Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Eerste Kamer der Staten-Generaal2017-201834970 nr. B

34 970 Commissiemededeling inzake een Europese benadering voor de bestrijding van online desinformatie COM(2018)2361

B VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 3 september 2018

De leden van de vaste commissies voor Justitie en Veiligheid2, voor Economische Zaken en Klimaat/Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit3, en voor Binnenlandse Zaken en de Hoge Colleges van Staat/Algemene Zaken en Huis van de Koning4 hebben kennisgenomen van de mededeling van de Europese Commissie over de bestrijding van online-desinformatie.5

Naar aanleiding hiervan hebben zij de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties op 9 juli 2018 een brief gestuurd.

De Minister heeft op 31 augustus 2018 gereageerd.

De commissie brengt bijgaand verslag uit van het gevoerde schriftelijk overleg.

De griffier voor dit verslag, Van Dooren

BRIEF VAN DE VOORZITTERS VAN DE VASTE COMMISSIES VOOR JUSTITIE EN VEILIGHEID, VOOR ECONOMISCHE ZAKEN EN KLIMAAT/LANDBOUW, NATUUR EN VOEDSELKWALITEIT EN VOOR BINNENLANDSE ZAKEN EN DE HOGE COLLEGES VAN STAAT/ALGEMENE ZAKEN EN HUIS VAN DE KONING

Aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

Den Haag, 9 juli 2018

De leden van de vaste commissies voor Justitie en Veiligheid, Economische Zaken en Klimaat / Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, en Binnenlandse Zaken en de Hoge Colleges van Staat / Algemene Zaken en Huis van de Koning hebben met belangstelling kennisgenomen van de mededeling van de Europese Commissie over de bestrijding van online-desinformatie.6

De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van de mededeling van de Europese Commissie met betrekking tot het bestrijden van online-desinformatie. Zij vinden de opkomst van online-desinformatie en zogenaamd «fake news» zorgwekkend, en menen daarom dat het bestrijden van desinformatie in een gedigitaliseerde samenleving van belang is. Niettemin denken de leden van de D66-fractie dat bij het reguleren van informatiestromen de grootste zorgvuldigheid betracht dient te worden. Zij hebben derhalve nog enkele vragen met betrekking tot de mededeling.

De fractieleden van de PVV hebben kennisgenomen van het voorstel van de Europese Commissie en hebben naar aanleiding daarvan enkele vragen aan u.

Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie

In de mededeling van de Europese Commissie en het bijbehorende persbericht7 wordt veel gesproken over de gevaren van online-desinformatie, zo merken de leden van de D66-fractie op. De gevaren en risico’s van het bestrijden van online-desinformatie worden daarentegen niet veel genoemd. Hoe vindt u dat het reguleren van online-informatiestromen zich verhoudt met de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van journalistiek, zo vragen voornoemde leden.

De Europese Commissie stelt voor om met verschillende stakeholders een EU-gedragscode op het gebied van desinformatie op te stellen, zo vernemen de leden van de D66-fractie. Hoe staat u tegenover deze aanpak ten opzichte van directe regelgeving? Zal een dergelijke gedragscode voldoende verstrekkend zijn, nu deze met de marktpartijen zal worden opgesteld?

Daarnaast kan het verspreiden van online-desinformatie juist ook een verdienmodel van technologieplatformen zijn, en daarmee kan het bestrijden van online-desinformatie ook tegen het belang van dergelijke bedrijven ingaan. Hoe ziet u dit?

De leden van de D66-fractie lezen in de mededeling het voorstel van de Europese Commissie om een onafhankelijk Europees netwerk van factcheckers op te richten.8 Hoe beoordeelt u dit voorstel, zo vragen voornoemde leden. Een dergelijke groep van aangewezen factcheckers krijgt mogelijk veel invloed toebedeeld. Op welke gronden moeten dergelijke factcheckers worden aangewezen? De leden van de D66-fractie achten het tot op zekere hoogte logisch dat een dergelijk netwerk onafhankelijk van de politiek wordt georganiseerd, maar zien daarbij ook nadelen. Zo zal de democratische controle op deze groep niet aanwezig zijn, daar waar deze wel aanwezig zou zijn wanneer de factcheckers onder politieke verantwoordelijken opereren. Moet er alternatief toezicht worden georganiseerd op deze factcheckers? Of moet er wellicht in zijn geheel worden afgezien van Europees georganiseerde factcheckers, zo vragen de leden van de D66-fractie aan u.

