Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2020-202128165 nr. 331

28 165 Deelnemingenbeleid rijksoverheid

Nr. 331 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 30 oktober 2020

De vaste commissie voor Financiën heeft een aantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Minister van Financiën over de brief van 6 juni 2020 over «Beheer staatsdeelnemingen 2020» (Kamerstuk 28 165, nr. 327).

De vragen en opmerkingen zijn op 3 juli 2020 aan de Minister van Financiën voorgelegd. Bij brief van 28 oktober 2020 zijn de vragen door de Minister en Staatssecretaris van Financiën beantwoord.

De voorzitter van de commissie, Tielen

Adjunct-griffier van de commissie, Schukkink

I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties

Inhoudsopgave:

1.

Inleiding

2

2.

Algemeen

2

3.

Beleidsdoorlichting Deelnemingenbeleid

4

4.

MVO-beleid

5

5.

Onderzoek naar de toekomstopties van de Volksbank

6

6.

Ontwikkelingen kansspelen

7

1. Inleiding

De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de brief van de Minister en de Staatssecretaris en hebben daar een aantal vragen over. In het licht van de gevolgen van de COVID-19-crisis is het extra van belang om de ontwikkelingen van de staatsdeelnemingen in 2020 nauwgezet te volgen.

De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van de brief voor wat betreft het Beheer Staatsdeelnemingen 2020.

Zij brengen enkele punten naar voren.

De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de brief Beheer Staatsdeelnemingen 2020. Zij hebben enkele vragen over deze brief.

De leden van de D66-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de brief Beheer staatsdeelnemingen. Deze leden zijn blij met het overzicht van investeringsvoorstellen dat er, mede door vragen van de D66-fractie is gekomen. Wel hebben deze leden nog enkele vragen.

De leden van de GroenLinks-fractie danken de Minister voor zijn toelichting op het beheer van Staatsdeelnemingen in 2020. Zij hebben enkele vragen.

De leden van de SP-fractie hebben kennisgenomen van de brief Beheer Staatsdeelnemingen 2020 en kijken uit naar de evaluatie van het in de afgelopen zeven jaar gevoerde beleid.

2. Algemeen

De leden van de PVV-fractie merken allereerst op dat het kabinet aangeeft dat bepaalde staatsdeelnemingen hard geraakt zijn door de COVID-19-crisis. Hierbij worden NS, Schiphol, KLM en Holland Casino genoemd. De leden van de PVV-fractie vragen per staatsdeelneming aan te geven wat de financiële gevolgen zijn van de COVID-19-crisis. Welke staatsdeelnemingen worden tevens door de COVID-19-crisis geraakt?

De leden van de CDA-fractie zien het als een positieve ontwikkeling dat er twee momenten in het jaar zijn om te spreken over het beheer van de staatsdeelnemingen. Zij vragen de bewindspersonen of zij de impact van de coronacrisis in kaart willen brengen ten aanzien van de staatsdeelnemingen (per deelneming) en deze prognoses te delen met de Kamer voorafgaand aan het moment dat er in het najaar over staatsdeelnemingen wordt gesproken. In het bijzonder vragen de leden van de CDA-fractie of de Minister nog meer steunoperaties verwacht bij staatsdeelnemingen die in zwaar weer zitten, bijvoorbeeld bij Holland Casino en Schiphol. Maken deze twee Staatsdeelnemingen gebruik van de NOW-regeling, zo vragen de leden van de CDA-fractie. Ook vragen deze leden of zij het goed begrijpen dat de NS de komende vijf jaar genoodzaakt is 2300 banen te schrappen. Hoe beoordeelt de Minister deze plannen?

Daarnaast vragen de leden van de CDA-fractie de Minister om in de prognose mee te nemen bij welke staatsdeelneming er reorganisaties gepland zijn. Zo hebben deze leden begrepen dat bij de NS er sprake zal zijn van een forse reorganisatie. Kan de Minister aangeven hoe dit zit en de Kamer hier na de zomer over informeren?

De leden van de D66-fractie maken enkele opmerkingen; allereerst over de goedgekeurde investeringsvoorstellen van staatsdeelnemingen. De leden van de D66-fractie zijn de Minister erkentelijk voor de brief die de directeur Financieringen in zijn naam heeft verstuurd aan alle staatsdeelnemingen om een solide onderbouwing van buitenlandse investeringen te onderstrepen1. Graag vernemen deze leden of er door staatsdeelnemingen op deze brief is gereageerd en zo ja, wat de algemene tendens is van deze reacties. De leden van de D66-fractie merken voorts op dat bijlage 1 – Goedgekeurde investeringsvoorstellen Staatsdeelnemingen in 2020 geen data bevat tot wanneer dit overzicht «up-to-date» was. Is de Minister bereid om in het schema van 2021 ook te vermelden tot welke datum dit schema klopt? Voorts merken de leden van de D66-fractie op dat er geen bedragen genoemd worden bij de investeringsvoorstellen, terwijl de met de (buitenlandse) investeringen gemoeide bedragen wel genoemd worden in het Jaarverslag Staatsdeelnemingen 20182. Is de Minister bereid bij de komende rapportage tevens deze bedragen te vermelden? Zo nee, waarom niet?

De leden van de SP-fractie vragen op de korte termijn welke effecten de coronacrisis heeft gehad op de Nederlandse staatsdeelnemingen. Wat is er gebeurd met de winst of verlies, maar vooral vragen zij om de arbeidsomstandigheden van de medewerkers van deze deelnemingen. Hoe gaat de Minister er zorg voor dragen dat deze mensen veilig weer naar hun werk kunnen? Welke maatregelen gaat hij nemen hieromtrent?

De leden van de SP-fractie hechten veel waarde aan zekerheid voor de NS en haar werknemers. De NS is in de Coronacrisis op verzoek van de overheid blijven rijden om mensen met een vitaal beroep naar het werk te kunnen vervoeren. Om die reden is er een beschikbaarheidsvergoeding afgesproken voor 2020. Maar dat is onvoldoende. Er dreigen forse bezuinigingen bij de NS met banenverlies tot gevolg. Veel werknemers maken zich zorgen over hun baan en toekomst. Met alle ambities op duurzaam vervoer en meer nationale en internationale spoorverbindingen is een grotere en sterkere NS nodig in de toekomst. Het kan niet zo zijn dat werknemers die tijdens de crisis hebben doorgewerkt bij de NS, nu de rekening van de crisis moeten gaan betalen. De leden van de SP-fractie vragen de Minister of hij het daarmee eens is. Klopt het dat de Minister in gesprek is met de NS over een steunpakket en stelt hij daarbij de eis dat gedwongen ontslagen niet mogelijk zijn bij een eventueel steunpakket vanuit de overheid? Sluit de Minister ook uit dat hij zelf reductie van de kosten gaat opleggen bij de NS, waardoor banenverlies onvermijdelijk kan worden? Worden de vakbonden en de ondernemingsraad betrokken bij alle gesprekken waar het gaat over zaken die voor werknemers van belang zijn? Is de Minister het met de leden van de SP-fractie eens dat de NS, met een stijgend aantal reizigers voor de coronacrisis, zo snel als mogelijk weer terug op het oude niveau komt qua reizigersaantallen en daarna kan doorgroeien en investeringen die daarvoor nodig zijn niet moeten worden uitgesteld of geannuleerd?

3. Beleidsdoorlichting Deelnemingenbeleid

De leden van de VVD-fractie zien met belangstelling de beleidsdoorlichting van het deelnemingenbeleid 2013 tegemoet. Het is belangrijk steeds nut en noodzaak van het overheidsaandeelhouderschap kritisch te blijven beschouwen. Deze leden vragen de Minister in het bijzonder oog te hebben voor de deelnemingen die als permanent worden aangemerkt. Juist bij deze deelnemingen zou de vraag moeten worden of de vennootschappelijke vorm de meest aangewezen vorm is.

De leden van de VVD-fractie kunnen zich goed vinden in de keuze voor de twee onafhankelijke onderzoekers, maar vragen zich af of hiermee alle kennisgebieden zijn afgedekt. Zou, zo vragen zij, toevoegen van bedrijfseconomische kennis, in het bijzonder van ondernemingsfinanciering, niet logisch zijn?

De leden van de D66-fractie constateren dat «de Kamer naar verwachting eind 2020 over de uitkomsten van de beleidsdoorlichting en de reactie van het kabinet daarop geïnformeerd wordt». Maken deze leden hieruit correct op dat voor het eind van 2020, de Kamer zowel over de beleidsdoorlichting als de reactie van het kabinet hierop zal beschikken?

