Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2018-201930821 nr. 51

30 821 Nationale Veiligheid

Nr. 51 BRIEF VAN DE MINISTER VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 13 december 2018

Tijdens de begrotingsbehandeling van Binnenlandse Zaken op 18 oktober 2018 heb ik uw Kamer toegezegd voor het eind van het jaar met een voorstel te komen over de uitwerking van een bewustwordingscampagne over desinformatie (Handelingen II 2018/19, nr. 15, items 5 en 16). Dit mede ter uitvoering van de eerdere motie van de leden Verhoeven (D66), Van der Molen (CDA), Middendorp (VVD), Kuiken (PvdA) en Van der Graaf (CU) om een voorlichtingscampagne te starten om het bewustzijn te vergroten over beïnvloeding door statelijke actoren van de interne aangelegenheden en democratische processen in Nederland (Kamerstuk 34 775 VII nr. 21).

Ook heeft uw Kamer gevraagd in te gaan op het onderzoek ter uitvoering van de motie van de leden Middendorp (VVD) en Verhoeven (D66) van 18 oktober 2018 (Kamerstuk 35 000 VII nr. 14). Deze motie verzoekt de regering bij de provinciale staten- en Europese Parlementsverkiezingen in 2019 onderzoek te doen naar de effecten van sociale media en internetzoekmachines op deze verkiezingen, daarbij ook mogelijke buitenlandse beïnvloeding te betrekken en de uitkomsten met de Kamer te delen.

In deze brief ga ik, mede namens de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media en de Minister van Buitenlandse Zaken, in op hoe het kabinet deze verzoeken wil uitwerken in aanloop naar de verkiezingen die in maart en mei 2019 zullen plaatsvinden voor respectievelijk provinciale staten en waterschappen en het Europees Parlement. Daaraan voorafgaand zal ik kort ingaan op de dreiging van de verspreiding van desinformatie. Vervolgens zal ik schetsen welke uitgangspunten en inzet het kabinet hanteert in het tegengaan van desinformatie in Europees en nationaal verband, zoals onder meer uiteengezet in diverse Kamerbrieven.1 Daarbij betrek ik ook het rapport «Digitalisering van het nieuws; online nieuwsgedrag, desinformatie en personalisatie in Nederland» van het Rathenau Instituut van 24 mei 2018, waarop een reactie is gevraagd door de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap uit uw Kamer.

Over de bredere aanpak van ongewenste buitenlandse inmenging, waaronder pogingen om de publieke opinie heimelijk te beïnvloeden met desinformatie, en de bedreiging daarvan voor nationale (veiligheids)belangen, zal de Minister van Justitie en Veiligheid uw Kamer voor de zomer van 2019 informeren.

Dreiging van verspreiding desinformatie

De verspreiding van desinformatie met als doel de democratische rechtsorde te ondermijnen en destabiliseren is een reële dreiging. Deze dreiging manifesteert zich veelal online. Het kabinet ziet de verspreiding van desinformatie als een multi-stakeholder probleem waarbij van verschillende partijen in de samenleving gevraagd wordt dat zij hun verantwoordelijkheid nemen.2 De inzet van het kabinet is daarbij gericht op het tegengaan van heimelijke beïnvloeding van de publieke opinie door statelijke actoren (of actoren die aan statelijke actoren zijn te relateren). De Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst heeft onder meer in zijn jaarverslag over 2017 aandacht gevraagd voor het heimelijk digitaal beïnvloeden van (politieke) besluitvormingsprocessen, beeldvorming en publieke opinie door statelijke actoren. Het Rathenau Instituut heeft in haar bovengenoemde rapport gewezen op onderzoeken naar Russische inmenging in de Amerikaanse presidentsverkiezingen en op diverse onderzoeken die wijzen op desinformatie en trollen in het publieke online debat rond Franse, Duitse en Zweedse verkiezingen en het Brexit referendum. Het kabinet benadrukt het belang van de bescherming van vrije en eerlijke verkiezingen.

