celmateriaal af te leiden. Indien dat niet het geval is, is het niet zinvol om het te gebruiken in de opsporingspraktijk omdat het niet bijdraagt aan het identificeren van de dader. Tot slot zal in de overwegingen ook meespelen – zij het in mindere

mate dan de andere twee factoren – hoeveel geld en capaciteit het kost

om een bepaald uiterlijk waarneembaar persoonskenmerk te bepalen.

Artikel I, onder D en H

Artikelen 4, eerste lid, onder c, 5, derde lid, en 8

De leden van de PvdA-fractie vragen zich af van hoeveel particuliere laboratoria gebruik wordt gemaakt.

Voor het verrichten van een DNA-onderzoek wordt in Nederland gebruikgemaakt van vier laboratoria, te weten: het Forensisch Laboratorium voor DNA-onderzoek (FLDO) van het Leids Universitair Medisch Centrum, BaseClear (het DNA-laboratorium dat hoort bij Verilabs), Independent Forensic Services (IFS) en DNalysis (het DNA-laboratorium van The Maastricht Forensic Institute. Daarnaast wordt ook gebruikgemaakt van buitenlandse laboratoria, waaronder het UZ Leuven in België, LGC UK in het Verenigd Koninkrijk en het Duitse LGC Keulen.

Verder vragen deze leden hoeveel verzoeken naar de particuliere laboratoria gaan en hoe dat aantal zich verhoudt ten opzichte van het aantal verzoeken dat naar het NFI gaat.

Het huidige artikel 7, eerste lid, van het Besluit DNA-onderzoek in strafzaken biedt de ruimte voor de officier van justitie of de rechter-commissaris om voor de uitvoering van een DNA-onderzoek voor een ander laboratorium te kiezen dan het NFI, mits dat laboratorium aan de kwaliteitseisen uit dat artikel voldoet. Sinds de start van de pilot met de uitbesteding van forensisch onderzoek aan particuliere onderzoeksinstituten in 2009 wordt steeds vaker van die keuzevrijheid gebruik gemaakt. Het aantal verzoeken tot het verrichten van DNA-onderzoek dat aan particuliere laboratoria wordt gericht, is niettemin bescheiden ten opzichte van het aantal onderzoeken dat het NFI uitvoert. Dat hangt samen met het uitgangspunt waarvoor in artikel 7, eerste lid, van het Besluit DNA-onderzoek is gekozen, dat het DNA-onderzoek bij het NFI wordt uitgevoerd, tenzij de (hulp)officier van justitie of de rechter-commissaris anders beslist of het NFI besluit om het DNA-onderzoek vanwege capaciteitsgebrek of omdat het een specialistisch onderzoek betreft waarover het NFI onvoldoende kennis beschikt, aan een ander laboratorium uit te besteden4. Een andere reden om een DNA-onderzoek door een particulier laboratorium te laten verrichten is de situatie waarin het eerste DNA-onderzoek door het NFI is uitgevoerd en om een tegenonderzoek is gevraagd. Uit de verantwoording van het openbaar ministerie over de besteding van de zogeheten Winsemiusgelden komt naar voren dat er in 2015 230 aanvragen bij de Landelijke Toetsingscommissie (LTC) zijn ingediend voor het laten uitvoeren van onderzoeken door particuliere laboratoria waarvan er 223 zijn goedgekeurd en uitgevoerd. 102 van de goedgekeurde onderzoeksaanvragen hadden betrekking op DNA onderzoek. Voor zover mij bekend zijn er via de Winsemiusgelden 3 aanvragen voor tegenonderzoek gedaan. Er zijn geen cijfers beschikbaar over het aantal tegenonderzoeken dat in dat jaar door particuliere laboratoria zijn verricht via andere middelen zoals het gerechtskostenbudget.

De leden van de PvdA-fractie vragen daarnaast wie op welk moment bepaalt welk laboratorium het celmateriaal onderzoekt. Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik naar mijn reactie op de vorige vraag van deze leden.

Verder vragen de leden van de PvdA-fractie of de particuliere laboratoria over expertise beschikken die het NFI niet in huis heeft en of het NFI op sommige terreinen geen onderzoek doet en indien dat het geval is, of daarvan een paar voorbeelden gegeven kunnen worden. In dat kader vragen deze leden zich tevens af of de rechter-commissaris en de officier van justitie deze gespecialiseerde laboratoria weten te vinden of dat er nog regelmatig celmateriaal doorgestuurd dient te worden.

Er zijn laboratoria die over expertises of methodieken op het terrein van DNA-onderzoek beschikken die het NFI niet in huis heeft. Voorbeelden daarvan zijn bijvoorbeeld next-generation DNA sequencing en onderzoek naar geografische herkomst. De rechter-commissaris en de officier van justitie kunnen de gespecialiseerde laboratoria over het algemeen goed vinden. Daarnaast kan het NFI hen vanwege het goede netwerk waarover het beschikt, doorverwijzen naar een van deze gespecialiseerd laboratoria indien zij daaraan behoefte aan hebben.

De leden van de SP-fractie lezen dat deskundigen van particuliere onderzoeksinstituten straks ook via de beheerder van de DNA-databank inzage kunnen vragen in die databank. Deze leden vragen zich af om welke onderzoeksinstituten het op dit moment gaat en met welke instituten op gebied van DNA-onderzoek wordt samengewerkt. Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik deze leden naar de reactie die ik hiervoor op een soortgelijke vraag van de leden van de PvdA-fractie heb gegeven.

De leden van de SP-fractie vragen zich af aan welke voorwaarden particuliere instituten moeten voldoen voordat de overheid met hen in zee gaat en hoe de kwaliteit van deze instituten wordt gecontroleerd.

Een Nederlands particulier instituut moet, wil een deskundige die aan dat instituut is verbonden, benoemd worden om een strafvorderlijk DNA-onderzoek uit te voeren, op grond van het huidige tweede lid van artikel 7 van het Besluit DNA-onderzoek in strafzaken door de Raad voor Accreditatie aan de hand van de criteria uit de NEN-ISO/IEC 17 025 voor het doen van DNA-onderzoek geaccrediteerd zijn en deskundig zijn op het terrein van forensisch onderzoek. Voor een buitenlands laboratorium gelden vergelijkbare eisen.

Om zijn accreditatie te kunnen behouden dient het instituut regelmatig aan te tonen, bijvoorbeeld door het laten uitvoeren een audit door een onafhankelijke instantie, dat het aan de accreditatie-eisen voldoet. Een instituut dat niet meer aan die eisen beantwoordt, kan tijdelijk zijn accreditatie door middel van een schorsing door de Raad voor Accreditatie verliezen. In de tussentijd zal het als gevolg van het huidige artikel 7, vierde lid, van het Besluit DNA-onderzoek in strafzaken geen opdrachten krijgen om DNA-onderzoeken uit te voeren. Dat laatste geldt ook indien de Raad de accreditatie intrekt of na verstrijken van de geldigheidsduur, niet verlengt.

De leden van de CDA-fractie vragen of in de praktijk voor de betreffende opsporingsambtenaren altijd direct helder is waar de DNA-sporen naar toegestuurd moeten worden.

Uit de opdracht van de (hulp)officier van justitie of de rechter-commissaris blijkt voor de opsporingsambtenaar welk laboratorium het DNA-onderzoek zal uitvoeren en naar welk laboratorium hij de sporen voor dat onderzoek derhalve moet toesturen. Gelet op het in artikel 7, eerste lid, van het Besluit DNA-onderzoek neergelegde en hiervoor al beschreven uitgangpunt dat het DNA-onderzoek bij het NFI wordt uitgevoerd, tenzij anders is besloten, zullen de sporen in het overgrote deel van de gevallen naar het NFI worden ingestuurd.

De leden van de CDA-fractie vragen tevens of het vaak voorkomt dat laboratoria vanwege capaciteitstekort niet in staat zijn om DNA-onderzoek uit te voeren.

De situatie die deze leden schetsen, komt niet vaak voor. De betrokken partijen maken voorafgaand aan het uit te voeren DNA-onderzoek afspraken over de benodigde capaciteit en de levertijd. Indien in dat overleg blijkt dat het laboratorium het DNA-onderzoek niet binnen de benodigde tijd kan doen, kan de (hulp)officier van justitie of de rechter-commissaris de opdracht tot het verrichten van dit onderzoek aan een ander laboratorium geven of kan het NFI de opdracht aan een ander laboratorium uitbesteden indien de (hulp)officier van justitie of de rechter-commissaris de opdracht aan het NFI heeft gegeven.

Verder vragen de leden van de CDA-fractie zich af of informatie over de capaciteitsproblematiek ook met de nationale politie (en in de toekomst de Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst – FIOD) uitgewisseld wordt om te voorkomen dat opsporingsambtenaren DNA-sporen insturen naar laboratoria die op korte termijn geen DNA-onderzoek kunnen uitvoeren en waar de coördinatie daarover plaatsvindt.

Zoals uit het antwoord op de vorige vraag van deze leden kan worden afgeleid, wordt tussen de betrokken partijen over tekorten in de onderzoekscapaciteit informatie uitgewisseld. Het is aan de (hulp)officier van justitie of de rechter-commissaris waar hij het onderzoek laat plaatsvinden indien hij geen gebruik wil maken van het NFI indien dat instituut met gebrek aan capaciteit zou kampen.

Tot slot vragen de leden van de CDA-fractie of ik de mening van deze leden deel dat het verzenden van sporen naar een laboratorium met te weinig capaciteit onwenselijk is omdat het dan extra lang duurt voordat het materiaal bij een laboratorium belandt dat wel capaciteit beschikbaar heeft en hoe dat in de huidige en toekomstige praktijk kan worden voorkomen.