De leden van de GroenLinks-fractie zijn van mening dat niet enkel het deelnemingenbeleid van het recente verleden, maar ook de huidige veranderende maatschappelijke context een aanleiding moet vormen om kritisch te reflecteren op het te voeren deelnemingenbeleid. Zij vragen daarbij de Minister in het bijzonder aandacht te besteden aan twee maatschappelijke ontwikkelingen. Ten eerste de COVID-19-crisis, die naar verwachting ook de komende jaren voor een andere economische context zal zorgen dan voorzien en leidt tot debat over en beleidsvoornemens voor het vanuit de staat versterken van bedrijven middels eigen vermogen. Ten tweede de ontwikkelingen op het internationale speelveld, met name de assertieve economische strategie van landen als China in de Europese interne markt en de langzame maar zekere volwassenwording van de EU op het gebied van industriële geopolitiek, met als ijkpunt de door de Europese Commissie in maart 2020 gepubliceerde industriële strategie. De leden van de GroenLinks-fractie vragen de Minister of hij mogelijkheden ziet een reflectie op de invloed van deze ontwikkelingen op de doelstellingen, de doeltreffendheid en de doelmatigheid van het te voeren deelnemingenbeleid te betrekken in de beleidsdoorlichting. Deze leden vragen daarnaast of de Minister in zijn kabinetsreactie wil reflecteren op de invloed van deze twee ontwikkelingen op de doelstellingen, doeltreffendheid en doelmatigheid van het te voeren deelnemingenbeleid. Deze leden zien deze reflectie als een belangrijke pijler in het gesprek met de Minister over het toekomstige deelnemingenbeleid. Is de Minister bereid aan deze oproep gehoor te geven?

De leden van de GroenLinks-fractie vragen de Minister of de COVID-19-crisis naar verwachting enige invloed zal gaan hebben op de planning van de beleidsdoorlichting, die in principe afgerond zal worden in december 2020. Deze leden vragen de Minister of hij de Kamer wil informeren, mocht in de komende maanden blijken dat afronding per december 2020 niet haalbaar is.

4. MVO-beleid

De leden van de VVD-fractie herkennen zich in de analyse dat maatschappelijk verantwoord ondernemen (MVO) het laatste decennium steeds hoger op de agenda is komen te staan. Deze leden vinden het wenselijk dat bedrijven oog hebben voor de impact die ze op de maatschappij hebben en zij zien dan ook graag dat de staatsdeelnemingen zich met toewijding inzetten voor een breed scala aan maatschappelijke thema’s, het gesprek aangaan met verschillende stakeholders en goed scoren op transparantie.

Deze leden vragen wel aandacht voor een wezenlijk element van MVO: het gaat per definitie om beleid dat uitstijgt boven de wettelijke vereisten. Bedrijven moeten dan ook ruimte hebben om zelf invulling te geven aan de extra maatschappelijke inspanning die zij willen leveren. Wat, zo vragen de leden van de VVD-fractie vervolgens, zijn de gevolgen voor de staatsdeelnemingen als er niet wordt voldaan aan deze doelstellingen? In hoeverre is het behalen van deze doelstellingen van belang voor de continuïteit van het aandeelhouderschap van de Nederlandse staat?

De leden van de CDA-fractie zien het als modern aandeelhouderschap dat de aandeelhouder maatschappelijk verantwoord ondernemen stimuleert bij de onderneming. De leden van de CDA-fractie vragen de Minister waar zij de inventarisatie van het MVO-beleid van de verschillende staatsdeelnemingen kunnen raadplegen. Ook vragen deze leden hoe er getoetst gaat worden of de verschillende staatsdeelnemingen zich houden aan het uitgestippelde MVO-beleid. Ook vragen de leden van de CDA-fractie waarom bijvoorbeeld het terugdringen van kansspelverslaving niet een onderdeel is van het MVO-beleid van Holland Casino.

De leden van de D66-fractie hebben ten aanzien van het MVO-beleid van staatsdeelnemingen ook nog enkele vragen. Zij lezen in de brief dat de Minister zijn rol als aandeelhouder in eerste instantie ziet als een stimulerende rol voor MVO-beleid van staatsdeelnemingen maar hen «nodig tot verantwoording» zal roepen. Graag vernemen deze leden wanneer de Minister sinds 2013 een staatsdeelneming ter verantwoording heeft geroepen omwille van (het gebrek aan) MVO-beleid.

De leden van de GroenLinks-fractie vragen de Minister in te gaan op de vraag op welke punten de manier waarop Noorwegen en Zweden invulling geven aan het MVO-beleid van publieke deelnemingen overeenkomt en op welke punten deze verschilt met de Nederlandse aanpak op dit punt. Zij vragen daarbij ook in te gaan op de wijze waarop Noorwegen en Zweden MVO-doelen hebben vastgesteld en de naleving hiervan bij deelnemingen monitoren.

De leden van de GroenLinks-fractie vragen op welke manier de Minister in het beoordelen van investeringsvoorstellen MVO-beleid precies wil betrekken. Langs welke criteria worden investeringsvoorstellen gelegd? Welke keuzes worden er gemaakt als het voorstel niet aan alle vastgestelde criteria voldoet? Op welke manier wordt opvolging gegeven aan deze keuzes?

De leden van de GroenLinks-fractie staan positief tegenover de aanscherping van de implementatie van het MVO-beleid, onder andere via inzet op meetbaarheid en traceerbaarheid, en zes concrete doelstellingen. Tegelijkertijd hebben zij hier enkele vragen over. Hoe wordt het ambitieniveau van de zes doelstellingen vastgelegd? Op welke manier gaat de Minister borgen dat de doelstellingen op effectieve wijze het onderliggende thema beslaan? Hoe wordt geverifieerd of de ambities van deelnemingen hieraan voldoen? En hoe gaat de Minister vervolgens borgen dat de doelstellingen van deelnemingen aan het gewenste ambitieniveau voldoen?

De leden van de SP-fractie juichen verdere aandacht voor doorgrondend maatschappelijk verantwoord ondernemingsbeleid toe. Zij roepen op dit verder te verdiepen en verbreden daar dit zal moeten dienen als goed voorbeeld voor de rest van het bedrijfsleven.

5. Onderzoek naar de toekomstopties van de Volksbank

De leden van de VVD-fractie zijn teleurgesteld over het uitstel van de rapportage over de Volksbank. Zij hebben zich eerder bezorgd getoond over de kwetsbaarheid van het bedrijfsmodel van deze bank, die op zichzelf een waardevolle toevoeging is aan de financiële sector. Klopt het dat de Volksbank werkt aan een strategische heroriëntatie en, zo ja, wat behelst die wijziging? Wat betekent dit voor de verkoopbaarheid de komende jaren en de toezeggingen die daarover zijn gedaan aan de Europese Commissie? Het komt deze leden voor dat de implementatie van een nieuwe strategie enkele jaren zal vergen. Leidt dit tot uitstel van de verkoopplannen, dan zien zij dat liever onder ogen dan het herhaalde uitstel van de toekomstopties dat zij nu zien.

De leden van de PVV-fractie vragen wanneer het kabinet verwacht het onderzoek naar de toekomstopties voor de Volksbank te hebben afgerond. Het onderzoek zou namelijk voor de zomer naar de Kamer worden gestuurd.

Tevens willen de leden van de PVV-fractie weten of hierbij alsnog de optie is meegenomen om de Volksbank om te vormen tot een staatsbank. Zo nee, waarom niet?

Voorts vragen de leden van de PVV-fractie om een nieuwe schatting te maken van de actuele waarde van de Volksbank, mede gelet op de huidige omstandigheden omtrent de COVID-19-crisis. Kan de Minister tevens aangeven wat de actuele waarde is van ABN-AMRO?

De leden van de CDA-fractie begrijpen dat naar aanleiding van de coronacrisis het tijdpad uitgebreid moet worden wat betreft het onderzoek naar de toekomstopties van de Volksbank. Kan de Minister aangeven, naast de effecten die dit heeft voor het onderzoek, of de coronacrisis ook gevolgen heeft voor de daadwerkelijke toekomstopties, zo vragen de leden van de CDA-fractie. Zo ja, zijn er gevolgen die in ieder geval te verwachten zijn en is de Minister bereid deze te delen met de Kamer?

De leden van de D66-fractie achten het verstandig dat goed gekeken wordt naar de toekomstopties van de Volksbank en hoe het maatschappelijk karakter geborgd wordt. Gezien de omstandigheden en de aandacht die dit vergt van de Volksbank, toezichthouders en het ministerie hebben deze leden ook begrip voor enige vertraging. Graag ontvangen deze leden wel een tijdlijn over wat er wanneer is gebeurd in het kader van het onderzoek naar de toekomstopties van de Volksbank, sinds het algemeen overleg over de toekomst van de Volksbank3. Wanneer is gesproken met de Volksbank over het «borgen van het maatschappelijke karakter» en welke opdracht is er aan hen meegegeven in het kader van de verkenning? Ook vernemen deze leden graag wanneer de verkenning naar verwachting wel wordt opgeleverd nu de Minister in de brief spreekt over «zo spoedig mogelijk».

6. Ontwikkelingen kansspelen

De leden van de VVD-fractie hebben in het Jaarverslag Staatsdeelnemingen 2019 (bijlage bij Kamerstuk 28 165, nr. 326) gelezen dat de Nederlandse Loterij en Holland Casino door het kabinet worden gezien als een «niet-permanente deelneming». De leden vragen naar een toelichting. Wat houdt «niet permanent» in en wanneer komt er meer duidelijkheid over het proces tot een privatiseringstraject?

