Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2017-201829628 nr. 747

29 628 Politie

Nr. 747 BRIEF VAN DE MINISTER VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 24 november 2017

Bij brief van 25 september 20171 heeft mijn ambtsvoorganger u geïnformeerd over de inzet van de politie in instellingen voor de geestelijke gezondheidszorg (GGZ) in het algemeen en over op het specifieke incident in een GGZ kliniek op 17 juli 2017 waarbij door de politie proportioneel geweld is gebruikt om een patiënt gedwongen medicatie te kunnen toedienen.

Tijdens het dertigledendebat op 4 oktober 2017 heeft u met mijn ambtsvoorganger en de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport gesproken over deze brief, de pilot stroomstootwapens en de inzet van stroomstootwapens binnen sommige instellingen voor de Geestelijke Gezondheidszorg (GGZ)(Handelingen II 2017/18, nr. 8, item 9). Tijdens dit debat zijn twee moties ingediend. Motie met Kamerstuk 29 628, nr. 7352 door de leden Ellemeet, Van Dam en Diertens en motie met Kamerstuk 29 628, nr. 7363 door de leden Diertens en Van Dam. In motie 736 is verzocht om in het evaluatierapport uitvoerig in te gaan op het gebruik van het stroomstootwapen op verwarde personen en de risico’s die dat met zich meebrengt. Mijn ambtsvoorganger heeft in het debat aangegeven graag bereid te zijn om deze motie uit te voeren maar in de mogelijkheden hiertoe beperkt te worden indien motie met Kamerstuk 29 628, nr. 735, waarin wordt verzocht het gebruik van het stroomstoot-wapen door de politie niet langer toe te staan in GGZ-instellingen, wordt aangenomen.

Hierop is besloten om de motie met Kamerstuk 29 628, nr. 735 aan te houden en heeft mijn ambtsvoorganger toegezegd om uw Kamer te informeren over de ervaringen met het stroomstootwapen in Nederland tot nu toe, zowel binnen als buiten de GGZ instellingen en over de internationale ervaringen met het stroomstootwapen.

Uit deze ervaringen blijkt dat het stroomstootwapen een geweldsmiddel is dat de kans op letsel bij verdachten, of bij personen die hulp behoeven, merkbaar vermindert ten opzichte van het gebruik van de bestaande geweldsmiddelen. Achter deze brief treft u zoals toegezegd een overzicht aan met daarin de aanleiding voor de pilot, de ervaringen tot nu toe met de pilot alsmede de internationale ervaringen met het stroomstootwapen. De recentelijk vastgestelde «tussenrapportage pilot stroomstootwapen», waarin de ervaringen met het stroomstootwapen in de eerste helft van de pilot uitgebreid staan beschreven, is als bijlage bij deze brief gevoegd4.

Pilot stroomstootwapen

Bij brief van 1 februari 20175 heb ik u geïnformeerd over de start van de pilot met het stroomstootwapen in basispolitiezorg. De pilot periode loopt van 1 februari 2017 tot en met 1 februari 2019 maar zal na een periode van één jaar worden geëvalueerd. De pilot dient ertoe te onderzoeken of het stroomstootwapen een geweldsmiddel is dat een effectieve bijdrage kan leveren aan de doelstelling om waar nodig, met minder kans op blijvend letsel of zelfs een dodelijke afloop, effectief te kunnen optreden. Het gaat hierbij in veel gevallen om gewelddadige personen die niet aanspreekbaar zijn en niet of nauwelijks nog reageren op pijnprikkels doordat ze onder invloed verkeren van alcohol, drugs of als gevolg van de psychische toestand waarin ze verkeren. Met Uw Kamer is hierover bij verschillende gelegenheden uitgebreid gesproken. Het onderzoek naar het stroomstootwapen, als aanvullend, «less lethal weapon» is daarbij meerdere malen aan de orde geweest, onder meer in de brieven van mijn ambtsvoorgangers van 28 september 20126, 4 juni 20147 en 13 juni 20168.

