28 973 Toekomst veehouderij

29 683 Dierziektebeleid

N1 VERSLAG VAN EEN NADER SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 26 juni 2023

De leden van de toenmalige vaste commissies voor Economische Zaken en Klimaat / Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (EZK/LNV) en voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) hebben kennisgenomen van de brief2 van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 20 februari 2023 in reactie op de brief met vragen van de leden van deze commissies over deelrapporten in het kader van het onderzoeksprogramma Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (VGO) III. De leden van de fracties van GroenLinks en PvdA gezamenlijk en van de fractie van PvdD hebben naar aanleiding hiervan nog een aantal vervolgvragen en opmerkingen. De leden van de fracties van D66 en SP sluiten zich bij de vragen en opmerkingen van de bovengenoemde leden aan.

Naar aanleiding hiervan is op 28 maart 2023 een brief gestuurd aan de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.

De Minister heeft op 21 april 2023 een uitstelbericht gestuurd en op 22 juni 2023 inhoudelijk gereageerd.

De leden van de huidige commissies voor Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV)3 en voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS)4 brengen bijgaand verslag uit van het gevoerde nader schriftelijk overleg.

De griffier voor dit verslag, De Boer

BRIEF VAN DE VOORMALIGE VOORZITTERS VAN DE VASTE COMMISSIES VOOR ECONOMISCHE ZAKEN EN KLIMAAT / LANDBOUW, NATUUR EN VOEDSELKWALITEIT (EZK/LNV) EN VOOR VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT (VWS)

Aan de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit

Den Haag, 28 maart 2023

De leden van de vaste commissies voor Economische Zaken en Klimaat / Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (EZK/LNV) en voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) hebben met belangstelling kennisgenomen van uw brief5 van 20 februari 2023 in reactie op de brief met vragen van de commissies over deelrapporten in het kader van het onderzoeksprogramma Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (VGO) III. De leden van de fracties van GroenLinks en PvdA gezamenlijk en van de fractie van PvdD hebben naar aanleiding hiervan nog een aantal vervolgvragen en opmerkingen. De leden van de fracties van D66 en SP sluiten zich bij de vragen en opmerkingen van de bovengenoemde leden aan.

Vragen en opmerkingen van de leden van de fracties van GroenLinks en PvdA gezamenlijk

De leden van de fracties van GroenLinks en de PvdA lezen in uw beantwoording dat sommige provincies vanuit het voorzorgsprincipe moratoria voor uitbreidingen en/of nieuwvesting van geitenhouderijen hebben ingesteld, wat het kabinet ondersteunt, maar dat de afweging om een moratorium in te voeren bij de provincie zelf ligt. Deze leden vragen of het ondernemen van actie op korte termijn echter niet ook een verantwoordelijkheid is van het Rijk, bijvoorbeeld vanuit de verplichting uit de Nationale Omgevingsvisie om een gezonde leefomgeving te waarborgen. En weegt de Rijksverantwoordelijkheid die onder andere daaruit voortvloeit niet zwaarder dan het uitgangspunt dat decentrale overheden het bevoegd gezag zijn voor toestaan van nieuwbouw en uitbreiding van bijvoorbeeld veehouderijen (door u genoemd in de brief van 25 januari 20226)? Zo nee, waarom niet? Immers gaat het hier primair om de bescherming van de gezondheid van omwonenden en is het moratorium op geitenhouderijen een maatregel die voor dit doel genomen wordt, aldus de leden van de fracties van GroenLinks en de PvdA. Zij vragen u hierop te reageren.

U stelt dat inzicht in de oorzaak van het verhoogde risico op het oplopen van een longontsteking voor mensen die in de nabijheid van een geitenhouderij wonen nodig is om uiteindelijk gerichte, risico reducerende maatregelen te kunnen nemen. Alhoewel deze leden het belang van grondig onderzoek onderschrijven, wijzen zij er wel op dat bij de verwachte afronding van het VGO-III onderzoeksprogramma eind 2024 al zo’n 4 jaar voorbij zijn gegaan sinds het signaleren van het probleem. In deze periode lopen de negatieve gezondheidseffecten voor omwonenden waaraan de nabijheid van geitenhouderijen schijnbaar ten grondslag ligt door, aldus de leden van de fracties van GroenLinks en de PvdA. Zij vragen of dit niet tegen uw voornemen ingaat om uiteindelijk «gerichte, risico reducerende maatregelen» te nemen, gezien de kans dat burgers tussendoor ziek worden door deze periode juist vergroot wordt. Waarom wordt er in dit kader niet zwaarder ingezet op de hierboven beschreven moratoria om een sterke vergroting van negatieve gezondheidseffecten te voorkomen?

