Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2015-201630196 nr. 390

30 196 Duurzame ontwikkeling en beleid

31 239 Stimulering duurzame energieproductie

Nr. 390 BRIEF VAN DE MINISTER VAN ECONOMISCHE ZAKEN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 5 februari 2016

Tijdens het Algemeen Overleg Energie van 16 december 2015 heeft uw Kamer een groot aantal vragen gesteld over uiteenlopende dossiers met betrekking tot het energiebeleid. Tijdens mijn eerste termijn ben ik onder meer ingegaan op vragen van uw Kamer over de mogelijkheden tot uitfasering van kolencentrales, bij- en meestook van biomassa in kolencentrales en het CO2-afvang en opslagproject ROAD in relatie tot het realiseren van de doelen voor hernieuwbare energie en de uitvoering van het vonnis in de Urgenda-zaak. Ook heb ik vragen over het windpark De Drentse Monden en Oostermoer beantwoord. Verder ben ik ingegaan op een aantal specifieke vragen over de leveringszekerheid en interconnectiviteit op de elektriciteitsmarkt en over de energievoorziening op Caribisch Nederland. Vanwege tijdgebrek heb ik niet kunnen reageren op andere vragen die door de verschillende leden zijn gesteld. Zoals toegezegd stuur ik uw Kamer hierbij mijn reactie op de punten die ik niet mondeling heb kunnen beantwoorden.

Wind op land

Het lid Jan Vos (PvdA) vroeg welke ruimte de gebiedscoördinatoren hebben die ik heb aangesteld bij enkele wind op land projecten die onder de Rijkscoördinatieregeling (RCR) vallen. Bij de RCR-procedures rond de windparken De Drentse Monden en Oostermoer en N33 zijn gebiedscoördinatoren aangesteld. Voor windpark Friesland zal dit op korte termijn gebeuren. De gebiedscoördinatoren voeren een verkenning uit naar de wenselijkheid van en mogelijkheden voor participatie en profijt voor de omgeving, gegeven het voorgenomen windpark. In het vervolgtraject kan de gebiedscoördinator daar indien gewenst met betrokken partijen invulling aan geven. De gebiedscoördinator gaat bij deze windparken niet over het inpassingsplan en de formele RCR-procedure, omdat voor deze parken al een voorkeursalternatief is vastgesteld.

Het lid Smaling (SP) vroeg naar de stand van zaken rond windmolens bij Amsterdam. De provincie Noord-Holland heeft in het provinciaal beleid aanvullende eisen gesteld aan de ruimtelijke inpassing van windparken. Op basis van dit beleid selecteert de provincie de projecten die gerealiseerd mogen worden. Hierbij kan het gebeuren dat er projecten afvallen. Zolang er binnen de aanvullende eisen van de provincie voldoende projecten overblijven om de provinciale doelstelling te realiseren, past het beleid van de provincie Noord-Holland in de bestuurlijke afspraken over wind op land, zoals die in 2013 tussen het Rijk en IPO zijn gemaakt.

Het lid Dik-Faber (CU) heeft gevraagd of het maximum van 685,5 MW wind op land dat de provincie Noord-Holland hanteert een risico vormt voor het realiseren van de doelstelling in deze provincie. Het beleid van de provincie Noord-Holland ten aanzien van wind op land is dat de provinciale doelstelling van 685,5 MW aan opgesteld vermogen niet alleen het minimum is, maar ook het maximum van wat er tot en met 2020 mag worden gerealiseerd. Het al te strak sturen op een exact aantal MW kent inderdaad een risico, omdat projecten in praktijk vaak net iets kleiner uitvallen dan gepland. Tegelijkertijd is dit bij de provincie Noord-Holland ook bekend en ligt de provincie op schema om de doelstelling in 2020 te realiseren.

Het lid Dik-Faber (CU) vroeg daarnaast naar de stand van zaken omtrent de radar bij De Kooij en hoe het Ministerie van Infrastructuur en Milieu hierbij betrokken is. Tussen de drie betrokken departementen (Infrastructuur en Milieu, Defensie en Economische Zaken) vindt hierover goed en constructief overleg plaats. Uitgangspunt hierbij is dat verstoringen van radarinstallaties van Defensie en de Luchtverkeersleiding Nederland door Wind op Land projecten niet boven bepaalde normen mogen uitkomen.