Het Rathenau Instituut heeft tegelijkertijd geconstateerd dat online desinformatie in Nederland vooralsnog geen grote negatieve impact op de samenleving heeft gehad. Dit komt volgens het Rathenau Instituut mede omdat Nederland een sterk mediabestel heeft, pluriforme nieuwsconsumptie kent en er een hoog vertrouwen is in de media. Het Commissariaat voor de Media constateerde dit jaar dat door deze factoren de risico’s op het ontstaan van online «filter bubbels» waarin mensen zich eenzijdig informeren over hun omgeving, klein is.3 Dit is een verworvenheid van de Nederlandse samenleving waar we zuinig op moeten zijn en die we niet als een permanent gegeven moeten zien. Het medialandschap is overal in beweging en vraagt daarom om aandacht van alle partijen waaronder de overheid.4 In het regeerakkoord zijn extra middelen vrijgemaakt voor versterking van onderzoeksjournalistiek.

Het Rathenau Instituut beperkt zich niet tot deze constateringen. Zij ziet zorgelijke ontwikkelingen die kunnen ontstaan door de inzet van nieuwe technologie zoals artificiële intelligentie, bijvoorbeeld bij manipulatie van beeld en geluid. Het kunnen onderscheiden wat echt is en wat nep is zal daardoor moeilijker worden. Het Rathenau Instituut acht daarom waakzaamheid geboden. Hoewel er ook veel positieve kanten zitten aan technologische ontwikkelingen, onderschrijft het kabinet dat alertheid geboden is voor het misbruik daarvan, bijvoorbeeld door de verspreiding van desinformatie.

Uitgangspunten tegengaan desinformatie

Het kabinet heeft in het afgelopen jaar ingezet op een strategie van bewustwording en debat. In het afgelopen jaar heeft het kabinet gesprekken gevoerd met media, online platforms, onderzoekers, en vertegenwoordigers van EU-lidstaten over het tegengaan van desinformatie. Het kabinet ziet in het bovenstaande aanleiding om deze strategie te continueren en uit te bouwen opdat een bredere betrokkenheid van maatschappelijke actoren bij het onderwerp ontstaat. Het kabinet hanteert daarbij de volgende uitgangspunten:

  • 1) de dreiging van desinformatie door statelijke actoren is reëel;

  • 2) in de aanpak staan rechtsstatelijke waarden en grondrechten voorop: vrijheid van meningsuiting, vrijheid van pers en het bevorderen van transparantie;

  • 3) de kracht van onafhankelijke journalistiek wordt daarbij onderstreept. Een pluriform medialandschap is onontbeerlijk voor een gezonde democratie;

  • 4) we vertrouwen vooralsnog op de eigen verantwoordelijkheid van techbedrijven in de vorm van zelfregulering, met inachtneming van de vrijheid van meningsuiting en persvrijheid;

  • 5) mediawijsheid en digitale geletterdheid zijn belangrijke elementen in het tegengaan van de impact van desinformatie;

  • 6) kennisontwikkeling door de wetenschap over het bestaan van desinformatie wordt gestimuleerd;

  • 7) coördinatie in Europees verband wordt verwelkomd. Desinformatie houdt niet op bij de grenzen.

Bovenstaande uitgangspunten, in het bijzonder de rechtsstatelijke waarden, leiden ertoe dat het inhoudelijk adresseren van desinformatie als zodanig primair geen taak is van overheden of EU-instellingen, maar vooral van journalistiek en wetenschap, al dan niet in samenwerking met techbedrijven. Het kabinet onderkent het belang van deze spelers in of bij de nieuwsvoorziening.5

Indien de politieke stabiliteit, economische stabiliteit of nationale veiligheid door inmenging van statelijke (of daaraan gelieerde) actoren wordt bedreigd is een reactie van nationale overheden binnen het kader van de vrijheid van meningsuiting gerechtvaardigd.

Europese context

De Hoge Vertegenwoordiger en de Europese Commissie hebben, daartoe uitgenodigd door de Europese Raad, op 5 december 2018 een Actieplan tegen desinformatie (gezamenlijke mededeling) aangenomen, ter uitwerking van de hiervoor genoemde gecoördineerde aanpak. Hierin worden vier pijlers benoemd.