Met de leden van de CDA-fractie ben ik van mening dat het wenselijk is dat het onderzoeksmateriaal direct wordt gestuurd naar het laboratorium dat het onderzoek zal uitvoeren. Een snellere, directe aanlevering van het onderzoeksmateriaal bespaart immers niet alleen administratieve lasten, maar maakt het bovendien mogelijk dat het laboratorium direct met het onderzoek aan de slag kan gaan. Dat is in het belang van de strafrechtspleging en van de verdachte omdat de betrokken officier van justitie of rechter-commissaris sneller het onderzoeksverslag met de resultaten van het verrichte DNA-onderzoek ontvangt en kan beoordelen of die resultaten belastend of ontlastend voor de verdachte zijn. Mede vanwege deze voordelen heb ik bevorderd dat bij artikel I, onder D, van dit besluit deze in de praktijk al ontstane snelle wijze van aanlevering van onderzoeksmateriaal aan de particuliere laboratoria in de aangepaste artikelen 4, eerste lid, onder c, en 5, derde lid, is vastgelegd door erin te voorzien dat dit materiaal direct naar het laboratorium wordt verzonden dat het DNA-onderzoek uitvoert.

Artikel I, onder D

Artikel 5, vierde lid

De leden van de SP-fractie zijn benieuwd wat eerder de reden was om FIOD-medewerkers de bevoegdheid te geven voorwerpen met sporen in beslag te nemen, maar hen niet de bevoegdheid te geven deze te verpakken en te verzenden naar een laboratorium voor DNA-onderzoek.

Het feit dat de FIOD nu wel de ene bevoegdheid is toebedeeld, maar de andere niet, is vermoedelijk historisch bepaald. De opsporingsambtenaren van de FIOD hebben al voor de inwerkingtreding van de Wet op de bijzondere opsporingsdiensten op 1 juni 20075 – de periode waarin zij op grond van artikel 142 van het Wetboek van Strafvordering alleen over een beperkte of bijzondere opsporingsbevoegdheid beschikten –, de bevoegdheid tot inbeslagname van voorwerpen met sporen. Bij de totstandkoming van de Wet op de bijzondere opsporingsdiensten6 waarin de FIOD net zoals de politie op basis van artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering algemene opsporingsbevoegdheid is toegekend, is niet stilgestaan bij de vraag of de opsporingsambtenaren van deze bijzondere opsporingsdienst ook een rol zouden dienen te vervullen op het terrein van DNA-onderzoek. De FIOD heeft in die tijd ook niet zelf op een dergelijke rol aangedrongen omdat DNA-onderzoek voor de opsporing van strafbare feiten waarmee deze dienst is belast, nog in de kinderschoenen stond. In die tijd had de FIOD bijvoorbeeld niet, zoals nu wel het geval is, rechercheurs in dienst die deskundig zijn op het terrein van het forensisch onderzoek.

De leden van de SP-fractie vragen zich af of de FIOD al bezig is met het maken van werkafspraken met de politie over de onderlinge taakverdeling.

Het is de bedoeling dat de medewerkers van de FIOD op het moment dat dit besluit in werking treedt, opgeleid zijn om sporen veilig te stellen en die werkzaamheden ook direct uitvoeren in die zaken waar dat relevant is. Dat betekent dat er, anders dan aanvankelijk werd verondersteld en in de nota van toelichting was beschreven, geen werkafspraken tussen de FIOD en de politie nodig zijn want die afspraken waren bedoeld voor de fase na de inwerkingtreding van dit besluit waarin het FIOD tijdelijk nog niet over opgeleide medewerkers zou beschikken om die werkzaamheden te kunnen verrichten.

De leden van de CDA-fractie vragen naar de stand van zaken ten aanzien van de werkafspraken tussen de FIOD en de nationale politie over de training van de opsporingsambtenaren van de FIOD in het veilig stellen van DNA-sporen.

De werkafspraken waaraan in de nota van toelichting wordt gerefereerd, hebben, anders dan deze leden veronderstellen, geen betrekking op de training van de opsporingsambtenaren van de FIOD, maar over de taakverdeling tussen de FIOD en de politie over het veiligstellen van sporenmateriaal in onderzoeken waarvoor de FIOD verantwoordelijk is. Voor de stand van zaken van deze werkafspraken verwijs ik naar mijn reactie op de vorige vraag die de leden van de SP-fractie over dit onderwerp hebben gesteld.

Tot slot vragen de leden van de CDA-fractie of in het besluit geen ruimte zou moeten en kunnen worden gecreëerd voor toekomstige ontwikkelingen ten aanzien van de andere drie genoemde bijzondere opsporingsdiensten, te weten de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu, de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) van het Ministerie van Economische Zaken en de Inspectie SZW van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

De ruimte waarnaar deze leden vragen acht ik onnodig en onwenselijk. Bevoegdheden moeten in zijn algemeenheid pas worden toegekend indien de noodzaak daarvan is vastgesteld. Tijdens de totstandkoming van het onderhavige besluit is in een overleg met deze drie bijzondere opsporingsdiensten, waarbij ook de FIOD vertegenwoordigd was, geconcludeerd dat zij de bevoegdheid die in dit besluit aan de FIOD wordt toegekend, niet nodig hebben, gelet op de aard van de onderzoeken die zij doen, en het feit dat zij geen rechercheurs in dienst hebben die deskundig zijn op het terrein van het forensisch onderzoek. In het enkele geval waarin het wel nodig is dat sporen worden veilig gesteld en verzonden voor een DNA-onderzoek, kunnen zij, zoals nu al mogelijk is, een beroep doen op een politieambtenaar. In de toekomst kan in een dergelijk geval wellicht ook een forensische rechercheur van de FIOD worden ingeschakeld.

Artikel I, onder E

Artikel 6, eerste en tweede lid

De leden van de PvdA-fractie vragen zich af hoe geregeld is dat nooit wordt vergeten om de noodzakelijke gegevens van het DNA-onderzoek aan het NFI door te geven en of het doorsturen van die gegevens onderdeel is van het protocol op basis waarvan de laboratoria werken.

De regeling in het bij artikel I, onder E, van dit ontwerpbesluit aangepaste artikel 6, eerste en tweede lid, van het Besluit DNA-onderzoek in strafzaken is erop gericht dat het laboratorium dat het DNA-onderzoek verricht, terstond na ontvangst van het te onderzoeken celmateriaal aan het NFI de gegevens over het celmateriaal als bedoeld in artikel 6, eerste lid, verstrekt opdat het NFI die gegevens in het centrale bestand van het NFI kan invoeren. Hoewel deze wettelijke verplichting geen garantie biedt dat ieder laboratorium altijd in ieder geval de voorgeschreven gegevens aan het NFI zal verstrekken, heb ik er vertrouwen in dat een laboratorium er alles aan gelegen is om die verplichting na te komen. Het laboratorium heeft daar immers belang bij, niet alleen vanwege het behoud van zijn accreditatie, goede naam en het verkrijgen van nieuwe onderzoeksopdrachten, maar ook om toegang te kunnen krijgen tot het webportal van het NFI. Bij een verzoek tot raadpleging van het webportal – zo komt ook tot uitdrukking in het protocol – zal namelijk eerst worden gecontroleerd of het laboratorium de voorgeschreven gegevens aan dit instituut heeft verstrekt en of die in het centraal bestand zijn verwerkt. Het NFI zal het verzoek pas inwilligen indien die gegevens juist en volledig zijn aangeleverd.

Tevens vragen de leden van de PvdA-fractie hoe fouten ten aanzien van de opslag van de DNA-gegevens kunnen worden voorkomen, zoals het opnemen van DNA-profielen van ongeïdentificeerde stoffelijke resten onder de noemer van onbekende verdachten. Ook vragen zij zich af hoe kan worden voorkomen dat DNA-gegevens van derden zoals getuigen of slachtoffers, in de DNA-databank worden opgeslagen als (onbekende) verdachten.

De verantwoordelijkheid voor het op juiste wijze aanleveren van de gegevens ligt bij de officier van justitie of de rechter-commissaris die opdracht tot het uitvoeren van een DNA-onderzoek geeft. Hij bepaalt in zijn onderzoeksopdracht welke status de te onderzoeken persoon heeft. Het NFI neemt dat (geautomatiseerd) over. Hoewel er alles aan gedaan wordt om fouten ten aanzien van de status van de persoon en het daaraan gerelateerde DNA-profiel te voorkomen, blijft het mensenwerk en is het om die reden nooit helemaal uit te sluiten dat een DNA-profiel onder de verkeerde noemer wordt opgeslagen. In de praktijk hebben zulke situaties zich gelukkig niet of nauwelijks geopenbaard.

De leden van de SP-fractie begrijpen dat niet alleen het NFI, maar ook de laboratoria waarnaar het celmateriaal is gestuurd, er straks verantwoordelijk voor worden dat gegevens over het te onderzoeken celmateriaal via het NFI centraal worden geregistreerd. Tegen die achtergrond vragen zij hoe de controle, het toezicht en eventuele handhaving van deze medeverantwoordelijkheid plaatsvindt.

Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik deze leden naar mijn antwoord op de eerste vraag die de leden van de PvdA-fractie over artikel 6, eerste en tweede lid, hebben gesteld. In aanvulling op dat antwoord merk ik op dat de Autoriteit persoonsgegevens belast is met het toezicht op de naleving van de in het Besluit DNA-onderzoek in strafzaken neergelegde regels over het verwerken van persoonsgegevens. Indien dat orgaan zou vaststellen dat een particulier laboratorium tekortschiet in het verstrekken van de benodigde gegevens aan het NFI, kan het wegens overtreding van artikel 6 van de Wet bescherming persoonsgegevens daartegen handhavend optreden, bijvoorbeeld door op grond van artikel 66 van de Wet bescherming persoonsgegevens een bestuurlijke boete op te leggen, omdat het de persoonsgegevens niet op een behoorlijke en zorgvuldige wijze heeft verwerkt.

De leden van de SP-fractie vragen daarnaast hoe wordt gecontroleerd of de privacy door particuliere instituten voldoende is en blijft gewaarborgd.

Het is van belang dat de particuliere laboratoria de regels die in de Wet bescherming persoonsgegevens en het Besluit DNA-onderzoek in strafzaken met het oog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer zijn gesteld, naleven. Om de persoonlijke levenssfeer te beschermen heeft het NFI in aanvulling op en ter uitwerking van die regels een protocol opgesteld, waarin eisen aan het beveiligingsplan zijn gesteld. Zo dient een laboratorium op grond van artikel 7.3. van het protocol maatregelen getroffen te hebben die ervoor moeten zorgen dat bijvoorbeeld het daar werkzame personeel integer is en dat de persoonlijke levenssfeer van de gegevens die het in het kader van een DNA-onderzoek onder zich heeft, beschermd is. Het particuliere laboratorium dat toegang wenst tot het webportal, geeft door ondertekening van het protocol te kennen dat het over een kwalitatief goed beveiligingsplan beschikt en dat de bescherming van de onder hem bevindende persoonsgegevens op orde is. Zoals ik eerder op een vraag van de leden van de PVV-fractie heb toegelicht, dienen zij op grond van artikel 7.3. van het protocol de toepassing van het beveiligingsplan jaarlijks door middel van een audit te laten controleren.

Het is de taak van de Autoriteit persoonsgegevens, zoals ik in reactie op de vorige vraag van de leden van de SP-fractie heb toegelicht, na te gaan of zij die regels ook daadwerkelijk nakomen en indien dat niet het geval is, daartegen handhavend op te treden.

De leden van de CDA-fractie achten het verstandig dat bij het NFI centraal wordt bijgehouden bij welk laboratorium het eerste DNA-onderzoek is uitgevoerd. Zij vragen wel hoe zekerheid kan worden gecreëerd dat het NFI op de hoogte is dat een DNA-onderzoek in een (particulier) laboratorium wordt uitgevoerd.

In het besluit is voor de laboratoria geen expliciete verplichting opgenomen om het NFI te informeren over het feit dat zij een DNA-onderzoek uitvoeren. Het doel is immers niet dat het NFI weet dat een bepaald laboratorium een DNA-onderzoek uitvoert. Impliciet gebeurt dit echter wel doordat het NFI beschikt over de gegevens, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Besluit DNA-onderzoek in strafzaken, die betrekking hebben op het celmateriaal waarmee het laboratorium het onderzoek verricht. De laboratoria zijn immers verplicht om terstond na ontvangst van het celmateriaal die gegevens aan het NFI te verstrekken. Zoals ik ook hiervoor in reactie op een vraag van de leden van de PvdA-fractie heb opgemerkt, heb ik er vertrouwen in dat, hoewel deze wettelijke plicht geen garantie biedt dat ieder laboratorium altijd in ieder geval de voorgeschreven gegevens aan het NFI zal verstrekken, een laboratorium er alles aan gelegen is om die plicht na te komen. Het heeft immers belang daarbij, niet alleen vanwege het behoud van zijn accreditatie, goede naam en het verkrijgen van nieuwe onderzoeksopdrachten, maar ook om toegang te kunnen krijgen tot het webportal van het NFI. Bij een verzoek tot raadpleging van het webportal – zo komt ook tot uitdrukking in het protocol – zal namelijk eerst worden gecontroleerd of het laboratorium de voorgeschreven gegevens aan dit instituut heeft verstrekt en of die in het centraal bestand zijn verwerkt. Het NFI zal het verzoek pas inwilligen indien die gegevens juist en volledig zijn aangeleverd.

De leden van de CDA-fractie begrijpen dat het particuliere laboratorium dient door te geven dat het een DNA-onderzoek uitvoert, maar deze afspraak kan volgens hen niet beletten dat het deze afspraak zowel bewust als onbewust niet nakomt. In dat licht vragen deze leden hoe aangekeken wordt tegen een extra check door de betrokken opsporingsambtenaar bij de verzending van de DNA-sporen naar een particulier laboratorium tegelijk een afschrift van de verzending aan het NFI te laten sturen. Zij vragen zich af of dat eenvoudig te regelen is of dat die extra handeling de administratieve lasten voor de opsporingsambtenaar al te zeer zou verhogen.

De extra check waaraan de leden van de CDA-fractie refereren acht ik vanwege de argumenten die ik in reactie op de eerste vraag van de leden van de PvdA-fractie en van de SP-fractie over artikel 6, eerste en tweede lid, heb genoemd, niet nodig. Indien die extra check wel zou worden ingevoerd, zou dat zowel voor de betrokken opsporingsambtenaar als voor het NFI tot een stijging van de administratieve lasten leiden. De opsporingsambtenaar moet namelijk, anders dan nu is voorzien, een bericht aan het NFI sturen dat er naar een laboratorium DNA-sporen zijn verzonden ten behoeve van het uitvoeren van een onderzoek. Het NFI moet dat bericht vervolgens verwerken.

Artikel I, onder F

Artikel 6a

De leden van de PvdA-fractie vragen zich af hoe de in het besluit neergelegde procedure in zijn werk gaat als het laboratorium dat het celmateriaal ontvangt en geen capaciteit heeft om dat te onderzoeken en het celmateriaal op grond van artikel 6a van het besluit naar een ander laboratorium moet doorsturen. Deze leden willen verder weten of het openbaar ministerie voor het doorsturen van het celmateriaal verantwoordelijk is en of het geïnformeerd wordt indien de opdracht is geweigerd.

Het doorsturen van het celmateriaal geschiedt op de wijze zoals is voorgeschreven in het eerste lid van artikel 6a. Dat betekent dat het laboratorium dat oorspronkelijk het celmateriaal heeft ontvangen en daarmee het DNA-onderzoek zou uitvoeren, ervoor zorgt dat het celmateriaal zo spoedig mogelijk in een verpakking dat voorzien is van het sporenidentificatienummer en van een of meer fraudebestendige sluitzegels of een fraudebestendige afsluiting, wordt bezorgd bij het laboratorium dat het DNA-onderzoek zal verrichten.

Het laboratorium dat oorspronkelijk het celmateriaal heeft ontvangen, is verantwoordelijk voor het doorsturen van het celmateriaal, niet de opdrachtgever van het DNA-onderzoek – dat is in de praktijk veelal de officier van justitie, maar soms ook wel de rechter-commissaris –, hoewel hij er natuurlijk wel bij belang bij heeft dat het DNA-onderzoek deugdelijk en tijdig wordt uitgevoerd. Dat laboratorium zal ook de opdrachtgever op de hoogte moeten stellen van het feit dat het de opdracht niet kan uitvoeren. De opdrachtgever is wel degene die beslist welk laboratorium het DNA-onderzoek verricht, indien het oorspronkelijke laboratorium het onverhoeds niet kan doen. Hij zal daarover met dat laboratorium en het nieuwe laboratorium contact hebben en afspraken maken.

Met het openbaar ministerie en de nationale politie maakt het NFI ieder jaar in een zogeheten Service Level Agreement (SLA) afspraken over de capaciteit die dat instituut in dat jaar beschikbaar heeft voor de uitvoering van DNA-onderzoeken. Het beroep dat op de capaciteit wordt gedaan, monitort het NFI en waar nodig communiceert het proactief over knelpunten die zich daarbij voordoen. Indien er bij het NFI nagenoeg geen capaciteit meer beschikbaar is, informeert dat instituut het openbaar ministerie, de zittende magistratuur en de nationale politie zo spoedig mogelijk zodat zij de instroom van verzoeken om uitvoering van DNA-onderzoeken kunnen bijsturen en prioriteren. Op die wijze kan worden voorkomen dat het NFI onderzoeken dient te weigeren. Indien om capaciteitsredenen – of andere redenen – DNA-onderzoek waarvan de opdracht oorspronkelijk aan het NFI was gegeven, wordt uitgevoerd door een ander laboratorium dan het laboratorium van het NFI, geschiedt dit altijd nadat het NFI en dat externe laboratorium daarover vooraf overleg hebben gevoerd. Een beoordeling van het type werk, de kosten, de capaciteit en levertijd leidt vervolgens tot een offerte door het laboratorium, waarna beide partijen, indien zij daarover overeenstemming hebben bereikt, het contract accorderen. Door de goede afstemming tussen het NFI en het laboratorium over het uit te voeren DNA-onderzoek voordat het NFI het celmateriaal dat daarvoor nodig is, daadwerkelijk naar het laboratorium verzendt, komt het niet voor dat het laboratorium een onderzoek om capaciteitsredenen hoeft te weigeren.

Ook vragen de leden van de PvdA-fractie zich af of de laboratoria onderling contact met elkaar opnemen, hoe de onderlinge samenwerking is en of ze kennis uitwisselen om op die manier een nog hogere standaard te krijgen.

Waar nodig hebben de laboratoria contact met elkaar. De onderlinge samenwerking is over het algemeen goed te noemen. Er is eenmaal per jaar een bijeenkomst van de gemandateerd beheerder van de DNA-databank en vertegenwoordigers van alle Nederlandse particuliere laboratoria om ervaringen uit te wisselen en nieuwe ontwikkelingen met elkaar te bespreken. Ook wisselen de laboratoria waar mogelijk kennis en expertise met elkaar uit, bijvoorbeeld via het Europees Netwerk van Forensische Instituten (ENFSI). De prioriteit van het Nederlands voorzitterschap van de Europese Unie is het afgelopen half jaar geweest om een actieplan op te stellen voor het creëren van een Europese Forensische Ruimte met als doel de kwaliteitsstandaard van het DNA-onderzoek in Europa te verhogen en de onderlinge samenwerking te versoepelen.

Artikel I, onder G

Artikel 7, eerste en tweede lid

De leden van de SP-fractie lezen dat als de opdracht tot DNA-onderzoek uitbesteed wordt aan een laboratorium, dat zich buiten de EU bevindt, het alleen de beschikking kan krijgen over profielen uit de Nederlandse DNA-databank indien dat land een passend niveau van persoonsbescherming biedt van degenen wier DNA-profiel het betreft. Deze leden vragen zich af hoe gecontroleerd wordt dat hiervan sprake is.

De leden van de PVV-fractie hebben in paragraaf 1 een vergelijkbare vraag gesteld. Ik verwijs de leden van de SP-fractie dan ook naar het antwoord dat ik op die vraag heb gegeven.

Artikel I, onder J

Artikel 10, derde lid, onder b, en vierde lid

De leden van de PvdA-fractie willen graag een uitleg over de zinsnede: «...omdat die organisaties niet bijhouden bij welk laboratorium het celmateriaal uit een bepaalde strafzaak zich bevindt...». Deze leden kunnen zich namelijk niet voorstellen dat het openbaar ministerie niet bijhoudt aan welk laboratorium zij het celmateriaal sturen. Zij vragen zich af of met de aangehaalde zinsnede wordt bedoeld dat het openbaar ministerie in het dossier van de strafzaak geen aantekening maakt waar het celmateriaal zich bevindt en wanneer het is opgestuurd als gevolg waarvan het geen contact kan leggen met het betreffende laboratorium om naar de voortgang van het DNA-onderzoek te vragen. Of moeten de leden, zo vragen zij zich af, de aangehaalde zinsnede anders begrijpen.

Indien de officier van justitie een opdracht tot het uitvoeren van een DNA-onderzoek heeft gegeven aan de deskundige van een laboratorium, weet hij op dat moment dat het te onderzoeken celmateriaal bij dat laboratorium is. De aangehaalde zinsnede slaat dus niet op die situatie, maar op de situatie waarin het DNA-onderzoek al is afgerond en de deskundige die het onderzoek heeft uitgevoerd, de resultaten van het DNA-onderzoek al aan de officier van justitie heeft gestuurd die de opdracht tot het DNA-onderzoek heeft gegeven. Na afloop van een DNA-onderzoek houdt het openbaar ministerie op dit moment niet centraal bij bij welk laboratorium welk DNA-onderzoek heeft plaatsgevonden. Het NFI voert op dit moment met het openbaar ministerie gesprekken om die praktijk tegen het licht te houden. In de tussentijd is het van belang dat de officier van justitie na het verrichte onderzoek het onderzoeksverslag heeft en dat het resterende celmateriaal waarmee het onderzoek is uitgevoerd en de naar aanleiding van het onderzoek verkregen DNA-profielen, centraal bij het NFI worden bewaard. Dat is in het besluit geregeld.

De leden van de SP-fractie vragen wie uiteindelijk de toegang van een laboratorium tot het systeem goedkeurt en daarmee dus controleert of het verplicht te overleggen veiligheidsplan goed is. Verder vragen deze leden of er voldoende expertise in huis is om het veiligheidsplan te controleren en te toetsen.

De directeur van het NFI bepaalt als beheerder van de DNA-databank of een laboratorium toegang tot het webportal wordt verleend. Anders dan in de nota van toelichting die aan de Tweede Kamer is voorgehangen, is gesteld, is het bij nader inzien niet de bedoeling dat het laboratorium bij zijn verzoek tot toegang tot het webportal zijn beveiligingsplan aan het NFI dient te overleggen. Het laboratorium dat toegang wenst tot het webportal, dient het protocol te ondertekenen. Door ondertekening van dat document geeft het te kennen dat het over een kwalitatief goed beveiligingsplan beschikt en dat de bescherming van de zich onder hem bevindende persoonsgegevens op orde is. Op grond van artikel 7.3. van het protocol dient het zijn beveiligingsplan jaarlijks door middel van een audit die door een daartoe bevoegde en erkende auditor wordt uitgevoerd, te laten controleren. Mocht de conclusie van de audit zijn dat het beveiligingsplan onder de maat is, dan zal het laboratorium dat op grond van het protocol aan de gemandateerd beheerder van de DNA-databank dienen te melden die vervolgens de deskundigen van dat laboratorium de toegang tot het webportal zal weigeren tot het moment waarop dat plan en de daaruit voortvloeiende maatregelen kwalitatief op orde zijn.

Daarnaast willen de leden van de SP-fractie weten wat er van de laboratoria verwacht wordt waar het gaat om het waarborgen van de veiligheid en de beveiliging.

Op grond van artikel 13 van de Wet bescherming persoonsgegevens dienen laboratoria ervoor te zorgen dat zij voor het verwerken van persoonsgegevens, passende technische en organisatorische maatregelen treffen om die persoonsgegevens te beveiligen tegen verlies of tegen enige vorm van onrechtmatige verwerking. In aanvulling daarop heeft het NFI een protocol opgesteld waarin in artikel 7.3 de maatregelen zijn opgesomd waaraan in het beveiligingsplan aandacht moet worden besteed. Zo dienen zij maatregelen te hebben getroffen die ervoor zorgen dat het daar werkzame personeel integer is en de persoonlijke levenssfeer van de gegevens die zij in het kader van een DNA-onderzoek onder zich heeft, beschermd is.

De leden van de CDA-fractie vragen hoe «verloop van tijd» gedefinieerd wordt en binnen welk tijdsbestek het wenselijk wordt geacht dat het NFI bij een particulier laboratorium informeert waarom geen resterend celmateriaal naar het NFI is (terug)gezonden. Ook vragen zij wie binnen de organisatie van het NFI de regie op dit punt zal houden.

De regie over het terugzenden van het resterend celmateriaal zal bij de beheerder van de DNA-databank liggen. De verwachting bestaat dat de situatie dat een laboratorium nalaat om het overgebleven celmateriaal naar het NFI te sturen, niet vaak zal voorkomen. Het is immers in zijn eigen belang, wil het zijn goede naam behouden en onderzoeksopdrachten blijven krijgen, dat het die verplichting nakomt.

De leden van de CDA-fractie vragen of de termijn van een week waarbinnen het onderzoeksverslag naar het NFI toegestuurd dient te worden, haalbaar is gelet op de huidige praktijk.

Uit overleg tussen het NFI en de particuliere laboratoria is gebleken dat de termijn van een week realistisch is.

Verder vragen de leden van de CDA-fractie of ik het wenselijk acht dat ook andere strafrechtspartners, in het bijzonder de nationale politie en het openbaar ministerie, op het voorgestelde webportal worden aangesloten.

Een dergelijke aansluiting acht ik onwenselijk en onnodig omdat het webportal louter tot doel heeft om DNA-deskundigen van laboratoria te faciliteren bij een goede uitvoering van aan hen opgedragen DNA-onderzoeken en de nationale politie en het openbaar ministerie dergelijke onderzoeken niet zelf verrichten. Voor deze organisaties is wel van belang dat zij kunnen nagaan of van een verdachte of een veroordeelde een DNA-profiel in de DNA-databank is opgenomen. In die mogelijkheid is voorzien door middel van de strafrechtketendatabank. Ik verwijs hiervoor naar artikel 2, onder i, van het Besluit identiteitsvaststelling verdachten en veroordeelden.

De leden van de CDA-fractie vragen daarnaast of het juist is dat in het webportal ook informatie kan worden opgevraagd over personen die vermist worden en of kennisname of uitwisseling van die informatie zowel op nationaal als internationaal niveau wenselijk is.

In het kader van de uitvoering van een DNA-onderzoek kan een DNA-deskundige de beheerder van het webportal vragen een vergelijking uit te voeren tussen een profiel dat uit het DNA-onderzoek is verkregen en de in de DNA-databank voor strafzaken verwerkte profielen. Die vergelijking kan ook betrekking hebben op het DNA-profiel van een persoon van wie vermoed wordt dat hij vermist is als gevolg van een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis mogelijk is. Dat komt omdat die DNA-profielen op grond van artikel 14, vierde lid, onder b, van het Besluit DNA-onderzoek in strafzaken ook in die DNA-databank worden opgenomen. Het webportal is verder niet bedoeld om die informatie nationaal of internationaal te delen, maar, zoals ik in reactie op de hiervoor gestelde vraag van deze leden heb toegelicht, louter om DNA-deskundigen te faciliteren bij een goede uitvoering van aan hen opgedragen DNA-onderzoeken. Wel zal de voorgestelde aanpassing van artikel 15, eerste lid, onder f, tot gevolg hebben dat de DNA-profielen van vermiste personen en overleden slachtoffers uit de DNA-databank voor strafzaken na de inwerkingtreding van dit besluit worden vergeleken met de DNA-profielen van de DNA-databanken van de andere landen van de Europese Unie, voor zover die landen die profielen voor online vergelijking hebben opengesteld. Dit gebeurt

in het kader van het eerder aangehaalde Besluit 2008/615/JBZ van de Raad van de Europese Unie van 23 juni 2008 inzake de intensivering van de grensoverschrijdende samenwerking, in het bijzonder ter bestrijding van terrorisme en grensoverschrijdende criminaliteit. Daarnaast beheert het NFI voor de politie ook de DNA-databank voor vermiste personen. In deze databank zijn DNA-profielen van vermiste personen, ongeïdentificeerde personen en familieleden van vermiste personen opgenomen. De DNA-profielen van vermiste personen en overleden slachtoffers uit de DNA-databank voor strafzaken worden op grond van artikel 14, negende lid, van het Besluit DNA-onderzoek in strafzaken met die DNA-profielen vergeleken. Daarnaast worden zij vergeleken met de DNA-profielen van vermiste personen die in de databank van Interpol zijn opgeslagen.