In dit kader vragen de leden van de fracties van GroenLinks en de PvdA u verder om een uiteenzetting over de instrumenten voor de aanpak van zoönosen die het Rijk nu en na inwerkingtreding van de Omgevingswet tot zijn beschikking heeft om dergelijke gezondheidsschade te voorkomen, met daarbij een inzichtelijke afweging per beschikbaar instrument waarom u deze wel of niet heeft ingezet of beoogt in te zetten.

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van PvdD

In uw beantwoording geeft u desgevraagd aan niet op de hoogte te zijn van de exacte hoeveelheid geitenhouderijen per provincie, noch van de exacte hoeveelheid geiten per geitenhouderij, zo lezen de leden van de PvdD-fractie. Deze leden vragen u hoe u dit ziet in het licht van de zorgplicht van het kabinet. Kunt u hierop reflecteren? Bent u bereid en in staat alsnog het aantal geitenhouderijen per provincie en de exacte aantallen geiten per geitenhouderij te (doen) inventariseren, ook in het kader van de mogelijkheid snel handelend op te kunnen treden bij uitbraak van zoönosen, zoals Q-koorts? Zo nee, waarom niet, Zo ja, op welke termijn en op welke wijze?

Om de gezondheidsrisico’s van veehouderijen te beperken, heeft de GGD een aantal adviezen uitgebracht. Het gaat ondermeer om het instellen van een minimumafstand van 250 meter tussen veehouderijen en woningen, het verplichten van bedrijven om hun geur en fijnstofuitstoot te beperken en het gemengd houden van varkens en pluimvee op een veehouderijbedrijf te verbieden of op zijn minst ontmoedigen. Naar aanleiding van uw reactie van 20 februari jl. constateren de leden van de PvdD-fractie dat u niet voornemens bent om deze adviezen te implementeren in nationale wetgeving. Ook ontbreekt volgens deze leden uw reactie op de vraag wat de houding van de regering zal zijn ten aanzien van de bevoegde gezagen die dit niet of niet volledig doen. Welke mogelijkheden en middelen heeft de regering om in deze gevallen te sturen op ander beleid op decentraal niveau? Bent u bereid dergelijke mogelijkheden in te zetten? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke termijn en op welke wijze?

Deze leden vragen of u van opvatting bent dat de GGD-aanbeveling om bij het gemengd houden van verschillende diersoorten niet alleen een minimumafstand tussen de gehouden diersoorten te hanteren, maar die minimumafstand ook voor te schrijven voor verschillende bedrijven waarbij verschillende diersoorten tot mutaties in zoönosen zouden kunnen leiden. Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke termijn en op welke wijze?

Tijdens de deskundigenbijeenkomst7 van 14 maart jl. over de Eerste tranche wet wijziging publieke gezondheid (36 194) gaf dhr. Bekedam het advies om geen nieuwe vergunningen af te geven voor pluimveebedrijven naast water. De leden van de PvdD-fractie vragen of u voornemens bent onverkort en onverwijld uitvoering te geven aan dit advies. Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke termijn en op welke wijze?

In het Nationaal Actieplan Versterken Zoönosenbeleid (2022)8 wordt onder andere geadviseerd om in de EU en internationale overleggen in te zetten «op het verminderen van lange afstandstransporten van landbouwhuisdieren» (p. 68, actiepunt 49.1). Tegelijkertijd blijkt uit cijfers van de RVO dat met name het transport van varkens over lange afstanden (langer dan 8 uur), fors groeide in 2022 t.o.v. 2021. «Het transport naar Spanje is met 53.352 varkens meer dan verdubbeld ten opzichte van dezelfde periode in 2021. Daarnaast gingen er dit jaar ruim tien keer meer levende varkens naar Poolse slachterijen (37.451 dieren). Ook vervoerde Nederland meer varkens naar Slowakije, Hongarije en Roemenië9.» Deze leden vragen wat de oorzaak is van deze stijging En hoe gaat u in de EU en in internationale overleggen navolging geven aan het advies uit het actieplan?