Het gaat daarbij om:

  • (i) verbeteren van de capaciteiten om desinformatie te detecteren, analyseren en openbaren; door te investeren in digitale tools en gespecialiseerd personeel bij de EU-instellingen en lidstaten;

  • (ii) versterken van een gecoördineerde en gezamenlijke respons op desinformatie; het opzetten van een alerteringssysteem ten aanzien van desinformatiecampagnes (Rapid Alert System) en informatie-uitwisseling via nationale contactpunten;

  • (iii) mobilisering van de private sector om desinformatie aan te pakken; monitoren van de uitvoering van de gedragscode over desinformatie door de aangesloten bedrijven via maandelijkse rapportages en een evaluatie;

  • (iv) bewustwording vergroten en verbeteren van maatschappelijke weerbaarheid; gerichte campagnes binnen en buiten de EU, actieve participatie van het maatschappelijk middenveld in het identificeren en zichtbaar maken van desinformatie en het steunen van onafhankelijke media en fact-checkers.

Dit Actieplan wordt tijdens de Europese Raad van 13 december toegelicht.

Het kabinet hecht aan een gecoördineerde aanpak van desinformatie, zoals ook uitgedragen tijdens de Europese Raad van juni 2018, waarbij in de eerste plaats een rol is weggelegd voor niet-gouvernementele actoren zoals de media en online platforms. Vrijheid van meningsuiting en onafhankelijkheid van de pers moeten daarbij te allen tijde gewaarborgd zijn. De overheid heeft een rol in het geval dat de nationale veiligheid en politieke stabiliteit in het geding komt door desinformatie. Daarnaast staat het kabinet positief tegenover het feit dat online platforms en vertegenwoordigers van de advertentie industrie op 26 september jl. een gemeenschappelijke gedragscode hebben opgesteld inzake online desinformatie, aangezien hiermee deze organisaties zelf hun verantwoordelijkheid tonen in de aanpak van desinformatie.

Mede in navolging van de motie Kwint/Yesilgöz-Zegerius, heeft het kabinet deze standpunten de afgelopen maanden actief uitgedragen bij gesprekspartners in Brussel en andere Europese hoofdsteden. Het kabinet is verheugd te vernemen dat de kern van de Nederlandse positie in het Actieplan is overgenomen. Het betreft bijvoorbeeld het belang van vrijheid van meningsuiting als kernwaarde van de EU en de essentiële rol van platforms, media en maatschappelijk middenveld. In het Actieplan wordt waar het gaat om de aanpak van de StratCom Task Forces niet gesproken over het aanwijzen van desinformatie in individuele nieuwsuitingen, maar van een focus op het analyseren van trends, narratieven, methodes en kanalen. De nadruk van de StratCom Task Forces komt hierbij voorts te liggen op landen in het en ten oosten en zuiden van Europa, die om een actieve rol van de Unie vragen. Ondanks dat het kabinet daarvoor in Europees verband heeft gepleit, is de website EUvsDisinfo niet opgeheven. Wel is de werkwijze aangepast zodat er geen artikelen meer op de site staan uit Nederlandse bronnen, hetgeen aansluit bij de hierboven genoemde focus. Voor volledige opheffing is geen steun bij andere lidstaten. Hierover zijn ook Kamervragen gesteld die het kabinet zal beantwoorden. Uw Kamer zal conform de reguliere procedure een nadere kabinetsappreciatie over het Actieplan ontvangen in de vorm van een BNC-fiche.

Het kabinet vindt het als gezegd positief dat op 26 september 2018 een Europese gedragscode «EU Code of Practice on Disinformation» tot stand is gekomen. Deze gedragscode richt zich onder meer op:

  • het verbeteren van de transparantie rondom politieke advertenties;

  • het verminderen van de financiële voordelen van het plaatsen van desinformatie door het toezicht door online platforms op advertenties te versterken;

  • het intensiveren van de inzet om nepaccounts te verwijderen;

  • het opzetten van een duidelijk markeringssysteem voor bots, zodat hun activiteiten niet kunnen worden verward met menselijk handelen;

  • en toegang tot data voor fact-checking en onderzoek.

