Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2013-201428286 nr. 730

28 286 Dierenwelzijn

Nr. 730 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 8 april 2014

Binnen de vaste commissie voor Economische Zaken hebben de onderstaande fracties de behoefte vragen en opmerkingen voor te leggen aan de Minister van Economische Zaken over de brief van 5 maart 2014 over de Ontwerpwijziging Besluit houders van dieren vanwege de overname van de welzijnsvoorschriften van het Productschap voor Pluimvee en Eieren, (Kamerstuk 28 286, nr. 725).

De op 17 maart 2014 toegezonden vragen en opmerkingen zijn met de door de Minister van Economische Zaken bij brief van 8 april 2014 toegezonden antwoorden hieronder afgedrukt.

De voorzitter van de vaste commissie, Hamer

De adjunct-griffier van de vaste commissie, Thomassen

Inhoudsopgave

blz.

       

I

Vragen en opmerkingen vanuit de fracties

2

   

Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie

2

   

Vragen en opmerkingen van de leden van de PvdA-fractie

3

   

Vragen en opmerkingen van de leden van de SP-fractie

3

   

Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie

4

   

Vragen en opmerkingen van de leden van de PvdD-fractie

5

II

Antwoord / Reactie van de Minister

6

I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties

Vragen van de leden van de VVD-fractie

De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de Ontwerpwijziging Besluit houders van dieren vanwege de overname van de welzijnsvoorschriften van het Productschap voor Pluimvee en Eieren. Deze leden hebben hierbij de volgende vragen en opmerkingen. Zij lezen dat de toenmalig Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Voedselkwaliteit in 2007, mede gezien de groeiende politieke en maatschappelijke aandacht voor het omgaan met dieren en de dierhouderij, heeft besloten dat dierenwelzijn als publieke taak zou worden aangemerkt en dat voortaan welzijnswetgeving door de overheid zou worden vastgelegd. Kan de Minister aangeven wanneer dit besluit exact is genomen en waar dit besluit is vastgelegd? Ook lezen deze leden dat het belang van het dier destijds voor de Productschappen Vee, Vlees en Pluimvee en Eieren aanleiding is geweest om over te gaan tot het opstellen van de welzijnsvoorschriften voor respectievelijk ouderdieren van vleeskuikens, vleeskalkoenen, konijnen en nertsen. Zij merken op dat het Productschap voor Pluimvee en Eieren (PPE) uit eigen beweging regelgeving heeft opgesteld en dat zij hier niet toe verplicht waren. De bedrijven voldoen aan deze regelgeving. De leden van de VVD-fractie vragen dan ook waarom de Minister het noodzakelijk vindt om de regelgeving die de sector zelf heeft vastgelegd via productschapsverordeningen om te zetten in wet- en regelgeving. Voorts vragen zij hoe deze regelgeving in verhouding staat tot Europese regelgeving op dit gebied. Kan de Minister per onderdeel (vleeskuikens, vleeskalkoenen, konijnen en nertsen) aangeven of Nederland vooruitloopt op EU-regelgeving en zo ja, waarom dit noodzakelijk is? Ook lezen deze leden dat dit besluit zal leiden tot een verhoging van de regeldruk omdat de inhoudelijke nalevingskosten structureel zullen stijgen met € 70.725 als gevolg van de aangescherpte huisvestingsvoorschriften voor dek-rijpe en drachtige voedsters. De leden van de VVD-fractie vinden het heel opmerkelijk dat de regelgeving is aangescherpt terwijl hier geen aanleiding voor bestaat en dat de sector zich geconfronteerd ziet met een toename van de regeldruk en nalevingskosten terwijl het dierenwelzijn voor de konijnenhouderij in Nederland al op een hoog niveau ligt, zeker aangezien in Europees verband geen regelgeving voor deze tak bestaat. Deze leden ontvangen graag een toelichting van de Minister waarom besloten is om deze extra verplichting in te voeren. Tot slot nog een algemene opmerking. Vorige week donderdag heeft de Eerste Kamer laten weten zeer bezorgd te zijn over het opheffen van de productschappen. De Eerste Kamer heeft schriftelijke vragen hierover gesteld aan de Minister. De leden van de VVD-fractie vragen de Minister om de Tweede Kamer een afschrift te sturen van zijn antwoorden op de vragen van de Eerste Kamer.

Vragen van de leden van de PvdA-fractie

De leden van de PvdA-fractie hebben kennisgenomen van het onderhavige Ontwerpwijziging. Deze leden verzoeken de Minister om op een aantal vragen in te gaan. Zij vragen waarom het niet werkbaar is om de streefnormen voor het stalklimaat van kalkoenen als harde eisen over te nemen. Ook vragen zij wanneer de uitkomsten bekend zijn van het onderzoek naar de overgang van donker naar licht voor konijnen. Deelt de Minister de mening dat het welzijn van de voedsters bij het later spenen van de konijnen een goede reden kan zijn voor aanpassing van de minimale speenleeftijd maar dat de bedrijfsvoering en economische gevolgen voor de sector dat niet zijn?

Vragen van de leden van de SP-fractie

De leden van de SP-fractie hebben kennisgenomen van het onderhavige Ontwerpwijziging. Deze leden vinden het een goede zaak dat de welzijnsvoorschriften voor vleeskuikenouderdieren, vleeskalkoenen en konijnen blijven bestaan. Zij vragen de Minister hoe op korte termijn verbeterstappen gemaakt gaan worden betreffende de welzijnsproblemen (chronische honger) bij vleeskuikenouderdieren? Welke structurele oplossing heeft de Minister voor ogen? Wat gaat de Minister doen om de welzijnsproblemen (verenpikkerij e.d.) bij vleeskalkoenen op te lossen? Is de Minister bereid meer afleidingsmateriaal voor te schrijven? Deze leden vragen of de Minister bekend is met de publicatie «Scheiden van dieren» van de Wageningen University (WUR) waarin het volgende wordt geconcludeerd: «het aanhouden van 11 weken als minimale speenleeftijd in plaats van het noemen van een datum zal voorkomen dat nertsen op een te jonge leeftijd worden gespeend.» Onderschrijft de Minister dat spenen op 11 weken in plaats van zeven-acht weken het optreden van staart- en pelsbijten fors vermindert van gemiddeld 20% naar slechts 1–2%? Neemt de Minister het natuurlijke gedrag van het dier als uitgangspunt van het beleid? In de natuurlijke situatie verlaten jonge nertsen het territorium van hun moeder gemiddeld rond de 12 weken. Waarom wordt het beleid niet gespiegeld aan de natuurlijke situatie? De leden van de SP-fractie vinden het wenselijk dat er een aantal weken genoemd wordt voor het spenen van nertsen in plaats van een datum. Deze dieren worden immers geboren in de periode eind april-eind mei (en soms later), dus geeft een datum veel bandbreedte en weinig garanties.

