Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 2022-2023 | 28973 nr. M |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 2022-2023 | 28973 nr. M |
Vastgesteld 21 februari 2023
De leden van de vaste commissies voor Economische Zaken en Klimaat / Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit2 en voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport3 hebben kennisgenomen van de brief4 van 8 maart 2022, in reactie op de brief van de commissies van 25 januari 2022 met vragen inzake deelrapporten in het kader van het onderzoeksprogramma Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (VGO) III. De leden van de fracties van GroenLinks en de Partij voor de Dieren hebben naar aanleiding hiervan gezamenlijk een aantal vragen.
Naar aanleiding hiervan is op 28 juni 2022 een brief gestuurd aan de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV).
De toenmalige Minister van LNV heeft op 19 augustus 2022 aangegeven dat het beantwoorden van de vragen niet binnen de gebruikelijke termijn mogelijk is.
De huidige Minister van LNV heeft op 20 februari 2023 inhoudelijk gereageerd, mede namens de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.
De commissies brengen bijgaand verslag uit van het gevoerde nader schriftelijk overleg.
De griffier voor dit verslag, De Boer
Aan de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit
Den Haag, 28 juni 2022
De leden van de vaste commissies voor Economische Zaken en Klimaat / Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (EZK/LNV) en voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) hebben met belangstelling kennisgenomen van uw brief5 van 8 maart 2022, in reactie op de brief van de commissies van 25 januari 2022 met vragen inzake deelrapporten in het kader van het onderzoeksprogramma Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (VGO) III. De leden van de fracties van GroenLinks en de Partij voor de Dieren hebben naar aanleiding hiervan gezamenlijk nog een aantal vragen.
In uw brief schrijft u dat vanuit de verantwoordelijkheid van het Rijk ervoor wordt gezorgd dat provincies geïnformeerd zijn over onderzoeksuitkomsten, zodat effectieve risicoreducerende maatregelen genomen kunnen worden op nationaal niveau.6 Welke maatregelen heeft de regering hiervoor beschikbaar? En onder welke voorwaarden zal de regering dit instrumentarium benutten? Wat is hierbij het afwegingskader van de regering? Heeft het Rijk nog andere waarborgen om zeker te stellen dat er zich geen risico’s verwezenlijken, indien op lokaal niveau niet adequaat op risicofactoren wordt gereageerd?
Wanneer zijn de onderzoeken naar longontstekingen bij omwonenden van geitenhouderijen afgerond? Wat is hiervoor volgens u een aanvaardbare termijn, gezien de signalen dat hier wel degelijk sprake is van een causaal verband en de risico’s die dit met zich meebrengt?
In uw beantwoording geeft u desgevraagd aan niet te beschikken over een overzicht van het aantal gerealiseerde nieuwe geitenhouderijen op een afstand tot 500 m, tot 1000 m en tot 2000 m van woningen, uitgesplitst per provincie. Hoe verhoudt zich dit tot de zorgplicht van het Rijk? Bent u het met de leden van de fracties van GroenLinks en de Partij voor de Dieren eens dat de verantwoordelijkheden van de regering ten aanzien van de volksgezondheid met zich meebrengen dat het Rijk dit soort risico’s in ieder geval in kaart brengt, ook al ligt de bevoegdheid om op te treden niet primair bij het Rijk? Zo nee, waarom niet?
Om de gezondheidsrisico’s van veehouderijen te beperken, heeft de GGD een aantal adviezen uitgebracht. Het gaat onder meer om het instellen van een minimumafstand van 250 meter tussen veehouderijen en woningen, het verplichten van bedrijven om hun geur en fijnstofuitstoot te beperken en het gemengd houden van varkens en pluimvee op een veehouderijbedrijf verbieden of op zijn minst ontmoedigen.7 Kunt u een appreciatie geven van deze adviezen per advies? Bent u voornemens om deze adviezen te implementeren in nationale wetgeving? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke stappen heeft de regering hiervoor gezet of zal de regering als eerste zetten? Indien zij van mening is dat deze adviezen op decentraal niveau geïmplementeerd moeten worden, wat zal dan de houding van de regering zijn ten aanzien van de bevoegd gezagen die dit niet of niet volledig doen? Welke mogelijkheden en middelen heeft de regering om in deze gevallen te sturen op ander beleid op decentraal niveau, zo vragen de leden van de fracties van GroenLinks en de Partij voor de Dieren.
De leden van de vaste commissies voor Economische Zaken en Klimaat / Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (EZK/LNV) en voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) zien uw reactie met belangstelling tegemoet en ontvangen deze graag uiterlijk 26 augustus 2022.