De leden van de PvdD-fractie vragen hoe u de toenemende verspreiding van vogelgriep onder zoogdieren beoordeelt in relatie tot het risico van mutaties die van zoogdier tot zoogdier (c.q. van mens tot mens) besmettelijk zouden kunnen worden. Kunt u aangeven welke mortaliteit onder besmette mensen zou kunnen voortvloeien wanneer vogelgriep van mens tot mens besmettelijk zou worden? Deelt u de opvatting van deze leden dat deze pandemische dreiging, zoals die blijkt uit onderzoek van Nederlandse virologen zoals prof R. Fouchier, een vele malen groter risico vormt dan bijvoorbeeld de Covid-pandemie heeft gevormd? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke preventieve maatregelen neemt u, gegeven de massieve veedichtheid van ons land, om dergelijke risico’s te verkleinen?

De leden van de vaste commissies voor Economische Zaken en Klimaat / Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) zien uw reactie met belangstelling tegemoet en ontvangen deze graag uiterlijk 28 april 2023

De voorzitter van de vaste commissie voor Economische Zaken en Klimaat / Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, L.P. van der Linden, MSc.

De voorzitter van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport, T. Klip-Martin

BRIEF VAN DE MINISTER VAN LANDBOUW, NATUUR EN VOEDSELKWALITEIT

Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 21 april 2023

De vragen van de leden van de fracties van GroenLinks en PvdA gezamenlijk en van de fractie van PvdD kunnen niet binnen de gebruikelijke termijn worden beantwoord wegens de benodigde interdepartementale afstemming. Ik zal uw Kamer zo spoedig mogelijk de antwoorden op de vragen doen toekomen.

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, P. Adema

BRIEF VAN DE MINISTER VAN LANDBOUW, NATUUR EN VOEDSELKWALITEIT

Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 22 juni 2023

Hierbij zend ik u, mede namens de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS), de antwoorden op de vervolgvragen van de leden van de fracties van GroenLinks en PvdA gezamenlijk en van de fractie van PvdD over de deelrapporten van het onderzoeksprogramma Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (VGO) III (kenmerk: 170593.05U; ingezonden op 18 april 2023).

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, P. Adema

170593.05U

Vragen van de fracties GroenLinks en PvdA gezamenlijk

De leden van de fracties van GroenLinks en de PvdA lezen in uw beantwoording dat sommige provincies vanuit het voorzorgsprincipe moratoria voor uitbreidingen en/of nieuwvesting van geitenhouderijen hebben ingesteld, wat het kabinet ondersteunt, maar dat de afweging om een moratorium in te voeren bij de provincie zelf ligt.

1

Deze leden vragen of het ondernemen van actie op korte termijn echter niet ook een verantwoordelijkheid is van het Rijk, bijvoorbeeld vanuit de verplichting uit de Nationale Omgevingsvisie om een gezonde leefomgeving te waarborgen.

Antwoord

Een gezonde leefomgeving vindt het kabinet zeer belangrijk en hier wordt op verschillende manieren aan gewerkt. In de Nationale Omgevingsvisie, het Nationaal Programma Landelijk Gebied (NPLG) en het Nationale Omgevingsvisie Extra (NOVEX) programma zijn hier kaders voor gesteld, die handvatten bieden aan provincies bij het opstellen van gebiedsprogramma’s en besluitvormingsprocessen. De gezondheid staat hier centraal benoemd: de leefbaarheid van het landelijk gebied moet worden behouden en zo mogelijk verbeteren10. Beschermen en verbeteren van de omgevingskwaliteit heeft een centrale plek bij het doorlopen van de gebiedsprocessen. In mei is ook het Programma Gezonde Leefomgeving van start gegaan11, dat erop gericht is om gezondheid meer integraal mee te nemen in het beleid rond de fysieke leefomgeving. Ook in diverse handreikingen is aandacht voor een gezonde leefomgeving, zoals in de handreiking Veehouderij en Gezondheid Omwonenden en de handreiking Geurhinder en Veehouderij van InfoMil.12

2

En weegt de Rijksverantwoordelijkheid die onder andere daaruit voortvloeit niet zwaarder dan het uitgangspunt dat decentrale overheden het bevoegd gezag zijn voor toestaan van nieuwbouw en uitbreiding van bijvoorbeeld veehouderijen (door u genoemd in de brief van 25 januari 2022)? Zo nee, waarom niet? Immers gaat het hier primair om de bescherming van de gezondheid van omwonenden en is het moratorium op geitenhouderijen een maatregel die voor dit doel genomen wordt, aldus de leden van de fracties van GroenLinks en de PvdA. Zij vragen u hierop te reageren.

