Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2013-201427858 nr. 261

27 858 Gewasbeschermingsbeleid

Nr. 261 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN INFRASTRUCTUUR EN MILIEU

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 25 maart 2014

De aangenomen motie Ouwehand/Schouw verzoekt de regering de verkoop van glyfosaat aan particulieren per november 2015 te verbieden (motie van 4 maart 2014, Kamerstuk 27 858, nr. 240). In deze brief reageer ik op de motie, zoals verzocht door mw. Ouwehand bij de stemmingen op 4 maart 2014 (Handelingen II 2013/14, nr. 58, stemmingen moties Duurzame gewasbescherming).

Over het doel van de motie stemmen uw Kamer en ik overeen. Ik zal de motie dan ook uitvoeren indien ik de motie mag interpreteren als een verzoek om het daadwerkelijk gebruik met bijbehorende risico’s zo snel mogelijk te minimaliseren, met als uiteindelijk doel dat buiten de landbouw geen chemische gewasbeschermingsmiddelen meer worden gebruikt. Voor het gebruik op verhardingen is dit november 2015. Voor professioneel gebruik in overig groen heb ik u een verbod aangekondigd per november 2017, behoudens uitzonderingen. Ik wil de uitzonderingen zo spoedig mogelijk terugdringen.

De sector denkt aan 2020, ik streef naar zoveel eerder als mogelijk is. Dit geldt ook voor particulier gebruik in overig groen.

Uitvoering van de motie door het instellen van een verkoopverbod, is juridisch niet mogelijk.

De Landsadvocaat heeft de juridische mogelijkheden van een verbod op het gebruik van chemische gewasbescherming onderzocht. Een verbod moet proportioneel zijn en noodzakelijk om het beleidsdoel te bereiken. Dat betekent dat er eerst minder ingrijpende maatregelen moeten zijn getroffen en dat beoordeeld moet zijn of deze toereikend zijn.

Op dit moment kan de noodzakelijkheid en proportionaliteit van een verbod niet worden onderbouwd. Een gebruiksverbod is daardoor in rechterlijke procedures kwetsbaar. Vernietiging van het verbod leidt tot omvangrijke schadeclaims. Ik ben hier reeds op ingegaan in het VAO van 12 maart 2014 (Handelingen II 2013/14, nr. 62, VAO gewasbeschermingsmiddelen en bijensterfte).

Een verkoopverbod, zoals de motie vraagt, gaat juridisch verder dan een gebruiksverbod. De Europese regelgeving voor gewasbeschermingsmiddelen en het Europese vrije verkeer van goederen en diensten staan een dergelijk verkoopverbod in dit geval niet toe.

Gelet op deze juridische aspecten stel ik mij voor het doel met een aanpak te bereiken, die effectiever is en geen juridische problemen met zich meebrengt.

De aanpak gaat uit van het stimuleren van een bewust en een zorgvuldig gebruik door de particulier, in combinatie met maatregelen door distributeurs en andere partijen.

De brief van 6 februari 2014 (Kamerstuk 27 858, nr. 227) kondigt al een serie maatregelen aan, zoals de aanwezigheid van voldoende expertise op het verkooppunt, een kassa-check, voorlichting door de tuinbranche en verkleining van de verpakkingsgrootte. Daarnaast zullen aanvullende maatregelen worden uitgevoerd, zoals verduidelijking van de etiketten op gewasbeschermingsmiddelen en introductie van veiligheidsdoppen op de verpakkingen. Dit wordt gecombineerd met gerichte aandacht op het moment van verkoop van glyfosaathoudende middelen, door een specifieke voorlichtingsbrochure. Ik wil deze acties onderdeel maken van een Green Deal/convenant, met als doel dat buiten de landbouw op termijn geen chemische gewasbeschermingsmiddelen meer worden gebruikt.

Ik ga hierover op korte termijn in overleg met de tuinbranche en andere betrokkenen, en zal uw Kamer hierover voor de zomer informeren.

Na twee jaar, aan het eind van het groeiseizoen 2016, worden de maatregelen geëvalueerd. Indien de verkoop van glyfosaathoudende onkruidbestrijdingsmiddelen niet met ten minste de helft is verminderd, wordt op dat moment een gebruiksverbod overwogen. Ik zal daarover dan in overleg treden met uw Kamer.

Om de evaluatie mogelijk te maken, moet de tuinbranche en andere verkooppunten de verkoop van alle onkruidbestrijdingsmiddelen bijhouden vanaf 1 januari 2015. Daardoor worden verschuivingen in middelgebruik en trends in gebruiksreductie duidelijk.

In mijn brief van 3 september 2013 (Kamerstuk 27 858, nr. 215) heb ik aangekondigd u jaarlijks over de resultaten van deze aanpak te informeren. Ik zal hierin de resultaten van de evaluatie meenemen.

De Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, W.J. Mansveld