Daarnaast hebben deze leden grote bezwaren tegen het gegeven dat het minimum van acht weken voor het spenen van nertsen een feitelijke afzwakking van de regelgeving inhoudt. In de literatuur is al lang bekend dat te vroeg spenen ernstige welzijnsproblemen geeft; Mason (1994) vond een negatieve correlatie tussen staartbijten en de leeftijd van spenen en Jepessen et al. (2000) noemt een verband tussen vroeg spenen en stereotypieën). Is de Minister bereid de speenleeftijd voor nertsen aan te passen naar 11 tot 12 weken in het besluit houders van dier? In de winterperiode worden nertsen beperkt gevoerd. Hierdoor vertonen de dieren stereotiep gedrag zoals langdurig in de kooien op en neer lopen of ronddraaien. De hoeveelheid stereotiep gedrag neemt toe naarmate de voerbeperking sterker is. Is de Minister bereid regels af te spreken om welzijnsproblemen te voorkomen het onthouden van afdoende voer mogelijkheden voor nertsen in de winter? Is de Minister daarnaast ook bereid om met de sector afspraken te maken over een jaarrondfourageerbeleid dat beter aan de natuurlijke jaag behoefte van de nerts tegemoet komt en verveling tegengaat bijvoorbeeld het gebruik van een voer-bal? De leden van de SP-fractie vragen wat de plannen op langere termijn zijn om het welzijn van vleeskuiken ouderdieren, vleeskalkoenen en konijnen te verbeteren. Met het wegvallen van de productschappen verdwijnen ook onderzoeksgelden ten behoeve van het verbeteren van het welzijn van deze dieren. Hoe wordt de financiering van het onderzoek alsnog mogelijk gemaakt? Deze leden zijn bezorgd over de handhavingscapaciteit van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA). Hoe zal invulling gegeven worden aan handhaving? Komt er extra capaciteit beschikbaar? Zo nee, hoe wordt dit dan belegd gezien de toch al hoge werkdruk bij de NVWA? Hoe wordt een achteruitgang in controle voorkomen? Onderschrijft de Minister dat in het huidige systeem jonge konijntjes lange perioden, tot wel 48 uur, zonder eten (moedermelk) worden gehouden omdat de moeder opnieuw gedekt moet worden? Vindt de Minister dit een wenselijke situatie? Is de Minister bereid een einde te maken aan de situatie waarin jonge konijnen zonder voeding worden gelaten? Wanneer is er een einde gemaakt aan de kooihuisvesting voor konijnen? Erkent de Minister dat de huidige situatie in de konijnenhouderij niet voldoet aan punt 7 van de bijlage bij Richtlijn 98/58/EG inzake de bescherming van voor landbouwdoelen gehouden dieren waarvan de tekst als volgt luidt: de bewegingsvrijheid die past bij het dier, met inachtneming van de soort en overeenkomstig de bestaande ervaring en de wetenschappelijke kennis, mag niet op zodanige wijze worden beperkt dat het dier daardoor onnodig lijden of letsel wordt toegebracht? Zijn de «welzijnshokken» / «verrijkte kooien» voor konijnen, die vanaf 2016 geïmplementeerd moeten zijn, een eindstation waarbij dierenwelzijn afdoende is gewaarborgd of wordt er gestreefd naar volledige groepshuisvesting? Wanneer wordt deze volledige groepshuisvesting bereikt? Hoe zien de verrijkte kooien er uit? Wat voor bodem hebben deze? Hoe staat het met het toepassen van verrijkingsmaterialen? Wat valt onder verrijkingsmateriaal? Hoeveel houderijen hebben dit nu? Hoeveel van de productiekonijnen zitten nu nog in de gazen kooihuisvesting? Hoeveel ruimte hebben ze daar en hoeveel afleidingsmateriaal? Is het bedwelmen en doden van konijnen meegenomen in het plan van aanpak 2010–2016 van de konijnensector?

Vragen van de leden van de fractie van de CDA-fractie

De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van het onderhavige Ontwerpwijziging. Ten aanzien van deze wijziging hebben zij nog enkele vragen. Deze leden stellen vast dat de wijzing van het besluit houders van dieren een stijging van de kosten voor de konijnenhouderij met zich meebrengen. Is deze wijziging van de huisvestingsregels goed afgestemd met de sector? Ook willen zij weten of de productschapsregels voor dierenwelzijn, die overgenomen worden met de voorgelegde wijziging van het besluit, strengere en hogere eisen omvatten dan de Europese regels voor dierenwelzijn. Deelt de Minister de mening dat ten behoeve van de concurrentiepositie van de Nederlandse dierhouders, de Europese dierenwelzijnsregels te prefereren zijn boven nationale regels? Hoe is de Minister voornemens om Europese uniforme regels voor dierenwelzijn te realiseren? Momenteel moeten pluimveehouders voor drie verschillende informatiesystemen grotendeels dezelfde gegevens opgeven, namelijk voor het Identificatie- en Registratiesysteem (I&R)-pluimvee, voor het formulier voedselketeninformatie (VKI) en voor het RVO-vleeskuikenbesluit. Al langer is er sprake van het versimpelen van deze data-aanleveringsverplichtingen. Maakt de overname van het PPE het mogelijk om op korte termijn deze data-aanleveringsverplichting voor pluimveehouders te versimpelen? Op welke termijn is de Minister voornemens dit te realiseren? De leden van de CDA-fractie verzoeken de Minister om het besluit houders van dieren met betrekking tot het houden van nertsen beter aan te laten sluiten bij de praktijk.

Bedrijven met uitgeselecteerde fokdieren kunnen fokdieren hebben die ouder dan een jaar zijn, maar die niet gebruikt worden in het fokproces. Is de Minister bereid om een werkbare oplossing voor dit, met name administratieve probleem te bewerkstellingen?

Vragen van de leden van de PvdD-fractie

De leden van de PvdD-fractie hebben kennisgenomen van het onderhavige Ontwerpwijziging. Zij hebben vragen en opmerkingen die zij de Minister graag willen voorleggen. Deze leden vragen waarom de Minister er niet voor gekozen heeft om – nu het besluit toch gewijzigd wordt – de welzijnsnormering aan te scherpen op grond van de meest recente onderzoeksgegevens over de welzijnsproblematiek bij vleeskuikens, kalkoenen en konijnen. Een aantal van deze welzijnsregels zijn gebaseerd op gedateerd wetenschappelijk onderzoek. Zij vragen de Minister de te wijzigen welzijnsregels opnieuw te bekijken en hierin hogere ambities te stellen. De leden van de PvdD-fractie constateren dat de welzijnsnormen voor ouderdieren van vleeskuikens gebaseerd zijn op conclusies van de Raad voor Dierenaangelegenheden (RDA) uit 1996 en dat daardoor in de voorgenomen wijziging van het onderhavige Ontwerpwijziging, nieuwe wetenschappelijke inzichten ontbreken. In 1996 concludeerde de RDA dat ouderdieren van vleeskuikens chronisch honger lijden omdat ze sterk beperkt worden in hun voer- en drinkgedrag vanwege de hoge productiviteit in het eieren leggen. Dit ernstige ongerief, wat zich uit in agressief gedrag tijdens voermomenten, is nog steeds aanwezig. Welke maatregelen gaat de Minister treffen om de chronische honger onder ouderdieren van vleeskuiken te stoppen? In recentere wetenschappelijke onderzoeken, uitgevoerd door bijvoorbeeld Animal Science Group (ASG) (2007), pleiten wetenschappers voor een systeemaanpassing en een traag groeiend ras. Is de Minister bereid om deze recentere wetenschappelijke inzichten om te zetten in regelgeving? Is de Minister bereid om toe te werken naar een verbod op de plofkip? Is de Minister bereid om kooihuisvesting uit te faseren en, naast het verbod op de verrijkte kooi, tevens per 1 januari 2021 een verbod op koloniehuisvesting in te stellen? Zo nee, waarom niet? Verder constateren deze leden dat de Minister het te accepteren uitvalspercentage onder kalkoenen één op één overneemt van de productschappen. Pas bij een uitval hoger dan 10% bij mannelijke dieren en 6% bij vrouwelijke dieren volgen verbetermaatregelen. Zij vinden deze percentages ethisch niet aanvaardbaar. Is de Minister bereid tot een verlaging van deze percentages zodat verbetermaatregelen voor het welzijn en de gezondheid van kalkoenen eerder genomen worden? De leden van de PvdD-fractie vragen ook waarom de Minister bij de categorie vleeskalkoenen uitgaat van regelgeving die gebaseerd is op een rapport uit 2000 terwijl er recentere wetenschappelijke publicaties zijn over het ongerief bij kalkoenen. Zo heeft de ASG (2009) geïdentificeerd dat ook in deze sector er sprake is van een snelle groeisnelheid wat leidt tot plofkalkoenen. Onderzoeksresultaten in Duitsland wijzen uit dat bij overdekte uitlopen het uitvalspercentage en bewegingsstoornissen afnamen en een vermindering optrad van huid- en veerbeschadigingen (Berk, 2006). Is de Minister bereid om binnen de voorgenomen wijziging recente wetenschappelijke adviezen over te nemen en binnen de aangekondigde wijziging eisen op te nemen voor een uitloop met goede strooiselkwaliteit voor kalkoenen? Deze leden lezen verder dat de Minister bij het onderhavige Ontwerpwijziging uit wil gaan van het plan van aanpak 2010–2016 dat de konijnensector heeft opgesteld. Waarom gaat de Minister niet uit van het onafhankelijke onderzoek van de Wetenschapswinkel Rechtsgeleerdheid van de Universiteit Utrecht (2002) waarin geconcludeerd wordt dat het welzijn van konijnen in kooisystemen onaanvaardbaar wordt aangetast? Deze leden maken hierbij de vergelijking met de leghennen in batterijsystemen waar inmiddels ook een verbod op geldt vanwege ernstige dierenwelzijnsaantasting. Zij constateren dat binnen dit plan van aanpak welzijnsverbeteringen worden aangebracht binnen het onnatuurlijke systeem van kooihuisvesting. Vanwege de hoge mate van ernstig ongerief in de konijnenhouderij (eendagskonijnen, afwijkend stereotiep gedrag, apathie, voetzoolaandoeningen door draadgazenbodems, hoge uitval, onvoldoende bewegingsruimte) willen zij benadrukken dat het nemen van grotere stappen dan die het plan van aanpak voorziet, essentieel is voor het welzijn en de gezondheid van konijnen. Is de Minister bereid om toe te werken naar welzijnssystemen waarin de konijnen niet in kooien worden gehuisvest? Zo ja, op welke termijn? Zo nee, waarom niet? De leden van de PvdD-fractie hebben geconstateerd dat de Minister voor het welzijn van nertsen uitgaat van de artikelen van de Wet verbod Pelsdierhouderij, waarbij nertsenhouders tot 1 januari 2024 de mogelijkheid krijgen om hun bedrijf uit te blijven oefenen. In het onderhavige ontwerpwijziging gaat de Minister uit van een speenleeftijd van acht weken. Wetenschappelijke inzichten van ASG (2007) geven aan dat een dergelijke vroege speenleeftijd leidt tot een hoge mate van stress met gevolgen als staart- en vachtbijten en andere stereotiepen. Is de Minister bereid om de speenleeftijd te verhogen naar natuurlijke normen van 11–14 weken? Zo nee, waarom niet?

