Start van deze pagina
Skip navigatie, ga direct naar de Inhoud

Overheid.nl - de wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden.

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Tekstgrootte
+


Vergaderjaar 2011-2012
Kamerstuk 28684 nr. 346

Gepubliceerd op 11 april 2012

Gerelateerde informatie


Toon alle stukken in dossier



28 684 Naar een veiliger samenleving

Nr. 346 BRIEF VAN DE MINISTER VAN VEILIGHEID EN JUSTITIE

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 5 april 2012

1. Inleiding

Met deze brief voldoe ik aan het verzoek om uw Kamer te informeren over de voortgang in de aanpak van problematische jeugdgroepen en aan de toezeggingen die ik in het mondelinge vragenuur van 6 maart jl. over het bericht «Grof geweld trend bij jonge criminelen» heb gedaan.

Op 18 mei 2011 heb ik uw Kamer per brief geïnformeerd over de aanpak van problematische jeugdgroepen (Kamerstukken II, 2010/11, 28 684, nr. 319). In die brief geef ik aan dat de aanpak van criminele jeugdgroepen een prioriteit is van het ministerie van Veiligheid en Justitie, de gemeenten, het Openbaar Ministerie (OM) en de politie. De daarbij behorende doelstellingen zijn het binnen twee jaar aanpakken van de eind 2010 geregistreerde 89 criminele jeugdgroepen en het geïntensiveerd aanpakken van overlastgevende en hinderlijke jeugdgroepen, onder regie van gemeenten. Deze doelstellingen zijn op 16 januari 2011 in een conferentie met gemeenten, politie en OM besproken en geakkoordeerd door de VNG, het college van PG’s en het Korpsbeheerdersberaad. Mijn focus ligt op de 89 criminele jeugdgroepen. De negatieve impact van deze groepen op de samenleving is groot. Criminele feiten, intimiderend en grensoverschrijdend gedrag worden niet getolereerd en worden aangepakt. De samenleving moet hiertegen worden beschermd. De lokale driehoek is aan zet bij de aanpak van problematische jeugdgroepen. Ik draag bij waar nodig en mogelijk.

2. Resultaten

Tot en met oktober 2011 zijn volgens politiegegevens 37 van de 89 criminele groepen (42%) aangepakt. Onder die 37 aangepakte criminele jeugdgroepen bevinden zich ook alle zes jeugdbendes die eind 2010 waren geregistreerd. Jeugdbendes vormen het topsegment van de criminele groepen: hecht georganiseerd, gesloten en hiërarchisch. Uit officiële politiecijfers (februari 2012) blijkt dat 62 van de 89 criminele (70%) jeugdgroepen zijn aangepakt. Concreet betekent dit dat er met een pakket van strafrechtelijke en bestuursrechtelijke interventies is ingegrepen op de groep en die groep zich op straat als zodanig niet meer manifesteert. Dit geldt zowel voor het aanpakken van bestaande criminele jeugdgroepen als ook voor het signaleren van en het direct ingrijpen bij het ontstaan van nieuwe criminele jeugdgroepen. Aanpakken is maatwerk. Op basis van een plan van aanpak wordt lokaal per criminele jeugdgroep bepaald welke groepsgerichte interventies voor die groep worden ingezet en wordt voor ieder lid uit die criminele jeugdgroep bepaald welke dadergerichte interventies worden ingezet. De cijfers geven aan dat we op de goede weg zitten. Ik heb onlangs afspraken gemaakt met de voorzitter van het Korpsbeheerdersberaad dat vier maal per jaar gerapporteerd wordt over de voortgang in de aanpak. Het is voor de politie een landelijke prioriteit voor de periode 2011–2014. Eind 2012 wil ik de effecten van de aanpak concreet in kaart brengen. Ik zal de Kamer hierover informeren.

De resultaten zijn het gevolg van de gezamenlijke inspanning van alle partners. Dit gaat niet vanzelf en vraagt van partijen snel en consequent handelen en samenwerken. Daar zijn goede voorbeelden van te noemen. In Amsterdam heeft men de aanpak ondergebracht in de zogenaamde Top600 aanpak. Leden van de Amsterdamse problematische jeugdgroepen worden met prioriteit besproken en er worden concrete interventieplannen gemaakt, toegesneden op de dader. Een dader wordt bijvoorbeeld gedetineerd, een ander krijgt een gedragsmaatregel of een pakket van bijzondere voorwaarden met scherp toezicht. Daar blijft het vaak niet bij. In veel gevallen is er sprake van een zogenaamd «multiprobleem-gezin». Reclassering en Raad voor de Kinderbescherming doen onderzoek en adviseren de rechtelijke macht waar nodig, ook over interventies voor broertjes en zusjes. Hiermee benadruk ik het belang van systeemgericht werken en het voorkomen van nieuwe aanwas.