Antwoord

Decentrale overheden en de Rijksoverheid delen het belang van een gezonde leefomgeving. Landelijk en decentraal beleid kan elkaar hierin juist versterken. Decentrale overheden zijn het bevoegd gezag voor het invoeren van een moratorium om uitbreiding en/of nieuwvestiging van geitenhouderijen tegen te gaan. Het merendeel van de provincies heeft een moratorium ingevoerd, waaronder de provincies met de meeste geitenhouderijen. Ik zie dat de mogelijkheden die provincies hebben om vanuit het voorzorgsprincipe maatregelen te treffen daarmee op dit moment toereikend zijn. Zodra er meer duidelijkheid is over de oorzaak van het verhoogde risico op longontsteking bij omwonenden van geitenhouderijen, zal ik samen met de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) kijken naar gerichte, risicoreducerende maatregelen.

3

U stelt dat inzicht in de oorzaak van het verhoogde risico op het oplopen van een longontsteking voor mensen die in de nabijheid van een geitenhouderij wonen nodig is om uiteindelijk gerichte, risico reducerende maatregelen te kunnen nemen. Alhoewel deze leden het belang van grondig onderzoek onderschrijven, wijzen zij er wel op dat bij de verwachte afronding van het VGO-III onderzoeksprogramma eind 2024 al zo’n 4 jaar voorbij zijn gegaan sinds het signaleren van het probleem. In deze periode lopen de negatieve gezondheidseffecten voor omwonenden waaraan de nabijheid van geitenhouderijen schijnbaar ten grondslag ligt door, aldus de leden van de fracties van GroenLinks en de PvdA. Zij vragen of dit niet tegen uw voornemen ingaat om uiteindelijk «gerichte, risico reducerende maatregelen» te nemen, gezien de kans dat burgers tussendoor ziek worden door deze periode juist vergroot wordt.

Antwoord

Ik deel de wens om zo snel mogelijk duidelijkheid te krijgen over de oorzaak van het verhoogde risico op longontsteking rondom geitenhouderijen en om gerichte, risicoreducerende maatregelen te kunnen treffen. Dit met het oog op het zo snel en zo goed mogelijk inperken van de gezondheidsrisico’s voor omwonenden. Daarvoor is het wel noodzakelijk om dit onderzoeksprogramma zorgvuldig af te ronden en om aanknopingspunten te vinden in de praktijk voor effectieve, gerichte maatregelen. Dat is bijvoorbeeld nodig om eventuele maatregelen straks goed te kunnen onderbouwen.

4

Waarom wordt er in dit kader niet zwaarder ingezet op de hierboven beschreven moratoria om een sterke vergroting van negatieve gezondheidseffecten te voorkomen?

Antwoord

In provincies met een moratorium geldt ten algemene dat er geen nieuwe geitenhouderijen zich kunnen vestigen en dat bestaande geitenhouderijen niet kunnen uitbreiden. Daarmee wordt voorkomen dat het risico verder toeneemt.

5

In dit kader vragen de leden van de fracties van GroenLinks en de PvdA u verder om een uiteenzetting over de instrumenten voor de aanpak van zoönosen die het Rijk nu en na inwerkingtreding van de Omgevingswet tot zijn beschikking heeft om dergelijke gezondheidsschade te voorkomen, met daarbij een inzichtelijke afweging per beschikbaar instrument waarom u deze wel of niet heeft ingezet of beoogt in te zetten?

