Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2013-201429628 nr. 435

29 628 Politie

Nr. 435 BRIEF VAN DE MINISTER VAN VEILIGHEID EN JUSTITIE

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 14 februari 2014

Hierbij stuur ik u de beantwoording van de vragen die door de commissie voor Veiligheid en Justitie zijn gesteld in de 2e termijn van het Algemeen Overleg Politieonderwerpen (gehouden op 30 januari 2014).

De Minister van Veiligheid en Justitie, I.W. Opstelten

Mevr. Berndsen, D66

  • 1. Graag een reactie op de heroverwegingen van de Inspectie VenJ in de realisatiemonitor voortgang vorming nationale politie.

In haar eerste rapport over de vorming van de nationale politie heeft de Inspectie drie aanbevelingen gedaan.

  • 1) Heroverweeg – alle risico’s overziend – op korte termijn het tempo van de inhoudelijke veranderagenda en de (personele) reorganisatie: Eind vorig jaar is een akkoord met vier partijen over de personele reorganisatie gesloten en op dit moment bezie ik wat de invloed daarvan is op de totale planning van de realisatie van de nationale politie. In het realisatieplan was al voorzien dat het plan elk jaar herijkt gaat worden. Dit biedt de kans om eventuele risico’s scherp in het oog te houden. In de reguliere voortgangsbrief nationale politie van mei aanstaande zal ik de Kamer informeren over de resultaten van die herijking.

  • 2) Focus de komende fasen niet alleen op het sec halen van doelen, maar ook op de feitelijke werking en kwaliteit daarvan: Per onderwerp wordt nagegaan wat de beste veranderstrategie is, dit zal de feitelijke werking en kwaliteit ten goede komen. Soms is het van belang om snel iets neer te zetten, zoals nieuwe teams, en daarna pas aan feitelijke werking en kwaliteit te werken. Soms is er meer voorbereidingstijd en kan vanaf het begin de focus gelegd worden op werking en kwaliteit. Aan het einde van de realisatieperiode in 2017 zullen alle doelen gerealiseerd zijn.

  • 3) Communiceer helder naar de medewerkers over de bedoeling achter de (in cijfers uitgewerkte) resultaten, werkwijzen en sturingsmaatregelen van de nationale politie: Omdat dit een belangrijk onderdeel is van de beoogde cultuurverandering zet de politie hier extra op in. Het gaat daarbij niet alleen om de politietop, maar om álle leidinggevenden. Extra inzet van leidinggevenden op een regelmatige en open communicatie naar de medewerkers toe zal ervoor zorgen dat het belang en beoogde resultaat van de verandermaatregelen binnen de gehele politieorganisatie verduidelijkt worden.

  • 2. Komt er een vervolgonderzoek van de Inspectie VenJ op het rapport over de betrouwbaarheid van politiegegevens?

Zoals ik in mijn reactie op het onderzoek in december aan uw Kamer heb gemeld, zijn door de politie al meerdere maatregelen in gang gezet om de kwaliteit van brongegevens van de politie verder te verbeteren. Met het Aanvalsprogramma informatievoorziening politie (AVP) en de nieuwe organisatie-inrichting van de politie wordt één landelijke uniforme informatiehuishouding ingericht, wat de kwaliteit van de brongegevens ten goede zal komen. Het verbeteren, uniformeren, koppelen van systemen (in het korps en met ketenpartners) en het genereren van landelijke informatie uit bronsystemen maken deel uit van het AVP.

Ook het traject Versterking Prestaties Strafrechtketen (VPS) richt zich op een structurele en op de toekomstgerichte versterking van de strafrechtketen. Het sluitend maken van definities en de registratie van informatie over de totale keten van aangifte, behandeling van de zaak en overdracht aan en vervolging van verdachten door het OM maken hier deel van uit.

Zoals toegezegd aan uw Kamer, zal de Inspectie Veiligheid en Justitie een vervolgonderzoek instellen naar de werking van de verbetermaatregelen, en naar de invloed van de geconstateerde tekortkomingen op het geheel van de gerapporteerde politiecijfers. Ik zal u in de eerste helft van 2015 informeren over de resultaten van dit vervolgonderzoek.

  • 3. Hoe verhoudt de ontwikkeling van eigen inlichtingendiensten in gemeenten zich tot de RIECS en de Veiligheidshuizen?

Gemeenten werken actief samen met OM, politie, Belastingdienst en andere overheidsdiensten bij de bestrijding van criminaliteit. Dit gebeurt in alle RIEC’s en Veiligheidshuizen, maar ook in specifieke samenwerkingsverbanden zoals de Taskforce Brabant Zeeland voor de bestrijding van georganiseerde criminaliteit.