In Den Haag werkt men met de «Mammoetaanpak». Door partners wordt ingezet op een strafrechtelijk traject per individu, waarbij ook begeleiding op het gebied van wonen, scholing, werk, gezondheid en vaardigheden geboden wordt. De politieinzet is op de aanpak van criminele jeugdgroepen vergroot en hierdoor is er meer toezicht in de wijk, die ook wordt ondersteund met de inzet van camera’s. Inmiddels zitten de kopstukken in afwachting van de rechtzaak in preventieve hechtenis.

Bij een criminele jeugdgroep in het gebied Zuiderpark is men in samenwerking tussen gemeente, reclassering en de politie meer outreachend en zeer intensief toezicht gaan uitvoeren. Het zogenaamde «Wijkgericht Outreachend Werken». Dit houdt in dat er kort op de groep wordt gezeten en er een grote bemoeizucht en consequent optreden van reclassering en wijkagent is. Dit is wederom een voorbeeld van een effectieve aanpak want in de maanden dat de Reclassering en de politie actief zijn geweest in het hotspotgebied, zijn er minder meldingen en incidenten geweest dan in de periode daarvoor. Bewoners geven bovendien zelf aan dat het rustig is in de buurt.

In Stadskanaal, waar zich een nieuwe criminele jeugdgroep dreigde te manifesteren, heeft men snel en stevig ingegrepen. De groep is in beeld gebracht en vervolgens is per individu een justitieel of preventief traject gestart. Inmiddels zit een groot deel van de groep vast.

Onder regie van gemeenten worden de hinderlijke en overlastgevende jeugdgroepen aangepakt. Het OM en de politie steunen gemeenten via het strafrecht bij de aanpak van de sleutelfiguren van overlastgevende jeugdgroepen. Dit is van belang, aangezien deze sleutelfiguren anderen kunnen meesleuren in hun overlastgevend en crimineel gedrag. Naast de strafrechtelijke interventies voor de kopstukken van de overlastgevende jeugdgroepen, wordt het instrumentarium wat de burgemeester tot zijn beschikking heeft, ingezet. Hierbij valt te denken aan: samenscholings- en gebiedsverboden, burgemeestersbrieven, verwijzingen naar Halt, inzet van straat- en gezinscoaches, aanspreken en inschakelen van ouders, huisbezoeken door politie en hulpverlening, bikerteams van politie, betrekken van buurtbewoners onder andere door buurtpreventieteams van burgers, toezichthouders en politie. Daarnaast organiseren veel gemeenten taskforces en benoemen jeugdregisseurs die zorgen voor plannen van aanpak in afstemming met de betrokken instanties. Ingezet wordt tevens op hulptrajecten naar zorg, school en werk.

Dit zijn voorbeelden van doeltreffend optreden die navolging verdienen en krijgen. Bij betrokken partijen in het land constateer ik extra inspanningen en daadkracht bij het aanpakken van problematische jeugdgroepen. Al deze partijen zijn doordrongen van de noodzaak deze jeugdgroepen aan te pakken en nemen hun verantwoordelijkheid.

Vanuit mijn ministerie zijn tien regiocoördinatoren in het land actief en op het departement is een actieprogramma continu bezig de aanpak op lokaal en regionaal niveau te ondersteunen. De regiocoördinatoren en het actieprogramma staan in contact met gemeenten, politie, OM en andere partijen uit de keten om de aanpak van problematische jeugdgroepen te verbeteren door het wegnemen van knelpunten en het uitwisselen van aanpakken en ervaringen.

3. Inzet 2012

Uiteraard worden ook de resterende 27 criminele groepen aangepakt. De koers is ingezet en het is duidelijk wat er moet gebeuren: bestuurlijke daadkracht tonen, focus aanbrengen, samenwerking organiseren, goede professionals inzetten en niet loslaten. We zijn met elkaar natuurlijk extra alert op het ontstaan van eventuele nieuwe criminele jeugdgroepen. Als dat gebeurt, wordt er direct ingegrepen, zodat die ontwikkeling de kop in wordt gedrukt. Dit gebeurt met bestaande en goedwerkende bestuurlijke en strafrechtelijke interventies en met nieuwe initiatieven die ik samen met de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie heb ingezet. Ik noem er een aantal.