In het Actieplan van 5 december jl. is opgenomen hoe de Europese Commissie de voortgang van deze gedragscode gaat monitoren. Zo dienen de ondertekenaars regelmatig te rapporteren over de implementatie van hun toezeggingen. Het kabinet zal de uitvoering van de gedragscode ook nauwgezet volgen en zal ook zelf blijven bezien in hoeverre er voldoende aandacht is voor manieren waarop techbedrijven verspreiding van desinformatie kunnen beperken zonder dat het ten koste gaat van de vrijheid van meningsuiting en pers.

Accenten rond verkiezingen 2019

Het kabinet wil richting de verkiezingen voor provinciale staten/waterschappen van 20 maart en de Europees Parlementsverkiezingen van 23 mei 2019 de volgende accenten leggen:

  • Meer aandacht voor mediawijsheid. Met een bewustwordingscampagne wil het kabinet burgers meer bewust maken van het fenomeen van desinformatie en de eigen verantwoordelijkheid in het herkennen daarvan. Dit mede in het verlengde van de hiervoor aangehaalde motie Verhoeven c.s. uit 2017 (Kamerstuk 34 775 VII, nr. 21). Ook wordt aandacht besteed aan de bewustwording voor politieke ambtsdragers en ambtenaren. Er is een opdracht verleend een game over desinformatie te ontwikkelen waarin kennis over het onderwerp kan worden vergroot.

  • Meer kennisontwikkeling. Het kabinet zet in op een onafhankelijk onderzoek naar de effecten van sociale media in de context van verkiezingen (motie Middendorp/Verhoeven, Kamerstuk 35 000 VII, nr. 14).

Daarnaast blijft het kabinet alert en continueert het de samenwerking van de betrokken departementen en diensten tegen ongewenste buitenlandse inmenging bij de verkiezingen.

1) Effecten sociale media op verkiezingen – onderzoek

Om uitvoering te geven aan de motie van de leden Middendorp en Verhoeven zal het kabinet een wetenschappelijk onderzoek laten uitvoeren naar de effecten van sociale media en internetzoekmachines in de aanloop naar de verkiezingen van maart en mei 2019. Daarbij wordt onder meer gekeken op welke wijze de herkomst van informatie transparant is.

Een empirisch onderzoek (data-analyse) is noodzakelijk om aan de opdracht in de motie te voldoen. Het onderzoek vindt plaats op basis van open bronnen en de gegevens uit het onderzoek worden geanonimiseerd verwerkt en in de rapportage opgenomen. Ik acht het aan onafhankelijke onderzoekers om conclusies te trekken en zal daar in de opzet van het onderzoek waarborgen voor inbouwen.

Het onafhankelijke onderzoek zal zich richten op:

  • een literatuuronderzoek, met aandacht voor a) de invloed van sociale media, internetzoekmachines en online stemhulpen op het bepalen door de kiezer van zijn stemkeuze en b) de mogelijk positieve en negatieve effecten van het gebruik van sociale media en internetzoekmachines in de context van verkiezingen;

  • dataverzameling om een kwantitatieve analyse te kunnen maken over het gebruik van sociale media rond verkiezingen;

  • aangevuld met een verdieping op een aantal casus met een analyse over de interactie tussen sociale media, andere media, politici en burgers.

Het onderzoek zal naar verwachting starten begin 2019. De resultaten, waarover uw Kamer zal worden geïnformeerd, zijn voorzien rond de zomer van 2019. Bij de vormgeving van het onderzoek zal rekening worden gehouden met de mogelijkheid om het onderzoek voor latere verkiezingen te herhalen.

Ik merk op dat de Staatscommissie Parlementair Stelsel in zijn tussenrapportage van 21 juni jongstleden het stellen van regels aan digitale politieke campagnes als voorstel overweegt (Kamerstuk 34 430, nr. 7). De Staatscommissie overweegt dat het bewaken van de individuele keuzevrijheid en daarmee de essentie van het vrije en geheime kiesrecht van fundamenteel belang is voor een open en eerlijk verkiezingsproces.