Bij deze actieve rol van het bestuur hoort een stevige informatiepositie. Dit is wat anders dan het hebben van een eigen «inlichtingendienst», zoals dat recent in berichtgeving in de media naar buiten kwam over de gemeente Eindhoven. Het gaat erom dat er een structuur is die het mogelijk maakt dat gemeenten, politie, OM, Belastingdienst en andere overheidsdiensten, binnen de juridische kaders, informatie (kunnen) uitwisselen ten behoeve van de bestrijding van onder meer georganiseerde criminaliteit, fraude en financieel-economische criminaliteit. Die structuur voor en praktijk van structurele informatie-uitwisseling is er.

Daar waar de gemeente Eindhoven of andere gemeenten nog belemmeringen of knelpunten ervaren in de praktijk, neem ik dat serieus en wordt samen naar een passende oplossing gezocht.

Mevr. Helder, PVV

  • 4. Graag een reactie op het voorstel om geen aangifte meer te hoeven doen voor de verzekering, aangezien vaak alleen maar aangifte wordt gedaan om verzekeringsgeld te claimen.

Met het lid Helder ben ik van mening dat goed naar dit type aangifte gekeken moet worden, omdat inderdaad de vraag wordt gesteld of dit wel thuis hoort in het strafrecht.

Op dit moment wordt onderzocht (door de politie, de verzekeraars en mijn ministerie) of er mogelijkheden zijn om deze verzekeringsclaims niet meer vooraf te laten gaan door een aangifte bij de politie.

Dit voorjaar neem ik een besluit over de start van een eventuele pilot (inclusief de scope van zo’n aanpak) en over nadere afspraken met de verzekeraars. Hierover zal ik uw Kamer informeren.

  • 5. Graag een reactie op de vraag of het bij zich dragen van woninginbraakwerktuig als apart strafbaar feit kan worden opgenomen in het Wetboek van Strafrecht en de huidige straftoemeting.

Ik acht het niet noodzakelijk dit als een apart strafbaar feit in het Wetboek van Strafrecht op te nemen, omdat het bestaande juridische instrumentarium reeds afdoende is. Bij zwaardere vormen van inbraak is het namelijk al mogelijk om het bij zich dragen van woninginbraakwerktuig te bestraffen, als het wordt aangemerkt als een voorbereidingshandeling. Bij lichtere vormen van inbraak is strafbaarstelling via de Algemeen Plaatselijke Verordening mogelijk.

Er wordt niet apart geregistreerd wat de straftoemeting is voor het bij zich dragen van woninginbraakwerktuig, omdat het niet een op zichzelf staand delict is.

  • 6. Wat zijn achterliggende oorzaken van uitval van de opleiding aan de Politieacademie (die op 20% zou liggen).

Uitvalcijfers vanaf 2002 laten zien dat de totale uitval in de initiële opleiding gedurende deze hele periode schommelt tot iets onder de 20%. De redenen hiervoor zijn divers en vergelijkbaar met de redenen bij elke onderwijsinstelling: studenten kunnen zich bedenken over het beroep, men kan uitvallen door langdurige ziekte of door persoonlijke omstandigheden. In de bekostiging voor de Politieacademie is een prikkel ingebouwd om de Politieacademie te stimuleren om samen met politie te streven naar een zo’n laag mogelijke uitval. Voor de bekostiging wordt rekening gehouden met studenten die de eindstreep halen. Naarmate de uitval lager is, ontvangt de Politieacademie een hogere bekostiging voor het initiële onderwijs.

Uitval bij de opleiding aan de Politieacademie is, net als bij elke onderwijsinstelling, niet geheel te voorkomen. Dit neemt niet weg dat een lage uitval bij het initiële politieonderwijs essentieel is. Niet alleen voor de studenten maar ook voor de politie. Aspiranten zijn immers in dienst bij de politie en ontvangen een salaris tijdens hun duale opleiding.

De Politieacademie werkt momenteel aan een verbetering van de begeleiding en heeft een bindend studieadvies ingevoerd. Komend jaar zal analyse van de gegevens van de instroomgroepen uit 2011 laten zien of dit de studie-uitval terugbrengt. Ik zal u hierover informeren.

  • 7. Wat vindt u van de situatie dat veel aangiften van misdrijven onder een verkeerde code worden geregistreerd?

Zoals aangegeven in mijn beleidsreactie bij het rapport van de Inspectie VenJ, komt het voor dat later in een politieonderzoek blijkt dat een andere code op de aangifte van toepassing is dan zich in eerste instantie liet aanzien. Oorzaak hiervoor kan zijn dat nog niet alle relevante informatie op het moment van de aangifte bekend was.

Zoals toegezegd in mijn reactie op het inspectierapport zal ik nagaan in welke gevallen het administratief hercoderen van de aangifte bijdraagt aan het onderzoek en op welke wijze dit hercoderen verantwoord kan worden uitgevoerd zonder verlies van informatie. Indien nodig en mogelijk wordt dit betrokken bij de doorontwikkeling van de Basisvoorziening Handhaving.