Deze leden constateren ook dat de Minister in het onderhavige zich alleen maar richt op een beperkt aantal diercategorieën. Is de Minister bereid om tevens te kijken naar verbeteringen voor het welzijn binnen andere diercategorieën zoals geiten, schapen, waterbuffels, struisvogels of eenden? Zo ja, op welke wijze en op welke termijn? Zo nee, waarom niet? De leden van de PvdD-fractie constateren dat productschappen zich tevens richten op thema’s als het transport en het slachten cq. het doden van dieren. Kan de Minister aangeven wanneer hij voornemens is deze onderdelen van de Wet dieren in werking te laten treden? Kan de Minister aangeven wat het percentage kalkoenen is, zwaarder dan zeven kilo en bestemd voor internationaal transport, die vervoerd worden in containers? Deze leden constateren dat er over het welzijn van konijnen tijdens transport weinig bekend is. Is de Minister bereid om daar specifiek onderzoek naar uit te laten voeren? Is de Minister bereid om wettelijke eisen te stellen aan het verstrekken van voer en water aan eendagskuikens tijdens het transport zodat de sterfte onder eendagskuikens afneemt? Is de Minister bereid om eisen te stellen aan het doden van kalveren enkel en alleen omdat zij te licht zijn? Is de Minister bereid om het doden van eendagskuikens en het doden van eendagskonijnen tegen te gaan? Op welke wijze gaat het kabinet de aangenomen motie Thieme (Kamerstuk 28 286, nr. 688) uitvoeren over een verbod op het levend aanhangen van pluimvee?

II Antwoord / Reactie van de Minister

Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie

De leden van de VVD-fractie lezen dat de toenmalige Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Voedselkwaliteit in 2007, mede gezien de groeiende politieke en maatschappelijke aandacht voor het omgaan met dieren en de dierhouderij, heeft besloten dat dierenwelzijn als publieke taak zou worden aangemerkt en dat voortaan welzijnswetgeving door de overheid zou worden vastgelegd. Kan de Minister aangeven wanneer dit besluit exact is genomen en waar dit besluit is vastgelegd?

Antwoord:

Dit besluit is vastgelegd in de Nota Dierenwelzijn van 2007 (Kamerstuk 28 286, nr. 548) en overgenomen in de memorie van toelichting bij de Wet dieren (Kamerstuk 31 389, nr. 3), toelichting bij artikel 10.4. De Commissie Jorritsma heeft geadviseerd regelgeving omtrent dierenwelzijn aan te merken als een publieke taak.

Ook lezen deze leden dat het belang van het dier destijds voor de Productschappen Vee, Vlees en Pluimvee en Eieren aanleiding is geweest om over te gaan tot het opstellen van de welzijnsvoorschriften voor respectievelijk ouderdieren van vleeskuikens, vleeskalkoenen, konijnen en nertsen. Zij merken op dat het Productschap voor Pluimvee en Eieren (PPE) uit eigen beweging regelgeving heeft opgesteld en dat zij hier niet toe verplicht waren. De bedrijven voldoen aan deze regelgeving. De leden van de VVD-fractie vragen dan ook waarom de Minister het noodzakelijk vindt om de regelgeving die de sector zelf heeft vastgelegd via productschapsverordeningen om te zetten in wet- en regelgeving.

Antwoord:

De welzijnsvoorschriften zijn destijds opgesteld door het PPE voor vleeskalkoenen, vleeskuikenouderdieren en vleeskonijnen op verzoek van het ministerie na het vaststellen van door de Raad voor Dierenaangelegenheden (RDA) opgestelde streefbeelden.

In het geval van de Verordening welzijnsnormen nertsen (PPE) dient opgemerkt te worden dat deze welzijnsnormen (2003) in opdracht van de toenmalige Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) zijn opgesteld op basis van het Plan van aanpak dierenwelzijn (1995) van deze sector. Aan de basis van het opstellen van het Plan van aanpak dierenwelzijn nertsenhouderij, en later het opstellen van de Verordening Welzijnsnormen nertsen, ligt de motie Van der Vlies (Kamerstuk 23 900 XIV, nr. 36), waarin van de sector en de Minister werd gevraagd te komen tot een plan van aanpak om een verdere verbetering van het welzijn van gehouden nertsen mogelijk te maken. Het Plan van aanpak dierenwelzijn van de nertsensector is in overleg met het ministerie, dierenwelzijnsexperts en de Vaste Commissie voor Landbouw tot stand gekomen.

Voorts vragen de leden van de VVD-fractie hoe deze regelgeving in verhouding staat tot Europese regelgeving op dit gebied. Kan de Minister per onderdeel (vleeskuikens, vleeskalkoenen, konijnen en nertsen) aangeven of Nederland vooruitloopt op EU-regelgeving en zo ja, waarom dit noodzakelijk is?

Antwoord:

Voor deze diersoorten gelden op EU-niveau de normen uit richtlijn 98/58/EG van de Raad van 20 juli 1998 inzake de bescherming van voor landbouwdoeleinden gehouden dieren (PbEG 1998, L 221). Dit zijn algemene huisvestings- en verzorgingsnormen. Er bestaat een Europese richtlijn voor de bescherming van vleeskuikens (richtlijn nr. 2007/43/EG van de Raad van de Europese Unie van 28 juni 2007 tot vaststelling van minimumvoorschriften voor de bescherming van vleeskuikens (PbEU L 182)), maar deze is niet van toepassing op de vleeskuikenouderdieren.