Energiebesparing

Het lid Mulder (CDA) vroeg naar het halen van de doelstelling van 100 PJ extra energiebesparing in 2020 uit het Energieakkoord. Van dit doel wordt volgens de Nationale Energieverkenning (NEV) 2015 met de reeds ingezette maatregelen 55,4 PJ gerealiseerd. In de Voortgangsrapportage 2015 van de Borgingscommissie Energieakkoord zijn met de partijen bij het Energieakkoord een aantal intensiveringen afgesproken om dit doel weer binnen bereik te brengen (Kamerstuk 30 196 nr. 381). Dit betreft onder andere aanvullende maatregelen voor energiebesparing in de koop- en huursector, een intensivering van de handhaving van de Wet milieubeheer, afspraken over een planmatige uitrol van de 1-op-1 afspraken met de energie-intensieve industrie en diverse maatregelen in de verkeer- en vervoersector. Op basis van deze intensiveringen hebben de 47 partijen bij het Energieakkoord met elkaar in de Voortgangsrapportage geconcludeerd dat het doel van 100 PJ energiebesparing in 2020 binnen bereik is.

Het lid Dik-Faber (CU) vroeg naar de stand van zaken omtrent energiebesparing in de industrie. Ook voor de energiebesparing in de industrie zijn intensiveringen afgesproken in het kader van de Voortgangsrapportage van de Borgingscommissie Energieakkoord. Het betreft onder andere intensivering van de handhaving van de Wet milieubeheer en een planmatige uitrol van de 1-op-1 afspraken onder coördinatie van VNO-NCW die ertoe leidt dat er voor 1 mei 2016 voldoende concrete voorstellen liggen voor in totaal 9 PJ extra energiebesparing bij energie-intensieve bedrijven. Met deze intensiveringen zijn de doelen voor energiebesparing in de industrie binnen bereik.

De leden Van Tongeren (GroenLinks) en Jan Vos (PvdA) vroegen naar de handhaving van de energiebesparingsverplichting uit de Wet milieubeheer, naar de beschikbare capaciteit voor handhaving, naar de beboeting van bedrijven en naar hoeveel bedrijven voldoen aan de wetgeving. De handhaving van de Wet milieubeheer wordt gedaan door de regionale uitvoeringsdiensten. In het Energieakkoord hebben we afgesproken om de handhaving van de Wet milieubeheer effectiever te maken. Dat doen we doordat de regionale uitvoeringsdiensten meer prioriteit geven aan toezicht op de energiebesparingsverplichting en door met erkende maatregelenlijsten handhaving eenvoudiger te maken. De regionale uitvoeringsdiensten prioriteren bij de handhaving op de grootste verbruikers, waardoor zoveel mogelijk effect kan worden gerealiseerd. In de voortgangsrapportage van de Borgingscommissie Energieakkoord is afgesproken om de handhaving van de Wet Milieubeheer verder te intensiveren door uitbreiding van het aantal erkende maatregelenlijsten en tijdelijke uitbreiding van de capaciteit voor de handhaving.

Het lid Smaling (SP) vroeg naar de stand van zaken rond de energie-audits. Op basis van de Europese richtlijn energie-efficiëntie zouden grote ondernemingen uiterlijk 5 december 2015 hun eerste energie-audit moeten hebben uitgevoerd. Het toesturen van de audits aan het bevoegd gezag en beoordeling van de audits door het bevoegd gezag neemt echter nog enige tijd in beslag. De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl) monitort de voortgang van deze verplichting en kan in de loop van 2016 de balans opmaken. Overigens wordt voor een belangrijk deel voldaan aan de auditplicht, omdat grote ondernemingen invulling kunnen geven aan de energie-audit op basis van hun deelname aan de convenanten MJA3 en de Meerjarenafspraak energie-efficiëntie ETS-ondernemingen (MEE). Er zijn circa 1100 deelnemende bedrijven aan MJA3 en MEE die circa 80% van het energieverbruik door het bedrijfsleven en circa 25% van het Nederlandse energieverbruik dekken.