Mevr. Van Tongeren, GroenLinks

  • 8. Waarom heeft de analyse van de zaak Van Rey zo lang geduurd?

  • 9. Waarom duurde het precies 4 dagen nadat de bewaartermijnen van de verkeersgegevens van de missende taps niet meer opvraagbaar waren?

  • 10. Hoe kan het dat je met een driedubbele back-up van de voeding, unbreakable power systeem en een noodgenerator toch een uitval krijgt?

  • 11. Hoe gaan deze vier systemen, zonder menselijke interactie, weer aan? Graag een technische, sluitende verklaring.

  • 12. Wat is de mogelijkheid om computerlogs in te zien (mogelijk zonder het vrijgeven van IP-adressen)? Als die mogelijkheid er niet is, kan er dan een onafhankelijk expert naar kijken?

In mijn brief van 17 december jl. (Kamerstuk 33 750 V, nr. 95)v ben ik uitvoerig ingegaan op de storing in het tapsysteem. Tijdens het Algemeen Overleg Politieonderwerpen met uw Kamer op 30 januari jl. heeft mevr. Van Tongeren bovenstaande aanvullende vragen over deze zaak gesteld.

Naar aanleiding van die vragen heb ik tijdens het debat toegezegd dat dit incident door de Auditdienst Rijk (ADR) zal worden onderzocht en dat ik de feiten zoals gepresenteerd in mijn brief d.d. 17 december door de ADR zal laten valideren. De vragen van mevr. Van Tongeren zal ik daarbij laten betrekken.

In de audit zal nadrukkelijk ook worden gekeken naar de opvolging van de aanbevelingen uit de eerdere audits. De ADR zal onderzoek doen naar de storing van het tapsysteem op 20 september 2012. De genoemde tijden over de storing zijn gelogd en dus traceerbaar. De loggegevens die zijn gebruikt voor de analyse van deze storing zijn opgeslagen en beschikbaar voor de ADR.

Dhr. Marcouch, PvdA

  • 13. Hoe wordt omgegaan met PTSS-klachten van politiemensen, die niet langer operationeel zijn?

In wetgeving (Art 54, lid 1 van het Besluit algemene rechtspositie politie) is vastgelegd dat in geval van een dienstongeval of beroepsziekte aan de desbetreffende ambtenaar de noodzakelijk gemaakte kosten van geneeskundige behandeling of verzorging worden vergoed.

Er is geen onderscheid tussen politiemedewerkers die (nog) wel of niet (meer) in dienst, dan wel operationeel zijn. Alle medewerkers hebben dus dezelfde aanspraken op vergoeding, met als enige voorwaarde dat de PTSS-klachten door het bevoegd gezag in casu als beroepsziekte worden aangemerkt.

Per 1 januari 2013 lopen alle beoordelingen en erkenningen voor PTSS als beroepsziekte via één loket: het Meldpunt PTSS. Het Meldpunt heeft actief alle eenheden benaderd om alle bekende dossiers rond PTSS te melden. Ook de reeds afgehandelde zaken en zaken van medewerkers die het korps hebben verlaten. Daarnaast is aan alle medewerkers uit het korps gevraagd om collega’s die uit dienst zijn en mogelijk PTSS of daaraan gerelateerde klachten hebben te melden bij het Meldpunt of de betreffende collega attent te maken op het Meldpunt PTSS. Ook is informatie verspreid via externe websites: hulp voor hulpverleners en de politievakbonden. Dit alles juist om te voorkomen dat (ex) politiemedewerkers niet op de hoogte zijn en tussen wal en schip belanden.

  • 14. Graag ingaan op het zodanig inrichten van basisteams dat ze een afspiegeling zijn van het gebied waarin ze werken (zie ook de eerder ingediende motie van dhr. Marcouch).

Het kabinet hanteert geen streefcijfers ten aanzien van allochtone medewerkers. Evenwel draagt een divers personeelsbestand in belangrijke mate bij aan het verder vergroten van de kwaliteit van het personeel en is het essentieel voor de verbinding met de samenleving. Politieagenten moeten herkenbaar zijn en blijven, voor alle burgers. De nationale politie heeft er aandacht voor dat de teams divers van samenstelling blijven.

De politieorganisatie staat midden in de samenleving. In de strategische personeelsplanning van de politie wordt onder andere stilgestaan bij de opgave om in verbinding te staan met de verschillende bevolkingsgroepen. Dit vereist specifieke kennis en vaardigheden van politiemedewerkers. Hieraan wordt aandacht besteed in de module multicultureel vakmanschap. Ook houdt men rekening met specifieke kennis en vaardigheden in de samenstelling van de politieteams.

  • 15. Er zijn berichten dat klachten die de bewoners uit de Haagse Schilderswijk hebben gemeld bij de Nationale Ombudsman niet bij de politie terecht zijn gekomen. Hoe werkt de klachtenregeling in het nieuwe bestel?