Voor vleeskuikenouderdieren, vleeskalkoenen, konijnen en nertsen loopt Nederland vooruit op EU-regelgeving. Dit is noodzakelijk omdat diverse onderzoeken en de door de Raad voor Dierenaangelegenheden vastgestelde streefbeelden een aantal knelpunten hebben aangetoond ten aanzien van het welzijn van deze diersoorten. Deze knelpunten hadden betrekking op onder andere de huisvesting inclusief bezettingsdichtheid, de uitval en bij de vleeskuikenouderdieren de voeding. In overleg met de sector en maatschappelijke organisaties is daarom destijds gesteld dat specifiekere regels dan de regels van bovengenoemde richtlijn nodig waren om het dierenwelzijn beter te waarborgen. Om dit niveau van dierenwelzijn te kunnen borgen, worden deze voorschriften gecontinueerd en opgenomen in EZ-regelgeving.

Ook lezen deze leden dat dit besluit zal leiden tot een verhoging van de regeldruk omdat de inhoudelijke nalevingskosten structureel zullen stijgen met € 70.725 als gevolg van de aangescherpte huisvestingsvoorschriften voor dekrijpe en drachtige voedsters. De leden van de VVD-fractie vinden het heel opmerkelijk dat de regelgeving is aangescherpt terwijl hier geen aanleiding voor bestaat en dat de sector zich geconfronteerd ziet met een toename van de regeldruk en nalevingskosten terwijl het dierenwelzijn voor de konijnenhouderij in Nederland al op een hoog niveau ligt, zeker aangezien in Europees verband geen regelgeving voor deze tak bestaat. Deze leden ontvangen graag een toelichting van de Minister waarom besloten is om deze extra verplichting in te voeren.

Antwoord:

Deze verplichting wordt in overleg met het bedrijfsleven vanaf april 2016 ingevoerd. De konijnenhouderijsector heeft dit voorschrift al in 2010 aangekondigd in zijn Plan van Aanpak 2010–2016 (Kamerstuk 28 286, nr. 422) ter verbetering van het welzijn van vleeskonijnen, in het bijzonder voor dekrijpe en drachtige voedsters. Voorzien was dat deze eis zou worden opgenomen in de welzijnsverordening van het PPE voor vleeskonijnen per 2016.

De leden van de VVD-fractie vragen de Minister om de Tweede Kamer een afschrift te sturen van zijn antwoorden op de vragen van de Eerste Kamer, gesteld in de brief van 5 maart jl.

Antwoord:

Als bijlage bij deze brief is een afschrift van de beantwoording van de schriftelijke vragen van de Eerste Kamer meegezonden1.

Vragen en opmerkingen van de leden van de PvdA-fractie

De leden van de PvdA-fractie vragen waarom het niet werkbaar is om de streefnormen voor het stalklimaat van kalkoenen als harde eisen over te nemen.

Antwoord:

De streefnormen zien op de componenten relatieve luchtvochtigheid, ammoniakconcentratie en kooldioxideconcentratie en zijn mede afhankelijk van het buitenklimaat. Ze zijn vooral bedoeld om de houder handvatten te bieden. Zoals vermeld in de nota van toelichting is bijvoorbeeld de relatieve luchtvochtigheid in de buitenlucht bij mistig weer zeer hoog. In dat geval zal de luchtvochtigheid in de stal hoger zijn dan de streefnorm van 60 tot 80%. Verder kan een flexibele omgang met de streefnormen voor luchtvochtigheid in combinatie met de omgevingstemperatuur en andere omgevingsparameters in het belang zijn van het welzijn van de dieren. Daarom kunnen de streefnormen niet worden omgezet in wettelijke voorschriften en wordt op dit punt volstaan met de algemene huisvestingsnorm in artikel 2.5, vierde lid van het Besluit houders van dieren. Die bepaling voorziet er onder meer in dat de relatieve luchtvochtigheid en de gasconcentraties in de omgeving van het dier niet schadelijk mogen zijn voor het dier.

Ook vragen zij wanneer de uitkomsten bekend zijn van het onderzoek naar de overgang van donker naar licht voor konijnen.

Antwoord:

Het onderzoek van WUR naar de overgang van donker naar licht voor konijnen is zeer recent ontvangen. De Staatssecretaris zal u daarover nader berichten.

Gevraagd wordt of de Minister de mening deelt dat het welzijn van de voedsters bij het later spenen van de konijnen een goede reden kan zijn voor aanpassing van de minimale speenleeftijd maar dat de bedrijfsvoering en economische gevolgen voor de sector dat niet zijn?

Antwoord:

Ik verwijs u naar de nota van toelichting bij het Besluit houders van dieren (Kamerstuk 28 286, nr. 567), waarin is aangegeven dat, voor het bepalen van de scheidingsleeftijden, een afweging is gemaakt tussen alle relevante belangen, zoals dierenwelzijn en bedrijfseconomische gevolgen.

Vragen en opmerkingen van de leden van de SP-fractie

De leden van de SP-fractie vragen de Minister hoe op korte termijn verbeterstappen gemaakt gaan worden betreffende de welzijnsproblemen (chronische honger) bij vleeskuikenouderdieren? Welke structurele oplossing heeft de Minister voor ogen?

Antwoord:

Uit onderzoek2 blijkt dat voerderbeperking bij vleeskuikenmoederdieren zoals deze wordt toegepast in het huidige houderijsysteem leidt tot ongerief. Onbeperkt voeren is echter geen oplossing omdat dat tot ander ongerief leidt zoals vervetting en gezondheidsproblemen.

De vleespluimveefokkerij is sterk internationaal georganiseerd met drie grote fokkerijorganisaties. Het fokken van andere rassen of andere eigenschappen waar dit probleem zich niet voordoet dient derhalve in een internationale context te gebeuren. Om te bepalen of het ongerief als gevolg van de voerbeperking in het huidige houderijsysteem verminderd kan worden, wordt in Groot-Brittannië onderzoek gedaan naar indicatoren voor honger en frustratie van de voeropnamemotivatie.

Op kleine schaal wordt gewerkt aan houderijsystemen met trager groeiende kuikens. Hier is voederbeperking minder noodzakelijk en worden de dwergmoederdieren – met name in de legperiode – nagenoeg onbeperkt gevoerd.

Gevraagd wordt wat de Minister gaat doen om de welzijnsproblemen (verenpikkerij e.d.) bij vleeskalkoenen op te lossen? Is de Minister bereid meer afleidingsmateriaal voor te schrijven?

Antwoord:

De kalkoenenhouders beperken de verenpikkerij door een infraroodbehandeling van de snavels van de vleeskalkoenen. Deze ingreep wordt vanaf september 2018 verboden. Gelet op onderzoek, de ervaringen tot nu toe en na overleg met de stuurgroep Ingrepen bij pluimvee (waarin de pluimveesector en de Dierenbescherming vertegenwoordigd zijn), verwacht de Staatssecretaris van Economische Zaken dat de komende jaren, door het treffen van managementmaatregelen op het terrein van afleidingsmateriaal, opfok, huisvesting, klimaat, voer en fokkerij, onverantwoorde risico’s voor het welzijn kunnen worden voorkomen. Aanvullend onderzoek kan hierbij helpen, eventueel in het kader van de Publiek-Private Samenwerking Poultry4Food die door overheid en sector wordt gefinancierd (topsectoren).

In het ontwerpbesluit is ten aanzien van de aanwezigheid van afleidingsmateriaal in de stallen de eis opgenomen dat aan ten minste 10% van de kalkoenen tegelijkertijd afleiding wordt geboden. Meer afleidingsmateriaal wordt vooralsnog niet voorgeschreven. De stuurgroep Ingrepen bij pluimvee overweegt nieuw onderzoek te laten doen naar effectiviteit van omgevingsverrijking ter preventie van beschadigend pikgedrag bij kalkoenen.

Deze leden van de SP-fractie vragen of de Minister bekend is met de publicatie «Scheiden van dieren» van de Wageningen University (WUR) waarin het volgende wordt geconcludeerd: «het aanhouden van 11 weken als minimale speenleeftijd in plaats van het noemen van een datum zal voorkomen dat nertsen op een te jonge leeftijd worden gespeend.» De leden van de fractie vragen of de Minister onderschrijft dat spenen op 11 weken, in plaats van 7–8 weken, het optreden van staart- en pelsbijten fors vermindert van gemiddeld 20% naar slechts 1–2%?