  • Ondersteuning van de lokale aanpak. De ondersteuning door de tien regiocoördinatoren en het landelijke actieprogramma van de partners op lokaal en regionaal niveau gaat onverminderd door. Gemeenten worden actief bezocht en ondersteund met inzicht in het beschikbare instrumentarium. Als er signalen van nieuwe jeugdgroepen bij de regiocoördinator bekend zijn, trekt hij aan de bel bij de lokale driehoek en wordt in korte tijd een aanpak afgesproken. Daarnaast is kennisuitwisseling tussen lokale partners nuttig. Er zijn reeds verschillende goede bijeenkomsten geweest in de afgelopen maanden. Deze maand organiseert het Ministerie van Veiligheid en Justitie samen met het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid regionale bijeenkomsten voor alle gemeenten. Al deze bijeenkomsten zijn bedoeld om elkaar goed bij de les te houden, goede praktijk en werkbare aanpakken te delen en de samenwerking te bevorderen.

  • De ontwikkeling van het adolescentenstrafrecht. De staatssecretaris heeft in december 2011 het concept-wetsvoorstel adolescentenstrafrecht in consultatie gebracht. Met het adolescentenstrafrecht wordt een samenhangend sanctiepakket gecreëerd waarmee criminele jongeren in de leeftijdscategorie van 15 tot 23 jaar beter en effectiever kunnen worden aangepakt. Het adolescentenstrafrecht biedt de mogelijkheid om bij de sanctionering niet alleen rekening te houden met de ernst van de strafbare feiten, maar meer dan voorheen ook met de ontwikkelingsfase van jongvolwassenen. De strafrechtelijke aanpak van 18-minners en 18-plussers zal daarbij beter op elkaar aansluiten. Parallel aan het wetgevingstraject zijn reeds stappen gezet die noodzakelijk zijn voor de realisatie van het adolescentenstrafrecht. De staatssecretaris heeft u over deze stappen geïnformeerd bij brief van 22 februari 2012 (Kamerstukken II, 2010/11, 28 741, nr. 19).

  • De aangescherpte regels voor voorwaardelijke sancties. Per 1 april 2012 kunnen rechters meer maatwerk leveren als zij een voorwaardelijke straf opleggen. Zij kunnen een gebiedsverbod, een contactverbod of een meldplicht opleggen als bijzondere voorwaarde bij veroordeling.

Tegelijkertijd wordt de mogelijkheid gecreëerd om bij zeden- en geweldsdelinquenten met een verhoogde kans op recidive direct met de uitvoering van bijzondere voorwaarden te starten, ook als een jongere tegen de uitspraak van de rechter in hoger beroep gaat. Het OM kan vanaf die datum veroordeelden direct aanhouden en insluiten als zij de bijzondere voorwaarden overtreden. Met deze aangescherpte regels wordt consequent en adequaat opgetreden en verscherpt toezicht georganiseerd. Ook met dit lik op stuk beleid wil ik de samenleving beschermen tegen criminaliteit en overlast.

  • Aanvullende maatregelen in het strafrecht. De staatssecretaris en ik hebben aangekondigd dat er aanvullende maatregelen worden genomen die rechters in staat stellen verdachten tijdens het vooronderzoek verplichtingen op te leggen waarmee recidive wordt voorkomen, gedragsverandering wordt bevorderd en slachtoffers beter worden beschermd (Kamerstukken II, 2011/12, 29 279, nr. 132). Dit steunt de aanpak van criminele jeugdgroepen en overlast in wijken van buurtbewoners of multi-probleem gezinnen die kleine delicten plegen. In de hierboven genoemde brief is ook aangegeven dat wordt gewerkt aan versnelde afdoening van strafzaken zodat onnodige vertraging wordt voorkomen en het instellen van hoger beroep louter om uitstel te verkrijgen, wordt ontmoedigd.