Tot slot vragen de leden van de CDA-fractie in dit verband of de informatie die het NFI aan particuliere laboratoria doorgeeft dat verslagen volgens het Besluit DNA-onderzoek in strafzaken moeten worden vernietigd, ook via het webportal gedeeld kan worden of dat afzonderlijke verzoeken dan wel berichten vanuit het NFI hiertoe noodzakelijk zijn en of dat laatste niet al te zeer de administratieve ballast bij het NFI vergroot.

De van het openbaar ministerie afkomstige berichten dat verslagen vernietigd dienen te worden, worden niet via de webportal gewisseld maar door middel van elektronisch berichtenverkeer. Het webportal is, zoals eerder is opgemerkt, alleen maar bedoeld om DNA-deskundigen te faciliteren bij de uitvoering van de aan hen opgedragen DNA-onderzoeken.

Artikel I, onder N

Artikel 13

De leden van de SP-fractie lezen dat DNA-profielen van derden pas worden vernietigd na een onherroepelijke veroordeling in de zaak waarvoor hun celmateriaal is verwerkt. Bij vrijspraak wordt het materiaal niet vernietigd, aangezien de zaak dan niet is opgelost en het materiaal dan altijd nog bruikbaar kan zijn. Deze leden vragen zich af of zij het goed begrijpen dat het langer bewaren van een DNA-profiel van een derde alleen na zijn uitdrukkelijk schriftelijke toestemming mag. Deze vraag kan ik bevestigend beantwoorden.

Daarnaast vragen de leden van de SP-fractie zich af wat er gebeurt als er sprake is van een beleidssepot, technisch sepot of voorwaardelijk sepot van een zaak.

Omdat een beleidssepot wordt toegepast wanneer een veroordeling door de strafrechter wel mogelijk is, maar vervolging op gronden aan het algemeen belang ontleend niettemin niet wenselijk is, kan deze beslissing tot niet (verdere) vervolging voor de toepassing van artikel 13 van het Besluit DNA-onderzoek in strafzaken feitelijk gelijkgesteld worden met een einduitspraak als bedoeld in artikel 351 of 352 van het Wetboek van Strafvordering of een onherroepelijke strafbeschikking. Als de derde bij het afnemen van zijn celmateriaal heeft ingestemd met het feit dat zijn DNA-profiel en celmateriaal mogen worden bewaard tot het moment waarop een onherroepelijke beslissing is genomen die aan de weg staat van vervolging of verdere vervolging van de zaak, dienen in dat geval het DNA-profiel en celmateriaal van de derde vernietigd te worden. Zijn biometrische persoonsgegevens zullen immers in de strafzaak niet meer gebruikt worden. Het vorenstaande geldt op vergelijkbare wijze indien in een strafzaak een succesvolle vervolging van de verdachte technisch niet haalbaar is en om die reden tot een technisch sepot wordt overgegaan. Anders ligt dit bij een voorwaardelijk sepot – het zal hier altijd een voorwaardelijk beleidssepot betreffen omdat aan een technisch sepot uit de aard der zaak geen voorwaarden kunnen worden verbonden – omdat bij die sepotvorm de (verdere) vervolging van de verdachte niet wordt gestaakt, maar de beslissing of de verdachte (verder) vervolgd dient te worden voor een bepaalde tijd wordt uitgesteld. Pas als de verdachte de voorwaarde(n) die aan het beleidssepot zijn verbonden heeft vervuld, zal het DNA-profiel en het celmateriaal van de derde in die strafzaak niet meer niet nodig zijn en kan het worden vernietigd. Indien de verdachte de voorwaarde(n) niet vervult, zal hij als regel worden gedagvaard en zal het DNA-profiel en het celmateriaal van de derde – mits hij daarmee heeft ingestemd – pas worden vernietigd indien de strafzaak is geëindigd in een einduitspraak als bedoeld in artikel 351 of 352 van het Wetboek van Strafvordering.

De vraag van de leden van de SP-fractie heeft ertoe geleid dat artikel 13, tweede lid, op een zodanige wijze is aangepast dat in de hiervoor beschreven gevallen het DNA-profiel en het celmateriaal van de derde dienen te worden vernietigd.

De leden van de CDA-fractie maken zich zorgen over de opmerking dat ondanks de voorgestelde wijzigingen het onverhoopt toch nog kan voorkomen dat wanneer in de loop van het opsporingsonderzoek nieuwe sporen gevonden worden, opnieuw een derde zal moeten verzocht zijn celmateriaal af te staan. Deze leden menen dat dit nu juist een situatie is die zou moeten worden voorkomen. Zij vragen zich daarom af of het niet wenselijk is het besluit op een zodanig wijze aan te passen dat verzameld materiaal van een derde zolang beschikbaar blijft als het opsporingsonderzoek loopt en het strafproces nog niet onherroepelijk tot een einde is gekomen. Tevens vragen zij hoe ik aankijk tegen het idee dat het celmateriaal alleen bewaard mag blijven indien de derde – conform het voorgelegde besluit – hier uitdrukkelijk zijn schriftelijke toestemming voor heeft gegeven.

De wens van de leden van de CDA-fractie is volgens mij door de voorgestelde aanpassingen in artikel 13 vervuld. Het vertrekpunt dat in het aangepaste tweede lid van dat artikel is neergelegd, is namelijk dat het celmateriaal en het DNA-profiel van een derde ook na de uitvoering van een eerste vergelijkingsactie bewaard mogen worden, zolang de strafzaak waarin die persoonsgegevens zijn verkregen, niet is geëindigd in een einduitspraak of een onherroepelijke strafbeschikking, mits de derde daarmee schriftelijk heeft ingestemd.

Artikel I, onder P

Artikel 15, eerste lid, onder a

De leden van de CDA-fractie vragen waarom de genoemde software niet gebruikt zal worden voor het zoeken naar gedeeltelijke overeenkomsten met als doel familiebanden tussen de twee donoren van de vergeleken DNA-profielen vast te stellen, zoals ook in Nederland is toegestaan.

De BES-eilanden, Aruba, Curaçao en Sint Maarten kennen in hun wetgeving niet, zoals in Nederland op grond van de artikelen 151da en 195g van het Wetboek van Strafvordering is toegestaan, de mogelijkheid om een DNA-verwantschapsonderzoek uit te voeren. Om die reden zullen de DNA-databanken van Nederland, de BES-eilanden en die drie Caribische landen, niet worden ingezet voor het zoeken naar gedeeltelijke overeenkomsten met als doel familiebanden tussen de twee donoren van de vergeleken DNA-profielen vast te stellen, maar alleen voor het zogeheten standaard of klassiek DNA-onderzoek dat gericht is op het vinden van een volledige overeenkomst tussen twee DNA-profielen.

Artikel 15, eerste lid, onder b tot en met e

De leden van de PvdA-fractie merken op dat ten aanzien van het uitwisselen van de persoonsgegevens tussen Nederland, de BES-eilanden, Aruba, Curaçao en Sint Maarten onderhandelingen zijn gestart om het niveau van de persoonsbescherming gelijk te trekken met het niveau dat in Nederland en de EU geldt. Deze leden vragen zich af of uit die regeling acties voortvloeien die zijn vereist om de verwerking van de persoonsgegevens op een passend beschermingsniveau te brengen, bijvoorbeeld het aanpassen van systemen die de persoonsgegevens dienen op te slaan en te verwerken. Zo ja, zijn die aanpassingen gerealiseerd op het moment dat dit besluit in werking treedt?

Zowel over de DNA-databank van de BES-eilanden als die van Aruba, Curaçao en Sint Maarten voert het NFI het beheer. Dat betekent dat de DNA-profielen uit de vijf databanken onderling worden vergeleken zonder dat deze dat instituut verlaten. Het feit dat het beheer in een hand is, maakt het verder relatief eenvoudig om – ter uitwerking van artikel 13 van de Wet bescherming persoonsgegevens – beveiligde verbindingen tussen die databanken en de databank van Nederland tot stand te brengen. Het NFI heeft er, uiteraard in overleg met de BES-eilanden, Aruba, Curaçao en Sint Maarten, inmiddels voor gezorgd dat die verbindingen er zijn zodat de DNA-profielen uit de vijf databanken op een beschermde wijze via een hit-no-hit-systeem online vergeleken kunnen worden.