Voorzitter van de vaste commissie voor Economische Zaken en Klimaat / Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, L.P. van der Linden
Voorzitter van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport, T. Klip-Martin
Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 19 augustus 2022
De vragen van de leden van de fracties GroenLinks en de Partij voor de Dieren inzake het onderzoeksprogramma Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (VGO-III) (kenmerk 170593.02U, ingezonden 28 juni 2022) kunnen niet binnen de gebruikelijke termijn worden beantwoord. De benodigde interdepartementale afstemming vergt meer tijd dan verwacht.
Ik zal uw Kamer zo spoedig mogelijk de antwoorden op de vragen doen toekomen.
Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, H. Staghouwer
Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 20 februari 2023
Hierbij zend ik u, mede namens de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS), de antwoorden op de vragen van de Eerste Kamerleden van de fracties van GroenLinks en de Partij voor de Dieren inzake deelrapporten in het kader van het onderzoeksprogramma Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (VGO) III (Kamerstuk 170593.02U, ingezonden 28 juni 2022). Helaas is het niet gelukt deze antwoorden binnen een redelijke termijn aan uw Kamer te sturen. Ik betreur dit, en zal mij inspannen om u in het vervolg meer tijdig te informeren.
Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, P. Adema
170593.02U
1
In uw brief schrijft u dat vanuit de verantwoordelijkheid van het Rijk ervoor wordt gezorgd dat provincies geïnformeerd zijn over onderzoeksuitkomsten, zodat effectieve risicoreducerende maatregelen genomen kunnen worden op nationaal niveau. Welke maatregelen heeft de regering hiervoor beschikbaar? En onder welke voorwaarden zal de regering dit instrumentarium benutten? Wat is hierbij het afwegingskader van de regering? Heeft het Rijk nog andere waarborgen om zeker te stellen dat er zich geen risico’s verwezenlijken, indien op lokaal niveau niet adequaat op risicofactoren wordt gereageerd?
Antwoord
Het onderzoeksprogramma Veehouderij en Gezondheid is erop gericht meer kennis te krijgen over de gezondheid van mensen die in de buurt van veehouderijen wonen. Het kabinet informeert de provincies over de onderzoeksresultaten, zodat zij af kunnen wegen of zij op basis daarvan provinciale maatregelen willen instellen. De reeds uitgevoerde onderzoeken binnen het VGO-programma benadrukken het belang van inzicht in de oorzaak van het verhoogde risico op het oplopen van een longontsteking voor mensen die in de nabijheid van een geitenhouderij wonen. Met de vervolgonderzoeken binnen VGO-III laat het kabinet onderzoek uitvoeren naar die oorzaak, om uiteindelijk gerichte, risicoreducerende maatregelen te kunnen nemen. Op dit moment is niet te voorspellen wat voor (type) maatregelen dat zouden kunnen zijn. De Wet dieren voorziet in bevoegdheden om regels te stellen ter bestrijding en preventie van besmettelijke dierziekten. Daarbij gaat het om maatregelen op bedrijfsniveau, zoals bijvoorbeeld een plicht om ontsmettingsmaatregelen te nemen of om dieren binnen te houden. De Wet milieubeheer en straks de Omgevingswet voorzien in bevoegdheden om regels te stellen ter vermindering van emissies.
De gezondheidsrisico’s die specifiek kunnen worden toegeschreven aan wonen in de nabijheid van geitenhouderijen moeten goed inzichtelijk worden gemaakt en beoordeeld worden in vergelijking met het effect van bijvoorbeeld bronnen van luchtverontreiniging in de buurt van woonkernen. Ik zal, samen met de Minister van VWS, na afronding van het onderzoek, beoordelen of er gerichte, risicoreducerende maatregelen genomen kunnen worden om het risico op longontsteking nabij geitenhouderijen te verminderen.
De afgelopen jaren hebben diverse provincies vanuit het voorzorgsprincipe een moratorium ingesteld om uitbreidingen en/of nieuwvesting van geitenhouderijen tijdelijk tegen te gaan. De bevoegdheid hiervoor ligt bij de provincies. Besluitvorming op het gebied van veehouderij en ruimtelijke ordening is belegd bij provincies en gemeenten. Uitgangspunten voor het afwegen van gezondheidsrisico’s voor omwonenden zijn vastgelegd in een Handreiking Veehouderij Gezondheid Omwonenden.8 Het kabinet heeft eerder aangegeven dit door de provincies ingezette beleid te ondersteunen. Daarnaast heeft mijn voorganger begin 2022 de provincies waar op dit moment geen moratorium is ingesteld verzocht om de invoering van een moratorium in overweging te nemen. Het is echter aan de provincies zelf om hier een afweging in te maken. Daarnaast is in het Nationaal Programma Landelijk Gebied (NPLG) een meekoppelende structurerende keuze gezondheid omwonenden opgenomen. Deze meekoppelende structurerende keuze geeft provincies handvatten om dit onderwerp mee te nemen in de ontwikkeling van hun gebiedsplannen en bij besluitvormingsprocessen binnen het NPLG. In de Handreiking NPLG die op 25 november 2022 is gepubliceerd9 zijn adviezen voor afstandscriteria opgenomen, zoals tussen veehouderijen en woonkernen. Deze adviezen zijn in lijn met de afstandsnormen uit de Handreiking Veehouderij en Gezondheid Omwonenden van InfoMil. De Handreiking Veehouderij en Gezondheid Omwonenden bestaat sinds 2019 en is bedoeld om decentrale overheden te ondersteunen in de besluitvorming over veehouderijen in relatie tot de gezondheid van omwonenden. Hierbij is onder meer gebruik gemaakt van de resultaten uit de VGO-onderzoeken.