Antwoord

Op grond van de Wet publieke gezondheid is het college van burgemeester en wethouders verantwoordelijk voor het beschermen en bevorderen van de gezondheid van haar inwoners en waar mogelijk rekening te houden met ongerustheid over mogelijke gezondheidsrisico’s van omgevingsfactoren. In het kader van de Wet Ruimtelijke Ordening en de WABO (wet algemene bepalingen omgevingsrecht) kan een vergunning voor vestiging of uitbreiding van een veehouderijbedrijf waarbij wordt gebouwd geweigerd worden als er aantoonbare risico’s zijn voor de gezondheid van omwonenden, of uit voorzorg als deze risico’s voldoende aannemelijk zijn. De GGD kan om advies worden gevraagd en de situatie ter plaatse beoordelen (gebruikmakend van GGD-richtlijnen13 en de Handreiking VGO).14 Het kabinet ondersteunt dit lokaal beleid.

Het Rijk kan indien nodig extra preventieve maatregelen instellen; dit hangt af van de effectiviteit en de proportionaliteit van de maatregel. Ten behoeve van Q-koorts zijn er bijvoorbeeld -afhankelijk van type en grootte van het veehouderijbedrijf- verplichtingen gesteld voor melden van afwijkende abortusaantallen, testen van melk, en vaccinatie van schapen en geiten.

Adequate signalering is een belangrijk onderdeel in de aanpak van infectieziekten en zoönosen. Of voor een dierziekte een meldingsplicht nodig is hangt ervan af van hoe snel de ziekte zich kan verspreiden, hoe gevaarlijk deze is voor mens of dier en hoe moeilijk te bestrijden of te genezen. De meldplicht wordt bepaald door Europese regelgeving (Animal Health Regulation15) of nationale wetgeving. Vogelgriep is bijvoorbeeld een meldingsplichtige én bestrijdingsplichtige ziekte onder gehouden pluimvee. Als een veehouder of dierenarts symptomen ziet die op vogelgriep kunnen wijzen, dan moet dit direct worden gemeld. Tijdens de «verdachte» fase mag het bedrijf geen dieren of dierlijke producten aan- en afvoeren. Als besmetting is vastgesteld moeten de dieren worden geruimd en gebouwen ontsmet. De Wet dieren voorziet in bevoegdheden om regels te stellen ter bestrijding en preventie van besmettelijke dierziekten.

Ik ben als Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) op grond van artikel 5.4 van de Wet dieren bevoegd om, in overeenstemming met de Minister van VWS, maatregelen te treffen ten aanzien van besmette of van besmetting verdachte dieren, en ten aanzien van dieren die een gevaar kunnen opleveren voor verspreiding van een zoönose, zoals een plicht tot het doden van dieren, het aanvoeren van dieren op een bedrijf, en het insemineren of laten bevruchten van dieren. Bij de besluitvorming over het treffen van dergelijke maatregelen en de precieze invulling zal moeten worden bezien wat, gegeven de omstandigheden, nodig en evenredig is. Dergelijke maatregelen zijn uit hun aard tijdelijk van aard: zij kunnen alleen van toepassing zijn zolang zij nodig zijn voor het doel, de voorkoming van de verspreiding van de zoönose.

Om de besmetting tussen mensen onderling zoveel mogelijk te voorkomen, zal het instrumentarium van de Wet publieke gezondheid worden toegepast.

VWS en LNV hebben een gezamenlijke taak om de volksgezondheid te beschermen tegen zoönosen, ieder vanuit de eigen verantwoordelijkheid en met de instrumenten die ter beschikking staan. Via de zoönosenstructuur wordt besloten over de te nemen maatregelen.

De Wet milieubeheer en straks ook de Omgevingswet (per januari 2024) voorzien in bevoegdheden om regels te stellen ter vermindering van emissies. De Omgevingswet biedt straks meer mogelijkheden om volksgezondheidsaspecten mee te wegen in ruimtelijke ordeningsvraagstukken.1617 Hierbij is de decentrale over heid het bevoegd gezag.

Ik heb eerder aangekondigd te werken aan een intensiveringsplan preventie vogelgriep. Daarbij heb ik aangegeven de mogelijkheden verkennen om nieuwvestiging en uitbreiding in gebieden waar de kans op besmetting met vogelgriep relatief groot is, te kunnen voorkomen (Kamerstuk 28 808, nr. 269). Momenteel beschikken noch ik noch decentrale overheden daarvoor over het wettelijk instrumentarium. In het intensiveringsplan preventie vogelgriep zal ik u hier nader over informeren. Dit wordt in juni naar de Tweede Kamer gestuurd.