De leden van de SP-fractie lezen dat de BES-eilanden, Aruba, Curaçao en Sint Maarten rechtstreeks via een hit-no-hit-systeem DNA-profielen kunnen vergelijken, maar alleen voor situaties waarin het nodig is ter uitvoering van een DNA-onderzoek. Deze leden vragen zich af wie controleert of de toegang proportioneel is en landen zich aan de regels en dus gestelde voorwaarde houden.

In Nederland is het op grond van artikel 51, eerste lid, van de Wet bescherming persoonsgegevens de taak van de Autoriteit persoonsgegevens te controleren of Nederland zich aan de regels houdt bij de vergelijking van DNA-profielen met de DNA-profielen uit de databanken van de BES-eilanden en de drie Caribische landen binnen het Koninkrijk en of die vergelijking proportioneel is. In de BES-eilanden is die controlerende taak op grond van artikel 44 van de Wet bescherming persoonsgegevens BES belegd bij de Commissie toezicht bescherming persoonsgegevens BES. In Aruba, Curaçao en Sint Maarten gelden afzonderlijke Landsverordeningen betreffende de bescherming persoonsgegevens. Het toezicht op de naleving van deze verordeningen verschilt per land. De Arubaanse Landsverordening persoonsregistraties voorziet in toezicht op de bescherming van persoonsgegevens door de rechter in eerste aanleg. Het toezicht in Curaçao wordt uitgevoerd door het College bescherming persoonsgegevens, zoals voorzien in artikel 41 van de Landsverordening houdende regels inzake de bescherming van persoonsgegevens. Sint Maarten voorziet ten slotte in artikel 42 van de Landsverordening bescherming persoonsgegevens in een Commissie toezicht bescherming persoonsgegevens. Deze commissies zijn allen pas recent opgericht en in hoeverre de rechter respectievelijk deze commissies daadwerkelijk effectief toezicht houden op de bescherming van persoonsgegevens staat thans niet vast.

Om te waarborgen dat de onderlinge bevraging of vergelijking van DNA-profielen tussen de landen van het Koninkrijk, op een zorgvuldige wijze geschiedt, voorziet de concept-regeling die betrekking heeft op de vergelijking van DNA-profielen tussen Nederland, Aruba, Curaçao en Sint Maarten, er om die reden in dat de instanties die met het toezicht op de gegevensbescherming zijn belast bij wijze van steekproef de rechtmatigheid van de onderlinge vergelijking van DNA-profielen dienen na te gaan en dat zij een verslag uitbrengen in hoeverre die controle heeft plaatsgevonden. Bovendien is in dat artikel geregeld dat de met het toezicht op de gegevensbescherming belaste instantie van het ene land de instantie die in een ander land daarmee is belast, op niet-naleving van haar toezichthoudende taak kan aanspreken.

Artikel 15, eerste lid, onder f

De leden van de SP-fractie merken op dat ook lidstaten van de EU rechtstreekse toegang hebben tot de Nederlandse databank. Zij vragen hoe die toegang is gereguleerd.

De toegang tot de DNA-databanken van de EU-lidstaten is gereguleerd door middel van het eerder genoemde Besluit 2008/615/JBZ van de Raad van de Europese Unie inzake de intensivering van de grensoverschrijdende samenwerking in het bijzonder ter bestrijding van terrorisme en grensoverschrijdende criminaliteit.

Verder vragen de leden van de SP-fractie zich af of rechtstreekse toegang tot de DNA-databank van een EU-lidstaat ook daadwerkelijk vrije toegang inhoudt of dat een instantie (zoals bijvoorbeeld het NFI) eerst bekijkt of de toegang onderbouwd en proportioneel is. Verder vragen zij zich af wie dat controleert en wie toezicht op deze rechtstreekse toegang houdt.

Het in het antwoord op de vorige van deze leden genoemde Besluit 2008/615/JBZ voorziet erin dat het nationaal contactpunt van de ene lidstaat – het Nederlands Forensisch Instituut fungeert voor Nederland als nationaal contactpunt –, via een hit-no-hit-systeem rechtstreekse toegang heeft tot de DNA-databank van de andere lidstaat, voor zover het deze nodig heeft in verband met de bevragingen of vergelijkingen, bedoeld in de artikelen 3, eerste lid, en 4, eerste lid, van dat besluit. Het betreft hier bevragingen of vergelijkingen ten behoeve van de opsporing van strafbare feiten in zowel individuele zaken als in bulkzaken, zonder dat daarvoor een rechtshulpverzoek nodig is. Een rechtshulpverzoek is pas nodig als sprake is van een hit met het DNA-profiel van een bekend persoon. Via een dergelijk verzoek kunnen de bij dat profiel behorende persoons- en zaaksgegevens worden opgevraagd, want het Besluit 2008/615/JBZ staat rechtstreekse toegang tot deze gegevens niet toe.

Het vorenstaande betekent dat er vooraf geen controle plaatsvindt op de uitwisseling van DNA-profielen binnen de lidstaten. Het onafhankelijke toezichthoudende orgaan waarover iedere lidstaat ingevolge artikel 28, eerste lid, van de richtlijn nr. 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PbEG van 24 oktober 1995, L 81) dient te beschikken is belast met de controle achteraf op de uitwisseling van de DNA-profielen met de andere lidstaten. In Nederland is dit toezichthoudende orgaan de Autoriteit persoonsgegevens.

De leden van de SP-fractie merken op dat straks ook in EU-verband DNA-profielen kunnen worden vergeleken van personen die vermoedelijk slachtoffer zijn van een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis mogelijk is. In dat verband vragen deze leden zich af aan welke voorwaarden moet worden voldaan voordat een dergelijk vermoeden kan worden aangenomen en wie dat bepaalt.

De officier van justitie of de rechter-commissaris die de opdracht geeft tot het bepalen en verwerken van het DNA-profiel uit het celmateriaal van het slachtoffer bepaalt of er sprake van een vermoeden dat een persoon slachtoffer is van een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis mogelijk is. Dat vermoeden zal hij baseren op de feiten en omstandigheden van het concrete geval. Daarvoor gelden geen (wettelijk) vastgelegde criteria.

Tot slot vragen de leden van de SP-fractie of nabestaanden van een vermiste persoon het gegeven dat het DNA-profiel van de vermiste is opgenomen in de DNA-databank, als extra bewijs kunnen aandragen bij instanties om bijvoorbeeld toegang te krijgen tot een bankrekening, een verzekering op te zeggen, een huis te verkopen of een financiële regeling te treffen, zonder dat tevens wordt gevraagd om toestemming van de vermiste.

Bij de opname van het DNA-profiel van een vermiste persoon in de DNA-databank wordt ervan uitgegaan dat die persoon nog leeft, anders zou zijn DNA-profiel wel opgenomen zijn als overleden slachtoffer van het misdrijf. Los van dat feit heeft het gegeven dat het DNA-profiel van de vermiste in de DNA-databank is opgenomen geen rechtsgevolgen op het terrein van het civiele recht voor de achterblijvers van de vermiste. Om die achterblijvers tegemoet te komen bij de problemen, met name van financiële aard, die zij in de praktijk kunnen ondervinden, wordt het mogelijk gemaakt dat uit het centraal register vermiste personen een verklaring kan worden afgegeven inhoudende dat de vermiste in kwestie in het register is opgenomen. De verklaring zal vanaf 1 december 2016 kunnen worden afgegeven7 Achterblijvers kunnen daarmee bij instanties aantonen dat de vermissing waarvan zij bij de politie melding hebben gedaan, nog steeds voortduurt.

De leden van de CDA-fractie vragen of het klopt dat behalve Nederland, Spanje, Litouwen, Oostenrijk en Polen geen andere lidstaten de mogelijkheden bieden om met andere landen een vergelijking met DNA-profielen uit te voeren ten aanzien van vermiste en overleden personen.

Uit annex 3bis van het document van de Raad van de Europese Unie met nummer 5017/4/16 REV 4 over de «Implementation of the provisions on information exchange of the «Prüm Decisions» blijkt dat Tsjechoslowakije, Duitsland, Letland, Oostenrijk, Polen, Portugal, Roemenië en Slowakije al de DNA-profielen van vermiste personen hebben opengesteld voor online vergelijking met de DNA-profielen van de andere lidstaten. De aangehaalde annex laat verder zien dat Tsjechoslowakije, Duitsland, Spanje, Frankrijk, Cyprus, Letland, Litouwen, Malta, Oostenrijk, Polen, Portugal, Roemenië en Slowakije toegestaan hebben dat de DNA-profielen van ongeïdentificeerde (overleden) personen online kunnen worden vergeleken en dat die landen, met uitzondering van Letland en Litouwen maar plus Hongarije, ook de mogelijkheid bieden de DNA-profielen van ongeïdentificeerde menselijke resten te laten vergelijken. Aan deze landen wordt na de inwerkingtreding van dit besluit straks Nederland toegevoegd. Ook Denemarken zal deze profielen binnenkort openstellen voor online vergelijking.

De leden van de CDA-fractie vragen verder of ik hun mening deel dat het wenselijk is dat meer lidstaten het voorbeeld van de vijf in hun vorige vraag genoemde lidstaten volgen en of ik bereid ben dit punt aan te kaarten tijdens de eerstvolgende JBZ-raad of op een andere wijze tijdens het EU-voorzitterschap van Nederland in 2016.