  • Het Landelijk Instrumentarium Jeugdstrafrechtketen (LIJ). Het LIJ is ontwikkeld voor jongeren van 12 tot en met 17 jaar die met politie en justitie in aanraking komen. De implementatie is in volle gang. Het LIJ geeft inzicht in het recidiverisico. Op basis daarvan wordt bepaald welke strafrechtelijke aanpak en eventuele zorg de jongere nodig heeft. Het doel van het LIJ is om voor de jongere díe aanpak (interventie) te kiezen die de kans op herhaling van crimineel gedrag vermindert. Het LIJ maakt gebruik van wetenschappelijk onderbouwde instrumenten, waardoor meer betrouwbare voorspellingen en inschattingen ontstaan.

4. Niemand is onaantastbaar

In het rapport van het Nicis Institute «De Onaantastbaren. De destructieve doorwerking van onaantastbaren in wijk en buurt» (december 2011), wordt gesteld dat een deel van de criminele jongeren onaantastbaar is, dat de buurt niets tegen hen durft te doen en dat de overheid hierop ook geen antwoord lijkt te hebben. Oorzaken zouden zijn gelegen in het ontbreken van gezamenlijke focus, intensiteit, scherpte en continuïteit in de aanpak door de ketenpartners, het tekortschieten van het strafrecht en angst en vermijdingsgedrag bij burgers, professionals, management en bestuur. De oplossing moet volgens de auteurs worden gezocht in bestuurlijk leiderschap, een intensieve, gerichte en continue aanpak en harde repressie waarbij vergaande interventies worden ingezet.

Ik constateer dat het rapport van het Nicis Institute de noodzaak van het door mij ingezette beleid ondersteunt. Het schrijft onder andere dat stevig overheidsoptreden noodzakelijk is en dat er sneller en effectiever moet worden ingegrepen. Dat bleek ook in een expertmeeting over dit rapport die in februari jl. door het Nicis Institute is georganiseerd. Het actieprogramma heb ik juist ingericht om de noodzakelijke verbeteringen te ondersteunen. De hiervoor door mij geschetste acties zijn in lijn met de volgens Nicis Institute noodzakelijke acties. Niemand is onaantastbaar.

5. Toezeggingen met betrekking tot bewijslast, schuldigverklaring zonder strafoplegging, opvoedkampen, Inrichting Stelselmatige Dader en ter beschikking stelling van het onderwijs

Tijdens het vragenuur van 6 maart jl. over het bericht «Grof geweld trend bij jonge criminelen» heb ik enkele toezeggingen gedaan. Met onderstaande doe ik deze toezeggingen gestand.

Ik heb het lid Helder (PVV) toegezegd aan te geven hoe we bij de aanpak van jeugdgroepen omgaan met de bewijslast en de verruiming groepsaansprakelijkheid. Ik heb hierbij verwezen naar de brief van de staatssecretaris van 20 februari jl. (Kamerstukken II, 2011/12, 28 684, nr. 338) waarin is aangeven dat de wet voor het OM geen grote bewijsobstakels opwerpt om te komen tot een veroordeling wegens openlijke geweldpleging (art 141 WvSr). Strafbaar is betrokkene reeds als hij een significante of wezenlijke bijdrage aan het geweld heeft geleverd. Ook vocale, intellectuele en andere bijdragen aan het groepsverband tellen mee. Het gaat dus ook om gedragingen die het plegen van geweld bevorderen. Het eigen aandeel voor het collectieve gedrag is dus niet zozeer van doorslaggevend belang voor de bewijsvoering van openlijke geweldpleging. Voor de nadere uitwerking verwijs ik kortheidshalve naar de brief.

Voorts vroeg het lid Helder naar de mogelijkheid om bij criminaliteit gepleegd door twaalfminners gebruik te maken van schuldigverklaring zonder strafoplegging. Ook over dit thema bent u door de staatssecretaris middels de eerder genoemde brief omtrent het adolescentenstrafrecht (Kamerstukken II, 2011/12, 28 741, nr. 19) geïnformeerd. Overigens zijn er met het oog op een doeltreffende aanpak van de 12-min problematiek, in de afgelopen (kabinets)periode de nodige acties in gang gezet. Een compleet overzicht van alle reeds afgesloten en nog lopende activiteiten treft u aan in de bijlage (factsheet 12-min).