Het is niet ongebruikelijk dat een burger rechtstreeks een klacht indient bij de Nationale Ombudsman. De ombudsman legt dit soort klachten altijd voor aan de betreffende instantie. Ook in het geval van de klachten uit de Haagsche Schilderswijk is er goed contact en overleg tussen de Nationale Ombudsman en de betreffende politie-eenheid.

Een burger die een klacht wil indienen kan hierover informatie vinden op de internetsite: www.politie.nl . Op die site is ook een digitaal klachtenformulier te vinden. Uit de praktijk blijkt dat een burger die een klacht wil indienen, veelal een brief schrijft aan de politie in zijn woonplaats of aan de korpschef. Of men belt naar het voor één ieder bekende algemene nummer: 0900–8844. In het laatste geval krijgt men dan informatie van de telefonist wat men met de klacht kan doen.

In alle gevallen komt de klacht uiteindelijk bij de klachtencoördinator van de eenheid waar een bepaald incident zich heeft voorgedaan. Wanneer een klacht in behandeling wordt genomen, wordt de klager uitgenodigd door een klachtbehandelaar voor een intakegesprek. Deze legt de klager de procedure uit en bespreekt inhoudelijk de klacht. Geregeld is de burger tevreden met de uitleg die hij krijgt bij het intakegesprek.

Is de burger niet tevreden en bereid tot een bemiddelingsgesprek met de beklaagde politiefunctionaris, dan vindt er onder begeleiding van de klachtbehandelaar een bemiddelingsgesprek plaats.

Mocht het gesprek voor de klager toch niet tot een tevreden resultaat leiden, dan kan het oordeel worden gevraagd van de politiechef. Op dat moment eindigt de informele fase en begint de formele fase.

De politiechef vraagt dan advies aan de – externe en onafhankelijke – klachtencommissie alvorens een oordeel te geven over de klacht. De klachtencommissie nodigt de klager en de beklaagde uit voor een hoorzitting.

Met inachtneming van het advies neemt de politiechef een standpunt in over de klacht en deelt dat schriftelijk mee aan de klager. Als de klager het niet eens is met dat standpunt, dan kan hij zich wenden tot de Nationale Ombudsman. In de brief van de politiechef aan de klager wordt de klager op die mogelijkheid gewezen.

Met de brief van de politiechef aan de klager wordt de formele procedure bij de politie beëindigd.

De Inspectie Veiligheid en Justitie betrekt in haar monitoring van de vorming van de nationale politie de wijze waarop burgers op het terrein van klachtbehandeling het eerste contact met de politie ervaren.

  • 16. Klopt het dat er agenten zijn die niet meer actief kunnen zijn in de lokale politiek vanwege de herindeling van de politie-eenheden?

Het kan voorkomen dat een agent door de nieuwe indeling onder gezag werkt van de burgemeester van de gemeente waar hij of zij deel uitmaakt van de gemeenteraad. Er is dan sprake van een onverenigbare betrekking. Van de politieorganisatie kan en mag worden verwacht dat men meedenkt met de betrokken agent, zodat die niet genoodzaakt is om zijn raadslidmaatschap neer te leggen. Afgesproken met de politie is daarom dat in voorkomende gevallen de leidinggevende samen met de betrokken agent op zoek gaat naar een passende oplossing (bijvoorbeeld overplaatsing naar een andere gemeente). Overigens heeft deze situatie zich sinds de vorming van de nationale politie slechts in een enkel geval voorgedaan.

Dhr. Van Haersma Buma, CDA

  • 17. Wilt u een versnelling aanbrengen in het aanpassen van de wet ten behoeve van de aanpak van toename van diefstal van mobiele telefoons?

Uit ervaringen in andere landen blijkt dat na invoering van IMEI-blokkering het aantal straatroven met circa 20% daalt. Het traject om de zogenoemde IMEI-blokkering in Nederland wettelijk verplicht te stellen is in volle gang. Het conceptwetsvoorstel zal binnen enkele weken in consultatie gaan, zodat het voorstel tot wijziging van de Telecommunicatiewet voor het zomerreces bij de Kamer kan worden ingediend. Alles is erop gericht om de wetgeving van kracht te laten zijn per 1 januari 2015.

  • 18. De enorme inzet van politiecapaciteit bij de NSS heeft ook effect op de inzet van capaciteit in de rest van het jaar. Is hier rekening mee gehouden?

De NSS is de grootste top die ooit in Nederland is georganiseerd. Door gastland te zijn draagt Nederland bij aan de wereldwijde samenwerking op nucleair gebied en de voorkoming van nucleair terrorisme. Voor de politie betekent de NSS een uitdaging en een forse investering in capaciteit. Er is zorgvuldig gepland wat dit betekent voor de beschikbaarheid voor andere taken in dezelfde periode en voor andere momenten in de rest van het jaar.