Doordat criminaliteit steeds grensoverschrijdender wordt, is het wenselijk om met zoveel mogelijk andere landen informatie uit te wisselen, ook over personen die als gevolg van een misdrijf vermist of overleden zijn. Het voorzitterschap van Nederland van de Raad van de Europese Unie van het afgelopen half jaar is dan ook benut om een actieplan over de Europese Forensische Ruimte tot stand te brengen dat ik samen met mijn Europese collega’s tijdens de JBZ-Raad van juni jl. heb aangenomen8. Dat actieplan voorziet erin om de ruimte om DNA-profielen uit te wisselen maximaal te benutten. Daarnaast heeft de beheerder van de DNA-databank voor vermiste personen tijdens de op 25 mei 2016 door het Nederlandse EU-voorzitterschap georganiseerde conferentie over vermiste personen alle lidstaten opgeroepen om hun DNA-profielen van vermiste en ongeïdentificeerde personen open te stellen voor online vergelijking met de DNA-profielen van de andere lidstaten. Dat neemt echter niet weg dat alle lidstaten zelf blijven bepalen welke DNA-profielen zij in hun DNA-databank opnemen en of zij die profielen beschikbaar stellen voor online vergelijking met de andere lidstaten.

Artikel 15, tweede en zesde lid

De leden van de PvdA-fractie vragen zich af hoe lang het duurt voordat de onderzoeker de DNA-profielen en persoonsgegevens uit de DNA-databank heeft ontvangen, gerekend vanaf het moment dat hij een schriftelijk verzoek doet.

In het protocol dat het laboratorium heeft ondertekend waaraan de onderzoeker is verbonden, is in artikel 3 geregeld dat een verzoek tot raadpleging van DNA-profielen uit de DNA-databank dat voor 12.00 uur in persoon, per koerier, via beveiligde e-mail, met gebruikmaking van het webportal of per aangetekende post op werkdagen bij het NFI is ingediend, uiterlijk de volgend werkdag wordt afgehandeld. Verder voorziet dat artikel erin dat een spoedaanvraag in overleg met het NFI wordt afgehandeld.

De leden van de SP-fractie vragen zich af wie controleert en toezicht houdt op correcte uitvoering van wat is overeengekomen in het protocol.

Het protocol bevat vooral procedureregels over hoe verzoeken tot raadpleging van DNA-profielen uit de DNA-databank moeten worden ingediend en hoe en wanneer zij worden afgedaan en wie en onder welke voorwaarden toegang hebben tot het webportal. Op de voorwaarde dat het laboratorium dat toegang wil tot het webportal, over een beveiligingsplan dient te beschikken, vindt controle plaats overeenkomstig de wijze zoals ik eerder heb toegelicht in reactie op de vraag van de leden van de PVV-fractie hoe, hoe vaak, door wie en wanneer wordt gecontroleerd of een particulier laboratorium daadwerkelijk voldoet aan de eisen die in het protocol zijn opgenomen en waaraan moet zijn voldaan voordat het laboratorium toegang tot de webportal van het NFI wordt verleend.

De leden van de SP-fractie vragen zich af wat een reden kan zijn voor laboratoria om zich niet aan te sluiten bij het protocol.

Alle Nederlandse geaccrediteerde laboratoria die forensisch DNA-onderzoek doen, hebben met uitzondering van het FLDO in Leiden, inmiddels het protocol ondertekend. De reden dat het FLDO daar tot nu toe nog niet is overgegaan, heeft te maken met de complexe ICT-infrastructuur van het Leids Universitair Medisch Centrum (LUMC), waar het FLDO deel van uitmaakt. Er wordt gewerkt aan het volledig afschermen van het FLDO-deel. Als dat is afgerond, kan tot ondertekening worden overgegaan.

Tot slot vragen de leden van de SP-fractie wat wordt bedoeld met het feit dat onderzoekers van de laboratoria die het protocol niet hebben ondertekend, de gemandateerd beheerder van de DNA-databank dienen te bezoeken voor het vergelijken van profielen. Wordt daarmee bedoeld dat zij niet via de webportal toegang kunnen krijgen tot de DNA-databank?

Het antwoord op deze vraag luidt bevestigend. Voor het vergelijken van de DNA-profielen die zij nodig hebben voor de uitvoering van de DNA-onderzoeken die aan hen zijn opgedragen, uitbesteed of doorverwezen, moeten zij zich persoonlijk bij een medewerker van de DNA-databank vervoegen. Daar worden zij vervolgens in de gelegenheid gesteld om de relevante DNA-profielen in aanwezigheid van die medewerker te vergelijken.

De leden van de CDA-fractie vragen waarom de gemandateerd beheerder de vergelijking dient uit te voeren en niet de DNA-deskundige zelf hiertoe gemachtigd kan worden.

Daarvoor is gekozen om een onnodige verzameling en verdere verwerking van de DNA-profielen uit de DNA-databank bij het laboratorium waar de deskundige werkzaam is, te voorkomen. Ook is dat gedaan om het risico zoveel mogelijk te minimaliseren dat die gegevens in onbevoegde handen komen. Verder wordt op die manier bewerkstelligd dat DNA-gegevens zoveel mogelijk op één plaats bewaard blijven en niet verspreid worden over diverse laboratoria. Het oogmerk van deze waarborgen is de persoonlijke levenssfeer van degenen wier DNA-profielen in de DNA-databank zijn opgeslagen, optimaal te beschermen. De laatste reden is dat voor het vergelijken van de DNA-profielen zeer geavanceerde door de FBI ontwikkelde software (CODIS) gebruikt wordt waarvoor een speciale opleiding moet worden gedaan die alleen de medewerkers van de DNA-databank volgen. Om al deze redenen is de gemandateerd beheerder belast met de vergelijking van het door de DNA-deskundige aangeleverde DNA-profiel met de DNA-profielen uit de DNA-databank en zullen de DNA-deskundigen slechts de DNA-profielen die als gevolg van de door hem uitgevoerde vergelijkingsactie een match hebben opgeleverd, kunnen verkrijgen, en de DNA-profielen die een mogelijke match hebben gegeven, alleen op het webportal kunnen inzien en deze dus niet kunnen verkrijgen, downloaden of printen.

De leden van de CDA-fractie vragen ten aanzien van het raadplegen van gegevens uit het webportal in hoeverre een beperking van het begrip «verstrekken» houdbaar en ook wenselijk is. Immers, voor een goede bestudering van deze informatie kunnen deze leden zich voorstellen dat naast het aflezen van een scherm ook het printen van deze informatie gewenst is en indien hier geen duidelijkheid over zal worden verschaft, deskundigen wellicht zullen overgaan tot het maken van screenshots. Tegen die achtergrond vragen zij zich af of het niet beter is in plaats van een zeer beperkt gebruik concrete afspraken te maken over wat wel is toegestaan zodat deskundigen de informatie uit het webportal nader kunnen bestuderen.

Omdat het hier om gegevens gaat die privacy- en opsporingsgevoelig zijn, is het, zoals ik hiervoor in reactie op de vorige vraag van deze leden heb toegelicht, van belang dat de DNA-deskundigen geen verdergaand gebruik van de DNA-profielen uit de DNA-databank kunnen maken dan strikt noodzakelijk is voor een goede uitvoering van een DNA-onderzoek. Om die reden zal een DNA-deskundige, zoals hiervoor is beschreven, slechts de DNA-profielen die een match hebben opgeleverd, kunnen verkrijgen en de DNA-profielen die een mogelijke match hebben gegeven, alleen via het webportal kunnen inzien en deze dus niet kunnen verkrijgen, downloaden of printen. Ook is het voor hem niet mogelijk om daar een screenprint van te maken. Het NFI kan echter niet voorkomen dat de DNA-deskundige een foto van het scherm maakt maar in dat geval overtreedt dat laboratorium de in het protocol vastgelegde gebruikersvoorwaarden. Indien de overtreding wordt ontdekt, zal het NFI de DNA-deskundige van dat laboratorium de toegang tot het webportal ontzeggen.

Artikel 15, vijfde lid

De leden van de PvdA-fractie merken op dat de Justitiële Informatiedienst het NFI volgens artikel 17 op de hoogte moet brengen als een persoon niet langer verdacht is en de gegevens uit de DNA-databank verwijderd moet worden. Deze leden zouden graag willen weten hoe lang het duurt, vanaf het moment dat de Justitiële Informatiedienst het NFI informeert, totdat de gegevens uit de DNA-databank verwijderd zijn.

Op dit moment komt het vernietigingsbericht in het geval waarin een persoon niet langer als verdachte kan worden aangemerkt, nog van het openbaar ministerie. Na ontvangst van dat bericht verwijdert de beheerder van de DNA-databank binnen uiterlijk drie werkdagen het DNA-profiel. Het is de bedoeling dat in de nabije toekomst de vernietigingsberichten door de Justitiële Informatiedienst zullen worden verstrekt opdat deze dienst de centrale taak die hem in het Besluit DNA-onderzoek in strafzaken en het Besluit identiteitsvaststelling verdachten en veroordeelden is toebedeeld ten aanzien van het bewaken van de bewaartermijnen van de in die besluiten geregelde biometrisch persoonsgegevens (DNA-profielen, foto’s, vingerafdrukken en handpalmafdrukken) van verdachten en veroordeelden kan waarmaken. Tussen de Justitiële Informatiedienst, het openbaar ministerie, het NFI en het ministerie vindt met het oog daarop momenteel overleg plaats over de vraag welke informatie die dienst nodig heeft om die taak op een goede wijze te kunnen vervullen.

De leden van de PvdA-fractie vragen zich af of het verwijderen van een DNA-profiel van een persoon uit de DNA-databank de afgelopen periode tot problemen heeft geleid.

Voor zover mij bekend is, hebben zich ten aanzien van het verwijderen van de in de DNA-databank opgenomen DNA-profielen geen problemen voorgedaan.

Verder vragen de leden van de PvdA-fractie of zij het goed begrijpen dat het openbaar ministerie een afloopbericht zowel via de Justitiële Informatiedienst als rechtstreeks aan het NFI verstuurt en zo ja, of dit niet tot problemen leidt.

Door middel van een afloopbericht wordt de Justitiële Informatiedienst geïnformeerd over de status van een bepaalde zaak, bijvoorbeeld dat deze is geëindigd met een vrijspraak. Dit bericht verstuurt het openbaar ministerie niet naar het NFI. Wel zendt het openbaar ministerie op dit moment nog een vernietigingsbericht naar het NFI in het geval waarin een persoon niet langer als verdachte kan worden aangemerkt. Zoals ik in reactie op de eerste vraag van de leden van de PvdA-fractie ten aanzien van artikel 15, vijfde lid, heb toegelicht, is het de bedoeling dat de Justitiële Informatiedienst in de nabije toekomst deze rol geheel overneemt.

Daarnaast vragen de leden van de PvdA-fractie uit te leggen waarom de Justitiële Informatiedienst alle informatie nodig heeft om de bewaartermijnen goed in de gaten te kunnen houden.

Indien de Justitiële Informatiedienst niet over alle relevante informatie beschikt, zou het kunnen gebeuren dat bijvoorbeeld een DNA-profiel wordt vernietigd, terwijl het in de DNA-databank bewaard had moeten blijven. Een dergelijke situatie zou zich kunnen voordoen in het geval waarin het DNA-profiel van een persoon in een zaak vernietigd zou moeten worden omdat hij in die zaak niet meer als verdachte kan worden aangemerkt, bijvoorbeeld omdat hij niet verder wordt vervolgd, maar niettemin bewaard moet blijven op grond van het feit dat hij in een andere strafzaak verdachte is.

Tot slot merken de leden van de PvdA-fractie op dat de Justitiële Informatiedienst naast de informatie die de rechters en de officieren van justitie verstrekken, nog meer informatie tot zijn beschikking heeft (de toelichting spreekt immers over «onder meer»). Deze leden vragen zich af om welke informatie het nog meer gaat en waarom die informatie juist zo belangrijk is voor het uitoefenen van zijn taak.

Het woord «onder meer» in de passage waarop deze leden doelen, slaat op de informatie over politieafdoeningen, die de Justitiële Informatiedienst conform de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens níet krijgt omdat dat geen justitiële gegevens zijn, maar die deze dienst wel nodig heeft om zijn centrale taak in de bewaking van de bewaartermijnen van biometrische persoonsgegevens uit te voeren.

De leden van de SP-fractie vragen of zij het goed begrijpen dat het OM in de praktijk vernietigingsberichten rechtstreeks naar het NFI stuurt. Zo ja, waarom wordt dan bepaald dat daar per se de Justitiële Informatiedienst tussen moet zitten. Wat is de meerwaarde daarvan, vragen deze leden zich af. Tot slot vragen zij of het OM de staande praktijk dient aan te passen.

De leden van de PvdA-fractie hebben hiervoor soortgelijke vragen gesteld als de leden van de SP-fractie. Voor het antwoord op hun vragen verwijs ik hen dan ook naar het antwoord op de vragen van de leden van de PvdA-fractie. In aanvulling daarop merk ik op dat de Justitiële Informatiedienst als een centrale voorziening fungeert voor het verwerken van persoonsgebonden strafrechtelijke informatie ten behoeve van de strafrechtsketen. Zo beheert deze dienst namens de Minister van Veiligheid en Justitie de justitiële documentatie wat sinds jaar en dag het bestand is waarin de in het Besluit justitiële gegevens voorgeschreven beslissingen van officieren van justitie en rechters in strafzaken zijn verwerkt. Bovendien beheert het de strafrechtsketendatabank waarin onder meer de foto’s van de verdachten zijn opgeslagen en de zogeheten Voorziening voor Verificatie en Identificatie waarin de vingerafdrukken zijn verwerkt die in het kader van de vaststelling van de identiteit op grond van artikel 55c, tweede en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering van verdachten zijn genomen. Tussen de laatste databank en de landelijke vingerafdrukkendatabank van de politie, HAVANK geheten, bestaat een koppeling. De aan de VVI aangeboden vingerafdrukken worden namelijk ook in HAVANK opgeslagen ten behoeve van de uitvoering van het vierde lid van artikel 55c. Daarnaast zijn in HAVANK ook de handpalmafdrukken van verdachten opgeslagen. Tegen die achtergrond is het logisch dat de Justitiële Informatiedienst als centrale bewaker van de vernietigingstermijnen van de in de genoemde databanken opgeslagen gegevens fungeert. De meerwaarde van die rol van de Justitiële Informatiedienst is dat hierdoor de persoonlijke levenssfeer van degenen wier persoonsgegevens zijn verwerkt, maximaal wordt beschermd en onnodige informatiestromen worden voorkomen. Omdat de bewaartermijnen van de in die databanken opgeslagen gegevens waar dat relevant is, gelijk zijn aan de bewaartermijnen van de in de DNA-databank verwerkte DNA-profielen en de Justitiële Informatiedienst, gelet op zijn hiervoor genoemde rol als centrale voorziening voor het verwerken van persoonsgebonden strafrechtelijke informatie ten behoeve van de strafrechtsketen, over de informatie beschikt of dient te beschikken die van belang is om vast te stellen of een bepaalde bewaartermijn

verstreken is, is er tevens voor gekozen om de Justitiële Informatiedienst die rol tevens te laten vervullen voor de vernietiging van DNA-profielen.

De leden van de CDA-fractie vragen of behoudens de genoemde uitzondering dat DNA-profielen van personen kunnen worden bewaard omdat zij in een andere zaak als verdachte zijn aangemerkt, ook andere uitzonderingen van kracht kunnen zijn. Deze leden denken in dat verband aan de DNA-profielen van derden. Zij vragen zich af of de mogelijkheid voor bewaring van DNA-profielen ook voor derden geldt, alsmede voor personen wier DNA-profiel is opgeslagen omdat zij vermoedelijk als gevolg van een misdrijf vermist zijn of (inmiddels) overleden.

De DNA-profielen van andere derden dan overleden slachtoffers en vermiste personen worden niet in de DNA-databank opgenomen. Ik verwijs hiervoor naar artikel 13. Ten aanzien van hen kan de door de leden van de CDA-fractie genoemde uitzondering zich dan ook uit de aard der zaak niet voordoen. Ook ten aanzien van de in DNA-databank opgenomen DNA-profielen van overleden slachtoffers en vermiste personen komt een dergelijke uitzonderingssituatie niet voor.

Artikel I, onder Q juncto M

Artikel 15a

De leden van de CDA-fractie vragen nadrukkelijk of afschriften van verslagen van DNA-deskundigen digitaal bewaard kunnen worden en/of opgenomen kunnen worden in het webportal, dit in verband met de administratieve en logistieke lasten voor laboratoria.

De DNA-deskundigen van het NFI sturen de door hen opgemaakte verslagen van de uitgevoerde DNA-onderzoeken al digitaal naar de opdrachtgevers van die onderzoeken en in afschrift aan de politie. Deze verslagen worden niet in de webportal opgenomen en bewaard omdat dat portal daarvoor niet is bedoeld, maar, zoals eerder is toegelicht, voor het raadplegen en verstrekken van informatie die relevant is voor de uitvoering van een DNA-onderzoek.

Artikel I, onder R

Artikelen 16 en 17

Ten aanzien van deze artikelen herhalen de leden van de CDA-fractie hun vraag gesteld bij artikel 15, vijfde lid, in hoeverre de aldaar genoemde uitzonderingen hierop van toepassing kunnen zijn.

Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik naar mijn reactie op de gelijkluidende vraag die deze leden in het kader van artikel 15, vijfde lid, hebben gesteld.

3. Administratieve en financiële gevolgen

De leden van de PvdA-fractie lezen in de nota van toelichting dat de financiering uit de bestaande middelen bij het NFI moet worden gedaan. Deze leden vragen zich af of bij de toewijzing van extra middelen bij de begroting 2016 rekening is gehouden met de kosten die voortvloeien uit dit besluit en het antwoord op deze vraag toe te lichten.

Het eerste deel van de vraag van deze leden beantwoord ik ontkennend. Het webportal dat het NFI heeft laten ontwikkelen en dat inmiddels operationeel is, heeft het NFI uit de eigen begroting bekostigd. Ook de kosten die voor dat instituut zijn verbonden aan het doorgeven van vernietigingsopdrachten aan particuliere laboratoria, worden uit de eigen begroting betaald. De bij de begroting over 2016 toegekende extra middelen zijn voornamelijk bedoeld om bestaand aanbod binnen bepaalde productgroepen te verruimen en voor innovatie en ontwikkeling op het terrein van forensisch onderzoek.


X Noot
1

Zie de Herijkingsnota die als bijlage was gevoegd bij de voortgangsbrief over de nationale politie; Kamerstuk 29 628, nr. 554.

X Noot
2

Zie Kamerstuk 29 279, nr. 320.

X Noot
3

Vgl. Kamerstuk 28 072, nr. 13b, blz. 2.

X Noot
4

Vgl. Kamerstuk 33 750 VI, nr. 28, blz. 5.

X Noot
5

Stb. 2007, 172.

X Noot
6

Stb. 2006, 285.

X Noot
7

Zie Kamerstuk 33 552, nr. 21, blz. 1.

X Noot
8

Zie Kamerstuk 29 279, nr. 328, blz. 4.