Antwoord:

Ja. De publicatie «Scheiden van dieren» adviseert: «Scheiden op een leeftijd jonger dan 8 weken levert te grote problemen op en wordt derhalve afgeraden. Een optimale leeftijd voor het scheiden op basis van het natuurlijk proces zal liggen tussen de 8–11 weken» en «Spenen later dan 11 weken kan het moederdier benadelen.»

Neemt de Minister het natuurlijke gedrag van het dier als uitgangspunt van het beleid? In de natuurlijke situatie verlaten jonge nertsen het territorium van hun moeder gemiddeld rond de 12 weken. Waarom wordt het beleid niet gespiegeld aan de natuurlijke situatie?

De leden van de SP-fractie vinden het wenselijk dat er een aantal weken genoemd wordt voor het spenen van nertsen in plaats van een datum. Deze dieren worden immers geboren in de periode eind april-eind mei (en soms later), dus geeft een datum veel bandbreedte en weinig garanties.

Daarnaast hebben deze leden grote bezwaren tegen het gegeven dat het minimum van acht weken voor het spenen van nertsen een feitelijke afzwakking van de regelgeving inhoudt. In de literatuur is al lang bekend dat te vroeg spenen ernstige welzijnsproblemen geeft; Mason (1994) vond een negatieve correlatie tussen staartbijten en de leeftijd van spenen en Jepessen et al. (2000) noemt een verband tussen vroeg spenen en stereotypieën. Is de Minister bereid de speenleeftijd voor nertsen aan te passen naar 11 tot 12 weken in het besluit houders van dier?

Antwoord:

De intrinsieke waarde van het dier vormt het uitgangspunt van de Wet dieren, alsook van de huidige Gezondheids- en welzijnswet voor dieren. Bij de omzetting van de Verordening welzijnsnormen nertsen (PPE) naar het ontwerpbesluit is voor de minimale speenleeftijd een leeftijd in weken vastgesteld, in plaats van de datum 1 juli. Een leeftijd in weken geeft meer garanties dan het vaststellen van een datum. De minimum speenleeftijd is vastgesteld op 8 weken zoals voorgeschreven in de aanbeveling van de Raad van Europa over pelsdieren, ter uitvoering van het Europees Verdrag inzake de bescherming van landbouwhuisdieren. Dit sluit ook aan bij de aanbeveling van het WUR-rapport «Scheiden van dieren», waarin beschreven staat dat de optimale leeftijd voor het spenen op 8 tot 11 weken ligt.

De leden van de SP-fractie betogen dat nertsen in de winterperiode beperkt worden gevoerd en dat de dieren hierdoor stereotiep gedrag vertonen zoals langdurig in de kooien op en neer lopen of ronddraaien. De mate van stereotiep gedrag neemt toe naarmate de voerbeperking sterker is. Gevraagd wordt of de Minister bereid is regels af te spreken om welzijnsproblemen als gevolg van het onthouden van afdoende voer in de winter te voorkomen? Is de Minister daarnaast ook bereid om met de sector afspraken te maken over een jaarrondfourageerbeleid dat beter tegemoet komt aan de natuurlijke jaagbehoefte van de nerts en verveling tegengaat, bijvoorbeeld door het gebruik van een voerbal?

Antwoord:

Op individueel niveau worden pelsdierhouders via het ontwerpbesluit verplicht om, door middel van een actieplan, het stereotiepe gedrag en kale staartpunten bij de nertsen te beperken. Dit actieplan werd ook al voorgeschreven in de PPE-verordening welzijnsnormen nertsen. Dit kan bijvoorbeeld een aanpak op speenleeftijd of voedermanagement inhouden. Vooralsnog is dit voldoende voor de borging van het dierenwelzijn op de bedrijven.

De leden van de SP-fractie vragen wat de plannen op langere termijn zijn om het welzijn van vleeskuiken ouderdieren, vleeskalkoenen en konijnen te verbeteren. Met het wegvallen van de productschappen verdwijnen ook onderzoeksgelden ten behoeve van het verbeteren van het welzijn van deze dieren. Hoe wordt de financiering van het onderzoek alsnog mogelijk gemaakt?

Antwoord:

De financiering van het onderzoek is de verantwoordelijkheid van het bedrijfsleven. De nieuwe Gemeenschappelijke Marktordening biedt de mogelijkheid tot het erkennen van producenten- en brancheorganisaties die zich (onder meer ook) tot doel kunnen stellen om onderzoek te verrichten naar dierenwelzijn ter behartiging van de belangen van de bij hun aangesloten ondernemers. Deze organisaties kunnen daarmee via hun leden voorzien in de financiering van dat onderzoek.

Deze leden zijn bezorgd over de handhavingcapaciteit van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA). Hoe zal invulling gegeven worden aan handhaving? Komt er extra capaciteit beschikbaar? Zo nee, hoe wordt dit dan belegd gezien de toch al hoge werkdruk bij de NVWA? Hoe wordt een achteruitgang in controle voorkomen?

Antwoord:

Ik verwijs u hiervoor naar het Plan van Aanpak NVWA, dat de Staatssecretaris van Economische Zaken en de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport op 19 december 2013 aan uw Kamer hebben gestuurd (kamerstuk 33 835, nr. 1).

Onderschrijft de Minister dat in het huidige systeem jonge konijntjes lange perioden, tot wel 48 uur, zonder eten (moedermelk) worden gehouden omdat de moeder opnieuw gedekt moet worden? Vindt de Minister dit een wenselijke situatie? Is de Minister bereid een einde te maken aan de situatie waarin jonge konijnen zonder voeding worden gelaten?

Antwoord:

De houders gebruiken het afsluiten van de nestkasten voor de inseminatie als een methode om de willigheid van moederdieren te stimuleren, zodat een dracht tot stand kan komen. De sector geeft aan dat de meeste houders de nestkasten inmiddels 24 uur gesloten houden in plaats van 48 uur voorheen. Deze periode van 24 uur is vergelijkbaar met de situatie in de natuur, waar jonge konijnen één keer per dag worden gezoogd.

De leden van de SP-fractie vragen wanneer er een einde is gemaakt aan de kooihuisvesting voor konijnen? Erkent de Minister dat de huidige situatie in de konijnenhouderij niet voldoet aan punt 7 van de bijlage bij Richtlijn 98/58/EG inzake de bescherming van voor landbouwdoelen gehouden dieren waarvan de tekst als volgt luidt: de bewegingsvrijheid die past bij het dier, met inachtneming van de soort en overeenkomstig de bestaande ervaring en de wetenschappelijke kennis, mag niet op zodanige wijze worden beperkt dat het dier daardoor onnodig lijden of letsel wordt toegebracht?

Antwoord

Met de welzijnshokken die vanaf april 2016 verplicht worden, krijgen de moederdieren meer ruimte, de mogelijkheid zich op te richten, een platform om zich terug te trekken, een matje tegen beschadiging van hun voetzolen en verrijkingsmateriaal. Hiermee wordt voldaan aan punt 7 van de bijlage bij Richtlijn 98/58/EG. Deze hokken worden inmiddels al bij 85% van de voedsters gebruikt.

Zijn de welzijnshokken/verrijkte kooien voor konijnen, die vanaf 2016 geïmplementeerd moeten zijn, een eindstation waarbij dierenwelzijn afdoende is gewaarborgd of wordt er gestreefd naar volledige groepshuisvesting? Wanneer wordt deze volledige groepshuisvesting bereikt?

Antwoord:

De welzijnshokken worden niet gezien als eindstation. Dit wordt ook aangegeven door de konijnenhouders in hun Plan van Aanpak 2010–2016 (Kamerstuk 28 286, nr. 422). Experimenten met volledige groepshuisvesting zijn tot nu toe niet geslaagd door de agressie tussen de moederdieren. Daarom werkt de sector aan een systeem van semi-groepshuisvesting, waarbij het moederdier twee weken na het werpen met haar jongen in een groep met andere moederdieren met jongen wordt gehuisvest. De vleeskonijnen worden na het spenen in groepen gehuisvest. Voor een deel van de konijnen gaat het om het nieuwe parksysteem, waar grotere hokken meer oppervlakte per dier, plateaus en hokverrijking bieden.