Het stroomstootwapen is in de periode van februari tot en met augustus 2017, bij de aan de pilot deelnemende eenheden, in totaal bij ruim 100 gevaarsituaties ingezet. Hierbij kon in 71% van de gevallen een lastige gevaarsituatie, zonder het daadwerkelijke gebruik van het stroomstootwapen, tot een goed einde worden gebracht. De beschikbaarheid en de preventieve werking die van dit middel kennelijk uitgaat, bleek in die gevallen voldoende te zijn om de situatie te beheersen. Bij de overige 29% van de gevallen, waarbij het stroomstootwapen daadwerkelijk werd gebruikt, kon de situatie eveneens tot een goed einde worden gebracht. Het daarbij door de verdachten opgelopen letsel bleef in vrijwel alle gevallen beperkt tot lichte verwondingen. Het veiligheidsgevoel van politiemedewerkers wordt hierdoor positief beïnvloed. Politiemedewerkers geven aan dat ze door de invoering van het stroomstootwapen verwachten dat er minder geweldgebruik zal plaatsvinden. Tot dusverre komen deze verwachtingen overeen met de praktijk.

Naast de positieve hoofdconclusies zijn er in de tussenrapportage ook een aantal aandachtspunten benoemd die voor de stuurgroep, bestaande uit vertegenwoordigers van de betrokken eenheden, de korpsstaf, de politieacademie en het Ministerie van Justitie en Veiligheid, aanleiding zijn om al gedurende de pilotfase een aantal verbeteringen door te voeren. Eén van de genoemde aandachtpunten in de tussenrapportage is, dat het goed is om de deelnemers aan de pilot nog beter op de hoogte te brengen van de bekende gezondheidsrisico’s voor de personen op wie het middel wordt toegepast. Daarnaast blijkt er behoefte te zijn aan meer situationeel gerichte trainingen. Deze constateringen zijn voor de politie aanleiding om een extra training te gaan organiseren voor alle politieambtenaren die deelnemen aan de pilot.

Een ander aandachtspunt dat in de tussenrapportage naar voren komt gaat over het gebruik van de zogenoemde «stun mode» (één van de twee functies van zo’n stroomstootwapen). Deze functie wordt tot nu toe in de pilot relatief veel gebruikt Tegelijkertijd is dit maar beperkt effectief. De onderzoeker heeft hierbij in de stuurgroep aangegeven dat op basis van de tot nu toe verzamelde gegevens niet helder is waarom politieambtenaren kiezen voor de «stun mode». Dit dient nader onderzocht te worden. Naar aanleiding hiervan is dan ook besloten om in de tweede helft van de pilot, via opleiding en communicatie, extra aandacht te besteden aan de beweegredenen voor het gebruik van de zogenaamde stun mode, het effect in de praktijk en de alternatieven van dat middel zelf of van andere geweldsmiddelen. Dit wordt nadrukkelijk betrokken bij de eind-evaluatie.

Psychiatrische patiënten

De politie wordt, zowel binnen als buiten GGZ instellingen, regelmatig geconfronteerd met situaties waarbij ze genoodzaakt is om geweld toe te passen tegen personen met een psychiatrische stoornis. Voor de start van de pilot heeft de politie in de eenheid Rotterdam dan ook contact gezocht met de GGZ instellingen binnen haar eenheid om ze te informeren over de pilot met het stroomstootwapen. Daarbij heeft de politie demonstraties gegeven aan het personeel van de betrokken instellingen zodat ze met eigen ogen konden zien wat het effect was van het stroomstootwapen en dat met inzet daarvan het gebruik van geweldsvormen met een groter risico op letsel kan worden voorkomen. De reacties hierop waren over het algemeen erg positief. Daarbij moet worden opgemerkt dat sommige instellingen al eerder positieve ervaringen hebben opgedaan met het gebruik van het stroomstootwapen door de politie. De arrestatie- en ondersteuningsteams van de politie beschikken immers al sinds 2009 over een stroomstootwapen en zij hebben al meerdere malen gebruik gemaakt van het stroomstootwapen om zeer agressieve patiënten in psychiatrische instellingen onder controle te kunnen brengen.