Nederland kent een sterk ontwikkelde veehouderij. Het belang van gezonde dieren en voorkomen van risico’s voor de gezondheid van mensen in en om veehouderijen wordt hierin duidelijk onderkend. Er is de afgelopen decennia dan ook fors geïnvesteerd in preventie en monitoring van dierziekten en zoönosen. Zo zijn in Nederland de basismonitoring diergezondheid én de gezamenlijke zoönosenstructuur actief. De zoönosenstructuur is ingericht om signalen van (mogelijke) zoönosen op te vangen, te beoordelen en op te volgen waar nodig. Met het Actieplan versterking zoönosenbeleid wordt nog sterker ingezet op detectie, preventie en respons.
2
Wanneer zijn de onderzoeken naar longontstekingen bij omwonenden van geitenhouderijen afgerond? Wat is hiervoor volgens u een aanvaardbare termijn, gezien de signalen dat hier wel degelijk sprake is van een causaal verband en de risico’s die dit met zich meebrengt?
Antwoord
Het VGO-III onderzoeksprogramma wordt naar verwachting eind 2024 afgerond. Door de COVID-19 pandemie heeft de uitvoering fikse vertraging opgelopen. Dit kwam vooral omdat er veel minder patiënten met longontsteking werden gezien door huisartsen in het onderzoeksgebied gedurende deze periode. Ik heb de onderzoekers gevraagd of versnelling van (onderdelen van) onderzoeken mogelijk is, maar dat blijkt helaas niet mogelijk. Het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) doet zijn uiterste best om de onderzoeken zo snel mogelijk af te ronden, zonder daarbij de kwaliteit van het onderzoek uit het oog te verliezen. De diverse (deel)onderzoeken worden in een integraal onderzoeksrapport opgeleverd, en conclusies ten aanzien van de resultaten van de diverse onderzoeken, inclusief die van de patiëntenstudie, worden gecombineerd. Daarmee is eerdere afronding dan eind 2024 niet mogelijk.
3
In uw beantwoording geeft u desgevraagd aan niet te beschikken over een overzicht van het aantal gerealiseerde nieuwe geitenhouderijen op een afstand tot 500 m, tot 1000 m en tot 2000 m van woningen, uitgesplitst per provincie. Hoe verhoudt zich dit tot de zorgplicht van het Rijk? Bent u het met de leden van de fracties van GroenLinks en de Partij voor de Dieren eens dat de verantwoordelijkheden van de regering ten aanzien van de volksgezondheid met zich meebrengen dat het Rijk dit soort risico’s in ieder geval in kaart brengt, ook al ligt de bevoegdheid om op te treden niet primair bij het Rijk? Zo nee, waarom niet?
Antwoord
Zoals ik in mijn eerdere antwoord op uw vragen (Kamerstuk 28973 / 29683) heb aangegeven beschik ik niet over het overzicht dat u vraagt. Data over nieuw gevestigde geitenhouderijen komen voort uit de vergunningverlening en dat is een decentrale aangelegenheid. Daarnaast is vaststellen van de afstand van een bedrijf tot woningen niet eenvoudig, omdat onderscheid tussen de woning van de eigenaar van het bedrijf en die van omwonenden niet uit bestaande registraties (bij RIVM en CBS) blijkt. De overheid vervult haar zorgplicht door het in kaart brengen van de risico’s voor omwonenden van geitenhouderijen in het lopende onderzoeksprogramma VGO-III, en door het onderzoek naar de oorzaak van de eerder vastgestelde associatie.
4
Om de gezondheidsrisico’s van veehouderijen te beperken, heeft de GGD een aantal adviezen uitgebracht. Het gaat onder meer om het instellen van een minimumafstand van 250 meter tussen veehouderijen en woningen, het verplichten van bedrijven om hun geur en fijnstofuitstoot te beperken en het gemengd houden van varkens en pluimvee op een veehouderijbedrijf verbieden of op zijn minst ontmoedigen. Kunt u een appreciatie geven van deze adviezen per advies? Bent u voornemens om deze adviezen te implementeren in nationale wetgeving? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke stappen heeft de regering hiervoor gezet of zal de regering als eerste zetten? Indien zij van mening is dat deze adviezen op decentraal niveau geïmplementeerd moeten worden, wat zal dan de houding van de regering zijn ten aanzien van de bevoegd gezagen die dit niet of niet volledig doen? Welke mogelijkheden en middelen heeft de regering om in deze gevallen te sturen op ander beleid op decentraal niveau, zo vragen de leden van de fracties van GroenLinks en de Partij voor de Dieren.
