29 754 Terrorismebestrijding

Nr. 414 BRIEF VAN DE MINISTER VAN VEILIGHEID EN JUSTITIE

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 20 februari 2017

Op 15 februari 2017 heeft de Algemene Inlichtingen en Veiligheidsdienst een analyse gepubliceerd over terugkeerders, en de Nationaal Coördinator Terrorisme en Veiligheid een factsheet over de aanpak van terugkeerders. Uw Kamer heeft naar aanleiding van die publicaties gevraagd om schriftelijk geïnformeerd te worden over de aanpak van terugkeerders. Met deze brief, en met bijgevoegde factsheet en analyse1, voldoe ik aan dit verzoek.

Aanleiding

Uitreizigers die terugkeren uit het strijdgebied in Syrië en Irak kunnen een bedreiging vormen voor de veiligheid in Nederland. De AIVD verwacht dat het aantal terugkeerders naar Nederland de komende tijd stijgt nu ISIS steeds verder in het nauw gedreven wordt. Hoewel het verloop moeilijk te voorspellen is, verwacht de AIVD dat terugkeer eerder druppelsgewijs zal gaan dan met grote aantallen tegelijk. Het rapport van de AIVD onderstreept daarmee eerdere conclusies uit het Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland (DTN) waarover reeds diverse malen met uw Kamer is gesproken2. In het DTN41 is reeds gewezen op de grotere dreiging die uitgaat van de huidige en toekomstige groep terugkeerders, dan van eerder teruggekeerde personen. Zij hebben in veel gevallen langer bij terroristische groepen verbleven. Daar hebben ze vaak excessief geweld meegemaakt en zijn ze onderwezen in de jihadistische geweldsideologie. Ook hebben ze waarschijnlijk ervaring met wapens en explosieven opgedaan. Per individu moet worden vastgesteld hoe groot de dreiging is die van hem of haar uitgaat. Zoals ook geconstateerd in het DTN 43 zal een toenemend aantal terugkeerders waarschijnlijk de binnenlandse jihadistische beweging in Nederland versterken en daarmee de dreiging die van deze beweging uitgaat. Terugkeerders kunnen anderen radicaliseren of rekruteren, maar ook betrokken zijn bij het voorbereiden en plegen van een aanslag.

De aanpak

Om de potentiele dreiging van terugkeerders tegen te gaan dienen ze zo vroeg mogelijk te worden opgemerkt. Hiertoe worden uitreizigers opgenomen in het Schengeninformatiesysteem en is tegen alle onderkende uitreizigers een Europees Arrestatiebevel uitgevaardigd.

Aangezien terugkeerders mogelijk strafbare feiten hebben gepleegd, zijn de strafrechtelijke mogelijkheden in eerste instantie leidend. Tegen personen die zijn uitgereisd loopt een strafrechtelijk onderzoek zodat bij terugkeer strafrechtelijke vervolging zo succesvol mogelijk is. Ook kunnen uitreizigers onderwerp zijn van inlichtingenonderzoek. Deze onderzoeken kunnen informatie opleveren over de terugkeer van een persoon. Daarnaast wordt op internationaal niveau informatie uitgewisseld om terugkeerders op tijd in beeld te krijgen. Als een terugkeerder al buiten Nederland in beeld is, kan deze persoon naar Nederland worden begeleid door de Koninklijke Marechaussee.

Terug in Nederland wordt iedere onderkende terugkeerder aangehouden voor verhoor en wanneer opportuun strafrechtelijk vervolgd. Politie en AIVD maken daarnaast bij elke onderkende terugkeerder een inschatting van de dreiging, houden terugkeerders indien noodzakelijk scherp in beeld, zijn alert op ontwikkelingen en delen relevante informatie. Als een verdachte van terroristische misdrijven wordt aangehouden, wordt hij in detentie geplaatst op de Terroristen Afdeling (TA). Als er sprake is van voorwaardelijke invrijheidsstelling, zet het OM in op aanvullende schorsende voorwaarden zoals elektronisch toezicht, meldplicht of verplichte medewerking aan psychologisch onderzoek.

Lokale en nationale overheden en andere betrokken instanties werken nauw samen om de dreiging die van terugkeerders uit gaat te minimaliseren. Doordat op gemeentelijk niveau al een multidisciplinair casusoverleg is gestart bij uitreis zijn gemeenten voorbereid wanneer een terugkeerder uit detentie komt en terugstroomt in de maatschappij. In het casusoverleg worden interventies voor zowel uitreizigers als terugkeerders afgewogen en in gang gezet. Deelnemers aan een casusoverleg zijn in ieder geval de gemeente, de politie en het Openbaar Ministerie (OM). Naar gelang de aard van de casus kunnen ook aanwezig zijn: Raad voor de Kinderbescherming (RvdK), Reclassering, NCTV, Jeugdbescherming, AIVD en de GGZ. Interventies die aan bod kunnen komen zijn strafrechtelijke vervolging, een gebiedsverbod, een zorgtraject of deradicaliseringstraject, het vervallen verklaren van het paspoort, een internationale signalering, en/of een kinderbeschermingsmaatregel. Maatwerk is het uitgangspunt.