Aan het gebruik van fysiek geweld- en geweldsmiddelen blijven, hoe professioneel en proportioneel ook toegepast, altijd risico’s verbonden. Daarnaast kan het toepassen van dwang of geweldsmiddelen een zeer ingrijpende gebeurtenis voor een psychiatrisch patiënt zijn. Politie inzet met geweld bij psychiatrische patiënten is dan ook te allen tijde ultimum remedium en dient zoveel als mogelijk te worden voorkomen. Binnen GGZ-instellingen is het dan ook staand beleid om het aantal gevallen waarin een situatie escaleert te minimaliseren. Daartoe worden verschillende preventieve maatregelen ingezet. Zeer belangrijk is een respectvolle bejegening van de cliënt, waar oog is voor de beleving en behoeften van de cliënt. Daarnaast is ook scholing en training van het personeel een belangrijke pijler in het voorkomen van dwang. Deze en andere preventieve maatregelen die een situatie zoveel mogelijk beheersbaar moet houden, zijn onderdeel van de zogenoemde multidisciplinaire richtlijn dwang en drang in de GGZ, die in 2016 is vastgesteld.

Evenwel doen zich helaas – nog te – regelmatig incidenten voor in en buiten GGZ instellingen waarbij het personeel en of de politie toch genoodzaakt is om geweld toe te passen tegen psychiatrische patiënten. De inzet van de politie binnen een instelling gebeurt alleen bij een ernstige geweldsituatie waarbij de veiligheid van de patiënt, de omgeving of het personeel in het geding is. Dit wordt ook bevestigd door de vereniging GGZ Nederland in een brief aan Uw Kamer van 25 september 2017. In 2012 is een convenant afgesloten tussen de Politie en de vereniging GGZ Nederland. In dit convenant is onder andere beschreven dat de GGZ verantwoordelijk is voor het waarborgen van de veiligheid op haar terrein en binnen haar instellingen. Zij kan hiertoe beveiliging inhuren. Er kunnen zich echter omstandigheden voordoen waarbij deze waarborging van de veiligheid redelijkerwijs niet van kan worden verlangd van de GGZ. Onder deze omstandigheden kan een beroep worden gedaan op de politie. Een acute bedreigende situatie dient zo snel mogelijk te worden beëindigd. Wanneer het slachtoffer en andere betrokkenen hier zelf niet toe in staat zijn, wordt direct de politie ingeschakeld via het alarmnummer 112. Indien de politie het noodzakelijk acht om hierbij geweld toe te passen dan wordt gekozen voor de minst ingrijpende vorm van geweld. Het gebruik van een stroomstootwapen kan hier in bepaalde situaties een belangrijke bijdrage aan leveren als alternatief voor geweldsvormen met een groter risico op letsel.

Besluitvorming

De vraag of een stroomstootwapen deel moet gaan uitmaken van de standaard bewapening van de politie zal worden beantwoord aan de hand van het eind-evaluatierapport dat in de loop van 2018 wordt verwacht. Effectiviteit en risico’s, (bestuurlijk en maatschappelijk) draagvlak van een eventuele invoering, evenals een inschatting van de directe en indirecte kosten van de invoering van zo’n wapen zullen afgewogen moeten worden. Daarbij wordt ook de inzet op straat versus inzet in meer gesloten omgevingen betrokken.