De leden van de D66-fractie constateren dat de Europese Commissie een pakket van maatregelen voorstelt ten behoeve van het verhogen van de mediageletterdheid van Europese burgers. Zij zien dit als een cruciaal onderdeel voor het tegengaan van de effecten van desinformatie en achten deze maatregelen te prefereren boven maatregelen die informatiestromen beperken. Hoe beoordeelt u deze voorstellen met betrekking tot mediageletterdheid? Bent u het met de leden van de D66-fractie eens dat mediaonderwijs een belangrijke rol kan spelen in de strijd tegen desinformatie?

Tot slot zien de leden van de D66-fractie mogelijkheden in het transparant maken van algoritmen. Zij vragen hierop uw reactie.

Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie

Wat heeft u gedaan om de wens van de Tweede Kamer, om per omgaande EU vs Disinfo op te heffen, gehoord te krijgen bij de Europese Commissie? Gelieve gedetailleerd te antwoorden met vermelding van data en functionarissen en/of hun functies.

Heeft u haar als alternatief verzocht om zich, indien men het verzoek in de wind heeft geslagen, op zijn minst niet meer met Nederland te bemoeien? Zo nee, waarom niet en bent u bereid dat alsnog te doen?

In het geval de Europese Commissie dit verzoek weigerde: hoe wenst u deze onwil tegenover de democratische gekozen volksvertegenwoordiging te kwalificeren?

De leden van de vaste commissies voor Justitie en Veiligheid, Economische Zaken en Klimaat/Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, en Binnenlandse Zaken en de Hoge Colleges van Staat/Algemene Zaken en Huis van de Koning zien uw reactie met belangstelling tegemoet en ontvangen deze graag uiterlijk 31 augustus 2018.

De voorzitter van de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid, Duthler

De voorzitter van de vaste commissie voor Economische Zaken en Klimaat/Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, Gerkens

De voorzitter van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken en de Hoge Colleges van Staat/Algemene Zaken en Huis van de Koning, Engels

BRIEF VAN DE MINISTER VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES

Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 31 augustus 2018

Hierbij bied ik u mede namens mijn collega’s van Buitenlandse Zaken en Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media de antwoorden aan op de vragen gesteld door de leden van de fracties van D66 en PVV inzake de bestrijding van online- desinformatie.

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, K.H. Ollongren

I Vragen

De leden van de vaste commissies voor Justitie en Veiligheid, Economische Zaken en Klimaat/Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, en Binnenlandse Zaken en de Hoge Colleges van Staat/Algemene Zaken en Huis van de Koning hebben met belangstelling kennisgenomen van de mededeling van de Europese Commissie over de bestrijding van online-desinformatie.9

De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van de mededeling van de Europese Commissie met betrekking tot het bestrijden van online-desinformatie. Zij vinden de opkomst van online-desinformatie en zogenaamd «fake news» zorgwekkend, en menen daarom dat het bestrijden van desinformatie in een gedigitaliseerde samenleving van belang is. Niettemin denken de leden van de D66-fractie dat bij het reguleren van informatiestromen de grootste zorgvuldigheid betracht dient te worden. Zij hebben derhalve nog enkele vragen met betrekking tot de mededeling.

De fractieleden van de PVV hebben kennisgenomen van het voorstel van de Europese Commissie en hebben naar aanleiding daarvan enkele vragen aan u.

Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie

In de mededeling van de Europese Commissie en het bijbehorende persbericht10 wordt veel gesproken over de gevaren van online-desinformatie, zo merken de leden van de D66-fractie op. De gevaren en risico's van het bestrijden van online-desinformatie worden daarentegen niet veel genoemd. Hoe vindt u dat het reguleren van online-informatiestromen zich verhoudt met de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van journalistiek, zo vragen voornoemde leden.