Antwoord
De GGD-adviezen kunnen als handvatten dienen bij de besluitvorming door het bevoegd gezag. Het kabinet ondersteunt deze adviezen en roept de bevoegd gezagen op om deze handvatten toe te passen in hun besluitvorming.
De Handreiking Veehouderij en Gezondheid Omwonenden van InfoMil is bedoeld om decentrale overheden te ondersteunen in de besluitvorming over veehouderijen in relatie tot de gezondheid van omwonenden; hierin zijn de genoemde adviezen over afstandsnormen opgenomen.
In het NPLG zijn fijnstof, geur, volksgezondheid en dierziekten en zoönosen opgenomen als meekoppelende structurerende keuzes. In de meekoppelende structurerende keuze gezondheid omwonenden zijn adviezen over afstanden tussen veehouderijen en woonkernen en zorginstellingen opgenomen.
Deze sluiten aan bij de GGD-adviezen in de Handreiking Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (zie ook het antwoord op vraag 1). Daarnaast treedt per 1 januari 2024 de Omgevingswet in werking, waarin meer mogelijkheden worden geboden om volksgezondheidsaspecten mee te wegen in ruimtelijke ordeningsvraagstukken.
Voor het beleid ten aanzien van geurhinder van veehouderijen verwijs ik naar de brief van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat aan de Tweede Kamer d.d. 8 november 2022. Daarin kondigt zij aan met voorstellen te komen voor aanpassing van de geurregelgeving voor veehouderijen.
Voor fijnstof is het kwantitatieve doel in de Uitvoeringsagenda Schone Lucht Akkoord dat de fijnstofemissies (PM10) uit pluimveestallen in 2030 gehalveerd zijn ten opzichte van 2016.
Het varken staat in de wetenschappelijke literatuur bekend als een potentieel «mengvat» van infuenzavirussen van verschillende diersoorten. Het is van belang om meer zicht te krijgen op welke infuenza-stammen rondgaan in de Nederlandse varkenshouderij om zo de risico’s te kunnen beoordelen. Het is niet bekend of en hoe vaak varkens worden besmet met bijvoorbeeld infuenzavirussen van mensen of vogels en of dit vaker voorkomt op bepaalde varkensbedrijven. Het RIVM is met veterinaire partijen een pilot gestart die kijkt naar influenza bij varkens op varkenshouderijen («pilot surveillance infuenzavirussen onder gehouden varkens»); dit wordt verbreed naar varkens op gemengde bedrijven en bedrijven met buitenuitloop (zie Kamerbrief reactie Actieplan D66, Kamerbrief reactie op DB-Z advies vogelgriep en Nationaal actieplan versterken zoönosenbeleid).
Samenstelling:
Koffeman (PvdD), Faber-Van de Klashorst (PVV), Van Strien (PVV), Gerkens (SP), Atsma (CDA) (ondervoorzitter), Pijlman (D66), Schalk (SGP), Klip-Martin (VVD), Van Rooijen (50PLUS), Van Ballekom (VVD), Vos (VVD), Crone (PvdA), Dessing (FVD), Van Gurp (GL), Huizinga-Heringa (CU), Kluit (GL), Van der Linden (Fractie-Nanninga) (voorzitter), Meijer (VVD), Otten (Fractie-Otten), Prins (CDA), vacant (GL), Van der Voort (D66), Berkhout (Fractie-Nanninga), Raven (OSF), Karakus (PvdA) en N.J.J. van Kesteren (CDA).
Samenstelling:
Ganzevoort (GL), Gerkens (SP), Van Dijk (SGP), Van Hattem (PVV), Oomen-Ruijten (CDA), Rombouts (CDA), Bredenoord (D66), Koole (PvdA), De Bruijn-Wezeman (VVD), Baay-Timmerman (50PLUS), A.J.M. van Kesteren (PVV), Klip-Martin (VVD) (voorzitter), Vos (VVD), Dessing (FVD), Van Gurp (GL), Prast (PvdD), Van Pareren (Fractie-Nanninga) (ondervoorzitter), Prins (CDA), Krijnen (GL), Verkerk (CU), De Vries (Fractie-Otten), Van der Voort (D66), Keunen (VVD), Hermans (Fractie-Nanninga), Raven (OSF) en Karakus (PvdA).
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-28973-M.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.