Er zijn met de bestuurders op verschillende niveaus goede afspraken gemaakt om tijdens de NSS geen andere (grote) evenementen meer te organiseren waarvoor aanvullende politiecapaciteit nodig is. Daardoor is er voldoende ruimte om de verplichte vrije dagen elders in te roosteren.

Volgens de huidige planning kunnen de uren die medewerkers meer worden ingeroosterd dan normaal in die periode (zogenaamde «meeruren») voor het overgrote deel zonder noemenswaardige gevolgen worden gecompenseerd in de rest van 2014. De politiechefs zullen scherp toezien op het (verder) zo veel mogelijk voorkomen van meeruren en op het terugnemen daarvan binnen redelijke termijnen.

Gezien het huidig dreigingsbeeld en programma in en rond NSS zal overwerk (dus uren die meer worden gewerkt dan zijn ingeroosterd) in relatie tot de NSS beperkt blijven. Tijdens de operationele fase zijn bovendien incidentele middelen beschikbaar om eventuele overuren middels geld-voor-tijd te vergoeden.

  • 19. Door middel van de inzet van legermiddelen zijn in Amsterdam de woninginbraken met 30–50% gedaald. Als dit inderdaad zo succesvol is, kan er dan met de Minister van Defensie worden gekeken wat de mogelijkheden zijn om deze middelen ook in te zetten in andere gebieden?

Er is sprake van een steeds intensievere samenwerking tussen politie en Defensie. Dat leidt tot goede resultaten en grotere veiligheid. Mijn ambtgenote van Defensie en ik zijn dan ook sterke voorstanders van de verdere uitbouw van de samenwerking tussen politie en Defensie. De inzet van legermiddelen in Amsterdam is daar slechts één voorbeeld van. Op initiatief van de burgemeester en van het OM in Amsterdam is de politie het donkere dagen offensief gestart. Dit offensief heeft geleid tot een daling van het aantal woninginbraken tijdens de genoemde periode. Een van de maatregelen om het aantal woninginbraken terug te dringen betrof de inzet van legermiddelen.

Met de komst van de nationale politie heeft de samenwerking tussen Defensie en politie een nieuwe impuls gekregen. Het is immers een stuk eenvoudiger om samenwerkingsafspraken te maken met één landelijk politiekorps dan met 26 afzonderlijke korpsen. Dat Defensie en de nationale politie elkaar ook in de praktijk hebben gevonden, blijkt onder meer uit het feit dat de korpschef van de politie en de Commandant der Strijdkrachten periodiek met elkaar overleg voeren over de onderlinge samenwerking. Ook mijn ambtgenote van Defensie en ik hebben dit onderwerp overigens regelmatig op de agenda staan. Onze inzet is dat de samenwerking verder wordt uitgebouwd waar dat mogelijk en nuttig is.

Dat het niet alleen bij overleg blijft blijkt uit de praktijk die al mooie voorbeelden laat zien van de samenwerking tussen politie en Defensie. Bijvoorbeeld de samenwerking op het terrein van identiteits- en documentfraude. Die samenwerking had al een stevige basis in het Expertisecentrum Identiteitsfraude en Documenten (ECID) maar is nu verder uitgebouwd. De politie maakt sinds afgelopen jaar frequent gebruik van de vier regionale Centra Documenten en Identiteit van de KMar. Verdere uitbouw van de samenwerking op dit terrein in de zin van gezamenlijke opleidingen wordt verkend. Ook de samenwerking op het terrein van advanced search teams en duikers past in het rijtje goede voorbeelden van samenwerking.

De samenwerking is overigens niet louter operationeel, ook op het terrein van niet-operationele gebieden wordt meer en meer samengewerkt. Zo werken politie en Defensie nu bijvoorbeeld samen op het terrein van persoonsgebonden uitrusting en kleding, ICT, meldkamers en innovatie.

Dhr. Segers (ChristenUnie)

  • 20. Graag meer zicht op de voorzienbare (financiële) knelpunten tot 2020 als gevolg van de uitstroom van agenten door vergrijzing (waaronder effecten op de sterkte).

In de afgelopen jaren zijn, mede met het oog op de vergrijzing, grotere aantallen aspiranten aangenomen. De uitstroom van personeel is echter in de afgelopen jaren sterk teruggelopen met een steeds grotere operationele sterkte als gevolg. De met uw Kamer afgesproken operationele sterkte bedraagt 49.500. Eind 2013 bedroeg de daadwerkelijke operationele sterkte 51.508 fte. De politie beschikt daarmee over voldoende extra capaciteit om een hogere uitstroom als gevolg van vergrijzing op te vangen wanneer die zich voordoet.

De hogere operationele sterkte zet de financiën van de politie vanzelfsprekend wel onder druk, maar de politie kan de hogere personele kosten op dit moment opvangen. Voor de langere termijn is dit niet haalbaar.

