Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2015-201629911 nr. 129

29 911 Bestrijding georganiseerde criminaliteit

Nr. 129 BRIEF VAN DE MINISTER VAN VEILIGHEID EN JUSTITIE

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 30 augustus 2016

Hierbij doe ik u toekomen het Jaarverslag RIEC-LIEC 2015 – resultaten van de 10 Regionale Informatie en Expertise Centra (RIEC’s) en het Landelijk Informatie en Expertise Centrum (LIEC) – en de «Rapportage aanpak georganiseerde ondermijnende criminaliteit 2015» van het Openbaar Ministerie en de Nationale Politie1.

Algemeen

In 2015 zijn door het Openbaar Ministerie, de Nationale Politie, het openbaar bestuur, de Belastingdienst, de Bijzondere Opsporingsdiensten en de Koninklijke Marechaussee – vaak in nauwe samenwerking met elkaar – lovenswaardige resultaten geboekt. De integrale aanpak van ondermijnende criminaliteit wordt elk jaar intensiever en werpt zijn vruchten af. Een positieve ontwikkeling is dat het gevoel van urgentie en besef van de eigen rol hierin bij deze partners steeds groter wordt.

Dat we op de goede weg zijn leid ik af uit de resultaten van het werk dat de genoemde partners afgelopen jaar hebben verricht. Dit blijkt onder andere uit het aantal geïntegreerde casussen dat de partners in de verschillende regio’s gezamenlijk in RIEC-verband hebben opgepakt: bij elkaar opgeteld 1.516 ten opzichte van 1.445 in 2014. Voorts hebben het Openbaar Ministerie, de Nationale Politie en andere opsporingsdiensten in het afgelopen jaar 1.765 criminele samenwerkingsverbanden (csv’s) onderzocht. Ook de strafrechtelijke afpakresultaten blijven jaar op jaar toenemen. In 2015 is € 143,5 miljoen crimineel vermogen geïncasseerd. Een goede prestatie, gezien de doelstelling van € 90,6 miljoen.

Ik onderschrijf de constatering van de partners dat ondanks de goede resultaten nog het nodige werk te verzetten valt. Ondermijning is een hardnekkig probleem dat nog stevig in de maatschappij geïnfiltreerd is. De signalen over de verwevenheid van onder- en bovenwereld en toename van het onderlinge geweld tussen criminelen, laten dat helaas maar al te goed zien.2 De aanpak vergt nog langdurige, intensieve en gezamenlijke inzet van alle betrokken partijen. Deze problematiek, die in tientallen jaren is ontstaan, kan immers niet in een paar jaar worden opgelost.

Jaarverslag RIEC-LIEC

Uit het jaarverslag RIEC-LIEC 2015 blijkt dat de bestuurlijke en geïntegreerde aanpak zich verder ontwikkelt. De RIEC’s zijn niet meer weg te denken uit de bestuurlijke en integrale aanpak van ondermijnende criminaliteit en het zorgdragen voor het bewustzijn van het lokaal bestuur. Dankzij de bestuurlijke criminaliteitsbeeldanalyses (in sommige regio’s ondermijningsbeelden geheten) is het integrale zicht op de georganiseerde, ondermijnende criminaliteit substantieel vergroot. De landelijk gecoördineerde aanpak Outlaw Motorcycle Gangs (OMG’s), met een solide lokale basis in RIEC/LIEC-verband, heeft inmiddels een stevige en door alle partners gewaardeerde vorm gekregen3. Ook de landelijk als prioriteit benoemde thema’s zoals het bestrijden van illegale hennepteelt en mensenhandel staan goed op de kaart.

Door de toenemende aandacht vanuit het lokaal bestuur, hebben de RIEC’s en het LIEC meer aandacht besteed aan het casusgericht ondersteunen van gemeenten en provincies, onder andere door ondersteuning bij Bibob-toetsen – bij elkaar opgeteld 1.396 maal in 2015. Daarnaast vergroten de RIEC’s het bewustzijn door middel van het overdragen van best practices, via lokale en landelijke bijeenkomsten, op diverse niveaus van het openbaar bestuur (burgemeesters en Commissarissen van de Koning). Verder is in 2015 in meerdere regio’s een doorontwikkeling gestart van de RIEC-bureaus. Belangrijke punten daarbij zijn onder andere het professionaliseren, het vereenvoudigen van weegmomenten en het dichter positioneren van de bureaus bij districten.