De Europese Commissie stelt voor om met verschillende stakeholders een EU-gedragscode op het gebied van desinformatie op te stellen, zo vernemen de leden van de D66-fractie. Hoe staat u tegenover deze aanpak ten opzichte van directe regelgeving? Zal een dergelijke gedragscode voldoende verstrekkend zijn, nu deze met de marktpartijen zal worden opgesteld? Daarnaast kan het verspreiden van online-desinformatie juist ook een verdienmodel van technologieplatformen zijn, en daarmee kan het bestrijden van online-desinformatie ook tegen het belang van dergelijke bedrijven ingaan. Hoe ziet u dit?

De leden van de D66-fractie lezen in de mededeling het voorstel van de Europese Commissie om een onafhankelijk Europees netwerk van factcheckers op te richten. Hoe beoordeelt u dit voorstel, zo vragen voornoemde leden. Een dergelijke groep van aangewezen factcheckers krijgt mogelijk veel invloed toebedeeld. Op welke gronden moeten dergelijke factcheckers worden aangewezen? De leden van de D66-fractie achten het tot op zekere hoogte logisch dat een dergelijk netwerk onafhankelijk van de politiek wordt georganiseerd, maar zien daarbij ook nadelen. Zo zal de democratische controle op deze groep niet aanwezig zijn, daar waar deze wel aanwezig zou zijn wanneer de factcheckers onder politieke verantwoordelijken opereren. Moet er alternatief toezicht worden georganiseerd op deze factcheckers? Of moet er wellicht in zijn geheel worden afgezien van Europees georganiseerde factcheckers, zo vragen de leden van de D66-fractie aan u.

De leden van de D66-fractie constateren dat de Europese Commissie een pakket van maatregelen voorstelt ten behoeve van het verhogen van de mediageletterdheid van Europese burgers. Zij zien dit als een cruciaal onderdeel voor het tegengaan van de effecten van desinformatie en achten deze maatregelen te prefereren boven maatregelen die informatiestromen beperken. Hoe beoordeelt u deze voorstellen met betrekking tot mediageletterdheid? Bent u het met de leden van de D66-fractie eens dat mediaonderwijs een belangrijke rol kan spelen in de strijd tegen desinformatie?

Tot slot zien de leden van de D66-fractie mogelijkheden in het transparant maken van algoritmen. Zij vragen hierop uw reactie.

Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie

Wat heeft u gedaan om de wens van de Tweede Kamer, om per omgaande EU vs. Disinfo op te heffen, gehoord te krijgen bij de Europese Commissie? Gelieve gedetailleerd te antwoorden met vermelding van data en functionarissen en/of hun functies.

Heeft u haar als alternatief verzocht om zich, indien men het verzoek in de wind heeft geslagen, op zijn minst niet meer met Nederland te bemoeien? Zo nee, waarom niet en bent u bereid dat alsnog te doen?

In het geval de Europese Commissie dit verzoek weigerde: hoe wenst u deze onwil tegenover de democratische gekozen volksvertegenwoordiging te kwalificeren?

II Reactie van het kabinet

Ik heb met belangstelling kennisgenomen van de vragen van de fracties van D66 en de PVV, en dank de fracties voor hun inbreng. Waar mogelijk zijn vragen in samenhang beantwoord en heb ik dezelfde volgorde aangehouden als in de vraagstelling.

Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie

De leden van de D66-fractie vragen naar hoe het reguleren van online-informatiestromen zich verhoudt met de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van journalistiek. Tevens vragen deze leden hoe ik sta tegenover deze aanpak ten opzichte van directe regelgeving.