Hoe zien de verrijkte kooien er uit? Wat voor bodem hebben deze? Hoe staat het met het toepassen van verrijkingsmaterialen? Wat valt onder verrijkingsmateriaal? Hoeveel houderijen hebben dit nu?

De normen voor de verrijkte kooien voor de moederdieren zijn beschreven in artikel 2.82 van het ontwerpbesluit. Inmiddels beschikt 85% van de bedrijven over dergelijke hokken. Het plaatsen van verrijkingsmateriaal in deze kooien is verplicht om aan de knaagbehoefte van de voedsters te voldoen. Het gaat vaak om knaaghout (houten stokken) of ruwvoer (bijvoorbeeld blokjes luzerne).

Gevraagd wordt hoeveel van de productiekonijnen nu nog in de gazen kooihuisvesting zitten. Hoeveel ruimte hebben ze daar en hoeveel afleidingsmateriaal?

Antwoord:

Ongeveer driekwart van de vleeskonijnen zit in gazen hokken, de rest in zogenaamde parken (een vorm van huisvesting in grotere groepen) waarvan een deel voorzien is van kunststof roosters. De oppervlaktenormen voor de productiekonijnen zijn ook beschreven in artikel 2.82 van het ontwerpbesluit. De hoeveelheid aanwezig afleidingsmateriaal moet voldoende zijn om in de knaagbehoefte van de dieren te voorzien.

Is het bedwelmen en doden van konijnen meegenomen in het plan van aanpak 2010–2016 van de konijnensector?

Antwoord:

De sector heeft dit onderwerp niet opgenomen in zijn plan van aanpak.

Het bedwelmen en doden van konijnen moet, net als voor andere gehouden diersoorten, plaatsvinden conform de EU-verordening nr. 1099/2009 inzake de bescherming van dieren bij het doden.

Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie

De leden van de CDA-fractie stellen vast dat de wijzing van het besluit houders van dieren een stijging van de kosten voor de konijnenhouderij met zich meebrengen. Is deze wijziging van de huisvestingsregels goed afgestemd met de sector?

Antwoord:

De wijziging van de huisvestingsregels voor dekrijpe en drachtige voedsters vanaf 2016 is goed afgestemd met de sector.

Ook willen de leden van de CDA-fractie weten of de productschapsregels voor dierenwelzijn, die overgenomen worden met de voorgelegde wijziging van het besluit, strengere en hogere eisen omvatten dan de Europese regels voor dierenwelzijn.

Antwoord:

Ik verwijs u naar mijn antwoord op vragen van de VVD-fractie.

Deelt de Minister de mening dat ten behoeve van de concurrentiepositie van de Nederlandse dierhouders, de Europese dierenwelzijnsregels te prefereren zijn boven nationale regels? Hoe is de Minister voornemens om Europese uniforme regels voor dierenwelzijn te realiseren?

Antwoord:

Zoals reeds aangegeven in de beleidsbrief dierenwelzijn van 4 oktober 2013 (Kamerstuk 28 286, nr. 651) is het van belang om de ambities van Nederland op het vlak van dierenwelzijn ook hun weerslag te laten krijgen in Europese regels. Dit is zowel belangrijk voor gelijke concurrentieverhoudingen binnen de EU, alsook voor de verbetering van dierenwelzijn in andere EU-lidstaten. Nederland heeft bij Eurocommissaris Borg aangedrongen om in EU-verband toe te werken naar het stoppen met ingrepen bij pluimvee en te werken aan aanscherping en verbetering van de regelgeving voor transport.

Daarnaast levert Nederland een actieve bijdrage aan de invulling van EU-richtsnoeren. Deze zijn bedoeld als leidraad voor controleautoriteiten, houders, voorlichters en dierenartsen en moeten de naleving van de Europese regelgeving verbeteren.

Momenteel moeten pluimveehouders voor drie verschillende informatiesystemen grotendeels dezelfde gegevens opgeven, namelijk voor het Identificatie- en Registratiesysteem (I&R)-pluimvee, voor het formulier voedselketeninformatie (VKI) en voor het RVO-vleeskuikenbesluit. Al langer is er sprake van het versimpelen van deze data-aanleveringsverplichtingen. Maakt de overname van het PPE het mogelijk om op korte termijn deze data-aanleveringsverplichting voor pluimveehouders te versimpelen? Op welke termijn is de Minister voornemens dit te realiseren?

Antwoord:

Voor wat betreft de verschillende verplichtingen voor pluimveehouders is er zeker aandacht voor verdere vereenvoudiging. Dit punt is nu al onderwerp van gesprek tussen de overheid en het bedrijfsleven in pluimveesector (AVINED). Hierbij wordt gesproken over het inrichten van één loket waarbij de houders kunnen voldoen aan de administratieve verplichtingen. Met de sector is besproken dat er gewerkt kan worden met door de Minister aangewezen private registratiesystemen en dat de overheid gebruik kan maken van gegevens die beschikbaar zijn en geregistreerd worden in deze (bestaande) databanken. De inzet daarbij is dat ondernemers geen dubbele registratieverplichtingen krijgen voor gegevens die zowel door de overheid als door private kwaliteitssystemen worden voorgeschreven. Dit punt heeft ook prioriteit bij het bedrijfsleven; ik verwacht dan ook dat dit zo spoedig mogelijk zal worden opgepakt.

De leden van de CDA-fractie verzoeken de Minister om het besluit houders van dieren met betrekking tot het houden van nertsen beter aan te laten sluiten bij de praktijk. Bedrijven met uitgeselecteerde fokdieren kunnen fokdieren hebben die ouder dan een jaar zijn, maar die niet gebruikt worden in het fokproces. Is de Minister bereid om een werkbare oplossing voor dit met name administratieve probleem te bewerkstellingen?

Antwoord:

De Nederlandse Federatie van Edelpelsdierhouders (NFE) heeft het Ministerie van Economische Zaken gevraagd om een mogelijkheid te creëren voor het administreren van uitgeselecteerde fokdieren. Dit zijn de dieren die in het voorjaar toch niet als fokdier worden ingezet en uiteindelijk in november gepelsd worden op het moment dat de pelskwaliteit optimaal is. In het ontwerpbesluit zijn, net als in de Verordening welzijnsnormen nertsen van het PPE, definities opgenomen voor de categorieën nertsen (fokdier, pup en opgroeiende nerts). Het uitgeselecteerde fokdier heeft geen eigen categorie en valt in de categorie fokdieren.

In concreto gaat het om de vraag of een nieuwe diercategorie in het leven geroepen kan worden.

Sinds 15 januari 2013 is de Wet verbod pelsdierhouderij van kracht. Deze wet bepaalt onder andere dat er sinds die tijd geen uitbreiding in aantal dieren op de bedrijven mag plaatsvinden. De uitgangspositie van de bedrijven per 15 januari 2013 wordt onder andere bepaald door het aantal fokdieren in de omgevingsvergunning. Het creëren van de nieuwe diercategorie kan per saldo het totale aantal fokdieren doen toenemen. Een verandering ten aanzien van de uitgangspositie is gezien de wet niet wenselijk.

Vragen en opmerkingen van de leden van de PvdD-fractie

De leden van de PvdD-fractie vragen waarom de Minister er niet voor gekozen heeft om – nu het besluit toch gewijzigd wordt- de welzijnsnormering aan te scherpen op grond van de meest recente onderzoeksgegevens over de welzijnsproblematiek bij vleeskuikens, kalkoenen en konijnen. Een aantal van deze welzijnsregels zijn gebaseerd op gedateerd wetenschappelijk onderzoek. Zij vragen de Minister de te wijzigen welzijnsregels opnieuw te bekijken en hierin hogere ambities te stellen.