Het lid Çörüz (CDA) vroeg naar de stand van zaken omtrent de opvoedingskampen. Over dit onderwerp, dat onder de primaire verantwoordelijkheid van de staatssecretaris van VWS valt, heeft uw Kamer al op 15 februari 2011 (Kamerstukken II, 2010/11, 31 001, nr. 102) een brief ontvangen, waarna op 17 februari 2011 een debat heeft plaatsgevonden. Het project van het vorige kabinet rondom de campussen, dat vooral een aanjagende functie had, is hiermee afgerond en het is thans aan de gemeenten om daaraan een vervolg te geven. Een van de projecten, De Nieuwe Kans in Rotterdam, heeft een vervolg gekregen in de zin dat aanvullende financiering vanuit het Rijk is toegekend. Bij brief van 7 juli 2011 is uw Kamer over de stand van zaken ten aanzien van een aantal campussen geïnformeerd (Kamerstukken II, 2010/11, 31 839, nr. 124). Over het eventuele verdere vervolg wordt u door de staatssecretaris van VWS op de hoogte gehouden.

De stelselmatige aanpak van daders, zoals die met drugsverslaafden wordt gehanteerd, maakt onderdeel uit van de plannen van de staatssecretaris in het kader van het adolescentenstrafrecht, waarover hij in de eerder genoemde brief van 22 februari jl. de laatste stand van zaken heeft weergegeven.

Het lid Marcouch (PvdA) vroeg wanneer het kabinet serieus werk gaat maken van de uitvoering van zijn motie over de zogenaamde terbeschikkingstelling van het onderwijs. Deze motie is verwerkt in het wetsvoorstel Adolescentenstrafrecht, op de wijze zoals dat in de brief van de staatssecretaris van 25 juni 2011 (Kamerstukken II, 2011/12, 28 741, nr. 17, punt 7) is verwoord. Het wetsvoorstel adolescentenstrafrecht wordt in de zomer van 2012 aan uw Kamer toegezonden.

6. Dalende cijfers

In het mondelinge vragenuur van dinsdag 6 maart is ook gevraagd naar cijfers die betrekking hebben op criminaliteit, recidive en trends van zeer jeugdige daders en groepscriminaliteit. In dit deel van mijn brief ga ik hier op in en dat doe ik met genoegen. Immers, deze definitieve, meest recente cijfers (over 2010) laten zien dat de criminaliteit en de recidive dalen.

Ondanks de gewenste trend ben ik me ten volle bewust dat verdere daling noodzakelijk is.

Minderjarigen en jongvolwassenen

In de periode van 2005 tot 2010 daalde het aantal geregistreerde minderjarige verdachten van bijna 99 000 naar 61 000. Een daling van 38,4%. Het aantal geregistreerde minderjarige verdachten van gewelds- en seksuele misdrijven daalde tussen 2005 en 2010 van ruim 17 000 naar 10 500. Ook een daling van ruim 38%. Binnen deze groep nam het aantal geregistreerde minderjarige verdachten van mishandeling af met 38,9% naar 7000 en het aantal geregistreerde minderjarige verdachten van bedreiging met 36,2% naar 2400.

In 2010 werd van het totaal aantal minderjarige verdachten 18% geregistreerd voor gewelds- en seksuele misdrijven, 46% voor vermogensmisdrijven, en 28% voor vernielingen. Vergeleken met 2005 is het aandeel geregistreerde minderjarigen die werden verdacht van vermogensmisdrijven in 2010 iets toegenomen en voor vernielingen iets afgenomen. Per 1000 inwoners van 18–24 jaar daalde tussen 2005 en 2009 het aantal aangehouden jongvolwassen verdachten (18–24 jaar) van 37 naar 34,5.

Twaalfmin

WODC zelfrapportage onderzoek in 2005 en 2010 laat zien dat het percentage 10- en 11-jarigen dat zegt zich in het afgelopen jaar schuldig te hebben gemaakt aan een of meerdere delicten niet verschilt tussen beide jaren. In 2010 zegt 17% van de 10- en 11-jarigen zich schuldig te hebben gemaakt aan een of meerdere delicten. Volgens het onderzoek gaat het bij de 10- en 11-jarigen vooral om lichte feiten, zoals slaan zonder verwonding, diefstal op school, bekladden van muren en dergelijke.

Recidive

Over de recidive bent u bij brief (Kamerstukken II, 2011/12, 29 270, nr. 66) uitgebreid geïnformeerd. Na enkele jaren wordt zichtbaar of ex-gedetineerden blijvend niet terugvallen in criminaliteit. Het is gebruikelijk dat hierover na een periode van zeven jaar uitspraken kunnen worden gedaan. Om een inschatting te maken van de definitieve effecten, heeft het WODC op basis van de 2-jaars recidive een meting uitgevoerd.

