Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2013-201429628 nr. 454

29 628 Politie

Nr. 454 BRIEF VAN DE MINISTER VAN VEILIGHEID EN JUSTITIE

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 4 juni 2014

Hierbij informeer ik u over de actuele en toekomstige ontwikkelingen op het terrein van de bewapening en kleding van de Nederlandse politie en de Koninklijke marechaussee.

Kleding

De Nederlandse politie krijgt een nieuw operationeel uniform. Het gaat om een modern en functioneel uniform dat politieambtenaren in staat stelt om hun (straat)werk met meer bescherming en comfort uit te voeren. Daarnaast draagt het nieuwe operationeel uniform bij aan de gewenste beeldvorming over de politie: toegankelijkheid maar ook gezag en autoriteit. Andere Europese landen zoals Spanje, Engeland en België gingen ons al voor in het aanschaffen van een operationeel uniform. 32.500 executieve ambtenaren van politie krijgen het nieuwe operationele uniform. Het huidige uniform blijft voor alle uniformdragenden het representatieve tenue.

De vervanging volgt de vele wensen uit het politieveld naar een verbetering van het draagcomfort van het uniform en het veiligheidsvest. Het project werd ongeveer vijf jaar geleden in gang gezet door de toenmalige Raad van Korpschefs en is zorgvuldig afgestemd met het ministerie en de politievakorganisaties. Het operationeel politie-uniform is tot stand gekomen met rechtstreekse inbreng van vertegenwoordigers uit het politieveld. Politieambtenaren werden in 2011/2012 betrokken bij de te maken keuzes in het ontwerpproces en in 2013/2014 bij het uitvoeren van de draagproeven van het operationele uniform.

Het nieuwe uniform wordt op vrijdag 6 juni 2014 landelijk gepresenteerd aan publiek en de media. De invoering start in de eenheid Limburg op 10 juni 2014.

In september 2014 begint de uitrol in de andere eenheden. Eind december 2014 beschikken alle politiemedewerkers die op straat werken over het nieuwe operationele uniform.

Bewapening Koninklijke marechaussee

Door Defensie en TNO is veel onderzoek gedaan naar zogenaamde «less lethal wapens» ten behoeve van de handhaving van de openbare orde. Aanleiding voor de onderzoeken was de constatering dat er een te grote ruimte zit tussen de huidige geweldsmiddelen met een beperkte kans op letaliteit (zoals traangas, pepperspray en korte- en lange wapenstok) en het in beginsel dodelijke vuurwapen. Voor een goede taakuitvoering bij ernstige ongeregeldheden zijn deze middelen vaak te beperkt of kunnen niet altijd worden gebruikt, waardoor het enige andere geweldsmiddel het dodelijke vuurwapen is.

Op basis van de uitkomsten van deze onderzoeken heeft Defensie besloten om de Bijstands Eenheid (BE) van de Koninklijke marechaussee uit te rusten met een tweetal wapensystemen die «less lethal» projectielen kunnen verschieten die enerzijds effectief zijn voor het uiteen drijven van groepen en anderzijds geschikt zijn voor het gericht tijdelijk markeren (met een niet afwasbare kleurstof) en immobiliseren van de leiders bij ernstige rellen. De kans op ernstig of dodelijke letsel bij juist gebruik en goede training en opleiding is zeer beperkt. Door het gebruik van dergelijk middelen kan meer afstand worden bewaard tot de relschoppers hetgeen ten goede komt aan de veiligheid van het personeel.

De kans dat de Koninklijke marechaussee moet terugvallen op het ultieme geweldsmiddel, het vuurwapen, wordt hierdoor een stuk kleiner.

Binnen Defensie zijn deze geweldsmiddelen beoordeeld door de Adviescommissie Internationaal Recht en Conventioneel Wapengebruik. Op basis van dit advies en met inachtneming van de bijbehorende voorwaarden heeft de Minister van Defensie besloten deze middelen toe te staan voor internationaal gebruik.

Bij brief van 31 januari 2014 heeft de commandant van de Koninklijke marechaussee mij verzocht om toestemming te verlenen om het gebruik van deze geweldsmiddelen ook nationaal toe te staan bij de uitvoering van haar eigenstandige politietaken dan wel indien (bijstands)eenheden van de Koninklijke marechaussee worden ingezet in het kader van bijstandverlening aan de politie.