De leden van de VVD-fractie lezen over doelstellingen van het kansspelbeleid en de betrokken staatsdeelnemingen Holland Casino en de Nederlandse Loterij. De leden ondersteunen deze doelstellingen en vragen zich af op welke manier de doelstellingen ook bij andere aanbieders van kansspelen onder de aandacht worden gebracht. Op welke wijze wordt erop toegezien dat ook deze aanbieders zich committeren aan de doelstellingen van veilig en verantwoord kansspel en daarmee de regels rond het kansspelbeleid? Op welke manier wordt een gelijk speelveld gewaarborgd voor de staatsdeelnemingen Holland Casino en de Nederlandse Loterij en andere aanbieders van kansspelen? Zijn er producten waarbij het toezicht op promotie door beide staatsdeelnemingen zwaarder is dan bij andere kansspelaanbieders? Zo ja, welke, waarom en hoe ziet het toezichtsproces eruit? Zo nee, waarom niet? De leden vragen naar het behoud van het bestaand onderscheid tussen de marktsegmenten «prijzenloterijen» en «goededoelenloterijen». Is het kabinet voornemens dit bestaande onderscheid ook in de toekomst te waarborgen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, waarom wel?

De leden van de SP-fractie kunnen zich vinden in de kern van het kansspelbeleid, te weten het reguleren van kansspelen met bijzondere aandacht voor het tegengaan van kansspelverslaving, het beschermen van consumenten en het tegengaan van criminaliteit en fraude. Zij zien in dat licht echter geen ruimte voor reclamecampagnes die het deelnemen aan kansspelen aanmoedigen. Zij vragen de Staatssecretaris waarom hij kansspeldeelname tracht te vergroten of waarom toegelaten wordt dat middels reclamecampagnes dit wordt vergroot. Welke rol speelt het maken van winst in het kansspelbeleid? De leden vragen ook wat het betekent om het thema veilig en verantwoord aanbieden «nog nadrukkelijker en meer expliciet onder de aandacht te brengen»? Welke resultaten heeft zulk een aanpak in het verleden gehad? Waarom wordt er niet meer ingezet op duidelijk beleid en regels?

Overig

De leden van de PVV-fractie vragen verder waarom TenneT wettelijk verplicht is het project Twistetal-Vieselbach te realiseren. Welke kosten brengt dit project met zich mee? Tevens willen de leden van de PVV-fractie weten waarom TenneT ook verplicht is om het project Ostbayernring te realiseren en vragen naar de kosten hiervan.

De leden van de SP-fractie vragen naar het nut van de «strategische grondaankoop» door Schiphol. Wat is die «grote strategische waarde»? Waarom zou Schiphol verder moeten uitbreiden wanneer dit op gespannen voet staat met de klimaatdoelen? Hoeveel uitbreidingen en grondaankopen heeft Schiphol uitgevoerd in de afgelopen 30 jaar? Hoeveel van zulke uitbreidingen liggen er nog in het verschiet? Waarom is het nodig voor de ontwikkeling van commercie dat Schiphol land opkoopt? Welke commerciële activiteiten betreft dit? Waarom zou dit niet in samenspraak met de gemeenten kunnen? Voorts vragen de leden welke bedreigingen er zijn voor «de bereikbaarheid» van Schiphol die de aankoop van meer grond vereisen. Ook horen zij graag wat deze grond überhaupt waard is en hoe dit is berekend. Van wie wordt deze grond gekocht? Is er onderzoek gedaan naar bodemvervuiling in het aan te kopen gebied? Zo nee, waarom niet en wanneer gaat dit gedaan worden? Zo ja, wat kwam hier uit? Welke plannen zijn er om bodemvervuiling hier aan te pakken en wat zullen hiervan de kosten worden?

II Reactie van de Minister en Staatssecretaris

Inleiding

Onlangs heb ik uw Kamer in het kader van de nieuwe jaarcyclus monitoring geïnformeerd over mijn plannen met staatsdeelnemingen voor 20204. De leden van de VDD-fractie, de PVV-fractie, de CDA-fractie, de D66-fractie, de GroenLinks-fractie en de SP-fractie hebben naar aanleiding van deze brief een aantal vragen gesteld. Eerst ga ik in op de effecten van de COVID-19-crisis op de staatsdeelnemingen. Vervolgens komen achtereenvolgens aan bod de informatievoorziening over investeringen, de beleidsdoorlichting Deelnemingenbeleid, het MVO-beleid staatsdeelnemingen en het onderzoek naar de toekomstopties van de Volksbank. Daarna ga ik over tot de beantwoording van de vragen over TenneT en Schiphol. Tot slot zal de Staatssecretaris van Financiën (Fiscaliteit en Belastingdienst) u informeren over de kansspelen.

Effecten COVID-19

De leden van de PVV-fractie, de CDA-fractie en de SP-fractie vragen naar een overzicht van de financiële gevolgen van de COVID-19-crisis per staatsdeelneming. De leden van de CDA-fractie vragen daarnaast bij welke staatsdeelnemingen reorganisaties gepland zijn, of ik nog meer steunoperaties verwacht bij staatsdeelnemingen en naar het gebruik van de NOW-regeling door Holland Casino en Schiphol. De leden van de SP-fractie vragen naar de arbeidsomstandigheden van de medewerkers van de deelnemingen.

De maatregelen die zijn genomen om het COVID-19 virus in te dammen, hebben een enorme impact op veel bedrijven, ook op de staatsdeelnemingen. Naast financiële gevolgen betreft dit ook gevolgen voor de manier van werken. Ik hecht er veel waarde aan dat de medewerkers van staatsdeelnemingen, ook in deze tijd, veilig hun werk kunnen doen. Het is de verantwoordelijkheid van de onderneming om zorg te dragen voor veilige arbeidsomstandigheden van haar medewerkers en om gepaste maatregelen te nemen om de gevolgen van de COVID-19-crisis het hoofd te bieden.

Ik vind het belangrijk dat staatsdeelnemingen zowel nu als in de toekomst het publieke belang op een veilige manier kunnen blijven borgen. Ik heb daarom nauw contact met de staatsdeelnemingen over de continuïteit van de ondernemingen en de borging van het publieke belang. Het kabinet heeft een breed noodpakket neergelegd dat ook voor de staatsdeelnemingen veel kan opvangen. In onderstaande tabel is te zien welke staatsdeelnemingen van de tijdelijke Noodmaatregel Overbrugging Werkgelegenheid (NOW) gebruik hebben gemaakt. De gegevens in de tabel betreffen de ontvangen voorschotten in de eerste aanvraagperiode. Aangezien we ons nog midden in de COVID-19 crisis bevinden betreft dit uiteraard een tussenstand van het gebruik van generieke maatregelen door de staatsdeelnemingen.

Staatsdeelneming

Ontvangen voorschot NOW 1.0

Holland Casino

€ 31.885.515

KLM

€ 344.848.212

NS

€ 92.768.1601

Schiphol

€ 30.705.366

Thales

€ 5.456.574

X Noot
1

De voorwaarden van de Beschikbaarheidsvergoeding OV ziet erop toe dat niet gebruik mag worden gemaakt van de NOW 1.0 regeling. Ontvangen gelden zullen dan ook (deels) worden gestorneerd.

In sommige gevallen zal volledig banenbehoud niet mogelijk zijn omwille van de continuïteit en de levensvatbaarheid van de onderneming en zullen reorganisaties onvermijdelijk zijn om de onderneming voor te bereiden op de toekomst. Staatsdeelnemingen publiceren zelf over de (financiële) gevolgen van de COVID-19-crisis voor de betreffende onderneming en de genomen maatregelen. Veel staatsdeelnemingen deden dat via de publicatie van de halfjaarcijfers.

Eventuele steunoperaties aan individuele bedrijven zijn een laatste redmiddel. In mijn brief van 26 juni 2020 heb ik u geïnformeerd over de steun aan KLM5. Daarnaast ben ik in gesprek met NS over mogelijke steunmaatregelen voor de periode 2021 en verder, en met FMO over de gevolgen van COVID-19 voor de kapitaalpositie. In beide gevallen maak ik gebruik van het afwegingskader bij steunverzoeken individuele bedrijven6 en onderzoek ik of individuele steun noodzakelijk is om het publieke belang te borgen. Indien wordt overgaan tot individuele steun aan een staatsdeelneming zal ik uw Kamer daarover vroegtijdig informeren. Daarbij zal ik ook ingaan op de financiële gevolgen van de COVID-19-crisis op de betreffende deelneming.

De leden van de SP-fractie en de CDA-fractie stellen vragen over de impact van de COVID-19-crisis op NS.

