Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2014-201531322 nr. 280

31 322 Kinderopvang

Nr. 280 BRIEF VAN DE MINISTER VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 7 juli 2015

Goede kinderopvang draagt bij aan een goede start voor kinderen in de maatschappij. In het belang van kwalitatief goede kinderopvang zijn er in de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen eisen vastgelegd en houden gemeenten toezicht op de naleving van de eisen. De eisen en het toezicht moeten instellingen prikkelen om goede kwaliteit te leveren en moeten hen daarbij niet in de weg zitten. Met het oog daarop wil ik per 2017 de huidige set kwaliteitseisen voor dagopvang en buitenschoolse opvang (BSO) veranderen en in de wet- en regelgeving aanpassen1.

Doel van deze aanpassing is allereerst een kwaliteitsverhoging. De kinderopvangsector heeft het de afgelopen jaren moeilijk gehad. Desondanks heeft de sector zich ook in deze periode initiatiefrijk getoond in het verbeteren van de kwaliteit. Ik denk hierbij bijvoorbeeld aan de opzet van een landelijk systeem voor permanente educatie van pedagogisch medewerkers en de tijdelijke subsidieregeling versterking taal- en interactievaardigheden beroepskrachten en gastouders in de kinderopvang, waar veel instellingen zich voor hebben ingeschreven. Dit toont aan dat de sector kwaliteit, ook in moeilijke tijden, hoog in het vaandel heeft staan. Dat verdient lof. Het kabinet heeft dan ook in het kader van de belastingherziening een maatregel uitgewerkt om 250 miljoen euro extra uit te trekken voor de kinderopvangtoeslag (Kamerstuk 32 140, nr. 13). Dit zou primair ten goede komen aan ouders. Echter, een betere toegankelijkheid van voorzieningen vormt ook een betere basis voor de sector om de kwaliteit verder te verhogen. De inzet op kwaliteit wil ik inhoudelijk ondersteunen met de verankering van een set kwaliteitsverhogende maatregelen in de wet- en regelgeving. Daarnaast moet de herijking leiden tot eisen die beter uitlegbaar zijn en meer gericht op de pedagogische kwaliteit in de praktijk en minder op de structurele randvoorwaarden. De herijking zal resulteren in een herijkte set kwaliteitseisen voor kinderdagopvang én peuterspeelzaalwerk en een set kwaliteitseisen voor BSO. In deze brief wordt uitgewerkt op welke wijze de herijking moet leiden tot heldere doelen, duidelijke eisen en (nog) betere kwaliteit voor al deze opvangvormen.

Heldere doelen omdat in de wet- en regelgeving duidelijke pedagogische doelen voor de kinderopvang vastgelegd zullen worden. Deze doelen geven de sector houvast en dienen als basis voor een kwaliteitsoordeel door de toezichthouder. Deze heldere doelen vormen het fundament voor een set duidelijke eisen. Dit zijn eisen die werkbaar zijn in de praktijk (voor zowel de instellingen als de toezichthouder) en van waaruit geen onnodige regeldruk of ongewenste financiële prikkels voortvloeien. Het zijn bovendien eisen die meer ruimte geven voor pedagogisch maatwerk door de instellingen. Meer ruimte om je te onderscheiden op kwaliteit, maar ook meer ruimte om in te spelen op de behoeften van individuele kinderen. Heldere doelen en duidelijke eisen dragen samen bij aan een betere kwaliteit van de kinderopvang. Om de kwaliteit te stimuleren zal er een reeks kwaliteitsverhogende maatregelen verankerd worden in de wet- en regelgeving.

Conform mijn toezegging tijdens het Algemeen Overleg van 5 februari jl. (Kamerstuk 31 322, nr. 273) informeer ik u met dit schrijven over de hoofdlijnen van mijn voornemens voor de herijking van de kwaliteitseisen. De herijking van de eisen is de eerste fase van het project Het Nieuwe Toezicht. In hoofdstuk A treft u de plannen aan om te komen tot heldere doelen in wet- en regelgeving. Hoofdstuk B bevat de voornemens om de huidige kwaliteitseisen aan te passen om te komen tot duidelijke eisen en (nog) betere kwaliteit. Hierbij besteed ik tevens aandacht aan de maatwerkaanpak regeldruk, naar aanleiding van de motie van de leden Tellegen, Heerma en Van Weyenberg (Kamerstuk 31 322, nr. 221). Tot slot gaat Hoofdstuk C over de vertaling van de nieuwe kwaliteitseisen naar een nieuwe toezicht- en handhavingskader, de volgende fase van Het Nieuwe Toezicht.

Het Nieuwe Toezicht is een project van gezamenlijkheid, waarbij in alle fasen van het project (van verkenning tot uitwerking) nauw samengewerkt wordt met de partijen uit de sector en met de toezicht- en de handhavingpartijen. In de afgelopen periode is er veelvuldig overleg geweest over de herijking van de kwaliteitseisen. Deze overleggen hebben tot op heden niet tot consensus geleid. Ik hecht er echter wel aan om zoveel mogelijk overeenstemming te bereiken. Daarom wil ik benadrukken dat ik over veel onderdelen van de plannen nog in gesprek ben met de partijen uit de sector. Partijen hebben bovendien aangegeven zelf tot gezamenlijke voorstellen te willen komen. Ik waardeer dat zeer en ik sta hiervoor open. Met het oog op het wet- en regelgevingstraject heb ik de partijen verzocht om mij uiterlijk 30 oktober 2015 hun gezamenlijke voorstellen te sturen. Op basis van de eventuele gezamenlijke voorstellen van partijen kunnen de voornemens in deze brief nog wijzigen. Desondanks ben ik van mening dat het proces erbij gebaat is dat ik mijn ideeën voor de herijking met uw Kamer deel. Onderstaande tabel bevat een overzicht van de voorlopige plannen, die in deze brief nader toegelicht worden.

Cluster

Voornemens om verder te verkennen

Heldere pedagogische doelen

Definitie van kwaliteit in de wet- en regelgeving concretiseren naar heldere pedagogische doelstellingen en het introduceren van specifieke doelbepalingen (KDV1 en BSO).

Investeren in de kwaliteit van beroepskrachten

Opnemen dat instellingen een opleidingsplan moeten hebben (KDV en BSO).

 

Opnemen dat instellingen pedagogen met minimaal HBO niveau inzetten voor het coachen van beroepskrachten en beleidsvorming (KDV en BSO).

 

Opnemen eis spreekvaardigheid Nederlandse taal beroepskrachten op minimaal niveau 3F en deel van de beroepskrachten beschikt over geldig EHBO-certificaat (KDV en BSO).