Minderjarige terugkeerders

Terugkerende Nederlandse kinderen vormen een punt van zorg dat vraagt om extra zorgvuldigheid. Deze kinderen zijn mogelijk blootgesteld aan indoctrinatie en geweldstrainingen. Deze ervaringen kunnen leiden tot trauma’s die begeleiding vergen bij het verwerken. Daarnaast kunnen ook minderjarigen een dreiging vormen voor de nationale veiligheid. Bij terugkeer van minderjarigen wordt per casus bekeken welke zorg, veiligheidsmaatregelen en andere interventies passend zijn. De RvdK bekijkt of al sprake is van hulpverlening en besluit indien nodig tot het instellen van een raadsonderzoek. Tegelijkertijd wordt in een casusoverleg een behandelplan opgesteld dat de veilige ontwikkeling van het kind moet waarborgen en eventuele veiligheidsrisico’s moet tegengaan. Hier worden ook afspraken gemaakt over de noodzaak van kinderbeschermingsmaatregelen. Als terugkerende ouders worden aangehouden voor verhoor kan het kind bijvoorbeeld bij familie worden geplaatst en kan bij de kinderrechter om een ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing worden verzocht. In sommige gevallen kan het Openbaar Ministerie vervolgen. Een minderjarige kan vanaf de leeftijd van 12 jaar volgens het jeugdstrafrecht worden vervolgd. De NCTV en AIVD werken aan een nadere analyse over dit onderwerp. Deze is naar verwachting begin april gereed.

Wettelijk kader

Terugkeerders zijn verantwoordelijk voor hun daden en moeten de consequenties van hun handelen dragen. Van alle circa 190 Nederlanders die in het strijdgebied zouden verblijven, worden strafdossiers aangelegd. Om risico’s te minimaliseren zet het OM erop in Nederlanders die in het strijdgebied in Syrië en Irak verblijven te vervolgen en waar opportuun bij verstek te laten veroordelen. Zo ligt er bij terugkeer een vonnis en kunnen terugkeerders die strafbare feiten hebben gepleegd meteen worden gedetineerd.

In andere gevallen kan gebruik worden gemaakt van de wijziging van de Rijkswet op het Nederlanderschap die per 1 maart 2017 in werking treedt en die het mogelijk maakt het Nederlanderschap van uitreizigers met een dubbele nationaliteit in te trekken in het belang van de nationale veiligheid (Kamerstuk 34 356 (R2064)). Dat kan als zij zich in het buitenland hebben aangesloten bij een terroristische organisatie. Er zijn soms zwaarwegende redenen die het noodzakelijk maken een persoon het Nederlanderschap te ontnemen om legale terugkeer naar Nederland te voorkomen en daarmee de nationale veiligheid te beschermen. Per casus wordt bezien of strafrechtelijke vervolging of het intrekken van het Nederlanderschap het meest opportuun wordt geacht. Voor strafrechtelijke vervolging zal in ieder geval worden gekozen als bij het OM al een omvangrijk dossier is voorbereid en er sprake is van een reële verwachting dat betrokkene op korte termijn aangehouden kan worden, effectief vervolgd kan worden en een opgelegde (gevangenis)straf daadwerkelijk ten uitvoer kan worden gelegd. Wanneer de persoon waarvan het Nederlanderschap is ontnomen illegaal in Nederland opduikt, kan alsnog strafrechtelijke vervolging worden gestart

Een wetsvoorstel is in voorbereiding waarin verblijf in een door een terroristische organisatie gecontroleerd gebied strafbaar wordt gesteld, om ook in die gevallen te kunnen optreden, waarin wel duidelijk is dat een persoon in een dergelijk gebied is geweest, maar uiteindelijk het bewijs van deelneming aan terroristische activiteiten te kort schiet voor een veroordeling. In datzelfde voorstel worden meer maatregelen voorgesteld, waaronder het verruimen van mogelijkheden van DNA-onderzoek, de invoering van een brede aangifteplicht voor een ieder die kennis draagt van terroristische misdrijven en het verlengen van de mogelijkheid om verdachten van terroristische misdrijven in voorlopige hechtenis te nemen. De consultatieperiode van genoemd wetsvoorstel is net afgerond. Ik verwacht dat het voorstel over enkele weken naar de Raad van State wordt gestuurd voor advies.

Voorts treedt op 1 maart 2017 treedt de Tijdelijke wet bestuurlijke maatregelen terrorismebestrijding in werking (Kamerstuk 34 359). Met deze wet kunnen vrijheidsbeperkende maatregelen, zoals een uitreisverbod, meldplicht of een gebiedsverbod worden opgelegd aan personen die een gevaar vormen voor de nationale veiligheid of die het voornemen hebben om zich aan te sluiten bij terroristische strijdgroepen.

Ik hecht eraan te benadrukken dat de garantie dat Nederland gevrijwaard blijft van een terroristische aanslag nimmer is te geven, ongeacht investeringen in mankracht, maatregelen en andere middelen. Onze inspanningen en die van alle partners zijn er echter elke dag opnieuw op gericht het risico van een aanslag zo klein mogelijk te maken.

De Minister van Veiligheid en Justitie, S.A. Blok


X Noot
1

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl.

X Noot
2

Zie Kamerstuk 29 754, nrs. 362, 390 en 405; en Plenair debat Terugkeerders en vluchtelingenstroom van 27 januari 2016 (Handelingen II 2015/16, nr. 47, item 9). Het potentiële gevaar van terugkeerders was een belangrijke reden in maart 2013 om het dreigingsniveau te verhogen tot «substantieel» (DTN32) (Kamerstuk 29 754, nr. 217).

Naar boven