Het kabinet zal een standpunt innemen over het eindrapport van de Staatscommissie Parlementair Stelsel nadat dit op 13 december is gepresenteerd.

2) Bewustwordingscampagne

Het kabinet is voornemens om in de aanloop naar de verkiezingen van 2019 een bewustwordingscampagne over desinformatie te starten. Belangrijk uitgangspunt is dat bij een dergelijk initiatief de bescherming van de vrijheid van meningsuiting en onafhankelijke journalistiek (vrije pers) voorop staat. Het gaat dus niet om het aanwijzen van desinformatie in individuele berichten. Tegelijkertijd moeten we niet naïef zijn over het bestaan van desinformatie. Bewustwording creëren dat het bestaat wil het kabinet dan ook niet uit de weg gaan.

Hiervoor is geconstateerd dat de impact van desinformatie mede door het sterke medialandschap in Nederland tot nu toe beperkt is. Uit monitors en peilingen komt desondanks naar voren dat het gewenst is dat de overheid initiatieven neemt om de bewustwording van desinformatie te vergroten. Uit de recente Eurobarometer over democratie en verkiezingen blijkt dat 59 procent van de Nederlandse respondenten ongerust is over de mogelijkheid dat buitenlandse personen en criminele groeperingen verkiezingen in Europa in het geheim beïnvloeden. 71 procent is ongerust over desinformatie en misleidende informatie op het internet in de periode voorafgaand aan de verkiezingen. 53 procent is niet tevreden over de strijd tegen desinformatie in de media.

Uit de Media Monitor 2018 van het Commissariaat voor de Media blijkt dat 30 procent van de respondenten zich zorgen maakt over wat echt en wat nep is op internet. Een ruime meerderheid van de Nederlandse respondenten vindt dat tech- en mediabedrijven meer moeten doen in het makkelijker maken om echt nieuws van nepnieuws te onderscheiden. Tweederde geeft aan hier ook een rol voor de overheid te zien.

Onlangs is uw Kamer geïnformeerd over de inzet van het kabinet ten aanzien van mediawijsheid.6 Inzet op jeugd door netwerkorganisatie Mediawijzer.net blijft nodig, ook omdat het nog enkele jaren zal duren voordat de uitkomsten van de huidige curriculumherziening in het primair en voortgezet onderwijs (waar mediawijsheid onderdeel van uitmaakt) in de onderwijspraktijk zal landen. Wel ontstaat ruimte voor Mediawijzer.net om als kwartiermaker te inventariseren wat beschikbaar en nodig is voor de doelgroep van volwassenen. Men zal hierbij zoveel mogelijk aansluiting zoeken bij bestaande en aangekondigde initiatieven gericht op volwassenen. Hierbij kan in ieder geval gedacht worden aan acties in het kader van de Nationale Digitaliseringsstrategie (NDS). Over de wijze waarop het kabinet digitale inclusie in Nederland wil bevorderen en digitale geletterdheid wil versterken zal de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties uw Kamer in december informeren.

Het Rathenau Instituut heeft ook gepleit voor meer aandacht voor mediawijsheid en voor de ontwikkeling van «technologisch burgerschap». Het kabinet ondersteunt dit. Dat houdt volgens het Rathenau Instituut in dat burgers meer inzicht verwerven in hoe technologie werkt, dat ze er kritisch over kunnen nadenken en begrijpen wat de betekenis ervan is voor leefwereld en maatschappij. In de context van de online nieuwsvoorziening betekent dit dat ze kritisch kijken naar bronnen en achtergronden van online berichten. Een aantal online platforms neemt ook zelf al initiatieven om gebruikers mediawijs te maken en biedt bijvoorbeeld online lespakketten aan op aspecten als privacy en online identiteit.

Doel van het initiatief voor een bewustwordingscampagne van het kabinet is om iedere Nederlander van 18 jaar en ouder bewuster te maken van de mogelijke aanwezigheid van desinformatie. De campagne heeft uitdrukkelijk niet tot doel om een beoordeling te geven over het waarheidsgehalte van inhoudelijke content.