Vragen van de fractie van PvdD

6

In uw beantwoording geeft u desgevraagd aan niet op de hoogte te zijn van de exacte hoeveelheid geitenhouderijen per provincie, noch van de exacte hoeveelheid geiten per geitenhouderij, zo lezen de leden van de PvdD-fractie. Deze leden vragen u hoe u dit ziet in het licht van de zorgplicht van het kabinet. Kunt u hierop reflecteren?

Antwoord

Ik heb wel inzicht in het aantal geitenhouderijen en het aantal geiten per locatie. In het kader van Identificatie en Registratie (I&R) zijn alle locaties waar geiten worden gehouden) in Nederland geregistreerd in een centrale database. Voor houders van geiten geldt de verplichting om elk dier individueel in I&R te registreren. Zowel geboorte, aanvoer, afvoer als sterfte van een dier wordt in het I&R-systeem geregistreerd. Daarmee heb ik te allen tijde een real-time overzicht van het aantal geitenhouderijen en het aantal geiten per locatie in Nederland.

U vroeg in uw vorige brief (Kamerstuk 170593.02U) echter om een overzicht van nieuw geregistreerde geitenhouderijen op afstanden van 500m, 1000m en 2000m van woningen van de afgelopen drie jaar, uitgesplitst per provincie. Ik beschik niet over gegevens van (recent verstrekte) Omgevingsvergunningen, noch over een overzicht van de afstand van elke geitenhouderij tot een woonkern.

7

Bent u bereid en in staat alsnog het aantal geitenhouderijen per provincie en de exacte aantallen geiten per geitenhouderij te (doen) inventariseren, ook in het kader van de mogelijkheid snel handelend op te kunnen treden bij uitbraak van zoönosen, zoals Q-koorts? Zo nee, waarom niet, Zo ja, op welke termijn en op welke wijze?

Antwoord

Ik beschik reeds over dit inzicht, omdat alle locaties waar geiten worden gehouden en het aantal geiten per locatie in het I&R-systeem zijn geregistreerd. Zoals u aangeeft is dit inderdaad bedoeld om in geval van calamiteiten, zoals een uitbraak van een dierziekte, snel en gemakkelijk te kunnen traceren waar dieren worden gehouden en welke dierbewegingen hebben plaatsgevonden. Wanneer zich een dergelijke situatie voordoet, heb ik deze data dus tot mijn beschikking.

8

Om de gezondheidsrisico’s van veehouderijen te beperken, heeft de GGD een aantal adviezen uitgebracht. Het gaat onder meer om het instellen van een minimumafstand van 250 meter tussen veehouderijen en woningen, het verplichten van bedrijven om hun geur en fijnstofuitstoot te beperken en het gemengd houden van varkens en pluimvee op een veehouderijbedrijf te verbieden of op zijn minst ontmoedigen. Naar aanleiding van uw reactie van 20 februari jl. constateren de leden van de PvdD-fractie dat u niet voornemens bent om deze adviezen te implementeren in nationale wetgeving. Ook ontbreekt volgens deze leden uw reactie op de vraag wat de houding van de regering zal zijn ten aanzien van de bevoegde gezagen die dit niet of niet volledig doen. Welke mogelijkheden en middelen heeft de regering om in deze gevallen te sturen op ander beleid op decentraal niveau? Bent u bereid dergelijke mogelijkheden in te zetten? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke termijn en op welke wijze?

Antwoord

De GGD adviseert het bevoegd gezag, met behulp van de richtlijnen. Het bevoegd gezag zal het GGD-advies meewegen in de besluitvorming. Het kan echter voorkomen dat het uiteindelijke besluit (deels) ingaat tegen het GGD-advies, om voor het bevoegd gezag moverende redenen. Tegen besluiten van het bevoegd gezag kunnen gebruikelijke bezwaar- en beroepsprocedures ingesteld worden door betrokkenen. Het kabinet ziet de afweging over aanscherping van de minimumafstanden primair als een regionale en lokale aangelegenheid en wil de besluitvorming hierover bij de provincies en gemeenten laten.

9

Deze leden vragen of u van opvatting bent dat de GGD-aanbeveling om bij het gemengd houden van verschillende diersoorten niet alleen een minimumafstand tussen de gehouden diersoorten te hanteren, maar die minimumafstand ook voor te schrijven voor verschillende bedrijven waarbij verschillende diersoorten tot mutaties in zoönosen zouden kunnen leiden. Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke termijn en op welke wijze?