De instroom is in 2013 lager dan in voorgaande jaren en dat zal ook in 2014 het geval zijn. Dat is nodig om het verder oplopen van de operationele sterkte en de druk op de financiën van de politie te beperken.

De komende jaren wordt de instroom van politiepersoneel steeds aangepast aan de ontwikkeling van de toekomstige uitstroom.

  • 21. Graag verder ingaan op het feit dat de centrale OR niet in heeft gestemd met het PDC.

De inrichting van het politie diensten centrum (PDC) ligt vast in het Inrichtingsplan Nationale Politie dat ik december 2012 vaststelde (Kamerstuk 29 628 nr. 346).

Hierin is onder meer de inrichting van het PDC in de verschillende diensten en afdelingen beschreven. Tevens is hierin beschreven welke delen geconcentreerd (op één locatie) en welke delen gedeconcentreerd (vanuit de eenheden) werken.

Afgelopen zomer is door de korpschef aan de centrale ondernemingsraad van de politie (COR) de formatieverdeling van het PDC voorgelegd. De verdeling van geconcentreerde afdelingen en teams over de drie centrale PDC locaties maakt hier onderdeel van uit. Hierop heeft de COR eind oktober negatief advies uitgebracht. De reactie van de bonden, alsmede mijn reactie daarop heb ik u begin 2013 gestuurd. De korpschef is thans in gesprek met de COR. Ik ga er van uit dat er spoedig overeenstemming zal zijn. Ik zal u over de voortgang van de vorming van het PDC berichten in het halfjaarlijkse voortgangsbericht.

  • 22. Graag een toelichting hoe de Minister aangiftes wil terugkoppelen. Wat is de efficiëntste manier?

De dienstverlening aan de burger is het visitekaartje van de politie. Het verzorgen van een terugkoppeling over de voortgang van de zaak aan een aangever is een belangrijke taak voor de politie. Niet alleen uit het oogpunt van een goede dienstverlening, maar ook om het vertrouwen van de burger in de politie te vergroten en de aangiftebereidheid te verhogen.1

De politie geeft hier invulling aan door telefonisch, en binnen 14 dagen, terug te koppelen over de voortgang van aangiften van de High Impact Crime (HIC) woninginbraak, en vanaf 1 januari 2014, ook straatroof en overvallen. Dit jaar zal ook landelijk worden gestart met de terugkoppeling op aangiften van geweld. Inmiddels krijgt 97% van de aangevers van woninginbraken deze terugkoppeling op tijd. Een eerste kwaliteitsmeting door de politie in 2013 liet al meteen zien dat de terugkoppeling over de aangifte van woninginbraken daadwerkelijk een positief effect had op het vertrouwen van burgers in de politie.2

Ik verwacht ook dit jaar duidelijkheid te hebben over de mogelijkheden voor een gerichte terugkoppeling van de andere delicten (niet zijnde HIC’s) naar de aangever, zodat over het gehele spectrum van aangiften een landelijke en uniforme terugkoppeling van aangevers gerealiseerd wordt. Ik zal uw Kamer hierover voor het zomerreces nader informeren.

  • 23. Is het tegengaan van woonoverlast primair een politietaak?

Overlastgevers moeten worden aangepakt. Het betreft een verantwoordelijkheid van gemeenten, corporaties, politie en diverse andere maatschappelijke instellingen, waarbij van verschillende instrumenten gebruik kan worden gemaakt. Functionarissen als de wijkagent hebben hierbij een belangrijke signalerende functie. De politie kan handhavend optreden als er sprake is van strafbare feiten, zoals geweld of bedreiging.

Om woonoverlast effectief aan te pakken, is het van belang dat verschillende betrokken partijen de krachten bundelen en hieraan consequente en structurele aandacht schenken. In mijn brief van 18 november 2013 (Kamerstuk 28 684,  nr. 398) heb ik u geïnformeerd over de diverse mogelijkheden voor gemeenten om woonoverlast aan te pakken.

Ik heb in die brief – en tijdens de behandeling van de begroting 2014 – toegezegd voorstellen voor nieuwe instrumenten voor de aanpak van woonoverlast goed te zullen bestuderen. Daarnaast heb ik aan de VNG gevraagd een inventarisatie te maken van de behoefte bij gemeenten voor aanvullend instrumentarium om woonoverlast aan te pakken en welke instrumenten dat zouden kunnen zijn. De VNG heeft toegezegd deze inventarisatie in het eerste kwartaal van 2014 uit te voeren.

Mevr. Kooiman, SP

  • 24. Wat zijn de effecten van het sluiten van politiebureaus voor de bereikbaarheid voor burgers en voor de aanrijtijden van de politie?

  • 25. Wanneer is er duidelijkheid over hoe dat er ná 2015 uit zal zien (gelet op de toezegging dat er tot 2015 geen bureaus zullen sluiten)?