SDE+

Het lid Mulder (CDA) vroeg of de Kamer voor het zomerreces geïnformeerd kan worden over de resultaten van de eerste ronde van de SDE+ in maart. De eerste ronde van de SDE+ 2016 wordt opengesteld van 1 maart tot 31 maart. Ik zal uw Kamer na afloop van deze ronde een overzicht doen toekomen van de ingediende aanvragen per categorie. Nadat de aanvragen zijn behandeld en het beschikbare budget is toegekend, zal ik uw Kamer informeren over de beschikking van het SDE+-budget. Ik streef ernaar om dit overzicht voorafgaand aan de tweede openstelling, voorzien op 30 augustus, beschikbaar te stellen.

Het lid Klever (PVV) vroeg naar de verhouding tussen de basisenergieprijs en het basisbedrag in de SDE+, welk rendement ondernemers in de SDE+ kunnen maken en hoe dat rendement zich verhoudt tot de rendementen voor ondernemers buiten de SDE+. De SDE+ compenseert het verschil tussen de kostprijs van een hernieuwbaar energieproject en de marktwaarde van de geleverde energie, de onrendabele top. Hiervoor wordt voor ieder project een basisbedrag vastgelegd in de SDE+-beschikking. Het basisbedrag is de geraamde gemiddelde kostprijs die nodig is om met de betreffende technologie één kWh op te wekken. De marktwaarde is met name gebaseerd op de gemiddelde groothandelsprijzen voor energie (correctiebedrag). Daarnaast gelden er voor enkele categorieën specifieke correcties, zoals de profiel- en onbalanskosten bij wind- en zonne-energie. Wanneer de marktwaarde stijgt, nemen de onrendabele top en derhalve de te ontvangen subsidie af. Een lagere marktwaarde zorgt omgekeerd voor een grotere onrendabele top en een hogere subsidie. De maximale subsidie per kWh die een producent kan krijgen, is begrensd door de basisenergieprijs. De basisenergieprijs is vastgesteld op tweederde van de langjarige energieprijs. Als de energieprijs onder de basisenergieprijs zakt, neemt de subsidie per eenheid energie niet meer toe.

Om vooraf te bepalen wat het benodigde basisbedrag is, wordt per technologie-categorie in de SDE+ vastgesteld wat de investeringskosten, de operationele kosten en de financieringskosten zijn. Daaruit volgt het basisbedrag, zoals gehanteerd in de SDE+. Om deze basisbedragen vast te stellen, wordt ECN jaarlijks gevraagd om een uitgebreid advies uit te brengen. Deze adviesrapporten staan open voor consultatie, worden onderworpen aan een review door een onafhankelijke buitenlandse partij en worden na afronding openbaar gemaakt. Bij de bepaling van de basisbedragen wordt gerekend met een gemiddeld rendement op vreemd vermogen van 4,5 tot 5 procent en een rendement op eigen vermogen van 12 tot 15 procent. Het uiteindelijke rendement is afhankelijk van de werkelijk gemaakte kosten. Het is belangrijk om op te merken dat uit het rendement op eigen vermogen nog enkele kosten moeten worden gefinancierd die niet in de kostprijsberekeningen zijn meegenomen. De rendementen worden jaarlijks vastgesteld en zijn vergelijkbaar met de rendementen op investeringen met een soortgelijk risicoprofiel. Op deze manier worden hernieuwbare energieprojecten gestimuleerd, maar wordt er gemiddeld genomen niet meer subsidie verleend dan redelijkerwijs noodzakelijk is.

Het lid Klever (PVV) stelde dat de inkomsten uit de Opslag Duurzame Energie (ODE) lager zijn dan de verplichtingen die worden aangegaan via de SDE+. Dit komt doordat de ODE zo is vastgesteld dat de verwachte inkomsten uit de ODE gelijk zijn aan de verwachte kasuitgaven aan de SDE+. Zoals tabel 1 laat zien gaat het verplichtingenbudget voor de SDE+, anders dan de verwachte kasuitgaven aan de SDE+, uit van het maximale subsidiebedrag per kWh (dit is het verschil tussen het basisbedrag en de basisenergieprijs). Dit is het maximale bedrag dat in de SDE+-beschikking is vastgelegd en waarvoor het Rijk derhalve een juridische verplichting aangaat. De verwachte kasuitgaven (het totaal aan subsidie) zijn gebaseerd op het verwachte subsidiebedrag, waarin de verwachte marktwaarde van hernieuwbare energie is verwerkt. Omdat over het algemeen geldt dat de verwachte marktwaarde van hernieuwbare energie over de looptijd van een project gemiddeld hoger ligt dan de basisenergieprijs (de minimale elektriciteitsprijs in tabel 1), zijn de verwachte kasuitgaven en daarmee de benodigde inkomsten uit de ODE, waaruit deze kasuitgaven worden gedekt, lager dan het verplichtingenbudget.

Tabel 1: illustratieve weergave van het verschil tussen kasuitgaven en verplichtingenbudget in de SDE+

Tabel 1: illustratieve weergave van het verschil tussen kasuitgaven en verplichtingenbudget in de SDE+

Het lid Van Tongeren (GroenLinks) vroeg namens het lid Van Veldhoven (D66) naar de opbouw van de begrotingsreserve duurzame energieproductie. De begrotingsreserve, die in 2013 is opgericht, biedt de mogelijkheid om kasmiddelen voor hernieuwbare energieproductie die in een jaar onbenut blijven te behouden voor uitgaven in latere jaren. Onderstaande tabel laat de bedragen zien die jaarlijks naar de begrotingsreserve zijn overgeheveld. Zoals de tabel laat zien is er de afgelopen jaren voor € 1,097 miljard overgeboekt naar de begrotingsreserve. Zoals ik uw Kamer eerder gemeld heb, is er in 2015 € 20 miljoen uit de begrotingsreserve onttrokken, ten behoeve van een tijdelijke «voorfinanciering» van enkele knelpunten en intensiveringen. Hiermee bedraagt de begrotingsreserve ultimo 2015 € 1,078 miljard. De onttrokken middelen worden in de periode 2021–2026 weer aan de begrotingsreserve toegevoegd.

 

bedragen x € 1.000

 

2013

2014

2015

totaal

beschikbare middelen (stand 2e suppl. jaar t)

     
 

MEP

   

528.000

447.950

364.987

1.340.937

 

SDE e.a.

   

285.372

404.745

515.872

1.205.989

 

SDE+, inclusief Topsectoren

100.000

200.000

330.232

630.232

 

totaal beschikbaar

 

913.372

1.052.695

1.211.091

3.177.158

               
           

gerealiseerde kasuitgaven

         
 

MEP

   

505.321

432.032

362.995

1.300.348

 

SDE e.a.

   

141.935

184.887

218.779

545.601

 

SDE+, inclusief Topsectoren

41.109

66.420

125.894

233.423

 

totaal gerealiseerd

 

688.365

683.339

707.668

2.079.372

             
         

saldo beschikbaar -/- gerealiseerd

       
 

MEP (algemene middelen)

22.679

15.918

1.992

40.589

 

SDE e.a. (algemene middelen)

143.437

219.858

297.093

660.388

 

SDE+, inclusief Topsectoren (ODE)

58.891

133.580

204.338

396.809

 

Totaal toegevoegd aan Begrotingsreserve

225.007

369.356

503.423

1.097.786

Het lid Mulder (CDA) benoemde de problematiek rond het stimuleren van geothermie en vroeg of ik na wil denken over een ander subsidiesysteem dan de SDE+ voor geothermie. In mijn brief over de NEV 2015 van 9 oktober jl. (Kamerstuk 30 196, nr. 363) heb ik aangegeven dat ik de effectiviteit van het huidige overheidsinstrumentarium voor het stimuleren van geothermie wil gaan onderzoeken. Mocht uit dit onderzoek blijken dat een ander subsidie-instrument dan de SDE+ beter zou kunnen werken om geothermie op een kosteneffectieve wijze te stimuleren, dan zal ik dat ook overwegen. Voor meer informatie verwijs ik naar mijn brief over financiering van geothermie van 27 januari jl. (Kamerstuk 31 239, nr. 210). Ik verwacht uw Kamer in april 2016 te kunnen informeren over de onderzoeksresultaten.

Energierekening

Het lid Klever (PVV) vroeg waar de verdubbeling van de energieprijs die in de NEV 2015 wordt verwacht op is gebaseerd en wat dit betekent voor de werkgelegenheid in de energie-intensieve industrie. Anders dan het lid Klever aangeeft is er geen sprake van een verdubbeling van de energieprijzen in de periode 2015–2025. Uit de NEV 2015 blijkt dat de internationaal bepaalde gasprijs gemiddeld stijgt van 0,24 €/m3 naar 0,31€/m3. De NEV baseert zich op de energieprijsraming van het Internationaal Energie Agentschap (IEA). Voor elektriciteit gaat het om een toename van de Noordwest-Europese groothandelsprijs van elektriciteit van € 0,043/kWh in 2015 naar € 0,065/kWh in 2025. Enerzijds komt deze toename van de prijs voort uit de brandstofprijzen, anderzijds door internationale vraag- en aanbodfactoren. Aangezien deze ingeschatte prijsontwikkeling niet specifiek voor Nederland geldt maar daarentegen juist ook voor de ons omringende landen, voorzie ik uit hoofde daarvan geen negatief effect op de werkgelegenheid in bijvoorbeeld de energie-intensieve industrie.

Het lid Smaling (SP) vroeg om meer inzicht in de effecten van de energietransitie op de energierekening van huishoudens en op de koopkracht. Zoals ik uw Kamer eerder heb toegezegd zijn in de NEV 2015 meer verschillende scenario’s opgenomen van de ontwikkelingen van de energierekening van huishoudens dan in de NEV 2014 het geval was. Deze verschillende scenario’s geven een beeld van de effecten van het beleid op verschillende huishoudens. Dit beeld is gedifferentieerd en de effecten op de energierekening zijn afhankelijk van de grootte en locatie van een huis, de mate waarin een huishouden energiebesparende maatregelen neemt en de vraag of een huishouden via zonnepanelen of anderszins deels in de eigen energiebehoefte voorziet. In de algemene koopkrachtberekeningen die het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid opstelt wordt ook rekening gehouden met de energierekening. De energierekening werkt in deze berekeningen namelijk door in het inflatiecijfer.

ECN

Het lid Van Tongeren (GroenLinks) vroeg naar de situatie bij ECN. Ik heb uw Kamer bij brief van 4 december 2015 (Kamerstuk 30 196, nr. 369) geïnformeerd over de situatie bij ECN en het financieel arrangement om cruciale kennis in 2016 te kunnen behouden. In die brief heb ik aangegeven een extern bureau onderzoek te laten doen naar hoe het toekomstige energieonderzoek van ECN vanaf 2017 moet worden ingericht. Berenschot gaat het onderzoek uitvoeren en is inmiddels met het onderzoek gestart. Voor het zomerreces bericht ik uw Kamer over de uitkomsten.

Het lid Van Tongeren (GroenLinks) vroeg ook naar mijn ambities met betrekking tot energie-innovatie en hoe de bezuinigingen op ECN zich verhouden tot de plannen van landen om de innovatie-uitgaven te verdubbelen, naar aanleiding van de klimaatconferentie in Parijs. Het kabinet vindt inzet op energie-innovatie van groot belang. In het Energierapport heb ik mijn ambities met betrekking tot energie-innovatie uiteengezet. Tijdens de Energiedialoog wil ik in gesprek gaan over de benodigde inspanningen van de overheid, kennisinstellingen en het bedrijfsleven op energie-innovaties voor de middellange en lange termijn. Op basis hiervan zal ik ook bezien of we aansluiting kunnen zoeken bij het Mission Innovation initiatief en zal ik bezien welke inspanningen van de toegepaste kennisinstituten, waaronder ECN, nodig zijn. Voor het Mission Innovation initiatief verwijs ik uw Kamer verder naar de brief van 15 december 2015 (Kamerstuk 31 239, nr. 209).

Fracking

Het lid Dik-Faber (CU) vroeg om de fracking bij Saaksum stop te zetten en of ik bereid ben druk uit te oefenen op NAM om te wachten met fracken totdat de wijzigingen in de Mijnbouwwet van kracht zijn. Allereerst wil ik benadrukken dat ik heb toegezegd dat voor nieuwe frackactiviteiten, vooruitlopend op de inwerkingtreding van de voorgenomen wijzigingen in de Mijnbouwwet, waar mogelijk conform deze wijzigingen wordt gehandeld. Dit gebeurt door een instemmingsprocedure te hanteren waarbij provincie, gemeenten en waterschappen om advies worden gevraagd. Het volledig stilleggen van de productie in afwachting van de wijzigingen acht ik niet wenselijk en ook niet nodig. Wat betreft Saaksum heeft NAM zelf aangegeven dat fracking is uitgesteld en dat nog niet duidelijk is wanneer dit wel aan de orde zou zijn.

Het lid Mulder (CDA) vroeg te wachten met fracken totdat het onderzoek van Staatstoezicht op de Mijnen is afgerond. Staatstoezicht op de Mijnen zal mij uiterlijk eind februari de resultaten toesturen en ik zal deze daarna met uw Kamer delen. Ik acht het niet noodzakelijk om deze resultaten af te wachten. Ik heb al eerder aangegeven dat het bij conventionele gaswinning om een kortdurende behandeling gaat en de kans op aardbevingen klein is. De voorgestelde maatregelen die ik bij nieuwe activiteiten vooruitlopend op wetswijzigingen zal vragen, acht ik toereikend.

Overig

Het lid Mulder (CDA) vroeg wanneer de onderzoeksresultaten van het onderzoek naar de regionale effecten van de windparken op zee bekend worden.

De uitkomsten van het onderzoek naar de regionale effecten van de windparken op zee zullen in de tweede helft van februari worden gepubliceerd.

Het lid Van Tongeren (GroenLinks) heeft gevraagd hoe de overgang omtrent energielabelling wordt gerealiseerd, of er een bepaalde periode twee labels naast elkaar komen en of er een informatiecampagne komt. Op Europees niveau is het gesprek over de vormgeving van een informatieve campagne voor de consument nog gaande. Enkele lidstaten vragen om een stevige rol voor de Europese Commissie om daarmee een consistente, Europa-brede informatievoorziening te verzorgen. De rapporteur van het Europees Parlement heeft aangegeven het belang van de consument centraal te willen stellen bij de wijziging van de wetgeving en de informatievoorziening. Ik verwacht dat het Europees Parlement eind mei 2016 een standpunt bepaalt en dat de Europese besluitvorming begin september 2016 wordt afgerond. De Europese Commissie heeft in haar voorstel voor energielabels duidelijke regels opgenomen voor de transitieperiode om verwarring bij de consument zo veel mogelijk te voorkomen. Wanneer een label is herschaald, moeten alle energielabels zo snel mogelijk vervangen worden. Daarnaast mogen handelaren het nieuwe label pas tonen op de ingangsdatum van het nieuwe label.

Ten slotte vroeg het lid Smaling (SP) naar de uitwerking van de werkgelegenheidspijler uit het Energieakkoord. Hiervoor zijn met name de vakbonden, werkgevers en de Topsector Energie verantwoordelijk. Met de Human Capital Agenda van de Topsector wordt hier onder andere invulling aan gegeven. Uit de NEV 2015 blijkt dat het Energieakkoord zeer positieve effecten heeft op de werkgelegenheid. Tot 2020 worden er netto 80.000 extra banen gecreëerd in hernieuwbare energie en energiebesparing.

De Minister van Economische Zaken, H.G.J. Kamp