Na afstemming met de korpsleiding van de politie heb ik besloten om met dit verzoek in te stemmen. Uiteraard is het aan het bevoegde gezag om te bepalen of bijstand van de BE met deze geweldsmiddelen noodzakelijk is en op welke wijze deze eenheden worden ingezet. De bepalingen die in de Ambtsinstructie over het gebruik van niet-penetrerende munitie zijn opgenomen zullen waar nodig worden aangevuld in lijn met de inzetcriteria zoals die zijn geformuleerd door de Adviescommissie Internationaal Recht en Conventioneel Wapengebruik.

Bewapening politie

De verwachtingen van de samenleving ten aanzien van de politie zijn hoog. Dit geldt zowel voor de doeltreffendheid van de taakuitoefening als ten aanzien van de integriteit van het gebruik van bevoegdheden.

Uitgangspunt is dat politiefunctionarissen in situaties van agressie en geweld zoveel mogelijk de-escalerend optreden. Mijn beleid is gericht op het versterken van de fysieke, mentale en morele weerbaarheid van politieagenten, zodat zij optimaal zijn voorbereid op de situaties waar zij in de praktijk mee worden geconfronteerd. Hierbij is geweldsgebruik een uiterst maar soms noodzakelijk middel. Voor het gebruik van geweld heeft de politie een aantal geweldsmiddelen tot haar beschikking, namelijk: de wapenstok, de pepperspray en het vuurwapen.

Pepperspray

Pepperspray wordt vooral ingezet bij aanhoudingssituaties. De ambtsinstructie vermeldt duidelijk dat het middel niet ingezet mag worden voor het handhaven van de openbare orde en dus geen alternatief is voor de wapenstok. Hoewel de pepperspray op hoofdlijnen goed voldoet in haar werking is verbetering mogelijk. In het in 2012 verschenen rapport van het Wetenschappelijk Onderzoek en Documentatie Centrum (WODC) «Politiële bewapening in perspectief» worden vier redenen genoemd die de effectieve bruikbaarheid van – de huidige – pepperspray in de huidige politiepraktijk verkleinen:

  • 1. Ongevoelig of minder gevoelig voor pepperspray: niet alle verdachten worden direct uitgeschakeld door het toedienen van pepperspray.

  • 2. Verhoogde agressie: als de verdachte niet door pepperspray wordt uitgeschakeld dan kan het gebruik een tegengesteld effect hebben, dat wil zeggen dat de aanhouding moeilijker wordt.

  • 3. Niet altijd raak: als er van een te grote afstand of bij slechte weersomstandigheden (wind, regen) pepperspray wordt gespoten, dan is de kans op een treffer minder groot.

  • 4. Besmetting: er is een kans dat politiemensen zelf pepperspray inademen of dat ze een collega of onschuldige omstanders raken.

Genoemde tekortkomingen vormen voor politiemensen soms een drempel om pepperspray in de praktijk te gebruiken. Om de demobiliserende werking van pepperspray te verbeteren is besloten om, bij de aankomende aanbesteding, de concentratie van de werkzame stof, de zogenaamde capsaïcinoïden, in de pepperspray te verhogen zodat de bijdrage aan de veiligheid van de politiemedewerkers kan worden vergroot, zonder dat hierdoor een groot gezondheidsrisico gaat ontstaan.

Door de verhoging van het percentage capsaïcinoïden van 0,18% naar 0,3% wordt aangesloten bij de (minimale) norm die door veel Europese politiekorpsen wordt gebruikt, waaronder die van het Verenigd Koninkrijk en Duitsland. Naast de verhoging van de concentratie mag de samenstelling werkzame stof uit Oleoresin Capsicum (OC) OF Pelargonylvanillylamide (PAVA) (synthetische peper) bestaan. Dit in tegenstelling tot eerdere aanbestedingen waarbij de werkzame stof uitsluitend mocht bestaan uit OC.