De in de Grondwet en verdragen en het EU – recht verankerde vrijheid van meningsuiting en de onafhankelijkheid van de pers zijn fundamentele uitgangspunten voor het kabinet. Het belang van vrije nieuwsgaring en vrije pers en de mogelijkheid om eenieders mening – in welke vorm ook – zonder voorafgaand verlof te openbaren, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet, is onbetwist. Ook in de mededeling van de commissie worden deze vrijheden als zodanig benoemd en derhalve kan het kabinet de mededeling verwelkomen voor zover deze vrijheden gewaarborgd blijven, zoals ook te lezen valt in het fiche gestuurd aan de Tweede Kamer11. Het is niet aan overheden om het waarheidsgehalte van content vast te stellen en daaraan dwingende consequenties te verbinden. Het kabinet is dan ook van mening dat de aanpak van online desinformatie door online platforms, media en andere onafhankelijke marktpartijen alsook het maatschappelijk middenveld zelf moet worden opgepakt. Het kabinet prefereert dan ook een vrijwillige gedragscode boven directe regulering. Ten aanzien van eventuele regelgevende voorstellen heeft het kabinet een kritische grondhouding. Eventuele bindende maatregelen zullen beoordeeld worden op het moment dat daartoe voorstellen worden gedaan.

Deze leden vragen of een dergelijke gedragscode voldoende verstrekkend zijn, nu deze met de marktpartijen zal worden opgesteld.

Het kabinet acht het positief dat een gemeenschappelijke gedragscode marktpartijen in staat stelt hun verantwoordelijkheden te nemen en maatregelen te treffen. Een concept van de gedragscode die mede door marktpartijen zelf is opgesteld is inmiddels gepubliceerd.12 Of de uiteindelijke gedragscode voldoende verstrekkend zal zijn, zal nog moeten blijken. Er is een klankbordgroep samengesteld bestaande uit vertegenwoordigers van de mediasector, het maatschappelijk middenveld, fact-checkorganisaties en academici. Zij zullen in september advies uitbrengen ten aanzien van de conceptversie van de gedragscode.

Daarnaast vragen deze leden hoe ik aankijk tegen de mogelijkheid dat het verspreiden van online-desinformatie juist ook een verdienmodel van technologieplatformen kan zijn, en daarmee het bestrijden van online-desinformatie ook tegen het belang van dergelijke bedrijven kan ingaan.

Hoewel verspreiden van bepaalde content voor economisch gewin onderdeel kan zijn van het verdienmodel, hebben verschuivingen plaatsgevonden. Grote adverteerders hebben bijvoorbeeld te kennen gegeven zich terug te trekken wanneer hun platforms hun advertenties weergeven bij berichten met een bepaalde content (bijv. clickbait), waardoor het verdienmodel voor dergelijke platforms ook wijzigt. Bedrijven hebben hierin ook een maatschappelijke verantwoordelijkheid. Het is goed dat bedrijven de afgelopen jaren meer aandacht hebben gekregen voor de betrouwbaarheid en kwaliteit van berichtgeving die wordt verspreid via online platforms en voor het vergroten van transparantie dienaangaande.

Deze leden vragen hoe ik het voorstel van de commissie om een onafhankelijk Europees netwerk van factcheckers op te richten beoordeel en op welke gronden dergelijke factcheckers moeten worden aangewezen.

Tevens vragen zij of er alternatief toezicht moet worden georganiseerd op deze factcheckers of dat er wellicht in zijn geheel moet worden afgezien van Europees georganiseerde factcheckers.

De exacte uitwerking van het op te zetten netwerk van fact-checkers is nog niet bekend en ik kan dan ook niet vooruitlopen op de opzet en vormgeving. De Commissie onderschrijft in haar mededeling het gebruik van internationale standaarden voor fact-checkers, zoals de normen van het International Fact-Checking Network; zo moeten fact-checkorganisaties om lid te kunnen worden van dat netwerk onder andere transparantie geven over hun financiering, methoden, bronnen, en open staan voor correcties. Deze transparantie maakt het mogelijk dat fact-checkorganisaties door de samenleving zelf ter verantwoording kunnen worden geroepen. Zoals in het fiche13 dat over dit voorstel aan de Tweede Kamer is gestuurd is aangegeven, is het kabinet van mening dat een dergelijk netwerk onafhankelijk van de overheid of de Europese Commissie moet functioneren, en dat het geen EU of statelijke ophanging mag krijgen. Een dergelijk netwerk zou zich wat het kabinet betreft moeten richten op de behoefte die door stakeholders zelf wordt geïdentificeerd. De opzet en vormgeving alsook de uitwerking zullen door het kabinet nauwgezet gevolgd worden.

