Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 21 maart 2018
Tijdens het Algemeen Overleg Energie van 18 januari jl. (Kamerstukken 29 023, 31 239 en 30 196, nr. 229) heb ik uw Kamer toegezegd met een appreciatie te komen van de amendementen van het
Europees Parlement op het gebied van de doelen voor hernieuwbare energie en energie-efficiëntie
voor 2030. Hierbij stuur ik u deze appreciatie.
Achtergrond van de Europese doelen
Tijdens de Europese Raad van oktober 2014 is unaniem een doel overeenkomen van ten
minste 40% CO2-reductie in 2030. Bij dit CO2-doel is een bindend EU-doel voor het aandeel hernieuwbare energie van 27% in 2030
afgesproken, alsook een indicatief EU-doel van 30% energie-efficiëntie in 2030.1 De doelen voor energie-efficiëntie en hernieuwbare energie komen voort uit berekeningen
van de Europese Commissie van kosteneffectieve invulling van het CO2-doel van 40%.
In de Energieraden over de relevante wetgevingsvoorstellen uit het Clean Energy Package
(Winterpakket) in juni en december 2017 is een Raadsakkoord bereikt. Daarin zijn de
hoogte en aard van de doelen niet aangepast ten opzichte van 2014. Deze positie vormt
de inzet in de trilogen tussen de voorzitter van de Raad en het Europees Parlement.
Amendementen Europees Parlement
Op 17 januari jl. heeft het Europees Parlement amendementen aangenomen over hogere
en meer bindende doelen. Deze stellen het volgende voor:
-
– Een op EU-niveau bindend doel voor een aandeel hernieuwbare energie van 35%. Lidstaten
krijgen in eerste instantie zelf de mogelijkheid om hun nationale, bindende doel te
bepalen. Indien de nationale doelen opgeteld onvoldoende zijn om het EU-doel te halen,
dan moeten lidstaten hun nationale doelen verhogen aan de hand van de door het EP
voorgestelde verdeelsleutel;
-
– Een op EU-niveau bindend doel van 35% voor energie-efficiëntie, waarbij de lidstaten
zelf hun nationale, bindende doelen moeten stellen die iedere twee jaar wordt getoetst.
Nederlandse positie ten aanzien van de Europese doelen
In lijn met het regeerakkoord (bijlage bij Kamerstuk 34 700, nr. 34) pleit het kabinet ervoor de ambitie voor de reductie van broeikasgassen centraal
te stellen in de EU en het aan de lidstaten te laten om het doel op efficiënte wijze
te halen. Het is mijn ambitie om het Europese emissiereductiedoel voor 2030 te verhogen
van ten minste 40% naar 55%. Het is evident dat voor de opgave van CO2-reductie de komende jaren een forse inzet op hernieuwbare energie en energie-efficiëntie
nodig zal zijn. De optimale verhouding tussen deze instrumenten en andere CO2-reducerende technieken is echter vooraf niet vast te stellen. Ook is deze mix onderhevig
aan maatschappelijke, economische en technologische ontwikkelingen. Flexibiliteit
ten aanzien van de instrumenten voor realisatie van het CO2-doel op lange termijn is dus van belang om ruimte te kunnen bieden aan innovatie
en andere onvoorziene ontwikkelingen.
Het is de verwachting dat het Europese CO2-doel van 40% in 2030 niet toereikend is om de doelen van de Overeenkomst van Parijs
te halen. Daarom pleit ik in de Europese gremia voor een ophoging van het Europese
doel voor CO2-reductie naar 55% voor 2030. Met een kopgroep van gelijkgezinde landen wil ik deze
verhoging op EU-niveau realiseren. Ik verwacht echter op korte termijn nog weinig
ruimte voor deze verhoging, gezien een groot aantal lidstaten zich eerst wil richten
op implementatie van het pakket aan maatregelen dat nodig is om het bestaande 2030-doel
te realiseren. Bij de besprekingen over verhoging van de doelen voor hernieuwbare
energie en energie-efficiëntie zal ik blijven benadrukken dat deze discussie moet
worden gekoppeld aan een verhoging van het Europese CO2-doel.
In lijn met de aangenomen motie van GroenLinks (Handelingen II 2017/18, nr. 34, item 12) bij het VSO Energieraad van 13 december 2017 (Handelingen II 2017/18, nr. 34, item 8) zal ik in principe meegaan met ophoging van de doelen, ook omdat dit uiteindelijk
bijdraagt aan meer CO2-reductie op EU-niveau. Hierbij geldt wel de voorwaarde dat de kosteneffectieve realisatie
van het Nederlandse CO2-doel en het nationale Klimaatakkoord niet wordt belemmerd. Voor de inschatting of
de verhoogde Europese doelen passen binnen het Nederlandse kosteneffectieve reductiepad,
is naast de hoogte van de Europese doelen relevant wat hun aard is (bindend of indicatief
op Europees en nationaal niveau) en hoe de verdeling van het Europese doel over de
lidstaten wordt. Dit laat ik nader onderzoeken en ik zal uw Kamer op korte termijn
nader informeren over de resultaten van dit onderzoek.
De Minister van Economische Zaken en Klimaat,
E.D. Wiebes