De leden van de SP-fractie vragen of ik in gesprek ben met NS over een steunpakket. Ook vragen zij of ik bij een steunpakket als eis stel dat gedwongen ontslagen niet mogelijk zijn en of ik uitsluit dat ik NS reductie van kosten opleg. De COVID-19-crisis heeft grote financiële consequenties voor NS, zowel op korte als op lange termijn. Ik vind het belangrijk dat het kabinet doet wat nodig is om de continuïteit van NS te borgen, zodat NS haar belangrijke publieke taak kan blijven vervullen. In 2020 wordt die continuïteit geborgd met de beschikbaarheidsvergoeding voor het openbaar vervoer7, waar NS gebruik van maakt. De beschikbaarheidsvergoeding voor het openbaar vervoer wordt verlengd tot 1 juli 2021, met perspectief op aanvullende verlenging tot 31 december 2021.8 Het klopt dat ik op dit moment in gesprek ben met NS over mogelijke steunmaatregelen voor de periode 2021 en verder. Daarvoor maak ik gebruik van het afwegingskader bij steunverzoeken individuele bedrijven9. In dat afwegingskader staat dat steun aan individuele bedrijven een laatste redmiddel is: de voorkeur gaat doorgaans uit naar generieke steunmaatregelen. In het afwegingskader staat ook dat als de overheid besluit steun te verlenen aan een individueel bedrijf, hier voorwaarden aan gesteld kunnen worden. Bij overheidssteun zal wederkerigheid worden verwacht van het bedrijf dat gesteund wordt. Dat geldt ook voor NS.

Besluitvorming over de noodzaak, de vorm en omvang van eventuele individuele steun voor NS kost tijd, omdat ik dit besluit zorgvuldig en op het juiste moment wil nemen. Ik wil niet bij voorbaat eisen stellen aan die steun, zolang er nog geen duidelijkheid is over het steunpakket. Zodra meer duidelijk is over eventuele individuele steun aan NS, zal ik uw Kamer daarover informeren.

De leden van de CDA-fractie en SP-fractie stellen vragen over de bezuinigingsplannen van NS en hoe ik die plannen beoordeel. NS verwacht € 4,7 mld. minder omzet in de periode tot 2025, door het veranderende reisgedrag van mensen en de verwachte economische krimp. NS verwacht niet dat het aantal reizigers snel op het oude niveau terugkomt. Bijvoorbeeld omdat meer mensen thuis blijven werken of vaker de fiets pakken. Ook een krimpende economie heeft effect op het gebruik van de trein. Het is de verantwoordelijkheid van NS om de organisatie hier op voor te bereiden. NS gaat haar organisatie aanpassen aan de lagere reizigersopbrengsten voor de komende jaren en kijkt naar besparingsmogelijkheden binnen het bedrijf. Ik vind het verstandig dat NS het bedrijf gereed maakt voor de toekomst. Een toekomst waarin het bedrijf weer financieel gezond wordt en het treinkaartje betaalbaar blijft. Dat is in het belang van de continuïteit van de onderneming en daarmee het publiek belang dat NS dient.

De leden van de SP-fractie vragen of de rekening van de crisis betaald moet worden door de werknemers van NS die tijdens de crisis hebben doorgewerkt. Tijdens de COVID-19-crisis zijn de treinen van NS blijven rijden om mensen met vitale beroepen te kunnen vervoeren. Ik ben alle medewerkers van NS die dit mogelijk hebben gemaakt daar zeer erkentelijk voor. NS overweegt om het bedrijf de komende jaren met ongeveer 2.300 arbeidsplaatsen te verkleinen en wil dit realiseren door middel van natuurlijk verloop. De komende jaren gaan namelijk ook ongeveer 2.500 NS-medewerkers met pensioen. Die functies kunnen niet één op één uitgewisseld worden, maar NS wil een totaalpakket aan afspraken maken om werkgarantie te realiseren. De leden van de SP-fractie vragen of de vakbonden en de ondernemingsraad betrokken zijn bij de gesprekken die betrekking hebben op werknemers van NS. NS heeft mij bevestigd dat dat het geval is.

De leden van de SP-fractie vragen ook of ik vind dat NS zo snel als mogelijk weer op het oude niveau moet komen qua reizigersaantallen en dat investeringen niet uitgesteld of geannuleerd zouden moeten worden. Uiteraard hoop ik dat de situatie voor NS zich snel herstelt, zodat het aantal treinreizigers groeit, NS weer financieel gezond wordt en haar belangrijke publieke taak kan blijven uitvoeren. De afweging om investeringen uit te stellen of te annuleren, is een bedrijfsmatige overweging die aan NS is. Waar het investeringen in nieuwe treinen betreft, kiest NS over het algemeen voor een contractvorm waarbij de optie bestaat om na de eerste bestelling, op een later moment, extra treinen te kunnen bestellen als prognoses van de reizigersgroei uitwijzen dat die nodig zijn. Daarmee creëert NS flexibiliteit om in te kunnen springen op de ontwikkeling van de vraag.

Investeringen

De leden van de D66-fractie vragen naar de brief die aan de deelnemingen is verstuurd over het thema buitenlandse investeringen, meer specifiek of hierop is gereageerd en of er een tendens waarneembaar is in de reacties. Daarnaast hebben zij vragen gesteld over het overzicht met goedgekeurde investeringsvoorstellen.

Met de deelnemingen wordt op reguliere basis over relevante onderwerpen en ontwikkelingen, waaronder buitenlandse investeringen, gesproken. Bij deze overleggen is met de relevante deelnemingen ook de brief waarnaar de leden van de D66-fractie verwijzen aan bod gekomen en de deelnemingen hebben daarop kunnen reageren. Hieruit blijkt dat de staatsdeelnemingen over het algemeen goed op de hoogte van de vereisten die de aandeelhouder stelt aan investeringen in zijn algemeenheid en buitenlandse investeringen in het bijzonder. In de investeringsvoorstellen die worden voorgelegd zie ik over het algemeen dat deelnemingen veel aandacht besteden aan deze specifieke aandachtspunten, waaronder eventuele extra risico’s die voort zouden kunnen vloeien uit buitenlandse investeringen en mitigerende maatregelen.

De leden van de D66-fractie vragen of ik bereid ben om te vermelden tot wanneer het overzicht met goedgekeurde investeringsvoorstellen is geactualiseerd. Daarnaast vragen zij of het mogelijk is om de met de investeringsvoorstellen gemoeide bedragen op te nemen in het overzicht, zij verwijzen hierbij naar de wijze waarop er in het Jaarverslag Beheer Staatsdeelnemingen 2018 werd gerapporteerd over de hoogte van (buitenlandse) investeringen. Voor het overzicht zoals ik dat onlangs aan uw Kamer heb verzonden geldt dat dit was geactualiseerd tot aan de dagtekening van de brief. Ik zal bij een volgend overzicht expliciteren tot welke datum het overzicht is geactualiseerd. De individuele investeringsbedragen worden niet in het overzicht opgenomen, omdat dit in veel gevallen bedrijfsvertrouwelijke dan wel concurrentiegevoelige informatie betreft. In die gevallen publiceren staatsdeelnemingen deze gegevens ook niet in hun eigen jaarverslag. Ik heb een verantwoordelijkheid prudent met deze informatie om te gaan. Overigens komt het voor dat staatsdeelnemingen in hun eigen verslaggeving ervoor kiezen geïnvesteerde bedragen wel te vermelden. In die gevallen is er niets dat zich ertegen verzet om de bedragen ook op te nemen in het Jaarverslag Beheer Staatsdeelnemingen en ben ik graag bereid deze informatie in de rapportages over goedgekeurde investeringen op te nemen.

De overwegingen voor het vermelden van de concrete bedragen geldt zowel voor binnenlandse als voor buitenlandse investeringen. Mede vanwege de belangstelling van uw Kamer voor de buitenlandse activiteiten van de staatsdeelnemingen, wordt sinds verslagjaar 2017 in het Jaarverslag Beheer Staatsdeelnemingen wel over de totale financiële omvang van buitenlandse investeringen gerapporteerd. Het betreft hier het totale volume van de buitenlandse activa als percentage van het balanstotaal, niet de hoogte van individuele investeringen. Deze informatie biedt inzicht in de financiële omvang van de buitenlandse activiteiten van de staatsdeelnemingen en kent minder tot geen bezwaren vanuit bedrijfsvertrouwelijkheid of concurrentiegevoeligheid.

Beleidsdoorlichting Deelnemingenbeleid

De leden van de VVD-fractie, D66-fractie en GroenLinks-fractie hebben vragen gesteld over de beleidsdoorlichting Deelnemingenbeleid.

De leden van de VVD-fractie vragen mij in het bijzonder oog te hebben voor de permanente staatsdeelnemingen in de beleidsdoorlichting, om te bezien of bij deze deelnemingen de vennootschappelijke vorm de meest aangewezen vorm is. In de Nota Deelnemingenbeleid rijksoverheid 201310 is opgenomen dat voor elke staatsdeelneming iedere zeven jaar geëvalueerd moet worden of het aandeelhouderschap nog van toegevoegde waarde is om het publiek belang te borgen. In de beleidsdoorlichting wordt ingegaan op de resultaten van deze evaluaties.