Deze leden vragen mij hoe ik de voorstellen die de Europese Commissie heeft gedaan ten behoeve van het verhogen van de mediageletterdheid van Europese burgers -hetgeen zij zien als een cruciaal onderdeel voor het tegengaan van de effecten van desinformatie en te prefereren boven maatregelen die informatiestromen beperken – beoordeel.

Voor zover desinformatie geen strafbare vorm aanneemt en geen onderdeel is van een bredere poging om Nederlandse belangen tegen te gaan, zoals waar het ongewenste buitenlandse inmenging of een hybride dreiging betreft, zet dit kabinet in op de versterking van het zelfcorrigerend vermogen van deelnemers aan het publieke debat. Het kabinet overweegt geen wetgeving en is geen voorstander van wetgeving op Europees niveau.

Ik kan mij daarom goed vinden in de voorstellen van de Europese Commissie met betrekking tot mediageletterdheid. Daarbij ben ik verheugd te zien dat de Europese Commissie enkele activiteiten die in Nederland sinds enkele jaren plaats vinden, zoals het instellen van een Week van de Mediawijsheid, in andere lidstaten navolging laat krijgen.

Tevens vragen deze leden of ik het met hen eens ben dat mediaonderwijs een belangrijke rol kan spelen in de strijd tegen desinformatie.

Ja, dat ben ik met hen eens. Het kabinet heeft in het afgelopen halfjaar het gesprek geopend met verschillende partijen in de samenleving over het tegengaan van desinformatie. Mediawijsheid speelt zeker een rol in deze discussie. Het is belangrijk dat burgers online en offline in staat zijn zelf nieuws en informatie in het algemeen op waarde te schatten.

Tot slot zien de leden van de D66-fractie mogelijkheden in het transparant maken van algoritmen en vragen hierop mijn reactie.

De concept gedragscode die het Multi-stakeholder forum on online disinformation bijeengeroepen door de Europese Commissie voorstelt is mede gericht op het vergroten van inzicht in de werking van algoritmen van onlinediensten. Het kabinet is positief dat een van de onderwerpen bij het opstellen van de gedragscode het verkrijgen van inzicht in de werking van algoritmen van onlinediensten is.

Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie

De leden van de PVV-fractie vragen wat ik heb gedaan om de wens van de Tweede Kamer, om per omgaande EU vs. Disinfo op te heffen, gehoord te krijgen bij de Europese Commissie. Zij vragen gedetailleerd te antwoorden met vermelding van data en functionarissen en/of hun functies. Daarnaast vragen zij of ik haar als alternatief heb verzocht om zich, indien men het verzoek in de wind heeft geslagen, op zijn minst niet meer met Nederland te bemoeien. En als ik dat niet heb gedaan vragen zij of ik bereid ben dat alsnog te doen. In het geval de Europese Commissie dit verzoek weigerde vragen deze leden hoe ik wens deze onwil tegenover de democratische gekozen volksvertegenwoordiging te kwalificeren.