De strafrechtelijke recidive van minderjarige daders die in 2008 een straf kregen opgelegd naar aanleiding van het plegen van een misdrijf is gedaald van 38,0% in 2007 naar 35,9% in 2008. De strafrechtelijke recidive van jeugdigen die in 2008 uitstroomden uit een justitiële jeugdinrichting is gedaald van 53,6% in 2007 naar 52,0% in 2008.

Bij de jeugdige daders was tussen 2002 en 2005 sprake van een lichte stijging van het recidivepercentage, maar in de laatste drie onderzochte jaren zijn de resultaten gunstiger. Per saldo valt het recidivepercentage in 2008 3,2 procentpunt lager uit dan in 2002. In 2002 bedroeg het 2-jarige recidivepercentage 39,1% en in 2008 is dat 35,9%. Voor de groep ex-JJI pupillen ligt in 2008 het recidivepercentage 3,3 procentpunt lager dan in 2002.

Groepscriminaliteit

De meeste criminaliteit wordt in groepsverband gepleegd. Schuyt (1993) meldt dat volgens criminologische handboeken 60% tot 90% van de criminaliteit in groepsverband plaatsvindt. Voor jeugdcriminaliteit geldt dit volgens hem in nog sterkere mate. Wanneer het gaat om geweld op straat, dan zijn bij ruim vier op de tien geweldsdelicten meerdere daders betrokken. Het geweld neemt toe als de daders ten opzichte van het slachtoffer in de meerderheid zijn. Onderzoek van Ferwerda laat zien dat naarmate jongeren meer en ernstiger misdrijven plegen, zij vaker deel uitmaken van een jeugdgroep.

Volgens het tijdschrift Secondant werd tussen 2002 en 2010 ruim een kwart van de (opgehelderde) vermogensmisdrijven in de regio Haaglanden gepleegd door twee of meer verdachten. Van de ernstiger vermogensmisdrijven, zoals diefstal met geweld, werd 40,5% gepleegd door meer daders. Een kwart van de vermogensmisdrijven zonder geweld wordt door meer daders gepleegd. Op jaarbasis pleegt gemiddeld 62,8% van de gewelddadige vermogensdaders het misdrijf met mededaders. In de periode van 2002 tot 2010 nam vooral het aandeel samenplegers onder de 18–24 jarige daders toe, van 55,5% in 2002 tot 62,4% in 2010.

Slachtofferschap

In 2011 voelde een kwart van de bevolking van 15 jaar en ouder zich wel eens onveilig. Dit is een lichte daling ten opzichte van 2010, en dat moet verder naar beneden. Net als in de voorgaande jaren worden plekken waar jongeren rondhangen in 2011 het meest als onveilig ervaren (43% van alle inwoners). De onveiligheidsgevoelens met betrekking tot deze plekken dalen overigens wel sinds 2009 en ik heb er alle vertrouwen in dat ze verder gaan dalen nu we de problematische jeugdgroepen aanpakken zoals we nu doen. In 2011 is het niveau van feitelijk slachtofferschap van delicten met 25% vergelijkbaar met dat in 2010, maar lager dan in 2009 en 2008.

Gelet op bovenstaande cijfers kan worden gesteld dat er onder minderjarigen en jongvolwassenen sprake is van een licht dalende trend in (gewelds)criminaliteit. Dit is een goede ontwikkeling en het is van belang is om de acties er op te richten om deze trend voort te zetten.

De minister van Veiligheid en Justitie, I. W. Opstelten


SnelzoekenInfo

Snelzoeken
U kunt dit veld gebruiken om te zoeken op
–een vrije zoekterm voor het zoeken op tekst (bijvoorbeeld "milieu")
–een betekenisvolle zoekterm voor het zoeken naar specifieke publicaties (bijvoorbeeld dossiernummer '32123' of 'trb 2009 16').
U kunt termen combineren door EN te zetten tussen de termen (blg 32123 EN milieu).
U kunt zoeken op letterlijke tekst door '' om de term te zetten. ('appellabele toezeggingen').

Voor meer mogelijkheden en uitleg verwijzen wij u naar de help-pagina's van Officiële bekendmakingen op overheid.nl