Door deze aanpassing wordt aangesloten bij de gebruikelijke criteria die andere (Europese) politiekorpsen stellen aan pepperspray waardoor er naar verwachting meer fabrikanten zullen meedoen aan deze aanbesteding. Uit een in opdracht van de politie door TNO uitgevoerd onderzoek blijkt dat er geen reden is om aan te nemen dat een vulling tot 0,3% OC (natuurlijke peper) of PAVA (chemische peper) een toename van het risico met zich brengt. Uit het TNO-rapport blijkt verder dat het in de lijn der verwachting ligt dat met de voorgestelde verhoging van de werkzame stof de effectiviteit van de pepperspray zal toenemen.

Wapenstok

Naast de pepperspray beschikken de meeste ambtenaren van politie ook over een korte wapenstok. Uit het bovengenoemde WODC-rapport blijkt dat de korte wapenstok niet meer voldoet aan de eisen die aan een dergelijk geweldsmiddel worden gesteld. De korte wapenstok heeft te weinig slagkracht, te weinig uitstraling en is niet geschikt om mensen op afstand te houden. Deze bevindingen zijn de redenen geweest om in 2012 een pilot te starten met het gebruik van een uitschuifbare wapenstok in de binnensteden van Zwolle en Deventer. Het naar aanleiding van deze pilot opstelde evaluatierapport doe ik u hierbij toekomen1.

De belangrijkste conclusies uit deze pilot zijn:

  • Een slag met de uitschuifbare wapenstok heeft beduidend meer impact dan een slag met de huidige korte wapenstok;

  • De uitschuifbare wapenstok is sneller te trekken en op te bergen en biedt mogelijkheden om het geweldsmiddel verdekt te dragen. Om redenen van comfort, praktisch gebruik en vertrouwen in de werking van het geweldsmiddel wordt de uitschuifbare wapenstok vaker gedragen dan de korte wapenstok en is de uitschuifbare wapenstok vaker dan zijn voorganger voorhanden in gevaarsituaties;

  • Het trekken, uitschuiven en dreigen van de wapenstok heeft meer preventieve werking op burgers dan het trekken en dreigen met de korte wapenstok. De effectiviteit blijft echter afhankelijk van de psychische en fysieke toestand van de tegenstrever;

  • Na invoering van de uitschuifbare wapenstok is er een lichte daling waargenomen van de mate waarin agenten beledigd en bedreigd worden, terwijl het totaal aan geweldcriminaliteit is toegenomen;

  • Het oordeel van agenten over het eigen optreden in termen van uitstraling, gezag en doortastendheid is positiever geworden. Dit positievere beeld van het eigen optreden, mede dankzij het vertrouwen in het geweldsmiddel, versterkt het zelfvertrouwen, de uitstraling en het gezag van het politieoptreden;

  • Binnen verschillende incidenten in de proef bleef het gewenste effect van de pepperspray of de korte wapenstok uit en boden een of meerdere slagen met de uitschuifbare wapenstok uitkomst;

  • Het raken van andere delen dan waarop is gericht is in de praktijk niet altijd te voorkomen. Toch zijn de verwondingen in 21 rake incidenten in de proef beperkt gebleven tot kneuzingen. Het verwachte letsel was groter dan het feitelijk ontstane letsel.

Naar aanleiding van deze bevindingen heeft de korpschef verzocht om in te stemmen met het verzoek om over te gaan tot een landelijke invoering van de uitschuifbare wapenstok. Na overleg met de politievakorganisaties zal ik hier op korte termijn een besluit over nemen.

Onderzoek less lethal bewapening

Tot slot wil ik u informeren over het feit dat de politie in 2015 een onderzoek zal starten naar de mogelijkheden van het gebruik van nieuwe vormen van «less lethal» bewapening binnen haar taakstelling. Hierbij zal worden onderzocht welke middelen nodig zijn om, met inachtneming van de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit, ook in de toekomst het hoofd te kunnen blijven bieden aan het geweld waar mee de politie dagelijks wordt geconfronteerd. Onderdeel van dit onderzoek zal in ieder geval zijn de mogelijkheden die het gebruik van stroomstootwapens (Taser) bieden binnen het palet van de overige geweldsmiddelen zoals de versterkte pepperspray en de uitschuifbare wapenstok waarover ik u in deze brief heb geïnformeerd. Over de uitkomsten van dit onderzoek zal ik u te zijner tijd nader informeren.

De Minister van Veiligheid en Justitie, I.W. Opstelten


X Noot
1

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl