Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2012-201327858 nr. 211

27 858 Gewasbeschermingsbeleid

Nr. 211 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN INFRASTRUCTUUR EN MILIEU

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 3 juli 2013

In het overleg over de nota «Gezonde Groei, Duurzame Oogst» heeft de heer Geurts (CDA) een motie ingediend (Kamerstuk 27 858, nr. 179), waarin de regering wordt verzocht «pas chemische middelen te verbieden op basis van een risicoanalyse en wanneer er geen biologische vervanging tegenover staat».

In deze brief geef ik een nadere reactie op deze motie.

De heer Geurts vraagt aandacht voor het belang van ecologisch verantwoorde gewasbeschermingsmiddelen in het totale pakket aan maatregelen voor duurzame gewasbescherming. Ik onderschrijf het belang van innovaties gericht op de ontwikkeling van biologische middelen volledig en waardeer alle innovaties van emissiereducerende technieken en van middelen met een relatief lage impact voor mens en milieu positief. De inspanningen die daarmee zijn gemoeid, komen mede ten gunste van het milieu.

In diezelfde lijn was en blijft algemeen uitgangspunt van geïntegreerde gewasbescherming dat de inzet van niet-chemische methoden en technieken de voorrang heeft boven chemische gewasbescherming (bladzijde 14 van de Nota). Indien technisch haalbare en financieel betaalbare niet-chemische technieken beschikbaar komen, is het moment aangebroken om daarop over te stappen. Dat vloeit voort uit de uitgangspunten die sinds jaar en dag in het milieubeleid worden toegepast.

Ik onderken echter dat dit uitgangspunt in bepaalde situaties ingrijpend kan uitwerken of als zodanig kan worden ervaren. Dan is er behoefte aan de mogelijkheid tot het zetten van een tussenstap. Bij de totstandkoming van de Nota ben ik daar meermalen op gewezen. Ook doen zich omstandigheden voor waarbij het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen onvermijdelijk blijkt. Juist in die situaties kunnen biologische alternatieven, al dan niet tijdelijk, een goede tussenstap zijn naar duurzame gewasbescherming.

Omdat ik, met de heer Geurts, biologische gewasbeschermingsmiddelen zie als een natuurlijk onderdeel van de ontwikkeling naar duurzame gewasbescherming, wil ik de motie zo interpreteren dat ik, door het uitvoeren van de volgende elementen, de motie kan beschouwen als ondersteuning van beleid.

Ik ben voornemens:

  • in beeld te brengen voor welke onkruidbestrijdingsmiddelen geen, dan wel onvoldoende ecologisch verantwoorde en niet-chemische alternatieven beschikbaar zijn;

  • in gesprek te gaan met producenten om voor die middelen ecologisch verantwoorde alternatieven te ontwikkelen;

  • in gesprek te gaan met (de koepels van) gemeenten, terreinbeheerders, groenvoorzieners en retailers (die aan particulieren verkopen) over de vraag hoe zij de toepassing van ecologisch verantwoorde alternatieven ten opzichte van chemische middelen kunnen stimuleren;

  • in situaties waarbij het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen onvermijdelijk is (dus de uitzonderingssituaties op het verbod op chemische onkruidbestrijding) louter ecologisch verantwoorde middelen toe te staan.

De Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, W.J. Mansveld