Daarbij zal overigens moeten gelden dat het middel in principe gebruikt mag worden in alle situaties die een politieambtenaar tegen kan komen. Verbijzondering van de inzet van een middel naar een bepaalde situatie zou voor de politie niet goed werkbaar zijn. De middelen die een politieambtenaar krijgt moeten altijd legitiem toegepast kunnen worden, waarbij het daadwerkelijke gebruik ervan slechts wordt ingeperkt door, en dus uiteindelijk ook getoetst aan, de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit die de belangrijkste criteria van de geldende geweldsinstructie zijn. Aan deze criteria wordt elke geweldstoepassing getoetst. Over het gebruik legt immers iedere politieambtenaar verantwoording af in een stelsel waarbij toetsing tot aan de rechter mogelijk is maar waarbij altijd gekeken wordt naar de omstandigheden van het individuele geval.

De politieambtenaar dient daarbij het vertrouwen toe te komen dat hij de professionaliteit heeft om in een fractie van een seconde de juiste beslissing te nemen over het in te zetten middel. Dat stelt hoge eisen aan zijn geoefendheid en eveneens hoge eisen aan de middelen die hem door de politieorganisatie ter beschikking worden gesteld. Ik hecht er dan ook aan dat de politie de kans krijgt om de pilot ongewijzigd af te maken. Alleen op basis van een volledig beeld kan een weloverwogen en gedragen besluit worden genomen. Ik zal u dan ook te in de loop van 2018 nader informeren over de uitkomsten van deze evaluatie en mijn voorgenomen besluit daaromtrent zodat wij het debat hierover kunnen voortzetten.

De Minister van Justitie en Veiligheid, F.B.J. Grapperhaus

Bijlage 1: Ervaringen tot nu toe met pilot stroomstootwapen

Aanleiding pilot

Uit het rapport «Politiële bewapening in perspectief», dat ik op 28 september 2012 aan uw Kamer heb toegezonden (Kamerstuk 29 628, nr. 454), over het gebruik en de effectiviteit van pepperspray en wapenstok en uit ander rapporten over geweldgebruik zoals het rapport «Veilig Politiewerk», blijkt dat menig politieambtenaar een kloof ervaart tussen de niet dodelijke wapens (wapenstok en pepperspray) en dodelijke vuurwapens.

Deze constatering is aanleiding geweest om een pilot te starten met de uitschuifbare wapenstok en een pilot met het stroomstootwapen voor te gaan bereiden in de basispolitiezorg. De pilot met de uitschuifbare wapenstok is reeds in 2014 afgerond en de positieve uitkomsten van deze pilot zijn aanleiding geweest voor de politie om over te gaan tot landelijke invoering van de uitschuifbare wapenstok. De aanbesteding voor de uitschuifbare wapenstok is bijna afgerond en vanaf 2018 zal worden begonnen met de omscholing en geleidelijke invoering van dit nieuwe geweldsmiddel.

Bij brief van 4 juni 2014 heb ik uw Kamer geïnformeerd over het feit dat de pilot met het stroomstootwapen deel zal uitgaan maken van een breder onderzoek naar het gebruik van nieuwe vormen van «less lethal» bewapening door de politie (Kamerstuk 29 628, nr. 330). Zoals aangegeven in mijn brief van 1 februari 20179 heeft dit er in geresulteerd dat de pilot met het stroomstootwapen op 1 februari 2017 van start is gegaan.

Doel en opzet van de pilot

Doel van de pilot is om te onderzoeken of de invoering van een stroomstootwapen, net als bij de aanhoudings- en ondersteuningsteams, ook in de basispolitiezorg een bijdrage kan leveren aan het beheersen en verminderen van het geweld waarmee de politie dagelijks wordt geconfronteerd en of de toepassing van dit geweldsmiddel bijdraagt aan het verminderen van het letsel bij zowel de verdachte als bij de politieambtenaar die het geweld toepast.