De leden van de VVD-fractie kunnen zich vinden in de keuze voor de twee onafhankelijke experts. Deze leden vragen of bedrijfseconomische kennis, in het bijzonder van ondernemingsfinanciering, voldoende aanwezig is. Voor de selectie van de onafhankelijke experts is een profielschets opgesteld. In die profielschets is opgenomen welke expertise het Ministerie van Financiën van belang vindt voor de beleidsdoorlichting Deelnemingenbeleid: kennis en ervaring van publieke economie, corporate governance, Rijksbeleid en financiële en juridische kennis. Die kennis en ervaring is ruim voldoende aanwezig bij de twee onafhankelijke experts.

De leden van de GroenLinks-fractie vragen of de ontwikkelingen ten aanzien van de COVID-19-crisis en ontwikkelingen op het internationale speelveld meegenomen kunnen worden in de beleidsdoorlichting. De beleidsdoorlichting richt zich op het gevoerde deelnemingenbeleid in de periode 2013–2019 en de daarvoor relevante ontwikkelingen. De COVID-19 crisis maakt dus geen deel uit van de beleidsdoorlichting. Wel zal het kabinet in de kabinetsreactie bij deze beleidsdoorlichting ingaan op recente relevante ontwikkelingen, waaronder de COVID-19-crisis, en die betrekken bij een eventueel nieuw Deelnemingenbeleid.

De leden van de VVD-fractie en van de GroenLinks-fractie vragen naar de planning van de beleidsdoorlichting en de invloed van de COVID-19-crisis op die planning. Het klopt dat het de verwachting is dat de beleidsdoorlichting en de kabinetsreactie op de beleidsdoorlichting eind 2020 naar uw Kamer gestuurd worden. De COVID-19-crisis en de gevolgen daarvan voor enkele staatsdeelnemingen hebben gezorgd voor een toegenomen werkdruk voor de medewerkers van de afdeling Deelnemingen van het Ministerie van Financiën, die ook de beleidsdoorlichting uitvoeren. Hoewel het streven nog steeds is de beleidsdoorlichting en kabinetsreactie eind dit jaar naar te Kamer te sturen, bestaat de kans dat dit later wordt. Ik zal uw Kamer tijdig informeren als er vertraging lijkt te ontstaan.

MVO-beleid

De leden van de VVD-fractie, de CDA-fractie, de D66-fractie, de GroenLinks-fractie en de SP-fractie vragen naar de uitwerking van het MVO-beleid.

De leden van de VVD-fractie vragen wat de gevolgen voor de staatsdeelnemingen zijn als er niet wordt voldaan aan de MVO-doelstellingen. Tevens vragen zij in hoeverre het behalen van deze doelstellingen van belang is voor de continuïteit van het aandeelhouderschap van de Nederlandse staat. De verantwoordelijkheid voor maatschappelijk verantwoord ondernemen ligt bij de staatsdeelnemingen zelf. De staatsdeelnemingen kiezen hoe zij hier invulling aan geven op een manier die past bij het publieke belang dat zij borgen en de lange termijnstrategie van de onderneming. Veel staatsdeelnemingen hebben al een MVO-beleid en hebben concrete MVO-doelstellingen geformuleerd. Het doel van het MVO-beleid voor staatsdeelnemingen is om het gesprek actiever aan te gaan en de prestaties van de staatsdeelnemingen beter inzichtelijk te maken. Indien de MVO-doelstellingen (nog) niet worden gehaald, heeft dat geen gevolgen voor het aandeelhouderschap van de Nederlandse staat. Wel zal de staatsdeelneming hier kritisch over bevraagd worden tijdens de reguliere overleggen met de staatsdeelneming. Naar ik hoop niet alleen door mij als aandeelhouder, maar ook door andere belangrijke stakeholders binnen en buiten de onderneming.

De leden van de CDA-fractie vragen waar zij de inventarisatie van het MVO-beleid van de verschillende staatsdeelnemingen kunnen raadplegen. Ook vragen deze leden hoe er getoetst gaat worden of de verschillende staatsdeelnemingen zich houden aan het uitgestippelde MVO-beleid.

Momenteel wordt naar aanleiding van het MVO-beleid staatsdeelnemingen de inventarisatie van de MVO-activiteiten van de staatsdeelnemingen geactualiseerd. De uitkomsten hiervan zullen voor het eerst worden gepubliceerd in het Jaarverslag Beheer Staatsdeelnemingen 2020. De MVO-activiteiten van staatsdeelnemingen, waaronder de MVO-doelstellingen die de deelneming heeft geformuleerd en de verhouding van de MVO-activiteiten tot de strategie, zullen tijdens reguliere gesprekken met de staatsdeelnemingen worden besproken. Uiteraard zal er ook aandacht zijn voor de wijze waarop de deelnemingen zelf verslagleggen over MVO. Meer specifiek vragen deze leden naar het terugdringen van kansspelverslaving in relatie tot het MVO-beleid van Holland Casino. Verantwoord spelen, eerlijk en betrouwbaar spelaanbod en het garanderen van een veilige speelomgeving zijn speerpunten van Holland Casino, gebaseerd op de publieke doelstellingen van het kansspelbeleid. Het Preventiebeleid Kansspelen (PBK) neemt een centrale plaats in bij het aanbieden van verantwoord spelen. Deze maatschappelijke verantwoordelijkheid is daarmee geworteld in de bedrijfsvoering van de onderneming en niet enkel het MVO-beleid.

De leden van de D66-fractie vragen of ik sinds 2013 een staatsdeelneming ter verantwoording heb geroepen omwille van (het gebrek aan) MVO-beleid. Het publieke belang neemt een centrale plek in bij het aandeelhouderschap van staatsdeelnemingen. De publieke belangen en de maatschappelijke functie dienen dan ook adequaat verankerd te zijn in de strategie van de onderneming. In dit kader wordt met deelnemingen in de kansspelsector actiever het gesprek gevoerd over verantwoord spelaanbod en de bijdrage aan de publieke doelen van het kansspelbeleid. Daarnaast is uitgebreid met FMO gesproken over de MVO-implicaties van haar investeringen. In de gesprekken is aandacht geweest voor de criteria waar investeringen aan moeten voldoen. Tevens is het MVO-beleid van FMO de afgelopen jaren verder uitgebreid en aangescherpt. In de toekomst biedt het MVO-beleid een basis voor zowel de staat als de staatsdeelnemingen om de maatschappelijke verantwoordelijkheid en betrokkenheid van de onderneming actiever aan bod te laten komen.

De leden van de GroenLinks-fractie vragen naar de overeenkomsten en de verschillen tussen het Noorse en Zweedse MVO-beleid enerzijds en het Nederlandse MVO-beleid voor staatsdeelnemingen anderzijds. Zij vragen daarbij in te gaan op de wijze waarop Noorwegen en Zweden MVO-doelen hebben vastgesteld en hoe zij de naleving hiervan monitoren. Er is veel overlap tussen het Nederlandse MVO-beleid staatsdeelnemingen en het beleid van Noorwegen en Zweden. Ten eerste verwachten de Noorse en Zweedse overheid dat staatsdeelnemingen een voorbeeldfunctie behoren te vervullen. Ten tweede hebben zij expliciete thematische verwachtingen opgenomen in hun jaarverslagen. Ten derde is het thema MVO in zowel Noorwegen als Zweden minimaal één keer per jaar onderwerp van gesprek met de deelneming. Ten vierde wordt in het jaarverslag van het Noorse en Zweedse staatsdeelnemingenbeleid aandacht besteed aan MVO. De bovenstaande vier punten op het gebied van communicatie, transparantie en verslaglegging zijn overgenomen door de Nederlandse staat in haar MVO-beleid voor staatsdeelnemingen.

In Noorwegen en Zweden stelt de staat zich met name op als gesprekspartner en stelt zij geen harde eisen aan het MVO-beleid van de deelnemingen. Er wordt gewerkt op een «case-by-case» basis, ook voor rapportagestandaarden, alle deelnemingen zijn immers verschillend. Op dit vlak wijkt het Nederlandse beleid af ten opzichte van Noorwegen en Zweden. De Nederlandse staat verwacht dat de staatsdeelnemingen zo goed mogelijk streven te voldoen aan specifieke (rapportage)richtlijnen. Om recht te doen aan het maatwerk karakter van MVO geldt hierbij wel het «comply or expain»-principe.