Antwoord

Ik heb geen bevoegdheid om dergelijke afstandsnormen voor te schrijven. Ik heb wel aandacht voor (de risico’s van) gemengde bedrijven. Zo is het in het NPLG een meekoppelende structurerende keuze (MSK) dierziekten en zoönosen opgenomen. In deze MSK zijn verschillende adviezen geformuleerd die provincies kunnen gebruiken bij de totstandkoming van hun gebiedsprogramma’s en besluitvormingsprocessen binnen het NPLG. Eén van deze adviezen ziet toe op gemengde bedrijven waar zowel varkens als pluimvee worden gehouden.

Daarnaast werk ik momenteel aan het intensiveringsplan preventie vogelgriep, waarin ook aandacht zal zijn voor gemengde bedrijven met varkens en pluimvee. Dit plan zal in juni gepubliceerd worden.

10

Tijdens de deskundigenbijeenkomst van 14 maart jl. over de Eerste tranche wet wijziging publieke gezondheid (36 194) gaf dhr. Bekedam het advies om geen nieuwe vergunningen af te geven voor pluimveebedrijven naast water. De leden van de PvdD-fractie vragen of u voornemens bent onverkort en onverwijld uitvoering te geven aan dit advies. Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke termijn en op welke wijze?

Antwoord

Ik heb eerder aangegeven dat ik maatregelen voor pluimveebedrijven in waterrijke gebieden aan het verkennen ben, waaronder een verbod op nieuwvestiging (Kamerstuk 28 807, nr. 285.). Het verkennen van dit soort ingrijpende maatregelen vergt een zorgvuldige haalbaarheids- en impactanalyse. Ik zal u hier verder over informeren in het intensiveringsplan preventie vogelgriep, dat voor het zomerreces gepubliceerd zal worden.

11

In het Nationaal Actieplan Versterken Zoönosenbeleid (2022) wordt onder andere geadviseerd om in de EU en internationale overleggen in te zetten «op het verminderen van lange afstandstransporten van landbouwhuisdieren» (p. 68, actiepunt 49.1). Tegelijkertijd blijkt uit cijfers van de RVO dat met name het transport van varkens over lange afstanden (langer dan 8 uur), fors groeide in 2022 t.o.v. 2021. «Het transport naar Spanje is met 53.352 varkens meer dan verdubbeld ten opzichte van dezelfde periode in 2021. Daarnaast gingen er dit jaar ruim tien keer meer levende varkens naar Poolse slachterijen (37.451 dieren). Ook vervoerde Nederland meer varkens naar Slowakije, Hongarije en Roemenië.» Deze leden vragen wat de oorzaak is van deze stijging.

Antwoord

De oorzaak van de toename van langeafstandstransporten van varkens in 2022 t.o.v. 2021 is niet eenduidig. Hiervoor zijn meerdere mogelijke oorzaken aan te wijzen, zoals o.a. marktwerking, fluctuatie in de slachtcapaciteit, een uitbraak van de varkensziekte PRRS in Spanje en corona.

12

En hoe gaat u in de EU en in internationale overleggen navolging geven aan het advies uit het actieplan?

Antwoord

Op Europees niveau pleit ik voor een verbod op langeafstandstransporten voor slachtdieren en ongespeende dieren. Ik zet mij hier in aanloop naar de herziening van de Europese dierenwelzijnswetgeving (gepland eind 2023) blijvend voor in. Ik pleit hiervoor in het kader van dierenwelzijn. Mogelijk heeft een vermindering van lange afstandstransporten ook een positief effect op de diergezondheid.

13

De leden van de PvdD-fractie vragen hoe u de toenemende verspreiding van vogelgriep onder zoogdieren beoordeelt in relatie tot het risico van mutaties die van zoogdier tot zoogdier (c.q. van mens tot mens) besmettelijk zouden kunnen worden.

Antwoord

De toenemende besmettingen van zoogdieren met vogelgriep zijn zorgelijk. Aanpassing van het virus aan zoogdieren laten nogmaals zien dat het virus in staat is tot aanpassingen die ook implicaties kunnen hebben voor de besmetting van mensen. De inschatting van het Deskundigenberaad Zoönosen (DB-Z) is dat het risico voor de algemene bevolking laag blijft en voor mensen met beroepsmatig contact met pluimvee/besmette dieren laag tot matig. Het DB-Z geeft aan dat de toename van besmettingen onder wilde zoogdieren en de toegenomen wereldwijde verspreiding wel maakt dat de onzekerheid over de risico-inschatting is toegenomen (Kamerstuk 25 295, nr. 2051).