Antwoord:

Bij de omzetting van de productschapsregelgeving met betrekking tot de publieke taken is er in overleg met de sector voor gekozen om deze regelgeving inhoudelijk zoveel als mogelijk één op één over te nemen. Dit om redenen van continuïteit in de uitvoering en de voortvarendheid van het omzettingsproces. Daarom geldt als uitgangspunt dat de welzijnsregels niet worden aangescherpt bij de omzetting van de productschapsregelgeving.

De leden van de PvdD-fractie constateren dat de welzijnsnormen voor ouderdieren van vleeskuikens gebaseerd zijn op conclusies van de Raad voor Dierenaangelegenheden (RDA) uit 1996 en dat daardoor in de voorgenomen wijziging van het onderhavige Ontwerpwijziging, nieuwe wetenschappelijke inzichten ontbreken. In 1996 concludeerde de RDA dat ouderdieren van vleeskuikens chronisch honger lijden omdat ze sterk beperkt worden in hun voer- en drinkgedrag vanwege de hoge productiviteit in het eieren leggen. Dit ernstige ongerief, wat zich uit in agressief gedrag tijdens voermomenten, is nog steeds aanwezig. Welke maatregelen gaat de Minister treffen om de chronische honger onder ouderdieren van vleeskuiken te stoppen? In recentere wetenschappelijke onderzoeken, uitgevoerd door bijvoorbeeld Animal Science Group (ASG) (2007), pleiten wetenschappers voor een systeemaanpassing en een traag groeiend ras. Is de Minister bereid om deze recentere wetenschappelijke inzichten om te zetten in regelgeving?

Antwoord:

Ik verwijs u naar mijn antwoorden op vragen van de SP-fractie.

De leden van de PvdD-fractie vragen of de Minister bereid is om toe te werken naar een verbod op de plofkip?

Antwoord:

Het kabinet onderschrijft de ambitie voor een diervriendelijke en duurzame pluimveehouderij. Om dit te bereiken worden twee sporen gevolgd, namelijk het verhogen van het wettelijk niveau van dierenwelzijn voor vleeskuikens in Europees verband en het stimuleren van het bedrijfsleven om via de markt extra stappen te zetten conform de aanpak van het Verbond van Den Bosch. Het marktspoor vergt een integrale aanpak waarbij dierenwelzijn, gezondheid, milieu, duurzame grondstoffen in samenhang worden bezien en waarbij tevens een economische afweging aan de orde is. Er moet wel een afzetmarkt zijn voor duurzaam pluimveevlees waarvoor consumenten bereid zijn een redelijke prijs te betalen. Naast de scharrelkip wordt met de Kip van Morgen een eerste belangrijke stap gezet door de Nederlandse supermarkten en keten- en marktpartijen. In de Kip van Morgen wordt een ander vleeskuikenras gebruikt, dat minder snel groeit en minder vatbaar is voor ziektes. Behalve voor het dierenwelzijn is dit positief voor het terugdringen van het antibioticumgebruik.

Is de Minister bereid om kooihuisvesting uit te faseren en, naast het verbod op de verrijkte kooi, tevens per 1 januari 2021 een verbod op koloniehuisvesting in te stellen? Zo nee, waarom niet?

Antwoord:

Sinds 1 januari 2012 gelden er regels over de zogenoemde koloniehuisvesting als kooihuisvesting in Nederland. Vanwege het Europese legbatterijverbod hebben legpluimveehouders in dit nieuwe systeem geïnvesteerd. Het niet meer toestaan van koloniehuisvesting zou de Nederlandse legsector ten opzichte van de andere lidstaten op sterke achterstand zetten omdat in deze lidstaten kooisystemen zijn toegestaan. De keuze voor kooihuisvesting is een individuele ondernemersbeslissing, waarbij marktperspectieven worden afgewogen tegen andere aspecten, zoals de mogelijkheid om een omgevingsvergunning verleend te kunnen krijgen. Hoewel de markt naar verwachting kleiner zal worden, zal er een markt voor in Europa geproduceerde kooieieren blijven voor zowel tafeleieren als voor verwerking door de levensmiddelenindustrie.

Verder constateren deze leden dat de Minister het te accepteren uitvalspercentage onder kalkoenen één op één overneemt van de productschappen. Pas bij een uitval hoger dan 10% bij mannelijke dieren en 6% bij vrouwelijke dieren volgen verbetermaatregelen. Zij vinden deze percentages ethisch niet aanvaardbaar. Is de Minister bereid tot een verlaging van deze percentages zodat verbetermaatregelen voor het welzijn en de gezondheid van kalkoenen eerder genomen worden?

Antwoord:

Zoals beantwoord op een eerdere vraag van uw fractie, is er bij de omzetting van de productschapsregelgeving met betrekking tot de publieke taken in overleg met de sector voor gekozen om deze regelgeving inhoudelijk zoveel als mogelijk één op één over te nemen.

Daarnaast ga ik er van uit dat de kalkoenenhouders niet wachten tot genoemde percentages zijn bereikt voordat ze verbetermaatregelen nemen. Sinds 2011 zijn ze verplicht om een bedrijfsbehandelplan en een bedrijfsgezondheidsplan op te stellen op basis van een fysieke inspectie van het bedrijf door de dierenarts. Er vindt jaarlijks een evaluatie van de plannen plaats. In verband met deze plannen komt de dierenarts gemiddeld eens in de twee à drie weken op het bedrijf. Daarbij zal ook de oorzaak van een te hoge uitval worden besproken.

De leden van de PvdD-fractie vragen ook waarom de Minister bij de categorie vleeskalkoenen uitgaat van regelgeving die gebaseerd is op een rapport uit 2000 terwijl er recentere wetenschappelijke publicaties zijn over het ongerief bij kalkoenen. Zo heeft de ASG (2009) geïdentificeerd dat ook in deze sector er sprake is van een snelle groeisnelheid wat leidt tot plofkalkoenen. Onderzoeksresultaten in Duitsland wijzen uit dat bij overdekte uitlopen het uitvalspercentage en bewegingsstoornissen afnamen en een vermindering optrad van huid- en veerbeschadigingen (Berk, 2006). Is de Minister bereid om binnen de voorgenomen wijziging recente wetenschappelijke adviezen over te nemen en binnen de aangekondigde wijziging eisen op te nemen voor een uitloop met goede strooiselkwaliteit voor kalkoenen?

Antwoord:

Ik verwijs u naar mijn antwoord op een andere vraag van uw fractie over de één op één overname van de regels.

Deze leden lezen verder dat de Minister bij het onderhavige Ontwerpwijziging uit wil gaan van het plan van aanpak 2010–2016 dat de konijnensector heeft opgesteld. Waarom gaat de Minister niet uit van het onafhankelijke onderzoek van de Wetenschapswinkel Rechtsgeleerdheid van de Universiteit Utrecht (2002) waarin geconcludeerd wordt dat het welzijn van konijnen in kooisystemen onaanvaardbaar wordt aangetast?

Antwoord:

Ik verwijs u naar mijn antwoord op een andere vraag van uw fractie over de één op één overname van de regels.

Deze leden maken hierbij de vergelijking met de leghennen in batterijsystemen waar inmiddels ook een verbod op geldt vanwege ernstige dierenwelzijnaantasting. Zij constateren dat binnen dit plan van aanpak welzijnsverbeteringen worden aangebracht binnen het onnatuurlijke systeem van kooihuisvesting. Vanwege de hoge mate van ernstig ongerief in de konijnenhouderij (eendagskonijnen, afwijkend stereotiep gedrag, apathie, voetzoolaandoeningen door draadgazenbodems, hoge uitval, onvoldoende bewegingsruimte) willen zij benadrukken dat het nemen van grotere stappen dan die het plan van aanpak voorziet, essentieel is voor het welzijn en de gezondheid van konijnen. Is de Minister bereid om toe te werken naar welzijnssystemen waarin de konijnen niet in kooien worden gehuisvest? Zo ja, op welke termijn? Zo nee, waarom niet?

Antwoord:

Ik verwijs u naar mijn antwoord op de vragen van de SP-fractie.