De leden van de GroenLinks-fractie vragen hoe het MVO-beleid bij het beoordelen van investeringsvoorstellen wordt betrokken. De algemene criteria voor een investeringsvoorstel zijn strategie en publiek belang, rendement, risicoanalyse en implementatie. Bij het beoordelen van de investeringsvoorstellen wordt gevraagd op welke wijze het investeringsvoorstel zich verhoudt tot de strategie van de onderneming en de publieke belangen. De onderneming dient daarbij de maatschappelijke effecten op de belangrijkste stakeholders in kaart te brengen, waaronder werknemers en milieu. Indien bij een investeringsvoorstel blijkt dat deze belangen onvoldoende zijn meegewogen, ga ik in overleg met de staatsdeelneming en kan ik er zelfs toe besluiten om een voorstel af te wijzen. Op het gebied van MVO heeft deze situatie zich nog niet voorgedaan. Tot slot, merk ik op dat de wijze waarop ik investeringsvoorstellen beoordeel momenteel wordt geactualiseerd, waarin toetsing aan het MVO-beleid een meer prominente plek zal innemen.

De leden van de GroenLinks-fractie vragen hoe het ambitieniveau van de zes doelstellingen wordt vastgelegd. Specifiek vragen zij op welke manier ik ga borgen dat de doelstellingen op effectieve wijze het onderliggende thema beslaan en hoe vervolgens wordt geverifieerd en geborgd of de ambities van deelnemingen hieraan voldoen. De staatsdeelnemingen zijn in april 2020 geïnformeerd over het nieuwe MVO-beleid. Ik heb daarbij als ambitieniveau meegegeven dat staatsdeelnemingen een voorbeeldfunctie in de eigen sector dienen te vervullen. De invulling van deze ambitie ligt bij de deelneming, onder andere in de keuze van de drie tot zes concrete MVO-doelstellingen. Uiteraard ga ik het gesprek aan over de geformuleerde doelstellingen waarbij ik de bestuurders en de commissarissen van de staatsdeelnemingen kritisch zal bevragen. De doelstellingen moeten ambitieus en wezenlijk relevant zijn voor de bedrijfsactiviteiten en uitdagingen van de specifieke deelneming.

De leden van de SP-fractie roepen op het MVO-beleid verder te verdiepen en verbreden daar dit zal moeten dienen als goed voorbeeld voor de rest van het bedrijfsleven. Het MVO-beleid is in het tweede kwartaal van 2020 gedeeld met de staatsdeelnemingen en met uw Kamer. MVO is voortdurend in beweging en ik zal me dan ook doorlopend blijven afvragen of het MVO-beleid voor staatsdeelnemingen actueel is. Op basis van feedback van de staatsdeelnemingen en overige stakeholders zal worden bezien of en hoe het MVO-beleid voor staatsdeelnemingen verder verdiept en verbreed kan worden.

Onderzoek naar de toekomstopties van de Volksbank

De leden van de VVD-fractie vragen of het klopt dat de Volksbank werkt aan een strategische heroriëntatie en, zo ja, wat die wijziging behelst. In lijn daarmee vragen de leden van de VVD-fractie wat deze wijziging betekent voor de verkoopbaarheid de komende jaren en de toezeggingen die daarover zijn gedaan aan de Europese Commissie. Dezelfde leden geven daarbij aan dat het hen voorkomt dat de implementatie van een nieuwe strategie enkele jaren zal vergen en vragen of dit leidt tot uitstel van de verkoopplannen.

In de laatste voortgangsrapportage concludeerde NLFI dat de Volksbank nog niet gereed is voor een besluit over zijn toekomst. In mijn brief aan uw Kamer van 11 november 201911 heb ik deze conclusie van NLFI onderschreven en aangegeven, in lijn met de bevindingen van NLFI, dat het belangrijk is dat de Volksbank werkt aan verdere mogelijkheden tot optimalisering van zijn bedrijfsmodel. In deze Kamerbrief is eveneens aangegeven dat de Volksbank onderzoek doet naar verdere mogelijkheden om het bedrijfsmodel te optimaliseren.

Bij de bekendmaking van de nieuwe CEO, de heer Gribnau, heeft de Volksbank bevestigd dat aan het einde van dit jaar de nieuwe strategie voor jaren 2021–2025 zal worden vastgesteld. NLFI is betrokken bij dit proces. NLFI zal mij adviseren of en, zo ja, wanneer Volksbank met deze gewijzigde strategie gereed is voor een besluit over zijn toekomst. Ik zal uw Kamer, net zoals de afgelopen jaren, informeren over deze rapportage en de bevindingen van NLFI. In de tussentijd verken ik, tezamen met NLFI, de Volksbank en de DNB/ECB, een aantal toekomstopties voor de Volksbank. Kort gezegd dient de Volksbank op grond van de huidige afspraken met de Europese Commissie op den duur naar de markt te worden gebracht. Het bovenstaande proces is in lijn met deze afspraken.

De leden van de PVV-fractie willen weten of bij het verkenningsonderzoek naar de toekomstopties van de Volksbank, ook de optie van een staatsbank wordt meegenomen. Conform mijn toezegging in het algemeen overleg van 14 november 2019 (Kamerstuk 33 532, nr. 88) zal op het verzoek van uw Kamer ook de optie van een staatsbank worden verkend in het onderzoek naar de toekomstopties van de Volksbank.

De leden van de PVV-fractie vragen om een nieuwe schatting te maken van de actuele waarde van de Volksbank, mede gelet op de omstandigheden die voortvloeien uit de COVID-19-crisis, en een nieuwe schatting van de actuele waarde van ABN AMRO. De staat heeft 528.800.001 certificaten van aandelen van ABN AMRO. Op 27 oktober bedroeg de slotkoers € 7,242. De waarde van het belang van de staat in ABN AMRO was op die dag daardoor € 3.829.569.607 (ca. € 3,8 mld.). De Volksbank is niet beursgenoteerd. Op basis van de op 14 augustus 2020 gepubliceerde halfjaarcijfers van de Volksbank is de boekwaarde van het eigen vermogen van de Volksbank € 3.382 mld. Dit staat niet gelijk aan de actuele waarde waartegen eventuele geïnteresseerden bereid zouden zijn om aandelen in de bank te kopen.

De leden van de CDA-fractie vragen of ik kan aangeven of, naast de effecten die COVID-19-crisis heeft voor het onderzoek, deze crisis ook gevolgen heeft voor de daadwerkelijke toekomstopties van de Volksbank en of ik bereid ben deze te delen met de Kamer. Zoals het kabinet uw Kamer eerder heeft geschreven, raakt COVID-19 in eerste instantie vooral de reële economie. Daarom is het van groot belang dat de financiële sector de reële economie, waar verantwoord, ondersteunt. De langdurige financiële en economische onzekerheid zal echter ook zijn weerslag hebben op de financiële sector. Ik heb veelvuldig contact met DNB en AFM, die mij op de hoogte houden van relevante ontwikkelingen op de financiële markten. Daarnaast blijf ik nauw contact houden met de banken en verzekeraars. Ook de Volksbank merkt de gevolgen van de pandemie. Tijdens de presentatie van de halfjaarcijfers heeft de Volksbank de impact op de financiële prestaties toegelicht.

De leden van de CDA-fractie vragen specifiek of de COVID-19-crisis ook gevolgen heeft voor de daadwerkelijke toekomstopties van de Volksbank. In de verkenning die momenteel wordt uitgevoerd, worden de toekomstopties en de mogelijkheden tot borging van het maatschappelijk karakter in kaart gebracht, zodat ik hierover met uw Kamer in overleg kan treden. De omstandigheden die voortvloeien uit de COVID-19-crisis hebben geen impact op de inhoud van deze verkenning van de toekomstmogelijkheden zelf, maar mogelijk wel op de voortgang bij het bereiken van de doelstellingen van de Volksbank. In deze verkenning zal nog geen keuze gemaakt tussen de daadwerkelijke toekomstopties. Dat kan pas wanneer de Volksbank daar klaar voor is. Op dit moment valt kan dan ook niet worden vastgesteld of de COVID-19-crisis hier gevolgen voor heeft.

De leden van de D66-fractie vragen naar een tijdlijn over wat er wanneer is gebeurd in het kader van het onderzoek naar de toekomstopties van de Volksbank, sinds het algemeen overleg over de toekomst van de Volksbank. De leden van de D66-fractie vragen in dit kader wanneer er gesproken is met de Volksbank over het «borgen van het maatschappelijke karakter» en welke opdracht is er aan hen meegegeven in het kader van de verkenning. De leden van de PVV-fractie en D66-fractie vragen naar wanneer het onderzoek naar de toekomstopties van de Volksbank wordt afgerond. Sinds het algemeen overleg over de toekomst van de Volksbank zijn gesprekken gevoerd met de relevante stakeholders, zoals de Volksbank, NLFI, DNB en de Europese Commissie. Daarnaast is de inventarisatie van de mogelijkheden gestart waarop het maatschappelijk karakter van de bank geborgd zou kunnen worden in de governance van de bank. Bij deze inventarisatie is ook een juridisch adviseur betrokken. Met de genoemde stakeholders worden de uitkomsten van deze inventarisatie besproken. Aan de Volksbank is geen specifieke opdracht gegeven.