Binnen afzienbare tijd ontvangt uw Kamer een aantal evaluaties en onderzoeken op het terrein van de bestuurlijke aanpak. Ik heb onder andere het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC) gevraagd om de stand van zaken van de bestuurlijke aanpak bij gemeenten in kaart te brengen, in navolging op de nul-4 en een-meting bestuurlijke aanpak5. Uw Kamer ontvangt dit onderzoek voor het eind van dit jaar. Zoals ik u in mijn brief van 6 november 20156 heb toegezegd, ontvangt u begin 2017 een fenomeenanalyse naar de beïnvloeding van het lokaal bestuur door de georganiseerde criminaliteit.

Rapportage aanpak door Openbaar Ministerie en Nationale Politie

Ook binnen de strafrechtsketen zijn stevige resultaten geboekt en de doelstellingen voor de aanpak van georganiseerde, ondermijnende criminaliteit – neergelegd in de Veiligheidsagenda 2015–2018 – behaald. Er zijn 1.188 onderzoeken naar csv’s uitgevoerd (doelstelling in de Veiligheidsagenda voor 2015 is 950 onderzoeken). In het kader van de Veiligheidsagenda zijn alleen de onderzoeken van de Nationale Politie en niet die van de Koninklijke Marechaussee, de Fiscale Inlichtingen en Opsporingsdienst of andere bijzondere opsporingsdiensten meegeteld. Deze hebben in het afgelopen jaar in totaal 577 onderzoeken naar csv’s uitgevoerd. Het totaal aantal strafrechtelijke onderzoeken in 2015 komt daarmee uit op 1.765.

Voorts zijn vorig jaar 765 personen door de rechter in eerste aanleg veroordeeld. In 546 gevallen is een vrijheidsstraf opgelegd en in 216 gevallen een taakstraf. Daarnaast zijn er 66 boetes opgelegd.

Bovenstaande resultaten zijn niet een-op-een vergelijkbaar met die van de voorgaande jaren, omdat met de invoering van de Veiligheidsagenda nieuwe prestatieafspraken met het Openbaar Ministerie en de Nationale Politie op de aanpak van ondermijning zijn gemaakt. Het aantal deelthema’s dat binnen de ondermijning wordt gerekend is uitgebreid. Indien wel op de zelfde wijze zou worden geteld dan zijn afgelopen jaar 1.030 onderzoeken naar csv’s uitgevoerd. Ter vergelijking, in 2013 en 2014 waren dit respectievelijk 717 en 1.130 onderzoeken per jaar.

Vooruitkijken

Vooruitkijkend wil ik vooral zorgen dat de huidige inzet van alle bij de aanpak betrokken partijen wordt voortgezet. Voorts blijf ik samen met de Nationale Politie en het Openbaar Ministerie investeren in de reeds in gang gezette kwaliteitsverbetering binnen de opsporing. Dat dit noodzakelijk is blijkt onder meer uit de recent aan uw Kamer verstrekte sterkte- en zwakteanalyse.7 Over de voortgang van het verbeterprogramma binnen de opsporing heb ik uw Kamer recent geïnformeerd.8

Verder vind ik het van belang om met de ketenpartners te verkennen of er nog meer zicht op het maatschappelijk effect van de aanpak kan worden verkregen, waardoor de inzet nog meer op het gewenste, duurzame effect gericht kan worden. De twee aangeboden jaarverslagen geven nog maar beperkt inzicht in de effecten van de behaalde resultaten. Het is ook niet eenvoudig om dit eenduidig in beeld te brengen, gezien het verborgen karakter van georganiseerde, ondermijnende criminaliteit en de hoeveelheid factoren die op het criminele proces van invloed zijn.

In dit kader ontvangt uw Kamer begin volgend jaar van mij het al eerder toegezegde WODC onderzoek naar de discrepantie tussen het al jaren stijgende aantal onderzoeken naar csv’s en het relatief gelijkblijvende aantal strafopleggingen.9

Medio volgend jaar verschijnt het Nationaal Dreigingsbeeld 2017–2021. Daarin worden de verschillende fenomenen van georganiseerde, ondermijnende criminaliteit onderzocht en uitspraken over hun dreiging voor de Nederlandse maatschappij gedaan. Mede op basis daarvan zullen na consultatie van de leden van het Landelijk Overleg Veiligheid en Politie (LOVP) de (nieuwe) prioriteiten voor de aanpak worden vastgesteld.

De Minister van Veiligheid en Justitie, G.A. van der Steur


X Noot
1

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl

X Noot
2

Zie bijvoorbeeld Kamerstuk 29 911, 126.

X Noot
3

Kamerstuk 28 684, nr. 469.

X Noot
4

Kamerstuk 29 911, nr. 46.

X Noot
5

Kamerstuk 29 911, nr. 84.

X Noot
6

Kamerstuk 29 911, nr.120.

X Noot
7

Kamerstuk 29 628, 635.

X Noot
8

Kamerstuk 29 628, 643.

X Noot
9

Kamerstuk 29 911, nrs. 99 en 114.