De leden van de PvdD-fractie hebben geconstateerd dat de Minister voor het welzijn van nertsen uitgaat van de artikelen van de Wet verbod Pelsdierhouderij, waarbij nertsenhouders tot 1 januari 2024 de mogelijkheid krijgen om hun bedrijf uit te blijven oefenen. In de onderhavige ontwerpwijziging gaat de Minister uit van een speenleeftijd van acht weken. Wetenschappelijke inzichten van ASG (2007) geven aan dat een dergelijke vroege speenleeftijd leidt tot een hoge mate van stress met gevolgen als staart- en vachtbijten en andere stereotiepen. Is de Minister bereid om de speenleeftijd te verhogen naar natuurlijke normen van 11–14 weken? Zo nee, waarom niet?

Antwoord:

Ik verwijs u naar mijn antwoord op de vraag van de SP-fractie.

Deze leden constateren ook dat de Minister zich in het onderhavige besluit richt op een beperkt aantal diercategorieën. Is de Minister bereid om tevens te kijken naar verbeteringen voor het welzijn binnen andere diercategorieën zoals geiten, schapen, waterbuffels, struisvogels of eenden? Zo ja, op welke wijze en op welke termijn? Zo nee, waarom niet?

Antwoord:

Met het Besluit houders van dieren gaan voor alle voor productie te houden dieren algemene huisvestings- en verzorgingsnormen gelden. Dus ook voor de door u genoemde diercategorieën. Beoogde inwerkingtreding van dat besluit is 1 juli 2014.

De leden van de PvdD-fractie constateren dat productschappen zich tevens richten op thema’s als het transport en het slachten cq. het doden van dieren. Kan de Minister aangeven wanneer hij voornemens is deze onderdelen van de Wet dieren in werking te laten treden?

Antwoord:

De eisen voor borging van het welzijn tijdens het doden van dieren voor productie van dierlijke producten zijn neergelegd in de Europese verordening nr. 1099/2009, die van kracht is geworden op 1 januari 2013. De eisen inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer en daarmee samenhangende activiteiten zijn neergelegd in Europese verordening nr. 1/2005 en zijn van kracht geworden op 1 januari 2009. Enkele uitvoeringsbepalingen voor beide verordeningen zijn onder de Wet dieren neergelegd in het Besluit houders van dieren en de bijbehorende Regeling houders van dieren. De beoogde inwerkingtreding van deze onderdelen van de Wet Dieren is 1 juli 2014.

Kan de Minister aangeven wat het percentage kalkoenen is zwaarder dan zeven kilo en bestemd voor internationaal transport, die vervoerd worden in containers?

Antwoord:

Alle in Nederland gehouden kalkoenen worden in het buitenland (Duitsland voor 99%, en België) geslacht. De getransporteerde dieren zijn vrijwel allemaal zwaarder dan 7 kg. Het vervoer naar Duitsland wordt conform de daar geldende regels gedaan in kratten met een hoogte van 40 cm.

Deze leden constateren dat er over het welzijn van konijnen tijdens transport weinig bekend is. Is de Minister bereid om daar specifiek onderzoek naar uit te laten voeren?

Antwoord:

Aandachtspunten voor het welzijn van konijnen tijdens transport zijn in een EFSA-rapport uit 2011 verwoord. In dit rapport wordt, op basis van verzameld onderzoek, beschreven waarop gelet moet worden om het welzijn van konijnen gedurende het transport te bewaken. Daarom vind ik het niet nodig om aanvullend onderzoek naar transport op te starten.

Is de Minister bereid om wettelijke eisen te stellen aan het verstrekken van voer en water aan eendagskuikens tijdens het transport zodat de sterfte onder eendagskuikens afneemt?

Antwoord:

Ik verwijs hiervoor naar de beantwoording door de staatsecretaris van Economische Zaken van de vragen in het schriftelijk overleg over QLL van 4 februari jl. (Kamerstuk 26 991, nr. 397).

Is de Minister bereid om eisen te stellen aan het doden van kalveren enkel en alleen omdat zij te licht zijn?

Antwoord:

Ik verwijs u naar het antwoord van de Staatssecretaris van Economische Zaken op een vraag van het lid Thieme van 20 september 2010 inzake lichte kalveren (Kamerstuk 28 286, nr. 424) en de Kamerbrief van 16 oktober 2013 (Kamerstuk 28 286, nr. 653) over moties en toezeggingen aangaande het ontwerpbesluit houders van dieren, waarin ingegaan wordt op de aangehouden motie van het lid Thieme over het laten gelden van artikel 1.9 van het Besluit houders van dieren voor alle gehouden dieren (Kamerstuk 2013–2014, 31 389, nr. 97).

Met de artikelen 1.9 en 1.10 van het Besluit houders van dieren wordt invulling gegeven aan het «nee, tenzij beginsel» voor het doden van dieren. De gevallen waarin dieren mogen worden gedood, zijn opgenomen in artikel 1.10 (ondraaglijk lijden, gevaar voor mens en dier, wettelijk voorschrift etc.), de diersoorten waarvoor deze regels gelden in artikel 1.9.

Het lid Thieme (PvdD) heeft de Staatssecretaris tijdens het notaoverleg gevraagd alle diersoorten onder de reikwijdte van artikel 1.9 te brengen. In de nota van toelichting bij het Besluit houders van dieren wordt aangegeven dat er voor is gekozen om in eerste instantie slechts een beperkt aantal diersoorten aan te wijzen (katten, honden en ganzen). Het vergelijkbare artikel 43 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren is nooit in werking getreden wegens gebrek aan consensus over de aan te wijzen situaties en zorg ten aanzien van de handhaafbaarheid. Ook in de consultatie leverde het onderhavige artikel de nodige discussie op. Juist door met een beperkt aantal soorten, waarover weinig discussie is, te starten, wordt beoogd ervaring op te doen. Het is de bedoeling bij de eerstkomende evaluatie te kijken of het artikel kan worden uitgebreid met andere diersoorten.

Wanneer een dier wordt gedood in andere gevallen dan ter verkrijging van dierlijke producten, zal in de toekomst de artikelen 1.12–1.14 van het Besluit houders van dieren gelden. Het is de verantwoordelijkheid van de houder om die artikelen na te leven.

Is de Minister bereid om het doden van eendagskuikens tegen te gaan?

Antwoord:

Over het doden van eendagskuikens wordt u binnenkort door de Staatssecretaris van Economische Zaken geïnformeerd.

Is de Minister bereid om het doden van eendagskonijnen tegen te gaan?

Antwoord:

Binnen de konijnenhouderij is het algemeen gebruikelijk om worpen te standaardiseren in de eerste dagen na het werpen. Om te voorkomen dat te kleine konijntjes in het nest wegkwijnen, hetgeen veel ongerief geeft, is het gebruikelijk dat ze door de veehouder gedood worden. Hierbij dient de veehouder zich te houden aan de regels die gelden voor het doden van dieren. In het «Plan van Aanpak Welzijn voor de konijnenhouderij 2010–2016» (Kamerstuk 28 286, nr. 422) is beschreven op welke wijze invulling gegeven wordt aan het terugdringen van de uitval van konijnen door ziekte en selectie.

Op welke wijze gaat het kabinet de aangenomen motie Thieme (Kamerstuk 28 286, nr. 688) uitvoeren over een verbod op het levend aanhangen van pluimvee?

Antwoord:

Over de wijze van uitvoering van de aangenomen motie Thieme (kamerstuk 28 286, nr. 688) zal de Staatssecretaris van Economische Zaken u binnenkort informeren.


X Noot
1

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.

X Noot
2

Linken naar enkele EFSA rapporten met betrekking tot welzijn van vleeskuikenouderdieren:

http://www.efsa.europa.eu/en/supporting/doc/295e.pdf#page=67

http://www.efsa.europa.eu/en/supporting/doc/295e.pdf

Linken naar enkele rapporten van WUR:

http://edepot.wur.nl/217695 : Feeding Broiler Breeder Flocks in Relation to Bird Welfare Aspects

http://edepot.wur.nl/295775 : Effect van verschillende energie/eiwit verhoudingen in het voer tijdens de opfok- en legperiode