 

Beperken formatieve inzet van personen zonder beroepskwalificatie in dagopvang (KDV).

Meer ruimte voor maatwerk door vermindering van regeldruk conform motie Tellegen, Heerma en Van Weyenberg

Beroepskracht-kindratio (BKR) uitdrukken als percentage beroepskracht per kind en de inzet van beroepskrachten niet meer per groep, maar per vestiging berekenen (KDV en BSO).

(Kamerstuk 31 322, nr. 221)

Mogelijk maken inzet van «anders-gekwalificeerden» in BSO (BSO).

 

De BKR voor tweejarigen in verticale groepen in lijn brengen met de geldende BKR voor tweejarigen in horizontale groepen (KDV).

 

Geen jaarlijkse risico-inventarisatie meer (KDV en BSO).

 

Vervangen van de stabiliteitseisen aan groepsindelingen door een doelvoorschrift voor stabiliteit (KDV en BSO).

 

Meer flexibiliteit in de eisen aan speelruimte (KDV en BSO).

Een betere samenwerking tussen onderwijs en opvang

De BKR voor de BSO meer in lijn brengen met gebruikelijke ratio’s in het onderwijs (BSO).

conform motie Yücel/Tellegen (Kamerstuk 31322, nr. 237)

Opnemen dat de ontwikkeling van kinderen structureel gevolgd wordt (KDV).

 

Opnemen dat elk kind een mentor krijgt (KDV en BSO).

Verhogen van de kwaliteit van de babyopvang

Stimuleren dat beroepskrachten specifieke scholing krijgen gericht op verzorging en ontwikkeling van baby’s (KDV).

 

Aanscherpen beroepskracht-kindratio (BKR) voor baby’s (KDV).

 

Aanscherpen vaste gezichten criterium voor baby’s (KDV).

Een glasheldere pauzeregeling

Aanpassing van de huidige drie-uursregeling in een glasheldere pauzeregeling (KDV en BSO).

Focus op stabiliteit in de praktijk

Ouders een rol geven in het toezicht op stabiliteit (KDV en BSO).

 

Vaste-gezichtencriterium voor dagopvang handhaven en leeftijdsdifferentiatie invoeren (KDV).

X Noot
1

KDV betekent in deze tabel óók de peuterspeelzalen

A. Heldere doelen

In de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen is een globale definitie van kwaliteit opgenomen. In mijn brief van november 2014 (Kamerstuk 31 322, nr. 263) heb ik aangegeven dat ik de huidige definitie wil concretiseren. Om tot heldere doelen te komen heb ik gebruik gemaakt van de inzichten die ik heb opgedaan bij verschillende experts, waaronder pedagogen en ontwikkelingspsychologen met kennis over de ontwikkeling van (het brein van) het jonge kind, alsmede van het advies van de onafhankelijke commissie kwaliteit van BKK2 en de bestaande pedagogische kaders voor dagopvang en BSO3.

De ontwikkelingsdoelen zoals geformuleerd door Marianne Riksen-Walraven4 (2004) liggen ten grondslag aan de Nederlandse kinderopvang zoals die nu is. Deze doelen zijn breed gedragen in de sector. Ik stel voor om hier verder op voort te bouwen en in de wetstekst de definitie van verantwoorde kinderopvang aan te passen zodat deze algemene pedagogische doelstellingen bevat. Conform mijn toezegging tijdens het AO van 5 februari 2015 aan het Kamerlid Yücel, ben ik voornemens om de algemene pedagogische doelen uit te werken in meer specifieke pedagogische doelbepalingen. Vanzelfsprekend zal de werkwijze van de toezichthouder en het toezichtinstrumentarium hiermee in lijn worden gebracht.

Algemene pedagogische doelstellingen in de wet

Om de pedagogische doelstellingen op te nemen in de wet, stel ik voor om de definitie van verantwoorde kinderopvang in de wet te wijzigen. Verantwoorde kinderopvang betekent dat een opvanginstelling verantwoordelijk is voor:

  • 1. het bieden van voldoende fysieke en emotionele veiligheid zodat kinderen zich thuis voelen en zich kunnen ontspannen;

  • 2. het bevorderen van de persoonlijke competenties van kinderen;

  • 3. het bevorderen van de sociale competenties van kinderen;

  • 4. het bevorderen van de socialisatie van kinderen door overdracht van waarden en normen ten behoeve van de gewetensontwikkeling.

Pedagogische doelbepalingen in lagere regelgeving

Ik wil daarnaast voorstellen om de vier doelen in lagere regelgeving uit te werken in pedagogische doelbepalingen. Bij het opstellen van de doelbepalingen wordt aandacht besteed aan de vaardigheden die kinderen nodig hebben in de 21e eeuw. Denk daarbij aan zelfregulering, creativiteit, samenwerken met mensen van verschillende achtergronden, communiceren, probleemoplossend werken, kritisch denken en digitale geletterdheid. Hieronder geef ik per doelstelling aan welke elementen een plek kunnen krijgen in de wet- en regelgeving. Over de precieze invulling hiervan volgt nog overleg met betrokken partijen.

1. Fysieke en emotionele veiligheid

In kinderopvanginstellingen zijn binnen- en buitenruimtes en speelmaterialen voldoende veilig en schoon, wordt er voldoende en gezonde voeding en beweging aangeboden en zijn er regels en afspraken gericht op hygiëne en het voorkomen van onverantwoorde risico’s. Beroepskrachten beschermen kinderen tegen grote risico’s en leren hen omgaan met kleine risico’s. Beroepskrachten worden in staat gesteld emotionele veiligheid aan kinderen te bieden, met veilige gehechtheidsrelaties in een sociaal veilige omgeving. In deze omgeving worden kinderen veilig verzorgd, wordt de autonomie van kinderen gestimuleerd, wordt recht gedaan aan de verschillen tussen kinderen en worden kinderen uitgedaagd om andere mensen en nieuwe dingen te ontdekken.

2. Persoonlijke competenties

Kinderopvanginstellingen bevorderen de persoonlijke competenties van kinderen. Dat betekent het bijdragen aan het ontwikkelen van de persoonlijkheid, zodat kinderen zelfvertrouwen en een eigen identiteit ontwikkelen. Het gaat hierbij om het ontwikkelen van competenties als zelfregulering, veerkracht, zelfstandigheid, zelfvertrouwen, flexibiliteit en creativiteit.

3. Sociale competenties

Kinderopvanginstellingen bevorderen de sociale competenties van kinderen: het je in een ander kunnen verplaatsen, kunnen communiceren, samenwerken, anderen helpen, omgaan met conflicten en het ontwikkelen van sociale verantwoordelijkheid.