Hoewel het mijn streven is de verkenning zo snel mogelijk af te ronden, verwacht ik deze niet meer voor het einde van dit jaar met uw Kamer te kunnen delen. Rondom de bank spelen enkele onvoorziene ontwikkelingen, naast de COVID-19-crisis zijn er ontwikkelingen in het bestuur van de Volksbank. Uiteraard gaat de strategische heroriëntatie van de bank voor de periode 2021–2025 gewoon verder en zal NLFI zoals gebruikelijk rapporteren over de gereedheid van de bank om een besluit te nemen over haar toekomst. Zoals reeds toegezegd zal ik deze rapportage delen met uw Kamer.

Overig

De leden van de PVV-fractie vragen waarom de projecten Twistetal-Vieselbach en Ostbayernring een wettelijke verplichting zijn voor TenneT en wat de kosten zijn voor deze projecten.

Zowel Twistetal-Vieselbach en Ostbayernring zijn projecten die in de Duitse wet zijn vastgelegd, waardoor TenneT wettelijk verplicht is om deze projecten te realiseren. De kosten die TenneT maakt voor deze projecten zijn de voorfinanciering voor de investering. Via de Duitse nettarieven verdient TenneT deze investeringen terug. Het rendement dat TenneT hierop maakt voldoet aan de eisen die de Nederlandse staat hieraan stelt. De kosten voor voorfinanciering per project zijn bedrijfsvertrouwelijk en kunnen derhalve niet gedeeld worden. Ik verwijs u op dit punt dan ook graag naar mijn antwoord op de vraag gesteld door collega’s van D66 over het al dan niet vermelden van investeringsbedragen in het jaarverslag.

De leden van de SP-fractie vragen om een toelichting op het nut van de «strategische grond aankoop» en vragen zich af waarom Schiphol verder zou moeten uitbreiden.

De aankoop heeft betrekking op gronden ten zuiden van Badhoevedorp. Deze gronden, ongeveer 90 hectare groot, worden verdeeld door de A9. De gronden ten noorden van de A9 zullen door Schiphol, in een joint venture met VolkerWessels, commercieel worden ontwikkeld. De gronden ten zuiden van de A9 zijn van strategische waarde voor Schiphol en zijn daarom volledig in eigendom verkregen door Schiphol. Deze strategische waarde ligt in de eerste plaats in het zo goed mogelijk kunnen faciliteren van de toekomstige bereikbaarheid van de luchthaven. Met de aankoop van de gronden worden langdurige onteigeningsprocedures met derden voorkomen. Verder zijn deze gronden belangrijk voor een eventuele nieuwe afslag naar Schiphol en het parkeerterrein P3 in de toekomst. Tot slot kunnen de overgebleven gronden gebruikt worden voor luchtvaart gerelateerde functies. De aankoop van deze gronden faciliteert dus niet per definitie de uitbreiding van het vliegverkeer van Schiphol, maar faciliteert een verbetering van de bereikbaarheid van de luchthaven.

Daarnaast vragen de leden van de SP-fractie naar het aantal grondaankopen en uitbreidingen van Schiphol in de afgelopen 30 jaar en hoeveel van dergelijke uitbreidingen nog in het verschiet liggen. De belangrijkste aankoop van de afgelopen 30 jaar betreft de verwerving van gronden voor de aanleg van de Polderbaan. Overige acquisities betroffen relatief kleine grondaankopen. Op dit moment heeft Schiphol geen plannen voor verdere uitbreidingen. Op de langere termijn is dit afhankelijk van de ontwikkeling van de luchtvaartsector, de luchthaven Schiphol als ook het aanbod van eventuele gronden.

De leden van de SP-fractie vragen zich ook af of het nodig is dat Schiphol voor de ontwikkeling van commercie land opkoopt en welke commerciële activiteiten dit betreft. Ook vragen zij zich af waarom dit niet in samenspraak met de gemeenten kan. De luchtvaartactiviteiten van Schiphol zijn gereguleerd waardoor het financiële rendement op deze activiteiten beperkt of zelfs negatief is. Om Schiphol financieel gezond te houden en competitieve en betaalbare havengelden in rekening te kunnen brengen bij de luchtvaartmaatschappijen zijn aanvullende inkomsten noodzakelijk. De inkomsten uit gronduitgiftes en de ontwikkeling van commercieel vastgoed dragen hier voor een belangrijk deel aan bij. In het onderhavige geval gaat het om de ontwikkeling van een commercieel vastgoedprogramma, waaronder kantoren en logistieke bedrijfsruimtes.

VolkerWessels is in eerste instantie door de verkoper benaderd voor de verwerving van deze gronden. Schiphol is vervolgens door VolkerWessels benaderd om dit gezamenlijk te doen. Derhalve was Schiphol niet in de positie de aankoop met een andere partij dan VolkerWessels te doen.

Voorts vragen de leden van de SP-fractie zich af welke bedreigingen er zijn voor «de bereikbaarheid» van Schiphol die de aankoop van meer grond vereisen. Uit studietrajecten naar de bereikbaarheid in het gebied rondom Schiphol (de afgeronde MIRT-verkenning Multimodale Knoop Schiphol en het MIRT-onderzoek Zuidwest Amsterdam/Schiphol/Hoofddorp) blijkt dat er sprake is van een opgave in de toekomstige bereikbaarheid van de luchthaven en omgeving. In het MIRT-onderzoek is gekeken naar oplossingsrichtingen voor de lange termijn. De grondaankoop kan bijdragen aan het faciliteren van deze oplossingsrichtingen. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan een nieuwe afslag voor parkeerterrein P3 of het doortrekken van de Noord-Zuidlijn. Met de aankoop kunnen langdurige onteigeningsprocedures worden voorkomen.

De leden van de SP-fractie horen ook graag van wie de grond gekocht is, wat deze grond waard is en hoe dit is berekend. Deze gronden waren hoofdzakelijk in eigendom van Chipshol Holding B.V., de ontwikkelmaatschappij van de familie Poot. Een klein deel van de gronden was in eigendom van lokale boeren, die zich lieten vertegenwoordigen door de heer Poot. De verkopers waren in het najaar van 2019 in een vergevorderd stadium met een andere koper. Om voor Schiphol onbekende redenen is deze transactie afgeketst, waarna VolkerWessels door de verkoper is benaderd om deze transactie te overwegen. De verkoopprijs was hierbij reeds vastgesteld conform de eerder overeengekomen koopprijs met de afgehaakte koper. In de onderhandeling met de verkoper hebben VolkerWessels en Schiphol uiteindelijk de koopsom nog weten te verlagen. De potentiële waarde voor VolkerWessels en Schiphol is bepaald op basis van het geschatte vastgoed-ontwikkelprogramma. In de koopovereenkomst is opgenomen dat de koopprijs niet bekend gemaakt mag worden. Strategische grondaankopen in het (recente) verleden waren echter tegen hogere prijzen per m2.

Ten slotte vragen de leden van de SP-fractie zich af of er onderzoek is gedaan naar bodemvervuiling in het aan te kopen gebied. Zo nee, waarom niet en wanneer gaat dit gedaan worden? Zo ja, wat kwam hier uit? Ze vragen zich af welke plannen er zijn om bodemvervuiling hier aan te pakken en wat zullen hiervan de kosten. In het kader van de aankoop is geen bodemonderzoek uitgevoerd, noch waren adequate bodemonderzoeken ten tijde van het aankoopproces beschikbaar. In de bepaling van de prijs en business case is verondersteld dat er sprake is van vervuiling vergelijkbaar met de vervuilingen op de omliggende Schipholterreinen die op dit moment bij Schiphol bekend zijn. Er is geen reden of er zijn geen feiten bekend bij Schiphol waardoor aangekomen dient te worden dat de vervuiling van de gekochte gronden groter zou zijn. Voordat gestart zal worden met de ontwikkeling van de gronden zal bodemonderzoek worden uitgevoerd en zal, indien en voor zover dat nodig is voor het beoogde gebruik van de grond, de grond worden gesaneerd.

Ontwikkelingen kansspelen

De leden van de VVD-fractie, en de SP-fractie vragen mij, de Staatssecretaris van Financiën (Fiscaliteit en Belastingdienst), naar ontwikkelingen bij de kansspeldeelnemingen Holland Casino en de Nederlandse Loterij.

De leden van de VVD-fractie hebben in het Jaarverslag Staatsdeelnemingen 201912 gelezen dat de Nederlandse Loterij en Holland Casino door het kabinet worden gezien als een «niet-permanente deelneming». Deze leden vragen wat «niet permanent» inhoudt en wanneer er meer duidelijkheid komt over het proces tot een privatiseringstraject. Het kabinet is van mening dat het aanbieden van kansspelen geen kerntaak van de overheid is. Daar waar de betrokken publieke belangen dat vereisen, wil het kabinet de aan kansspelen verbonden risico’s beperken door het stellen van nadere regels en uitoefenen van toezicht en niet zozeer door het aantal aanbieders te beperken. Holland Casino en Nederlandse Loterij zijn daarom in de Nota Deelnemingenbeleid 2013 aangemerkt als niet-permanente deelnemingen.

Voor Nederlandse Loterij geldt dat er op dit moment nog geen besluit is genomen om Nederlandse Loterij daadwerkelijk te privatiseren. Eerst is het van belang meer duidelijkheid te hebben over de wijze waarop de Nederlandse loterijmarkt zal worden vormgegeven. Dit beleidsvormingsproces is gericht op een toekomstbestendig loterijstelsel en het realiseren van een veilig en verantwoord aanbod van loterijen in Nederland. Dit proces voer ik samen met de Minister voor Rechtsbescherming uit. De Minister voor Rechtsbescherming heeft, als beleidsverantwoordelijke voor het kansspelbeleid, hierbij het voortouw. In zijn brief van 6 juli 202013 heeft de Minister voor Rechtsbescherming aangegeven te verwachten uiterlijk in het eerste kwartaal van 2021 een aantal toekomstscenario’s aan uw Kamer aan te kunnen bieden. Voordat wordt besloten tot een eventuele privatisering zal altijd eerst het besliskader, dat is opgesteld door de parlementaire onderzoekscommissie privatisering/verzelfstandig overheidsdiensten, worden gevolgd.

Wat betreft Holland Casino heeft de Minister voor Rechtsbescherming, mede namens mij, in zijn brief van 17 mei 201914 aangegeven het wetsvoorstel waarin de privatisering zou worden geregeld, in te trekken. Er waren bij enkele fracties in de Eerste Kamer onder andere zorgen over de samenloop van de privatisering van Holland Casino en de openstelling van de online kansspelmarkt. In die brief is aangegeven dat het nog steeds de voorkeur heeft om het aanbieden van landgebonden casinospelen in Nederland door private partijen te laten plaatsvinden in plaats van door een staatsdeelneming en dat het kabinet opnieuw naar de tekentafel gaat met het oog op het treffen van voorbereidingen op een mogelijk nieuw privatiseringstraject. Het ligt voor de hand dat de eerste inzichten over de effecten van de openstelling van de online kansspelmarkt daarbij worden betrokken.

De leden van de VVD-fractie vragen zich af op welke manier de doelstellingen van het kansspelbeleid ook bij andere aanbieders van kansspelen onder de aandacht worden gebracht. Tevens vragen zij op welke manier een gelijk speelveld kan worden gewaarborgd voor de staatsdeelnemingen Holland Casino en de Nederlandse Loterij en andere aanbieders van kansspelen. Daarnaast vragen zij of er producten zijn waarbij het toezicht op promotie door beide staatsdeelnemingen zwaarder is dan bij andere kansspelaanbieders en een toelichting daarop.

De kansspelsector is breed en omvat behalve Nederlandse Loterij en Holland Casino, onder meer ook de speelautomatenhallen en de goededoelenloterijen. Het toezicht op de kansspelsector is in handen van de Kansspelautoriteit (Ksa). De Ksa houdt toezicht op het naleven van de regels van het kansspelbeleid door alle vergunde kansspelaanbieders, dus ook op Holland Casino en Nederlandse Loterij. Voor de staatsdeelnemingen gelden geen specifieke extra regels. Wel verwacht ik van de beide staatsdeelnemingen dat zij een voorbeeldfunctie vervullen, zoals ook aangegeven in het MVO-beleid voor staatsdeelnemingen.

De leden van de VVD vragen of het kabinet voornemens is het bestaand onderscheid tussen de marktsegmenten «prijzenloterijen» en «goededoelenloterijen» te behouden en een toelichting hierop.

Zoals reeds hierboven aangegeven wordt op dit moment, onder leiding van de Minister voor Rechtsbescherming, gewerkt aan een beleidsvormingsproces gericht op een toekomstbestendig loterijstelsel en het behouden van een veilig en verantwoord aanbod van loterijen in Nederland.

In de Kamerbrief van 5 juli 201915 zijn vier contouren geschetst van een toekomstbestendig loterijstelsel. De vier contouren beslaan het borgen van het maatschappelijk karakter van loterijen, het maken van een duidelijk onderscheid tussen risicoarme en risicovolle kansspelen, het bieden van genoeg keuzeruimte en attractief aanbod voor de consument, en het uitgangspunt dat als verschillende loterijen tot één economische en beleidsmatige markt behoren, voor die loterijen ook dezelfde spelregels moeten gelden.

De leden van de SP-fractie kunnen zich vinden in de kern van het kansspelbeleid, te weten het reguleren van kansspelen met bijzondere aandacht voor het tegengaan van kansspelverslaving, het beschermen van consumenten en het tegengaan van criminaliteit en fraude. Zij zien in dat licht echter geen ruimte voor reclamecampagnes die het deelnemen aan kansspelen aanmoedigen. Deze leden vragen waarom ik kansspeldeelname tracht te vergroten of waarom toegelaten wordt dat middels reclamecampagnes dit wordt vergroot. De SP benoemt de doelstellingen van het kansspelbeleid correct. In dit kader is het doel om de bestaande vraag naar kansspelen te kanaliseren naar verantwoord, betrouwbaar en legaal aanbod. Uit uitgevoerde onderzoeken – in opdracht van de Minister voor Rechtsbescherming – komt naar voren dat reclame bijdraagt aan de kanalisatie naar legaal aanbod. Met wet- en regelgeving wordt beoogd een goede balans te vinden tussen enerzijds de bescherming van maatschappelijk kwetsbare groepen en het voorkomen van onmatige deelname en anderzijds de kanalisatiedoelstelling. De Ksa is als toezichthouder verantwoordelijk voor het toezicht op de kansspelsector en daarmee ook voor het toezicht op de relevante wet- en regelgeving rondom reclame. Denk hierbij aan artikel 4a van de Wet op de kansspelen, het Besluit werving reclame en verslavingspreventie kansspelen en de leidraad reclame van de Ksa.

De leden van de SP-fractie vragen tevens naar beleid rondom het maken van winst. Het maken van winst is geen is onderdeel van het kansspelbeleid. Meer specifiek voor Holland Casino en Nederlandse Loterij geldt dat – net als voor andere staatsdeelnemingen – het maken van winst geen centraal doel is. Wel hecht ik waarde aan gezonde groei en financiële continuïteit van de staatsdeelnemingen, ook vanwege het belang voor de continuïteit in de bijdrage aan de borging van de publieke belangen.

De leden van de SP vragen daarnaast wat het betekent om het thema veilig en verantwoord aanbieden «nog nadrukkelijker en meer expliciet onder de aandacht te brengen». Specifiek vragen zij welke resultaten een dergelijke aanpak in het verleden heeft gehad en waarom niet meer wordt ingezet op duidelijk beleid en regels. Veilig en verantwoord aanbieden wordt in de eerste plaats ingekaderd door beleid en wet- en regelgeving. Daarmee worden de doelstellingen van het kansspelbeleid gediend. De staatsdeelnemingen zijn uiteraard gebonden aan wet- en regelgeving en hebben naar mijn mening tevens een voorbeeldfunctie waar het aankomt op naleving hiervan. Zoals ik in de Kamerbrief Beheer Staatsdeelnemingen 2019 heb aangegeven, vind ik het van belang dat het veilig en verantwoord aanbieden van kansspelen tevens vanuit de betrokken staatsdeelnemingen zelf moet komen. Ik heb daarom richting beide staatsdeelnemingen uitgesproken dat ik verwacht dat zij initiatieven nemen, daarover transparant zijn en een voorbeeldfunctie op dit terrein vervullen. Ook doe ik een beroep op hun maatschappelijke verantwoordelijkheid. Het gesprek aangaan en aandacht vragen voor de maatschappelijke rol en verantwoordelijkheid, komt dus niet in de plaats van duidelijke wet- en regelgeving en beleid, maar is hierop aanvullend.


X Noot
1

Bijlage bij Kamerstuk 28 165, nr. 321

X Noot
2

«In 2018 heeft het Havenbedrijf Rotterdam één investering aan aandeelhouders voorgelegd, de participatie ad € 75.3 miljoen in de haven van Pecém in Brazilië.» Uit Jaarverslag Staatsdeelnemingen 2018 (p. 65) bijlage bij Kamerstuk 28 165, nr. 304

X Noot
3

Handelingen II 2019/20, nr. 38, item 15.

X Noot
4

Kamerstuk 28 165, nr. 327.

X Noot
5

Kamerstuk 29 232, nr. 41.

X Noot
6

Kamerstuk 35 420, nr. 36.

X Noot
7

Kamerstukken 23 645 en 25 295, nr. 723.

X Noot
8

Kamerstuk 23 645, nr. 726.

X Noot
9

Kamerstuk 35 420, nr. 36.

X Noot
10

Kamerstuk 28 165, nr. 165.

X Noot
11

Kamerstuk 33 532, nr. 87.

X Noot
12

Bijlage bij Kamerstuk 28 165, nr. 326.

X Noot
13

Kamerstuk 24 557, nr. 171.

X Noot
14

Kamerstuk 34 471, I.

X Noot
15

Kamerstuk 24 557, nr. 152.