14

Kunt u aangeven welke mortaliteit onder besmette mensen zou kunnen voortvloeien wanneer vogelgriep van mens tot mens besmettelijk zou worden?

Antwoord

Het is onmogelijk om de mortaliteit onder besmette mensen, indien vogelgriep van mens tot mens besmettelijk wordt aan te geven. Dit hangt aan de ene kant af van de eigenschappen van het virus: het ziekmakend vermogen kan, bij veranderingen die het virus van mens op mens overdraagbaar maken, ook veranderen. Aan de andere kant hangt dit ook af van de gastheer, van immuunreacties ten gevolge van eerdere griepbesmetting, leeftijd, gezondheidstoestand, comorbiditeit en andere risicofactoren.

15

Deelt u de opvatting van deze leden dat deze pandemische dreiging, zoals die blijkt uit onderzoek van Nederlandse virologen zoals prof R. Fouchier, een vele malen groter risico vormt dan bijvoorbeeld de Covid-pandemie heeft gevormd?

Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke preventieve maatregelen neemt u, gegeven de massieve veedichtheid van ons land, om dergelijke risico’s te verkleinen?

Antwoord

Of de pandemische dreiging van een nieuwe influenzavariant, afkomstig van dieren en mens op mens overdraagbaar een vele malen groter risico vormt dan de Covid-pandemie is op voorhand niet te zeggen. De gevolgen van een influenzapandemie zijn afhankelijk van de eigenschappen van het betreffende virus, hoe besmettelijk is het, hoe ziekteverwekkend en hoe wordt het beïnvloed door bestaande immuniteit tegen andere influenzavirussen. De pandemische influenza van 2009, die is ontstaan door reassortment en volledig anders was dan de stammen die tot dan toe voorkwamen heeft wereldwijd wel tot besmettingen geleid maar had veel minder grote gevolgen dan de Covid-pandemie.


X Noot
1

De letter N heeft alleen betrekking op 28 973.

X Noot
2

Verslag nader schriftelijk overleg: Kamerstukken I, 2022–2023, 28 973, M.

X Noot
3

Samenstelling commissie LNV: Kroon (BBB), Oplaat (BBB) (voorzitter), Kemperman (BBB), Jaspers (BBB), Van Knapen (BBB), Kluit (GL+PvdA), Janssen-van Helvoort (GL+PvdA), Fiers (GL+PvdA), Thijssen (GL+PvdA), Crone (GL+PvdA), Van Ballekom (VVD), Meijer (VVD), Klip-Martin (VVD), Rietkerk (CDA), Prins (CDA), Aerdts (D66), Van Meenen (D66), Faber-Van de Klashorst (PVV), Visseren-Hamakers (PvdD), Baumgarten (Ja21), Janssen (SP), Holterhues (CU), Dessing (FVD), Schalk (SGP), Perin-Gopie (Volt), Van Rooijen (50PLUS), Van der Goot (OPNL).

X Noot
4

Samenstelling commissie VWS: Van Wijk (BBB), Van Knapen (BBB), Janssen-van Helvoort (GL+PvdA), Van Gurp (GL+PvdA) (ondervoorzitter), Fiers (GL+PvdA), Roovers (GL+PvdA), Thijssen (GL+PvdA), Kaljouw (VVD), Bruijn (VVD), Klip-Martin (VVD), Prins (CDA) (voorzitter), Bakker-Klein (CDA), Moonen (D66), Van Meenen (D66), Bezaan (PVV), Koffeman (PvdD), Baumgarten (Ja21), Kox (SP), Talsma (CU), Van den Oetelaar (FVD), Van Dijk (SGP), Perin-Gopie (Volt), Van Rooijen (50PLUS), Van der Goot (OPNL).

X Noot
5

Verslag nader schriftelijk overleg: Kamerstukken I, 2022–2023, 28 973, M.

X Noot
6

Verslag schriftelijk overleg: Kamerstukken I, 2022–2023, 28 973 / 29 683, L.

Naar boven