29 628 Politie

Nr. 703 BRIEF VAN DE MINISTER VAN VEILIGHEID EN JUSTITIE

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 18 mei 2017

Eerder berichtte mijn ambtsvoorganger u over enkele onderzoeken naar de basisteams.1 Een vervolg op één van deze onderzoeken, het rapport «De lokale betekenis van basisteams», zend ik u in dit licht bij dezen toe2.

De uitkomsten van bijgaand rapport zijn in lijn met genoemde eerdere onderzoeken. Mede naar aanleiding van deze eerdere publicaties heeft het Kabinet bij de begroting voor VenJ van dit jaar € 10 mln. ter beschikking gesteld voor de versterking van de positie van de wijkagenten. In mijn reguliere voortgangsbrief politie, die medio juni aan uw Kamer zal worden gezonden, zal ik nader ingaan op relevante ontwikkelingen in de gebiedsgebonden politiezorg.

De uitkomsten van het onderhavige onderzoek tonen enerzijds de ervaringen van politiemedewerkers met de interne werking van de onderzochte drie basisteams en geven anderzijds inzicht in de opvattingen van burgemeesters, raadsleden en burgers over de politie.

De weergegeven ervaringen en opvattingen van burgemeesters laten zien dat zij in het algemeen tevreden zijn over de politie en het politieoptreden. Dat is van groot belang, aangezien de burgemeesters als gezagsdragers over de politie een essentiële pijler in het politiebestel vormen. Ook kan geconcludeerd worden dat onder raadsleden en burgers op hoofdlijnen tevredenheid heerst.

Burgers waarderen de politie in dit onderzoek met een 6,9. Dit sluit aan bij de conclusies van de Veiligheidsmonitor waarin wordt aangegeven dat 62 procent van de burgers zeer tevreden was over het laatste contact met de politie, wat vanaf 2015 gezien een toename van 15 procent is.3 Wel zijn de bevraagde burgers kritisch over bijvoorbeeld de bereikbaarheid en beschikbaarheid van de politie in het algemeen.

Ten aanzien van de werking van de basisteams hebben de onderzoekers de oordelen van de agenten in drie van de 167 basisteams onderzocht. De conclusie die de onderzoekers trekken is dat «de basisteams functioneren», vooral als het gaat om de «going concern» van incidentafhandeling, aangiften opnemen, participeren in netwerken en gremia. Tegelijk blijken de agenten erg kritisch op de eigen teams en prestaties op met name ondermijnende criminaliteit. Inhoudelijk komt deze kritiek overeen met genoemde eerdere onderzoeken waarover ik uw Kamer reeds eerder heb geïnformeerd. In mijn reactie heb ik toen gemeld dat er ook tal van ervaringen zijn met basisteams waar men tevreden is over het functioneren en de organisatie. Ik vind het erg belangrijk dat zowel de kritische als positieve ervaringen van de verschillende teams bij het verdere inwerking brengen en de verdere verbeteringen van de basisteams worden gebruikt. En dat gebeurt ook. De korpschef faciliteert het traject Vernieuwend Werken, waarbij basisteams begeleid worden in het organiseren van hun eigen verandering.4

Een specifiek aspect dat in het onderzoek wordt belicht bij zowel bestuurders als agenten is het vermogen van de politieorganisatie om adequaat opvolging te geven aan lokale signalen van ondermijnende criminaliteit en om informatie vanuit de basisteams aan te wenden voor de lokale, bestuurlijke aanpak. De korpschef en ik erkennen de noodzaak om hier verbeteringen in aan te blijven brengen. Ik zie daar drie ontwikkellijnen bij:

  • 1 Voor het beter opvolging geven aan signalen over georganiseerde criminaliteit uit de basisteams en voor het meer gebruik maken van de belangrijke informatiepositie van de basisteams lopen diverse trajecten. Voorbeelden zijn verbinding tussen handhavings- en opsporings-ICT systemen en het meer gebruik maken van regionale criminaliteitsbeeldanalyses. Ook blijft de Korpschef dit stimuleren bij bovenstaande verandertrajecten.

  • 2 Er lopen reeds initiatieven bij de politie en tussen burgemeesters, OM, politie en Rijk om verbetering te vinden in de wijze waarop in beginsel strafrechtelijke informatie vanuit de basisteams kan worden aangewend voor de lokale, bestuurlijke aanpak.

  • 3 De afgelopen periode is door de basisteams extra geïnvesteerd in de aanpak van veelvoorkomende criminaliteit en ondermijnende zaken op regionaal niveau. Dat heeft zijn vruchten afgeworpen.5 De conclusie van de onderzoekers dat juist het benoemen van deze successen de agenten in de drie teams het gevoel geeft dat hun zorgen niet begrepen worden, verdient een nadere analyse. Daarbij kan het antwoord liggen in prioritering in de fenomenen die lokaal moeten worden aangepakt. Dit is aan het lokale gezag. Scherpe prioritering zal overigens altijd nodig zijn omdat politiecapaciteit een schaars goed is.

Zoals u weet spant de politie zich in voor een verdere verbetering van de kwaliteit van de recherche.6 Bij mijn reguliere voortgangsbrief van medio juni stuur ik ook de koersnotitie opsporing mee, een discussienotitie over de toekomst van de opsporing waarin ook voorstellen voor verdere verbetering van de opsporing worden gedaan.

Uiteraard is het aan het nieuwe kabinet om te bepalen welke verdere stappen kunnen worden gezet waar het gaat om de versterking van de politie waaronder de recherche in het algemeen en de aanpak van ondermijning in het bijzonder. De politie acht het vanuit professioneel oogpunt van belang in te zetten op verdere kwalitatieve versterking van de recherche.

De Minister van Veiligheid en Justitie, S.A. Blok


X Noot
1

(1) Kamerstuk 29 628, bijlage bij nr. 676. (Terpstra c.s., 2016, Basisteams in de Nationale Politie);

(2) Kamerstuk 29 628, bijlage bij nr. 542. (Van der Torre c.s., 2015, De lokale positie van de Nationale Politie. Een eerste verkenning);

(3) Kamerstuk 29 628, bijlage bij nr. 474. (Inspectie Veiligheid en Justitie, Derde onderzoek vorming nationale politie);

(4) Kamerstuk 30 880, bijlage bij U (Inspectie Veiligheid en Justitie, Vierde onderzoek vorming nationale politie);

(5) Kamerstuk 29 628, bijlage bij nr. 643. (Inspectie Veiligheid en Justitie, Vijfde onderzoek vorming nationale politie).

X Noot
2

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl

X Noot
3

Kamerstuk 34 236, I.

X Noot
4

Kamerstuk 29 628, nr. 676

X Noot
5

Ibid. & Jaarverslag politie 2016, 17 mei 2017.

X Noot
6

Kamerstuk 29 628, nr. 676.

Naar boven