4. Socialisatie door overdracht van normen en waarden

Kinderopvanginstellingen bevorderen de socialisatie van kinderen door overdracht van waarden en normen: elementen hierbij zijn cultuuroverdracht, zoals tradities en rituelen, inleven in en aanpassen aan andermans perspectief, besef en respect voor diversiteit, het stimuleren van actieve participatie van kinderen en maatschappelijke belangstelling.

Het uitwerken van het pedagogisch beleid is aan de instelling

De doelbepalingen zijn richtinggevend voor de instelling bij het bepalen van het pedagogisch beleid en bieden daarmee houvast voor het handelen van de beroepskracht. Bij de uitwerking is het van belang dat instellingen de vrijheid hebben om, in overleg met ouders, hun eigen pedagogische invulling te geven. Instellingen dienen zelf de pedagogische doelbepalingen in een pedagogisch beleidsplan uit te werken en te koppelen aan de dagindeling en aan bijpassende programmaonderdelen.

De instelling houdt rekening met de ontwikkelingsfase van kinderen

Bij de uitwerking van het beleid moet de kinderopvanginstelling haar beleid baseren op de verschillende ontwikkelingsfases van kinderen. Het spreekt voor zich dat bovenstaande pedagogische doelbepalingen in de praktijk voor baby’s, peuters, kleuters en oudere kinderen tot specifiek beleid en daarmee tot anders pedagogisch handelen in de praktijk leidt. Voor de verschillende leeftijdsgroepen zullen er verschillende accenten moeten worden gelegd. Zo ligt voor de oudere kinderen in de buitenschoolse opvang de focus minder op de cognitieve ontwikkeling (daarvoor is vooral het primair onderwijs aan zet), minder op de verzorging en ligt de focus meer op vrijetijdsbesteding, ontspanning en activiteiten die passen bij het bevorderen van de sociale, morele en persoonlijke competenties, de motorische ontwikkeling en talentontwikkeling. Het is hierbij ook van belang oog te hebben voor verschillen in ontwikkelingsfases van kinderen van dezelfde leeftijd. Dat vergt maatwerk: een instelling moet kunnen aansluiten bij wat past bij het kind.

Toezicht

De uitwerking van de pedagogische doelbepalingen geven niet alleen houvast aan de instelling. Ze dienen ook als leidraad voor de observaties en het kwaliteitsoordeel van de toezichthouder en het gesprek dat de toezichthouder hierover met de instelling voert. Zo zal de toezichthouder het beleidsplan beoordelen, een gesprek aangaan met de instelling over het plan en de pedagogische praktijk observeren en beoordelen aan de hand van een openbaar en gedragen observatie-instrument.

B. Duidelijke eisen voor betere Kwaliteit

De pedagogische doelstellingen en doelbepalingen vormen het fundament waarop een instelling de kwaliteit van de opvang vorm geeft en ze zijn de basis voor de beoordeling van de kwaliteit in de praktijk door de toezichthouder. De heldere doelen vormen ook de basis voor een set duidelijke eisen. Het wegnemen van onnodige regeldruk is hierbij essentieel. In de motie Tellegen, Heerma en Van Weyenberg (Kamerstuk 31 322, nr. 221) verzocht uw Kamer de regering om in het project Het Nieuwe Toezicht alle regelgeving binnen de kinderopvangsector integraal tegen het licht te houden en hierbij volgens de Maatwerkaanpak Regeldichte domeinen te werk te gaan. Uitgangspunt hierbij is het beperken van negatieve effecten van ervaren regeldruk zonder dat de beleidsdoelstellingen als zodanig worden aangepast.

In de afgelopen periode is binnen de maatwerkaanpak kinderopvang gewerkt aan het vertalen van de knelpunten, waarover ik u in mijn brief van november 2014 (Kamerstuk 31 322, nr. 263) informeerde, in actiepunten. Deze actiepunten zijn nu opgenomen in de agenda aanpak regeldruk kinderopvang (bijlage 15). Ik ben verheugd dat alle betrokken partijen hun steun aan het proces van de maatwerkaanpak hebben uitgesproken. Daarmee kan de uitvoering van de agenda aanpak regeldruk nu starten. In de agenda zijn acties opgenomen op het gebied van wettelijke eisen, de uitvoering en inrichting van het toezicht, en op het vergemakkelijken van de communicatie tussen kinderopvanginstellingen en toezichthouders. Zo zou het uitwisselen van documenten meer digitaal kunnen plaatsvinden, bijvoorbeeld door gebruik te maken van het ondernemingsdossier. Voor meer informatie over de acties verwijs ik u naar de agenda aanpak regeldruk kinderopvang (bijlage 1). Voor zover de knelpunten binnen het bereik van het project Het Nieuwe Toezicht vallen, zal ik in onderstaande paragrafen aangegeven waar ik onnodige regeldruk wil wegnemen om zo tot duidelijke eisen te komen.

Onder duidelijke eisen versta ik echter niet alleen eisen van waaruit geen regeldruk voortvloeit. Het zijn ook eisen die meer ruimte geven voor pedagogisch maatwerk door de instellingen en die kwaliteitsverhogend zijn. Op die manier dragen heldere doelen en duidelijke eisen bij aan betere kwaliteit van de kinderopvang.

In onderstaand hoofdstuk werk ik in acht inhoudelijke clusters uit op welke wijze ik de bestaande eisen zou willen aanpassen tot duidelijke eisen voor een betere kwaliteit. Het is van belang om de voorgestelde aanpassingen aan de eisen als een integraal pakket te zien. De financiële ruimte die nodig is voor kwaliteitsverhogende maatregelen zal immers gezocht moeten worden in de versoepeling van andere kwaliteitseisen. In het kader hiervan wil ik benadrukken dat de herijking niet alleen een papieren werkelijkheid van nieuwe kwaliteitseisen moet creëren, maar dat kinderopvanginstellingen ook daadwerkelijk de financiële mogelijkheden krijgen om de nieuwe verplichtingen in de praktijk te brengen. Het pakket aan voornemens, zoals in onderstaande paragrafen beschreven, zorgt voor hogere kosten in de kinderdagopvang, en lagere kosten in de buitenschoolse opvang. Ik wil dit zo simpel mogelijk oplossen: aan de ene kant door de maximum uurprijs in de dagopvang te verhogen, en aan de andere kant door de maximum uurprijs in de BSO te verlagen. Dit geeft kinderopvanginstellingen de ruimte om hun prijzen in de dagopvang te verhogen om de extra kosten te dekken die veroorzaakt worden door de nieuwe kwaliteitsregels, terwijl de versoepeling van de eisen in de BSO aanleiding geeft tot lagere prijzen voor ouders. Uitgangspunt hierbij is dat de inkomenseffecten voor ouders zoveel mogelijk beperkt worden. De maatvoering van de aanpassingen is vanzelfsprekend afhankelijk van de gedetailleerde uitwerking van de voornemens voor de herijking en de overleggen hierover met de partijen uit de sector.