Tot en met 2015 worden geen bureaus gesloten, tenzij er een operationele noodzaak bestaat en het in afstemming met het gezag of op verzoek van het gezag gebeurt.

Uitzondering hierop zijn besluiten tot sluiting die al voor de start van de nationale politie werden genomen.

In mijn brief van juni 2013 (Kamerstuk 29 628, nr. 401) heb ik de Kamer geïnformeerd over het strategisch huisvestingsbeleid van de politie. Daarbij heb ik aangegeven dat de keuze voor de definitieve locaties van politiebureaus afhankelijk is van het dienstverleningsconcept dat de politie uitwerkt en dat die keuze in overleg met het betrokken gezag zal worden gemaakt. Het spreekt voor zich dat bij de uitwerking van dit concept de effecten voor aanrijdtijden en bereikbaarheid voor burgers als belangrijke elementen worden meegenomen.

In 2014 worden de conceptcriteria uit het strategisch huisvestingsplan uitgewerkt. Vervolgens wordt dat resultaat in 2015 vergeleken met de huisvestingsportefeuille van het korps tot en met 2025. Deze vergelijking biedt de mogelijkheid om in het meerjarenplan huisvesting politie (2016–2025) keuzes voor de huisvesting van de basisteams te maken.

  • 26. Hoe wordt het coulancebeleid aangaande PTSS ingevuld?

In mijn brief aan uw Kamer van 30 oktober 2013 (Kamerstuk 29 628, nr. 422) heb ik toegezegd voor medewerkers van wie de wettelijke verjaringstermijn van 5 jaar is verstreken een coulancebeleid zal hanteren. De politie werkt de details van het coulancebeleid uit in samenwerking met mijn ministerie. Vervolgens vindt hierover overleg plaats met de bonden. De invulling van het coulancebeleid moet voor de zomer worden afgerond en duidelijkheid bieden aan de (ex)medewerkers die dit betreft.

  • 27. De Staatssecretaris gaf aan dat het boventallige gevangenispersoneel mogelijk aan de slag kan bij de politie. Hoe wordt dat ingevuld?

Op 20 december 2013 hebben DJI en de politie een convenant afgesloten om samen de instroom van DJI-medewerkers bij de politie te bevorderen. VenJ, DJI en de politie werken er gezamenlijk aan om goed gekwalificeerd DJI personeel, dat als gevolg van bezuinigingsmaatregelen voor 2013–2018 boventallig raakt, een mogelijkheid te bieden om bij de politie aan het werk te gaan.

Dit zullen de partijen doen door o.a. DJI personeel te informeren over werken bij de politie. Dit gebeurt in voorlichtingsbijeenkomsten over de selectie-eisen en de selectieprocedure. De politie zal DJI informeren als er externe vacatures opengesteld gaan worden. De gemaakte afspraken hebben geen invloed op de kwaliteit van instroom bij de politie. Geïnteresseerden vanuit DJI doorlopen de standaard selectieprocedure van de politie en de politie bepaalt, autonoom, of een kandidaat geschikt is om aangesteld te worden. Ook aan opleidingseisen wordt geen afbreuk gedaan. De DJI-instroom volgt vervolgens dezelfde opleiding (al dan niet met ervaringscertificaten) als alle overige instroom.

Dhr. Van Oosten, VVD

  • 28. Wanneer kunnen de smartphones beschikbaar komen voor operationele medewerkers?

Eind 2013 waren er bij de nationale politie ruim 25.000 smartphones in gebruik. Ruim 75% hiervan wordt gebruikt door operationele medewerkers, de overige door leiding en ondersteuning. Een belangrijke operationele toepassing op de huidige smartphones is Integrale Bevraging, waarmee 16 politiesystemen tegelijk mobiel bevraagd kunnen worden door de agent.

Ten behoeve van de uitrol van MEOS (Mobiel Effectief Op Straat) worden 30.000 nieuwe smartphones aangeschaft en uitgerold onder operationele medewerkers. Een deel van de huidige smartphones van operationele medewerkers zal worden hergebruikt door medewerkers in de leiding en ondersteuning. Van de 30.000 nieuwe smartphones worden er 15.000 dit jaar aangeschaft en uitgerold, en 15.000 in 2015.

  • 29. Wanneer kunnen c.q. gaan de opstartkosten van de politie op de BES weer dalen?

Het politiekorps BES is zowel in kwantitatieve als in kwalitatieve zin een korps in opbouw. De capaciteit van het korps is een permanent aandachtspunt omdat het lastig is lokaal personeel aan te trekken. Dit geldt ook voor de korpsen van Sint Maarten, Curaçao en Aruba, met name voor recherchepersoneel en ervaren middenkader. Het vergt dus tijd om lokaal geworven personeel inzetbaar te maken voor o.a. recherche.