Er is gekozen voor een pilot met een relatief kleine maar representatieve groep politieambtenaren. Daarom is besloten om de pilot uit te voeren in vier verschillende eenheden waarbij rekening is gehouden met hun onderlinge verscheidenheid in taak en context. In de Eenheid Rotterdam is het stroomstootwapen toegevoegd aan de bewapening van de hondengeleiders en in de Eenheid Midden-Nederland is een basisteam met het stroomstootwapen uitgerust. In de eenheid Oost-Nederland is eveneens een basisteam met het stroomstootwapen uitgerust. Dit basisteam beschikt daarnaast ook over de uitschuifbare wapenstok. In de Eenheid Noord-Nederland is het stroomstootwapen sinds 1 september 2017 toegevoegd aan de groepsuitrusting van de in achttallen opererende ondersteuningsgroep (OG). Vanwege de recente invoering zijn de ervaringen uit deze eenheid nog niet meegenomen in de tussenrapportage.

De gekozen geografische verdeling en de verscheidenheid in gebruikers levert naar verwachting inzicht op in hoeverre de eventuele toegevoegde waarde van het stroomstootwapen afhangt van het type gebruikersgroep. In het kader van de pilot zijn in totaal 340 politiemensen opgeleid op het stroomstootwapen. Voor het gebruik van het stroomstootwapen is ten behoeve van de pilot een tijdelijke geweldsinstructie opgesteld die als bijlage bij deze brief is opgenomen.

Alle inzetten met het stroomstootwapen – ook als de inzet alleen verbaal is aangekondigd en/of als het stroomstootwapen alleen uit de holster getrokken is – worden, naast de reguliere verplichte geweldsmelding, apart gemeld en geregistreerd op een formulier met een uitvoerige vragenlijst die is opgesteld ten behoeve van het evaluatie onderzoek van de pilot. Het doel van dit formulier is om een zo gedetailleerd beeld te krijgen van de situatie waarin het stroomstootwapen is gebruikt.

De pilot wordt begeleid door wetenschappers van de politieacademie die onder meer zorg dragen voor de verwerking van de meldingsformulieren, het opstellen van de tussenrapportage en het opstellen van het uiteindelijke evaluatierapport. Hiertoe nemen zij mondelinge interviews af met de politieambtenaren die het stroomstootwapen daadwerkelijk hebben afgevuurd dan wel indien ze gebruik hebben gemaakt van de stun mode.

Ervaringen met pilot

Uit de tussenrapportage blijkt dat in de eerste zes maanden van de pilot het stroomstootwapen 167 keer is ingezet bij 158 verschillende situaties. In 71% van de gevallen (118 maal) is er alleen gedreigd met inzet van het stroomstootwapen en vervolgens kon de verdachte worden aangehouden. Dit is conform de instructie dat waar mogelijk het gebruik van het stroomstootwapen wordt aangekondigd om zo al het verzet te breken. Dit hoge percentage bevestigt het beeld dat van het stroomstootwapen een duidelijk afschrikkende werking uitgaat. Bij de overige 49 gevallen is het stroomstootwapen ook daadwerkelijk afgevuurd (32 keer) dan wel gebruikt in de zogenaamde stun mode (22 keer) of een combinatie van beide inzetvormen (5 keer).

In alle gevallen waarbij het stroomstootwapen is ingezet tegen verdachten kon de verdachte tegen wie deze inzet was gericht worden aangehouden. Indien het stroomstootwapen werd gebruikt in het kader van hulpverlening werd de situatie in alle gevallen onder controle gebracht.

Tijdens de inzet met het stroomstootwapen waren 115 verdachten (69%) onder invloed van alcohol of drugs, psychisch labiel en/of niet aanspreekbaar. In de meeste gevallen was dit bekend voordat het stroomstootwapen gebruikt werd. Bij 42 verdachten was ook overige medische informatie bekend. In vrijwel al deze gevallen betrof dit psychiatrische aandoeningen. Veelal verkeerden zij ten tijde van de inzet in een psychose. Een aantal van deze verdachten zat in een inrichting, was drugsverslaafd en/of suïcidaal. Bijna een op de vijf verdachten was tijdens de inzet zichtbaar gewapend. Veelal waren dit messen, soms glasscherven of andere zaken die min of meer toevallig als wapen konden worden gebruikt, zoals een bierfles of een bezemsteel. Een keer betrof het een draaiende kettingzaag. In drie gevallen was er sprake van een vuurwapen.