De acht clusters voor kwaliteitsverhoging:

  • 1. Investeren in de kwaliteit van beroepskrachten

  • 2. Verhogen van de kwaliteit van de babyopvang

  • 3. Aanpassen van de beroepskracht-kindratio (BKR)

  • 4. Focus op stabiliteit in de praktijk

  • 5. Een glasheldere pauzeregeling

  • 6. Meer flexibiliteit in de eisen aan speelruimte

  • 7. Betere aansluiting van de veiligheidseisen bij de praktijk

  • 8. Betere samenwerking tussen onderwijs en opvang

1. Investeren in de kwaliteit van beroepskrachten

In mijn brief van november 2014 (Kamerstuk 31 322, nr. 263) schreef ik dat de kern van kwaliteit in de beroepskrachten zit. Beroepskrachten dragen de kinderopvang en stimuleren de ontwikkeling van de kinderen. Onderstaande kwaliteitsverhogende maatregelen richten zich specifiek op de kwaliteit van het personeel.

Beroepskwalificaties

Beroepskwalificaties zijn het eerste aanknopingspunt voor de kwaliteit van het personeel. Het is nu mogelijk om onder omstandigheden stagiaires formatief in te zetten als beroepskracht. Een stagiaire heeft echter nog geen diploma en moet goed begeleid worden. Dit is zowel voor kinderen als voor de stagiaire belangrijk. Met het oog op de kwaliteit van de opvang wil ik de formatieve inzet van personen zonder beroepskwalificatie (vrijwilligers en beroepskrachten in opleiding) beperken. Dat betekent dat in de dagopvang de opvang primair wordt verzorgd door personen die specifiek opgeleid zijn om de ontwikkeling van (kleine) kinderen te stimuleren, dat wil zeggen door krachten met een pedagogische achtergrond. Voor de opvang van oudere kinderen in de BSO is het voorstel om op dit vlak meer ruimte te bieden. Voor BSO-instellingen blijkt het nu namelijk een uitdaging om kinderen van vier tot twaalf jaar in gelijke mate te kunnen boeien. Twaalfjarigen hebben andere behoeften en interesses dan kleuters. Om daarop in te kunnen spelen heeft een BSO ruimte nodig om het opvangaanbod te kunnen plooien naar de doelgroep. Daarom wordt verkend of buitenschoolse opvanginstellingen een percentage «anders-gekwalificeerde» beroepskrachten formatief in mogen zetten, bijvoorbeeld voetbaltrainers of beeldend kunstenaars. Deze «anders-gekwalificeerden» vullen het waardevolle werk van de pedagogisch medewerkers in de BSO aan. Voor de beroepskwalificatie-eisen zal in de wet- en regelgeving waar mogelijk verwezen worden naar de op dat moment geldende CAO. Vanzelfsprekend zullen deze «anders-gekwalificeerden» ook continu gescreend worden. In aanvulling op de beroepskwalificaties, wordt verkend om van instellingen te eisen dat een deel van de beroepskrachten beschikt over een geldig EHBO-certificaat gericht op kinderen. Zodat beroepskrachten, in het geval van incidenten, adequaat kunnen handelen.

Structureel werken aan de kwaliteit van personeel

Om kwaliteit te leveren, moet je structureel aan kwaliteit werken. Sommige instellingen werken reeds met een opleidingsplan waarin het permanent opleiden van personeel uitgewerkt wordt. Dit acht ik zeer gewenst. Om die reden stel ik voor in regelgeving voor te schrijven dat alle instellingen een opleidingsplan op moeten stellen. Hierin moeten ze aangeven op welke wijze de kwaliteit van het personeelsbestand, op persoonsniveau, geborgd wordt. In samenhang hiermee wordt, met de branche, verkend op welke wijze het structureel opleiden van het personeel verankerd kan worden. Voor meer informatie hierover verwijs ik u naar de brief «Harmonisatie peuterspeelzalen en kinderopvang: de volgende stap». De kwaliteit van de opvang is er ook bij gebaat als medewerkers periodiek ondersteund worden op pedagogisch vlak tijdens hun werk, bijvoorbeeld via coaching on the job. Dit vult bij- en nascholing aan en biedt de mogelijkheid om (theoretische) kennis in de praktijk over te brengen en te sturen op pedagogisch handelen in de dagelijkse praktijk. Om die reden wil ik verkennen of in de regelgeving opgenomen kan worden dat er per locatie een of meer pedagogen (minimaal HBO) op de groep ingezet moeten worden voor het coachen van beroepskrachten. Dezelfde pedagogen dienen ook een bovenformatieve en beleidsmatige rol te krijgen, bijvoorbeeld bij het opstellen en implementeren van het pedagogisch beleidsplan. De invulling en uitwerking van dit voornemen stem ik af met het beleid voor en het toezicht op de Voor- en Vroegschoolse Educatie, waar veel ervaring is opgedaan met de inzet van HBO-ers ter verhoging van de kwaliteit, bijvoorbeeld vanuit de pilot startgroepen.

Taalbeheersing

Het laatste voornemen gericht op de kwaliteit van het personeel betreft de taalbeheersing van de medewerkers. Het beheersen van de Nederlandse taal door de beroepskrachten is cruciaal voor het stimuleren van de taalontwikkeling bij kinderen. Ik wil voorstellen om in de regelgeving vast te leggen dat beroepskrachten de Nederlandse taal op minimaal niveau 3F spreekvaardigheid moeten beheersen. Omdat deze eis grote gevolgen kan hebben voor de huidige medewerkers en voor de initiële opleidingen, zal er gekozen worden voor een ingroeimodel waarbij de taaleis gefaseerd ingevoerd wordt. Ik zoek naar mogelijkheden om de verhoging van het taalniveau binnen vijf jaar, na publicatie van de eis, te realiseren. De invulling en uitwerking van dit voornemen stem ik af met het beleid voor en het toezicht op Voor- en Vroegschoolse Educatie, waar veel ervaring is opgedaan met de verhoging van het taalniveau.