Medio 2013 zijn 7 aspiranten afgestudeerd. Binnenkort zal er weer een wervingscampagne van start gaan en zal de opleiding in het 3e kwartaal 2014 aanvangen. Verwacht wordt dat hier 9 aspiranten aan zullen deelnemen. Daarnaast hebben in 2013 ook 17 medewerkers de MBO4 opleiding (bijscholing) met succes afgerond. Ook in 2014 zullen 23 zittende medewerkers van start gaan met dit bijscholingstraject.

Omdat nog onvoldoende lokaal personeel kan instromen, is het nodig om capaciteit in te huren vanuit de nationale politie of de koninklijke marechaussee. De loonsom van dit personeel ligt beduidend hoger dan van lokaal personeel aangezien dit personeel vanuit Nederland moet worden ingehuurd. Een daling van deze kosten van het korps valt dus pas te verwachten naarmate het korps meer gevuld kan worden met lokaal personeel. Dit is een proces van meerdere jaren.

  • 30. Wat is de aanpak ten aanzien de Roma-problematiek?

Sinds 2011 wordt onder mijn regie uitvoering gegeven aan het programma Aanpak uitbuiting (Roma) kinderen. Hierover bent u reeds geïnformeerd (Kamerstuk 32 824, nr. 30 en Kamerstuk 32 824, nr. 46).

Dit programma is integraal en familiegericht en wordt uitgevoerd met partners als de politie, de Ministeries van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en Buitenlandse Zaken, het Openbaar Ministerie, gemeenten, de Raad voor de Kinderbescherming en Jeugdzorg.

De aanpak wordt gekenmerkt door het stellen van grenzen en het bestraffen van crimineel gedrag. Daarnaast zijn er maatregelen gericht op het bieden van perspectief. Er is door de Politieacademie een kennisfundament ter ondersteuning van professionals geschreven (Kamerstuk 32 824, nr. 30).

Er zijn protocollen gemaakt om effectief tegen schoolverzuim en uithuwelijking op te treden. Er is een barrièremodel ontwikkeld dat inzichtelijk maakt welke signalen wijzen op gevallen van uitbuiting van (Roma)kinderen. Met dit model kunnen organisaties effectiever optreden. Vier proeftuingemeenten (Nieuwegein, Veldhoven, Ede en Lelystad) zijn hier zeer actief in geweest.

Het programma wordt voor de periode 2014–2016 doorgezet. In het eerste kwartaal van dit jaar wordt uw Kamer geïnformeerd over de resultaten van het oude programma en over het vervolgprogramma. Voor de komende programmaperiode staat borging van kennis en ervaring mede door gebruik van het barrièremodel centraal. Best practices zullen gedeeld worden met andere gemeenten die ook Roma huisvesten.

  • 31. Welke actiepunten/ concrete doelen t.a.v. de aanpak van geweld tegen homo’s gaan plaatsvinden?

Op 22 januari jongstleden maakte de nationale politie het rapport «Anti-homogeweld in Nederland, analyse van (dreiging van) fysiek anti-homogeweld» openbaar.

In mijn brief van 29 januari aan uw Kamer (Kamerstuk 27 017, nr. 97) ben ik ingegaan op de oproep van het COC en mijn (verdere) aanpak. In mijn periodieke gesprek met het COC en andere betrokken partijen, zoals kerkgenootschappen, zal ik het rapport bespreken en actiepunten hieruit destilleren. Daar waar het gaat om discriminatie binnen de politie, ga ik met de politie en het COC na of de huidige werkwijze van Roze in Blauw in de eenheden voldoet of aanpassing behoeft. Ik rapporteer hierover in de Voortgangsbrief Discriminatie 2014.

  • 32. Wat zijn de technische ontwikkelingen rondom C2000 en hoe ziet dat er na 2017 uit?

In de komende periode wordt samen met de gebruikers (politie, Ambulancezorg Nederland, Defensie en de brandweer) een toekomstverkenning uitgevoerd. Tijdens deze verkenning wordt gekeken welke technologische ontwikkelingen op het gebied van spraak en data worden verwacht en op welke termijn deze geschikt en beschikbaar zijn voor de sector openbare orde en veiligheid. Tevens wordt onderzocht in welke mate deze ontwikkelingen aansluiten op de wensen en eisen van de gebruikers, Aan TNO zal ik vragen mij hierover een onafhankelijk advies te geven. Aan de hand van de bovenstaande activiteiten zal, in overleg met alle betrokken kolommen, die verdere toekomst van C2000 worden bepaald.


X Noot
1

Dit blijkt o.a. uit de Slachtoffermonitor (Kamerstuk 33 552, nr. 7) en het rapport «Aangifte doen: de burger centraal?» van de Inspectie van VenJ (Kamerstuk 29 628, nr. 340).

X Noot
2

Kamerstuk 29 628, nr. 404.