Interessant voor de evaluatie is de vraag wat de politieambtenaren zouden hebben gedaan indien men niet de beschikking had gehad over een stroomstootwapen. Vrijwel alle politieambtenaren geven aan in dat geval met meer fysiek geweld en met gebruikmaking van andere wapens (wapenstok, pepperspray, vuurwapen en/of diensthond) tot aanhouding te zijn overgegaan. Vaak wordt daarbij vermeld dat dit gepaard zou gegaan met meer (kans op) letsel bij zowel de verdachte als de politieambtenaar. In zes gevallen werd vermeld dat zonder het stroomstootwapen aanhouding van de verdachte vermoedelijk niet gelukt zou zijn.

Bijzondere omstandigheden

In 27 gevallen, 16%, werd het stroomstootwapen ingezet tegen iemand die op dat moment al onder toezicht stond van een instantie, zoals de politie. Het betreft hierbij onder meer gevallen waarbij een arrestant zich tijdens het transport dan wel tijdens het opsluiten in de cel zeer agressief en gewelddadig gedraagt. In 12 gevallen (7%) is het stroomstootwapen ingezet in een GGZ instelling om een agressieve en gewelddadige patiënt, die al dan niet in een psychose verkeerde, onder controle te brengen. Bij deze inzetten was in twee derde van de gevallen dreigen met de inzet van het stroomstootwapen afdoende om de situatie onder controle te krijgen. In één derde van de gevallen is het stroomstootwapen ook daadwerkelijk afgevuurd en/of gebruikt in de stun mode.

Nazorg en letsel

Bij elk gebruik van geweld bestaat er een kans op lichamelijk letsel. De ernst van het letsel is afhankelijk van het soort geweld dat wordt gebruikt, de eventuele geweldsmiddelen die daarbij worden ingezet, de manier waarop de geweldsmiddelen worden gebruikt en de frequentie en duur van het gebruikte geweld. Vrijwel alle verdachten op wie het stroomstootwapen is afgevuurd en/of aan wie een stroomstoot via de stun mode is toegediend zijn onderzocht door een arts of verpleegkundige. In vijf gevallen is dit niet gebeurd. Drie keer omdat alleen de stun mode was gebruikt, een keer omdat de verdachte zich niet medisch wilde laten checken en één keer omdat de toestand van de verdachte een medische controle niet toeliet. Het door de verdachte opgelopen letsel ten gevolge van het treffen door de pijltjes bleef in vrijwel alle gevallen beperkt tot (een of twee) kleine penetratiewondjes. Een aantal verdachten heeft als gevolg van het ten val komen, na gebruik van het stroomstootwapen, letsel opgelopen. Het gaat hierbij om een bebloede neus en knokkels, een zwaar gekneusde elle boog, schaafwondjes in het gezicht en een bult op het voorhoofd.

Bij enkele inzetten hebben verdachten letsel opgelopen anders dan ten gevolge van het stroomstootwapen. Slechts een keer was dit door toedoen van de politie, namelijk armletsel door het bijten van de diensthond. In de andere gevallen had een verdachte zelf toegebrachte messteken in borst en hals opgelopen, had een verdachte zichzelf messteken toegebracht en had een verdachte zichzelf verwond door middel van glas. Naar het zich op basis van deze tussenrapportage laat aanzien is de kans op ernstig letsel als gevolg van het gebruik van het stroomstootwapen klein.

Bijlage 2: Internationale ervaringen

Stroomstootwapens, in het Engels aangeduid met de term «Electronic Incapacitation Device» (EID), worden op grote schaal over de hele wereld in meer dan 50 landen gebruikt, onder andere in de Verenigde Staten, Canada, Australië, Groot Brittannië, Frankrijk, Duitsland, Spanje, Griekenland, Ierland, België en Zwitserland. Meestal wordt hierbij gebruik gemaakt van stroomstootwapens van het merk Taser, type X26 (enkelschots) of de opvolger de Taser X2 (dubbelschots) die ook door de politie in Nederland wordt gebruikt. In het Verenigd Koninkrijk zijn sinds 2004 alle politiekorpsen met stroomstootwapens uitgerust. Het besluit om alle politiekorpsen hiermee uit te rusten, volgde na een succesvolle pilot waar vijf politiediensten aan meegewerkt hebben. Naar aanleiding van de pilot zijn situaties en criteria voor legitiem gebruik van het stroomstootwapen beschreven en vastgelegd door de Association of Chief Police Officers (ACPO) in samenspraak met het Home Office. In 2007 werd het gebruik van het stroomstootwapen uitgebreid naar getrainde gespecialiseerde teams, die niet vuurwapenbevoegd zijn, maar wel geconfronteerd worden met geweld en bedreiging in de publieke sector. Hiervoor werd een pilot opgestart in tien politiekorpsen. De pilot werd een succes met als gevolg dat alle politieambtenaren die werkzaam zijn binnen speciale eenheden vanaf 1 december 2008, ook de beschikking kregen over het stroomstootwapen.

Cijfers over het gebruik van het stroomstootwapen worden ieder kwartaal gepubliceerd op de website van het Home Office. Hieruit blijkt dat in het Verenigd Koninkrijk het stroomstootwapen (Taser X26) in 2016 in totaal 11.289 keer is gebruikt waarbij het wapen 1910 keer (17%) daadwerkelijk is afgevuurd10. In 155 gevallen (8%) is het stroomstootwapen gebruikt in de stun mode. Bij de overige 9224 inzetten (75%) kon worden volstaan met de dreiging om het stroomstootwapen in te zetten. Deze percentages komen, rekening houdend met de beperkte hoeveelheid inzetten die er tot nu toe in Nederland zijn geweest, grosso modo overeen met de ervaringen in de Nederlandse pilot tot nu toe.

Medische gevolgen stroomstootwapens

Er zijn wereldwijd honderden (wetenschappelijke) onderzoeken gedaan naar de werking en de risico’s van het gebruik van stroomstootwapens. Vrijwel alle onderzoeken over het gebruik van stroomstootwapens zijn echter gebaseerd op gebruik van de Taser X26, wat betekent dat de resultaten en conclusies uit bestaande onderzoeken niet één op één toepasbaar zijn op het gebruik van de Taser X2 (de opvolger van de X26) die door de Nederlandse politie wordt gebruikt. Zo beschikt de Taser X2 over geavanceerdere meet-, regel- en diagnostische systemen en is daardoor «slimmer» dan de Taser X26. De stroomsterkte is hierdoor nog lager dan bij de Taser X26 en levert daardoor minder medische risico’s op voor de verdachte.

In Europa is het meeste onderzoek verricht door of in opdracht van de overheid van het Verenigd Koninkrijk. Door «The Defence Scientific Advisory Council Sub-Committee on the Medical Implications of Less-Lethal Weapons» (DOMILL) is veel onderzoek gedaan naar de medische risico’s van het gebruik van het stroomstootwapen. Zij concludeerden dat het risico op een dodelijke afloop na gebruik van het stroomstootwapen (Taser type X26) of een serieuze verwonding na het gebruik van het stroomstootwapen binnen de ACPO regelingen en het gevoerde beleid, laag is. Desondanks zijn er in het Verenigd Koninkrijk enkele gevallen bekend waarbij het stroomstootwapen is gebruikt en waarbij de verdachte is komen te overlijden. Acht van deze gevallen (in de periode 2006 t/m 2012) zijn onderzocht door de «Independent Police Complaints Commission». De IPCC monitort sinds 2004 het gebruik van het stroomstootwapen in het Verenigd Koninkrijk en heeft in 2014 een rapport gepubliceerd over het gebruik van het stroomstootwapen in het Verenigd Koninkrijk in de periode 2004 tot en met 201311. Uit dit rapport blijkt dat bij de acht onderzochte gevallen er geen relatie was tussen het overlijden van de verdachte en het gebruik van het stroomstootwapen.

De opvolger van de DOMILL, de onafhankelijke «Scientific Advisory Committee on the Medical Implications of Less Lethal Weapons» (SACMILL) heeft in 2016 een verslag12 uitgebracht over de medische implicaties bij het gebruik van de Taser X2. In dit verslag wordt aangegeven dat het gebruik van stroomstootwapen mogelijk tot psychische schade zou kunnen leiden. De onderzoekers geven daarbij aan dat deze mogelijke psychische schade niet is voorbehouden aan het stroomstootwapen maar ook geldt voor andere vormen van door de overheid toegepast geweld.

Verder wordt in het rapport melding gemaakt van het feit dat er in het Verenigd Koninkrijk in 2013 twee personen zijn overleden waarbij het gebruik van de Taser een rol heeft gespeeld. In één van deze gevallen was er sprake van het ontbranden van benzine als gevolg van het gebruik van de Taser. in het ander geval was het gebruik van de Taser één van de factoren die heeft geleidt tot de dood van de betrokkene. In de periode 2014 en 2016 zijn vijf personen om het leven gekomen bij incidenten waarbij Taser zijn gebruikt, de doodsoorzaak moet in deze gevallen echter nog worden vastgesteld. De SACMILL concludeert in haar verslag verder dat, op basis van de internationaal bekende onderzoeken, en gelet op het wijdverspreide gebruik van stroomstootwapen, het er op lijkt dat de kans op ernstig letsel als gevolg van stroomstootwapens minimaal is.

Bijlage 3: GEWELDSINSTRUCTIE TOEPASSING STROOMSTOOTWAPEN

1. Algemeen

  • a. Stroomstootwapen: een geweldmiddel dat door het afgeven van een elektrische stroomstoot een persoon weerloos maakt als gevolg van het tijdelijk verstoren van het motorisch- en zintuiglijk zenuwsysteem;

  • b. Stun mode: mogelijkheid om een stroomstoot af te geven bij direct contact tussen een persoon en het stroomstootwapen;

  • c. Gebruik van het stroomstootwapen:

    • 1. het richten en gericht houden van het stroomstootwapen op een persoon;

    • 2. het afvuren van de pijltjes op een persoon; en

    • 3. het toedienen van een stroomstoot op een persoon met behulp van de «stun mode».

2. Inzetcriteria

  • 1. Het gebruik van een stroomstootwapen is slechts geoorloofd:

    • a. om een persoon aan te houden ten aanzien van wie redelijkerwijs mag worden aangenomen dat hij een voor onmiddellijk gebruik gereed zijnd wapen bij zich heeft en dit tegen een persoon zal gebruiken;

    • b. om een persoon aan te houden die zich aan aanhouding, voorgeleiding of andere rechtmatige vrijheidsbeneming tracht te onttrekken of heeft onttrokken en die wordt verdacht van of is veroordeeld wegens het plegen van een misdrijf;

    • c. ter verdediging tegen of voor het onder controle brengen van agressieve dieren;

    • d. ter afwending van direct dreigend gevaar voor eigen of eens anders lijf;

  • 2. Onder het plegen van een misdrijf, bedoeld in het eerste lid, onder b, worden mede begrepen de poging en de deelnemingsvormen, bedoeld in de artikelen 47 en 48 van het Wetboek van Strafrecht. De ambtenaar waarschuwt onmiddellijk voordat hij een stroomstootwapen tegen een persoon zal gebruiken, met luide stem of op andere niet mis te verstane wijze dat een stroomstootwapen gebruikt zal worden, indien niet onverwijld het gegeven bevel wordt opgevolgd. Deze waarschuwing blijft achterwege indien de omstandigheden de waarschuwing redelijkerwijs niet toelaten.