2. Verhogen van de kwaliteit van de babyopvang

Het bieden van goede kwaliteit betreft de gehele sector van de kinderopvang en alle leeftijden. In de Kamerbrief van 20 november 2014 (Kamerstuk 31 322, nr. 263) heb ik echter geschetst dat extra aandacht voor de opvang van baby gewenst is6. In het licht van de inzichten die opgedaan zijn in gesprekken met experts7, schets ik in deze paragraaf de aandachtspunten voor de opvang van baby’s en geef ik aan op welke wijze de kwaliteitseisen beter kunnen aansluiten bij de behoeften van de baby.

Afgelopen periode is er gezocht naar de belangrijkste aandachtspunten voor de babyopvang. Hierbij is allereerst het inzicht opgedaan dat de opvang van baby’s om specifieke competenties van de pedagogisch medewerkers vraagt8. Een ander aandachtspunt is dat de pedagogische medewerker, door de huidige beroepskracht-kindratio (BKR), vaak onvoldoende tijd heeft voor het stimuleren van de ontwikkeling van de baby’s, omdat de focus ligt op de verzorging en de organisatie daaromheen9. Het derde aandachtspunt voor de kwaliteit van de babyopvang betreft het parttime10 gebruik van de babyopvang en de wisselende pedagogische medewerkers op een babygroep. Een vaste pedagogische medewerker, die vertrouwd is voor de baby, is een zeer belangrijke voorwaarde voor het bieden van sociaal emotionele veiligheid. Immers; een vertrouwde volwassene begrijpt de stressfactor, weet beter waar de baby behoefte aan heeft en kan hier vervolgens naar handelen.

Voortkomend uit bovenstaande inzichten, zet ik in op drie verbeterpunten: 1) specialisatie baby-opvang voor beroepskrachten; 2) meer tijd en aandacht voor de ontwikkeling en verzorging van de baby; en 3) meer stabiliteit. Ik licht deze drie punten hieronder kort toe.

Babyopvang is een specialisatie

Ik wil allereerst erkennen dat babyopvang een specialisatie is binnen de kinderopvang. Pedagogische medewerkers die werkzaam zijn op een babygroep hebben specifieke competenties nodig om de baby optimaal te kunnen verzorgen en de ontwikkeling te kunnen stimuleren. Ik ben voornemens om, in overleg met de branche, te verkennen of pedagogische medewerkers op babygroepen scholing gericht op baby’s kunnen krijgen11. Ik wil hierbij zoveel mogelijk aansluiten bij reeds lopende trajecten. Specifieke scholing geeft beroepskrachten meer houvast bij het stimuleren van de ontwikkeling van baby’s en het inspelen op de specifieke behoeften van de allerjongsten.

Een strengere beroepskracht-kindratio (BKR) voor baby’s

Naast specifieke kennis heeft de pedagogische medewerker meer tijd nodig om bijvoorbeeld specifieke verzorgingsmomenten optimaal te kunnen benutten voor interactie met de baby en het stimuleren van hun ontwikkeling. Beroepskrachten hebben betere kwalitatieve interacties met baby’s en kunnen een meer ondersteunende aanwezigheid bieden wanneer ze voor minder baby’s zorgen4. Om die reden verken ik of ik, bij de herijking van de kwaliteitseisen, de BKR voor baby’s kan aanscherpen.

Twee vaste gezichten voor baby’s

Tot slot is stabiliteit essentieel voor de ontwikkeling van een baby. Het is daarom van belang dat de pedagogische medewerkers op een babygroep vertrouwde gezichten zijn voor een baby. Daarom wordt de mogelijkheid onderzocht om het vaste gezichten criterium voor baby’s aan te scherpen. Op deze manier wordt de stabiliteit voor baby’s in de opvang beter gewaarborgd.

3. Aanpassen van de beroepskracht-kindratio (BKR)

De BKR geeft het minimum aantal beroepskrachten aan dat een instelling moet inzetten. Het is een ondergrens aan de inzet van personeel en daarmee essentieel omdat het de garantie geeft dat kinderen in de kinderopvang voldoende zorg en aandacht krijgen om zich te kunnen ontwikkelen.

In de huidige regelgeving is per mogelijke groepssamenstelling vastgesteld hoeveel beroepskrachten minimaal moeten worden ingezet. Deze berekeningswijze levert een complex schema met rekenregels op die zich niet altijd logisch tot elkaar verhouden en soms tot suboptimale resultaten leiden. De ene groepssamenstelling is in de BKR namelijk financieel aantrekkelijker dan de andere.

Voorbeeld huidige situatie

Op een groep met acht nuljarigen en een eenjarige moeten minimaal twee beroepskrachten worden ingezet. Op een groep met vier nuljarigen en een eenjarige moet minimaal een beroepskracht worden ingezet. Door een groep met acht nuljarigen en een eenjarige op te knippen in twee kleinere groepen met een beroepskracht kan in totaliteit een extra kind worden opgevangen zonder dat er een extra beroepskracht hoeft te worden ingezet.

Daar komt bij dat uit het onderzoek naar regeldruk, dat in het kader van de maatwerkaanpak kinderopvang uitgevoerd is, blijkt dat de huidige BKR de inzet van beroepskrachten tot een zeer ingewikkelde aangelegenheid maakt. Het is een ergernis voor kinderopvanginstellingen en geschat wordt dat met de huidige regels € 11,2 mln. nalevingskosten per jaar zijn gemoeid12.

Bovenstaande inzichten hebben geleid tot het voornemen om de aandachtsbehoefte van het individuele kind centraal te stellen in de BKR. Dit betekent dat de ratio een percentage beroepskracht per kind uitdrukt, in plaats van het aantal toegestane kinderen per beroepskracht. In aanvulling daarop wordt overwogen om niet per groep het aantal in te zetten beroepskrachten te berekenen, maar per vestiging. Op basis van het totaal aantal kinderen op een vestiging wordt dan vastgesteld hoeveel beroepskrachten minimaal moeten worden ingezet. Dit biedt mogelijkheden aan een instelling om maatwerk te bieden en te kijken naar de behoeften van een individueel kind bij de inzet van beroepskrachten, zonder dat het minimum aantal in te zetten beroepskrachten op een vestiging afneemt. Bovendien kan er bijvoorbeeld beter gekeken worden welke momenten op een dag bij welke groepen om extra of juist minder inzet van personeel op een groep vragen, zonder dat het totaal ingezette personeel op de locatie afneemt. Niet financiële prikkels, maar de behoeften van kinderen staan dan centraal in de keuze voor de wijze waarop groepen worden samengesteld. Samen met de partijen uit de sector zal ik komende maanden een (financieel) onderzoek laten uitvoeren naar de uitwerking van aanpassingen aan de BKR in de praktijk.

Gevolgen nieuwe rekenmethode voor de beroepskracht-kindratio (BKR) voor tweejarigen

In het kader van de harmonisatie van de kwaliteitseisen voor kinderdagverblijven en peuterspeelzalen is de BKR voor tweejarigen per 1 januari 2015 gelijkgeschakeld. Vanaf 1 januari geldt voor groepen met alleen twee- en driejarigen in zowel peuterspeelzalen als kinderdagverblijven een ratio van een beroepskracht op acht kinderen. De rekenregels voor tweejarigen in groepen met nul- tot vierjarigen of groepen met een- tot vierjarigen (deze groepen bestaan alleen in kinderdagverblijven) zijn niet gewijzigd per 1 januari 2015. Als gevolg van de voorgestelde nieuwe rekenmethode, gaan tweejarigen in alle groepssamenstellingen voor hetzelfde gewicht meetellen. Daarbij wordt aansluiting gezocht bij de reeds geldende ratio voor tweejarigen in groepen met alleen twee- en driejarigen.

4. Focus op stabiliteit in de praktijk

De dagelijkse praktijk van de opvang is de afgelopen jaren veranderd. Ouders hebben meer keuzevrijheid13 in breng- en haaltijden en in de dagen waarop gebruik kan worden gemaakt van opvang. De huidige eisen passen niet goed bij de toenemende keuzevrijheid van ouders en parttime contracten van medewerkers. In sommige gevallen leidt dat zelfs tot suboptimale situaties voor kinderen. Daar komt bij dat de huidige set een reeks aan uitzonderingsbepalingen bevat, waardoor het lastig is om toezicht op de stabiliteitseisen te houden. Dit vormt de aanleiding voor mijn voornemen om de stabiliteitseisen aan te passen door in de eisen aan de groepsindelingen meer ruimte te bieden voor eigen (stabiliteits)afwegingen door instellingen. In combinatie met een BKR waarbij het kind centraal staat, leidt dit ertoe dat instellingen de meest optimale groepsindelingen kunnen nastreven vanuit de stabiliteitsbehoeften van de (individuele) kinderen.

Er wordt momenteel onderzocht, in overleg met alle partijen uit de sector en de toezicht- en handhavingspartijen, of de eisen aan groepsgroottes, vaste stam-/basisgroepen en vaste ruimtes vervangen kunnen worden door een voorschrift waarin staat dat een instelling zorg moet dragen voor een stabiele omgeving voor kinderen. Een stabiele omgeving wordt onder andere bepaald door de grootte van de groepen, een vast dagritme en vertrouwde ruimtes en personen. Van deze bepalende factoren voor stabiliteit is de vertrouwdheid met beroepskrachten extra belangrijk, zeker gezien de toegenomen keuzevrijheid14 in breng- en haaltijden en in de dagen waarop gebruik kan worden gemaakt van opvang. Om die reden zal het huidige vaste-gezichtencriterium voor de dagopvang gehandhaafd blijven en wordt verkend of hierin leeftijdsdifferentiatie aangebracht kan worden15. Het is immers bekend dat de stabiliteitsbehoeften veranderen naarmate kinderen ouder worden16. Bovendien zal onderzocht worden of het mogelijk is om ouders, als klanten, op ad hoc basis om input te vragen voor het toezicht op stabiliteit door de GGD. Vaste gezichten en groepsgrootte zijn namelijk bij uitstek elementen van kwaliteit die voor ouders zichtbaar zijn.

Voorbeeld

Rick is een dreumes van 19 maanden. Hij heeft veel energie en gaat graag op ontdekking uit. In de babygroep waar hij nu opgevangen wordt vindt hij weinig aansluiting, omdat de meeste kinderen in die groep nog niet goed kunnen lopen. Hij verveelt zich en hij vraagt daardoor heel veel aandacht van de beroepskrachten. Deze aandacht gaat ten koste van de aandacht die de baby’s in de groep nodig hebben. Een vervroegde (voordat hij 2 wordt) overplaatsing van Rick naar de peutergroep is niet mogelijk, omdat op één van de twee dagen dat hij komt de maximale groepsgrootte is bereikt in de peutergroep. De andere dag zou hij wel naar deze groep kunnen, maar, met het oog op de stabiliteit, is het onwenselijk om hem in verschillende groepen op te vangen. Wanneer de instelling ruimte krijgt voor een eigen stabiliteitsbeleid zou het mogelijk zijn om Rick door te laten stromen naar de peutergroep.

5. Een glasheldere pauzeregeling

Op dit moment is het toegestaan dat er op de drukste momenten van de dag, tijdens het brengen en halen van kinderen ’s ochtends en ‘s avonds, gedurende maximaal drie uur minder beroepskrachten aanwezig zijn (de zogenaamde drie-uursregeling). Ik constateer dat dit een goede overdracht tussen ouders en beroepskrachten in de weg kan staan en bovendien leidt tot werkdruk bij beroepskrachten. Daar komt bij dat het complex blijkt om toezicht te houden op de huidige drie-uursregeling. Met het oog op het voorgaande wordt onderzocht of de drie-uursregeling veranderd kan worden in een pauzeregeling en wordt bekeken hoe zich dit verhoudt tot de stabiliteit van de opvang. Het zou betekenen dat er enkel afgeweken mag worden van de BKR tussen de middag, wanneer veel kinderen slapen. Tijdens het brengen en halen van kinderen moet er dan met de volledige bezetting, volgens de BKR, gewerkt worden. Een glasheldere pauzeregeling is beter controleerbaar en zorgt voor rust tijdens de spits.

6. Meer flexibiliteit in de eisen aan speelruimte

Voldoende ruimte voor kinderen om zich te ontwikkelen is een cruciale voorwaarde voor kwaliteit. Daarom wordt zowel voor de dagopvang als voor de buitenschoolse opvang een duidelijke minimumeis behouden voor de beschikbare m2 ruimte voor kinderen. Het voornemen bestaat echter wel om meer flexibiliteit aan de instellingen te bieden door een minimumeis te stellen aan het totaal aantal vierkante meters eigen speelruimte plus een minimum oppervlakte-eis aan de binnenruimte. Binnen de kaders van het totale aantal vierkante meters en de ondergrens voor binnenruimte, kunnen instellingen zelf bepalen hoe zij hun opvang inrichten. Dit biedt meer ruimte voor instellingen om zich te onderscheiden en om de inrichting van de opvang af te stemmen op de pedagogische visie. Een buitenschoolse opvang die zich profileert als «buiten BSO» kan er straks bijvoorbeeld voor kiezen om de binnenruimte te beperken tot het minimum en om de opvang primair in de buitenlucht te laten plaatsvinden. Een grote verplichte binnenruimte zou niet passen bij de pedagogische visie van deze BSO.

Een voorbeeld van flexibele ruimte-eisen in de dagopvang

Oppervlakte-eis totaal min. 6,5 m2, waarvan min. 3 m2 binnenruimte

Enkele opties die zijn toegestaan:

Een voorbeeld van flexibele ruimte-eisen in de BSO

Oppervlakte-eis totaal min. 6,5 m2, waarvan min. 2 m2 binnenruimte

Enkele opties die zijn toegestaan:

7. Betere aansluiting van de veiligheidseisen bij de praktijk

In de Maatwerkaanpak regeldruk kinderopvang is gebleken dat het voldoen aan een aantal veiligheidseisen bij zowel houders van kinderopvanginstellingen als bij medewerkers tot aanzienlijke ervaren regeldruk leidt. Tevens is hiermee in euro’s uitgedrukte regeldruk gemoeid. Zo wordt de werkwijze rondom risico-inventarisaties op circa € 32,1 mln. per jaar geraamd17. Dit sluit aan bij de constatering, uit mijn brief van november 2014 (Kamerstuk 31 322, nr. 263), dat er in de praktijk op zeer gedetailleerd niveau met risico’s omgegaan wordt. Ik ben van mening dat het beschermen van kinderen voor grote veiligheidsrisico’s en het leren omgaan met kleine risico’s centraal zou moeten staan. Daarom wil ik voorstellen om de huidige veiligheidseisen aan te passen zodat ze beter aansluiten op de praktijk en tot minder regeldruk leiden. Het bewustzijn van mogelijke risico’s, het voeren van een goed beleid op grote risico’s en het gesprek hierover tussen toezichthouder en instelling moet de nadruk krijgen. Het instrument van een risico-inventarisatie kan het gesprek ondersteunen, maar moet geen doel op zichzelf worden. Om die reden stel ik voor om de risico-inventarisatie niet meer jaarlijks uit te laten voeren, maar voor de opening van de vestiging en vervolgens bijvoorbeeld om de 5 jaar of eerder indien sprake is van bouwkundige aanpassingen van de vestiging of gewijzigd beleid of gewijzigd gebruik van ruimtes in de vestiging.

8. Betere samenwerking tussen onderwijs en opvang

Voor een goede start in de maatschappij is de samenwerking tussen kwalitatief goede voorschoolse voorzieningen en onderwijs van groot belang18. De ontwikkeling van kinderen is gebaat bij een doorlopende (pedagogische) leerlijn. Verschillen tussen de kwaliteitseisen van de diverse voorzieningen kunnen hiervoor een belemmering vormen. Dit geldt ook voor de samenwerking tussen buitenschoolse opvang en onderwijs. In onderstaande paragraaf geef ik aan op welke wijze ik de kwaliteitseisen voor de kinderopvang zou willen aanpassen, zodat samenwerking tussen opvang en onderwijs vergemakkelijkt wordt. Ik geef daarmee uitvoering aan de motie Yücel/Tellegen (Kamerstuk 31 322, nr. 237). Het is hierbij van belang op te merken dat de afstemming tussen opvang en onderwijs niet alleen in de eisen zit, maar ook een kwestie is van een gedeelde visie, een cultuur van samenwerking en wederzijds vertrouwen en respect.

Verruiming van de beroepskracht-kindratio (BKR) voor de BSO

Het eerste voornemen is om de BKR in de buitenschoolse opvang te verruimen voor de oudere kinderen, zodat deze beter aansluit bij de verhoudingen tussen kinderen en personeel in het basisonderwijs. Omdat BSO een ander karakter kent dan school, is volledige aansluiting niet wenselijk. Verschillende activiteiten in verschillende groepen in de BSO vragen om een andere personeelsinzet dan binnen het klassikaal onderwijs. Uit veiligheids- en pedagogische overwegingen is het bijvoorbeeld niet wenselijk om in de BSO één beroepskracht op dertig spelende kinderen in te zetten. De verruiming van de BKR maakt het gemakkelijker om samenwerking tussen opvang en onderwijs te bereiken, bijvoorbeeld doordat de overgang tussen onderwijs naar opvang niet per definitie hoeft te leiden tot grote wijzigingen in de groepssamenstelling.

Ontwikkelingsgericht werken

Om de doorgaande leerlijn te stimuleren tussen opvang en onderwijs is het daarnaast nodig de ontwikkeling van het individuele kind goed te volgen. Het voorstel is om in de wet- en regelgeving vast teleggen dat een kinderopvanginstelling volgt hoe kinderen zich in verschillende leeftijdsstadia ontwikkelen, dit rapporteert en periodiek bespreekt met de ouders. Ik wil daarnaast voorstellen om als eis op te nemen dat elk kind in de kinderopvang (in de dagopvang én de BSO) een mentor krijgt, net als in het onderwijs. Deze mentor rapporteert de ontwikkeling van het kind en is het eerste aanspreekpunt voor de ouders en voor de school. De combinatie van ontwikkelingsgericht werken en de inzet van een mentor, maakt dat achterstanden tijdig gesignaleerd worden en dat er periodieke gesprekken met ouders plaatsvinden over de ontwikkeling van het kind. Daarnaast wordt er een warme overdracht geborgd van opgedane kennis over het kind gedurende opvangjaren (ontwikkeling, stijl etc.) bij de overgang naar de basisschool en naar de BSO. Vanzelfsprekend zal dit in goed overleg met de ouders gebeuren. Ik verken, samen met de branche, verbeteringen in de afstemming met het onderwijs en de rol van kindvolgsystemen daarbij. Hiervoor verwijs ik u naar de brief «Harmonisatie peuterspeelzalen en kinderopvang: de volgende stap».

In algemene zin geldt dat waar ruimte geboden wordt in de kwaliteitseisen voor pedagogisch maatwerk, er ruimte ontstaat om aansluiting te zoeken bij primair onderwijs. Bijvoorbeeld door meer flexibiliteit te bieden in de eisen aan de speelruimte voor de opvang, is het gemakkelijker om gebruik te maken van schoolruimtes of om school en opvang in één gebouw te huisvesten.

Tot slot zal ik, in de uitwerking van het toezicht op de nieuwe kwaliteitseisen, nauwe afstemming zoeken met de Inspectie van het Onderwijs. Op deze wijze hoop ik de samenwerking tussen opvang en onderwijs te vergemakkelijken, met het oog op een goede start voor kinderen in de maatschappij.

C. Van duidelijke eisen naar beter toezicht

Bovenstaande voornemens voor heldere doelen, duidelijke eisen en betere kwaliteit worden komende maanden vertaald naar concrete voorstellen voor de aanpassing van wet- en regelgeving. Dit doe ik in nauw overleg met de partijen uit de sector en de toezicht en handhaving. De aanpassingen resulteren in een herijkte set kwaliteitseisen voor kinderdagopvang én peuterspeelzaalwerk en een set kwaliteitseisen voor de BSO. Gepland is om het wetsontwerp in het voorjaar van 2016 aan te bieden aan uw Kamer. Inwerkingtreding is voorzien vanaf 1 januari 2017. Ik zal, in overleg met de sector, nauwkeurig bekijken wanneer welke kwaliteitseisen in werking treden, met welke bijbehorende wijzigingen in de toezichtpraktijk. Ik bezie hierbij ook de mogelijkheid van pilots om de effecten in de praktijk te monitoren. De sector heeft het de afgelopen jaren niet makkelijk gehad. Een zorgvuldig ingroeipad is van belang om van Het Nieuwe Toezicht een succes te maken.

Werkwijze toezichthouder en handhaver

Parallel aan het bovenstaande traject ontwikkelen de VNG en GGD GHOR Nederland een nieuw toezichtkader en een nieuwe werkwijze voor de toezichthouders en handhavers. Het gesprek tussen toezichthouder en instelling over de kwaliteit van de opvang staat hierin centraal. Bij Het Nieuwe Toezicht hoort ook het ontwikkelen van een valide en betrouwbaar instrumentarium voor oordeelsvorming door de toezichthouder en de implementatie daarvan. Dit moet gereed zijn voor de inwerkingtreding van de nieuwe kwaliteitseisen. Om ervoor te zorgen dat toezichthouders en handhavers in 2017 kunnen werken volgens de nieuwe werkwijze, worden momenteel de inhoudelijke voorbereidingen getroffen voor een deskundigheidsbevorderingtraject door GGD GHOR Nederland en VNG. Intercollegiale consultatie en intersubjectiviteit zijn hierin belangrijke onderdelen. Net als voor de invoering van de kwaliteitseisen, zal er ook een zorgvuldig ingroeipad gekozen worden voor de omslag naar een nieuwe werkwijze van de toezichthouder en handhaver.

Implementatie en communicatie

De invoering van nieuwe kwaliteitseisen en een andere vorm van toezicht heeft niet alleen voor de toezichthouders en handhavers implicaties. Ook ondernemers, ouders en beroepskrachten moeten voorbereid zijn op de wijzigingen. Enkel het verspreiden van een overzicht van de nieuwe eisen is niet voldoende, ook niet voor ouders. Ik wil dat toezichthouders, handhavers en instellingen in de voorbereidingen voor Het Nieuwe Toezicht gezamenlijk optrekken, zodat ze in de praktijk een zinvol gesprek kunnen hebben over de kwaliteitseisen en er meer begrip is over en weer voor elkaars aanpak en werkwijze. Om die reden zet ik in op een breed communicatie- en implementatietraject, waarvan regiobijeenkomsten met toezichthouders, handhavers en instellingen onderdeel uitmaken. In de tweede helft van dit jaar start ik, samen met de sector, met de voorbereidingen hiervoor.

Tot slot

Aan het einde van dit jaar zal er gestart worden met de herijking van de kwaliteitseisen voor de gastouderopvang. Hierbij zal aangesloten worden bij de resultaten van de beleidsdoorlichting van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen. Immers ook voor de gastouderopvang moet Het Nieuwe Toezicht leiden tot heldere doelen, duidelijke eisen, betere kwaliteit én beter toezicht.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, L.F. Asscher


X Noot
1

De herijking van de kwaliteitseisen voor de gastouderopvang volgt in een tweede fase van het project.

X Noot
2

Commissie Kwaliteit, Ambities voor kinderen in de kinderopvang, Kwaliteitsvisie kinderopvang 2014 en verder, 30 oktober 2014.

X Noot
3

Singer, E. en Kleerekoper L. (2009), Pedagogisch kader kindercentra 0–4 jaar, Elsevier gezondheidszorg, Maarssen/ Schreuder, L., Boogaard, M., Fukkink, R., Hoex, J., (2011), Pedagogisch Kader Kindercentra 4–13 jaar, Reed Business, Amsterdam.

X Noot
4

Riksen-Walraven, M. (2004). Pedagogische kwaliteit in de kinderopvang: doelstellingen en

kwaliteitscriteria. In M.H. van IJzendoorn, L.W.C. Tavecchio & M. Riksen-Walraven (red.), De kwaliteit van de Nederlandse kinderopvang. Amsterdam: Uitgeverij Boom.

X Noot
5

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl

X Noot
6

Commissie Kwaliteit, Ambities voor kinderen in de kinderopvang, Kwaliteitsvisie kinderopvang 2014 en verder, 30 oktober 2014, 20.

X Noot
7

Er hebben individuele gesprekken en een groepssessie met verschillende wetenschappers plaatsgevonden.

X Noot
8

NJI (2009), De opvang van baby’s in het eerste levensjaar. Aandachtspunten voor kinderdagverblijven, overheid en werkgevers.

X Noot
9

De Schipper, Riksen-Walraven en Geurts (2006),Effects of child-caregiver ratio on the interactions between caregivers and children in child-care centers: an experimental study.

X Noot
10

Bijvoorbeeld enkele dagdelen per week.

X Noot
11

Zie de brief «Harmonisatie peuterspeelzalen en kinderopvang: de volgende stap».

X Noot
12

Boog, Engelen, Faun en Snoei, Regeldruk in de Kinderopvang Panteia, Zoetermeer, 2014.

X Noot
13

B&A, Onderzoek «Aanbod en contracten in de kinderopvang», 2014.

X Noot
14

B&A, Onderzoek «Aanbod en contracten in de kinderopvang», 2014.

X Noot
15

Zie paragraaf B.2 over de kwaliteit van de babyopvang.

X Noot
16

Voor baby’s (0–1 jaar) is groepsstabiliteit op een andere manier belangrijk dan voor oudere kinderen. Houvast voor baby’s wordt primair geboden door de beroepskracht en de dagelijkse routines en vaste structuren, oudere kinderen focussen zich daarentegen steeds meer op de kinderen om zich heen.

X Noot
17

Boog, Engelen, Faun en Snoei, Regeldruk in de Kinderopvang Panteia, Zoetermeer, 2014.

X Noot
18

zie ook «Een betere basis voor peuters», Kamerstuk 31 322, nr. 243