Hoofdboodschap van de campagne is dat we bewust zijn dat desinformatie bestaat. Het blijft uiteraard ieders eigen verantwoordelijkheid op welke wijze gebruik wordt gemaakt van het brede informatieaanbod.

De bewustwordingscampagne wordt in een relatief kort tijdsbestek opgezet en uitgevoerd zodat het in februari 2019 ruim voor de verkiezingen voor provinciale staten en de waterschappen kan starten. De bewustwordingscampagne zal voornamelijk online plaatsvinden, en dan met name op sociale mediaplatforms. De campagne loopt door tot en met de verkiezingen voor het Europees Parlement. Voor, tussen en na de campagne vinden metingen plaats waardoor de campagne kan worden geëvalueerd.

Het kabinet hoopt met deze campagne een beweging op gang te brengen waarbij bewustwording en debat versterkt wordt en de betrokkenheid van maatschappelijke partijen versterkt wordt. Daarnaast wordt gebouwd aan een lange termijn aanpak door meerdere partijen, onder andere uit het maatschappelijk middenveld waaronder Mediawijzer.net, het Commissariaat voor de Media en diverse betrokken ministeries, om te werken aan een bredere bewustwordingsagenda over desinformatie.

3) Betrouwbare verkiezingen

In Nederland is het vertrouwen in de betrouwbaarheid van de verkiezingen hoog. Het stemmen, dat wil zeggen de wijze waarop de kiezer in het stemhokje met een rood potlood zijn keuze maakt op een papieren stembiljet, is niet kwetsbaar voor digitale dreigingen. De papieren stembiljetten worden in de stemlokalen door de leden van de stembureaus met de hand geteld.

De uitkomst van die tellingen, het proces-verbaal van de stembureaus, zijn de basis voor de berekening van de uitslag van de verkiezingen. Bij de optellingen die gemeenten, hoofdstembureaus en centraal stembureau maken om de uitslag te berekenen wordt gebruik gemaakt van programmatuur die de Kiesraad beschikbaar stelt. Net als is gebeurd bij de Tweede Kamerverkiezingen van 2017 en bij de verkiezingen die eerder dit jaar hebben plaatsgevonden, krijgen de gemeenten instructies over de wijze waarop deze programmatuur dient te worden gebruikt, waaronder de toepassing van het vier-ogen-principe. Dit uiteraard met als doel dat de programmatuur op een betrouwbare wijze wordt ingezet. Transparantie en controleerbaarheid is daarvoor essentieel. Daarom is recent de Kieswet aangepast en zullen bij de komende verkiezingen van maart 2019 de processen-verbaal van alle stembureaus, maar ook de berekende totalen op gemeentelijk niveau gepubliceerd worden op het internet. De mogelijkheid om de papieren processen-verbaal fysiek in te zien bij de gemeenten blijft overigens bestaan. Iedereen die dat wil kan dus bij de komende verkiezingen makkelijker dan tot nu toe het geval is controleren of de optellingen die met gebruikmaking van de programmatuur worden gemaakt correct zijn. Zou, om welke reden dan ook, aanleiding zijn om aan de integriteit van de gebruikte programmatuur te twijfelen, dan kan de juistheid van de berekende uitslag worden gecontroleerd aan de hand van de uitkomsten van de tellingen die de stembureaus in het stemlokaal handmatig hebben uitgevoerd en die zijn vastgelegd in de (papieren) processen-verbaal van de stembureaus.

Het kabinet heeft op 16 maart jl. in een brief7 aan uw Kamer gesteld dat een effectieve aanpak van ongewenste buitenlandse inmenging – waaronder beïnvloeding van verkiezingen – begint met het in kaart brengen van kwetsbaarheden zodat bepaald kan worden hoe die kwetsbaarheiden kunnen worden gemitigeerd. Iedereen die een verantwoordelijkheid heeft bij het verkiezingsproces dient dat te doen. Voorafgaand aan de Tweede Kamerverkiezingen in 2017 en de verkiezingen die in maart van dit jaar plaatsvonden heb ik de gemeenten gevraagd goed te analyseren waar er kwetsbaarheden kunnen zijn in het verkiezingsproces en waar nodig maatregelen te treffen. Ik ben van plan deze lijn te continueren voor de verkiezingen die in maart en mei 2019 gehouden gaan worden.