In de brief die onlangs aan de Tweede Kamer is gestuurd over de voortgang van de uitvoering van de motie Kwint en Yesilgöz-Zegerius waarin de regering wordt opgeroepen zich in EU verband uit te spreken voor de vrijheid van de pers en zich hard te maken voor het opheffen van de website EUvsDisinfo, is aangegeven dat de East StratCom Taskforce haar mandaat vindt in de conclusies van de Europese Raad van maart 2015 en dat zij opereert binnen de Europese Dienst voor Extern Optreden (EDEO). De website EUvsDisinfo valt onder de verantwoordelijkheid van deze Taskforce. Daarmee valt het buiten de competentie van de Europese Commissie. Om die reden heeft de regering het standpunt van de Kamer uit de motie Kwint/Yesilgöz-Zegerius in gesprekken met EDEO aan de orde gesteld, alsook in contacten met EU-lidstaten en in andere EU-gremia. In gesprekken met EDEO heeft de Dienst het signaal afgegeven dat de werkwijze inmiddels is aangepast. Door EDEO werd benadrukt dat, in lijn met het mandaat gegeven door de Europese Raad, de focus van de activiteiten van de Taskforce ligt op de landen van het Oostelijke Partnerschap. Het kabinet blijft de motie echter uitdragen in de verscheidene relevante EU-gremia.


X Noot
1

Zie dossier E180014 op www.europapoort.nl

X Noot
2

Samenstelling Justitie en Veiligheid: Engels (D66), Kox (SP), Van Bijsterveld (CDA), (vice-voorzitter), Duthler (VVD), (voorzitter), Ten Hoeve (OSF), Koffeman (PvdD), Strik (GL), Knip (VVD), Backer (D66), Schouwenaar (VVD), Van Strien (PVV), Kok (PVV), Gerkens (SP), Vlietstra (PvdA), Lokin-Sassen (CDA), Bredenoord (D66), Dercksen (PVV), D.J.H. van Dijk (SGP), Van Rij (CDA), Rombouts (CDA), Van de Ven (VVD), Wezel (SP), Bikker (CU), Baay-Timmerman (50PLUS) Van Zandbrink (PvdA), vacature (PVV) en Fiers (PvdA).

X Noot
3

Samenstelling Economische Zaken en Klimaat/Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit: Nagel (50PLUS), Ten Hoeve (OSF), Huijbregts-Schiedon (VVD), Koffeman (PvdD), Kuiper (CU),Schaap (VVD), Flierman (CDA), Ester (CU), Vos (GL), Kok (PVV), (vice-voorzitter), vacature (PVV), Gerkens (SP) (voorzitter), Atsma (CDA), N.J.J. van Kesteren (CDA), Reuten (SP), Pijlman (D66), Prast (D66), Van Rij (CDA), Schalk (SGP), Schnabel (D66), Verheijen (PvdA), Klip-Martin (VVD), Overbeek (SP), De Bruijn-Wezeman (VVD), Van der Sluijs (PVV), Van Zandbrink (PvdA) en Fiers (PvdA).

X Noot
4

Samenstelling Binnenlandse Zaken en de Hoge Colleges van Staat/Algemene Zaken en Huis van de Koning: Engels (D66), (voorzitter), Nagel (50PLUS), Meijer(SP), Van Bijsterveld (CDA), Duthler (VVD), Ten Hoeve (OSF), Huijbregts-Schiedon (VVD), Van Kappen (VVD), Koffeman (PvdD), Strik (GL), De Vries-Leggedoor (CDA), Flierman (CDA), De Graaf (D66), Schouwenaar (VVD), Van Strien (PVV), P. van Dijk (PVV), Gerkens (SP), Van Hattem (PVV), Köhler (SP), (vice-voorzitter), Lintmeijer (GL), Pijlman (D66), Rombouts (CDA), Schalk (SGP), Verheijen (PvdA), Bikker (CU), Klip-Martin (VVD), Sini (PvdA), Van der Sluijs (PVV) en Fiers (PvdA).

X Noot
5

COM(2018)236; zie voor de behandeling in de Eerste Kamer dossier E180014 op www.europapoort.nl.

X Noot
6

COM(2018)236; zie voor de behandeling in de Eerste Kamer dossier E180014 op www.europapoort.nl.

X Noot
8

COM(2018)236, p. 10-11.

X Noot
9

COM(2018)236; zie voor de behandeling in de Eerste Kamer dossier E180014 op www.europapoort.nl.

X Noot
11

TK 2017–2018, 22 112, nr. 2608

X Noot
13

TK 2017–2018, 34 970, nr. A