De betrokken departementen en diensten staan doorlopend in nauw contact met elkaar om informatie en signalen van mogelijke inmengingsactiviteiten rond de verkiezingen te delen en te duiden en daarop zo nodig te acteren. De Nederlandse inlichtingen- en veiligheidsdiensten doen onderzoek naar ongewenste buitenlandse inmenging van statelijke actoren, zowel om inzicht te verkrijgen als om op de dreiging te kunnen anticiperen of reageren. Dit raakt tevens aan de motie-Middendorp/Verhoeven (Kamerstuk 35 000 VII, nr. 14).

Ook in Europees verband is er met het oog op de Europees Parlementsverkiezingen uitwisseling van kennis, ervaringen en goede praktijken met andere lidstaten van de EU. Een Europees netwerk van contactpunten uit de lidstaten, waartoe de Europese Commissie de lidstaten heeft uitgenodigd, kan hiervoor dienen. Daarbij is het voor het kabinet van belang dat er een helder onderscheid blijft tussen de nationale en Europese competenties. Tevens spreek ik in de EU bilateraal met mijn collega’s over het tegengaan van desinformatie en inmenging tijdens verkiezingen en de daarin geleerde lessen.

Tot slot

Voor het kabinet ligt de sleutel in het tegengaan van de impact van desinformatie in een weerbare informatiesamenleving. Het kabinet zet daarom in op bewustwording van de aanwezigheid van desinformatie, behoud van een pluriform medialandschap en onderzoeksjournalistiek. Internationale samenwerking en Europese coördinatie is in de aanpak van belang. Daarbij blijft het kabinet aandacht vragen voor de verantwoordelijkheid van techbedrijven, journalistiek en wetenschap in het tegengaan van desinformatie. Die verantwoordelijkheid kan onder meer vorm krijgen door transparantie over de herkomst van informatie te bevorderen. Transparantie en controleerbaarheid van informatie kunnen een goed middel zijn om de burger te helpen informatie op de juiste waarde te schatten. Het kabinet tracht op deze manier de weerbaarheid van de burgers te vergroten.

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, K.H. Ollongren


X Noot
1

Brief Ongewenste buitenlandse inmenging, Kamerstuk 30 821, nr. 42; Fiche: Mededeling: Bestrijding online desinformatie – een Europese aanpak, Kamerstuk 22 112, nr. 2608; Fiche: Pakket vrije en eerlijke Europese verkiezingen, Kamerstuk 22 112, nr. 2708; Brief Voortgang van de uitvoering van de gewijzigde motie van de leden Kwint en Yesilgöz-Zegerius over het opheffen van EU versus Disinfo, Kamerstuk 21 501-34, nr. 303; zie ook Kamerstuk 34 970, B.

X Noot
2

Zie daarover ook het rapport «A multi-dimensional approach to disinformation» van de High Level Group on Fake News and Online Disinformation van 12 maart 2018. Een recente inventarisatie van methodes om desinformatie tegen te gaan geeft een overzicht van mogelijke acties door een breed scala aan actoren. Er is nog weinig bekend over de effectiviteit ervan. Bijlage 3 bij Kamerstuk 32 827, nr. 127.

X Noot
3

Bijlage 4 bij Kamerstuk 32 827, nr. 127

X Noot
4

Het Commissariaat voor de Media en de Autoriteit Consument en Markt hebben gewezen op de risico’s van de digitalisering van de nieuwsvoorziening zoals verdringing van kwaliteitsnieuws, verschraling van het nieuwsaanbod, verdunning van de mediasector.

http://www.cvdm.nl/wp-content/uploads/2018/07/Rapport-Nepnieuws-en-digitalisering-CvdM-ACM.pdf

X Noot
5

Kamerstuk 33 009, nr. 48

X Noot
6

Brief van Minister voor BVOM van 16 november 2018 (Kamerstuk 35 000 VIII, nr. 91

X Noot
7

Brief Ongewenste buitenlandse inmenging, Kamerstuk 30 821, nr. 42;