Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2017-201826485 nr. 253

26 485 Maatschappelijk verantwoord ondernemen

Nr. 253 BRIEF VAN DE MINISTER VOOR BUITENLANDSE HANDEL EN ONTWIKKELINGSSAMENWERKING

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 28 september 2017

In deze brief wordt, mede namens de Minister van Economische Zaken, ingegaan op vragen die uw Kamer heeft gesteld tijdens het Algemeen Overleg Internationaal Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen (AO IMVO) van 31 mei 2017 (Kamerstuk 26 485, nr. 248) en op een drietal moties.

Voortgang IMVO-convenanten

Met het ondertekenen van het IMVO-convenant Verantwoord Goud op 19 juni 2017 is het aantal afgesloten sectorconvenanten op vijf gekomen. Naar verwachting zullen nog in 2017 ook in de verzekerings-, voedingsmiddelen-, sierteelt- en natuursteensector convenanten worden afgesloten. Naast genoemde sectoren wordt er ook in de sectoren metaal, toerisme, land- en tuinbouw, technologische industrie, pensioenen, duurzame energie en scheepvaart gewerkt aan convenanten. De verwachting is dat deze sectoren in 2018 tot een convenant komen, waarmee het totale aantal op zestien zal uitkomen.

Tijdens het Wetgevingsoverleg Jaarverslag Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking 2016 van 15 juni 2017 is toegezegd om in de volgende IMVO-rapportage nader in te gaan op de wijze waarop de voortgang van de IMVO-convenanten wordt gemeten (Kamerstuk 34 725 XVII, nr. 16). Met het afsluiten van meer convenanten komt de nadruk steeds meer op de implementatie te liggen. Partijen hebben een gedeelde verantwoordelijkheid om de convenantsafspraken in de praktijk uit te voeren. In de afgesloten convenanten zijn tevens afspraken vastgelegd over de publicatie van voortgangsrapportages om de resultaten publiekelijk inzichtelijk te maken. Hiermee wordt invulling gegeven aan de motie Amhaouch (Kamerstuk 34 725 XVII, nr. 7) die de regering verzoekt om samen met de SER te onderzoeken hoe tot een instrument te komen op basis waarvan de voortgang, resultaten of conclusies van de convenanten zichtbaar gemaakt kunnen worden.

Het textielconvenant vierde onlangs zijn eerste verjaardag. Bij die gelegenheid werd een lijst gepubliceerd van meer dan drieduizend productielocaties van alle aan het convenant deelnemende bedrijven. Hiermee werd uitvoering gegeven aan een belangrijke afspraak uit het convenant. Daarnaast hebben alle deelnemende bedrijven op basis van de door hen doorlopen due diligence een plan van aanpak bij het secretariaat van het textielconvenant ingediend.

Deze plannen worden momenteel beoordeeld door het secretariaat en met de bedrijven besproken en zo nodig aangepast. In het najaar ontvangt uw Kamer een rapportage over de resultaten van het eerste jaar van het convenant.

Het bankenconvenant is in december 2016 in werking getreden. De convenantspartijen werken in diverse werkgroepen gezamenlijk aan de uitvoering van de afspraken. Er wordt onder andere een analyse gemaakt van de cacao- en palmolieketen, een studie uitgevoerd naar het vergroten van invloed van de partijen op andere schakels in een waardeketen, een pilot project opgezet om banken te ondersteunen met het vergaren van informatie over mensenrechten in het kader van hun due diligence en onderzocht op welke manier een bank betrokken kan zijn bij negatieve impact op mensenrechten als gevolg van haar financieringsactiviteiten en hoe in deze gevallen de negatieve impact aangepakt of hersteld kan worden. Uw Kamer zal in het tweede kwartaal van 2018 de eerste voortgangsrapportage ontvangen.

De partijen van het convenant plantaardige eiwitten zijn na ondertekening in maart 2017 aan de slag gegaan met een inventarisatie van projecten en initiatieven gericht op de duurzame ontwikkeling van de plantaardige eiwitten sector. Deze projecten dienen aan te sluiten bij de doelstellingen van het convenant en worden daar ook op beoordeeld. In september komt de stuurgroep bijeen om de activiteiten en projecten voor het aankomende jaar vast te stellen.

Begin oktober zal de stuurgroep van het convenant bevorderen duurzaam bosbeheer het jaarplan voor (het laatste kwartaal van) 2017 en 2018 vaststellen. Hierin wordt expliciet gemaakt wat partijen gaan doen om de doelstellingen van het convenant te behalen en hoe dit gemeten gaat worden.

Partijen bij het IMVO-convenant verantwoord goud zijn na ondertekening in juni met de uitvoering van de afspraken van start gegaan. In september vinden de eerste werkgroepen plaats over ondersteuning en monitoring van due diligence, het vergroten van de impact van het convenant en het terugdringen van kinderarbeid in en rond mijnen. Zomer 2018 is de eerste jaarrapportage aan uw Kamer voorzien.

De begeleiding door de SER is een belangrijke factor om kennisuitwisseling tussen sectoren te bevorderen, alsmede de onderlinge samenhang tussen de convenanten te borgen. Zo wordt in samenspraak met de betreffende brancheorganisaties, maatschappelijke organisaties en de overheid bekeken hoe de trajecten van de metaalsector en de technologische industrie zich tot elkaar verhouden, mede om te bezien of een zekere integratie van deze convenanttrajecten tot grotere efficiency kan leiden. Met de SER wordt overlegd wat er nodig is om de (financiële) toekomst van de convenanten te borgen. In dat kader wordt ook gekeken naar de aanvullende inzet die er vanuit de overheid nodig is.

SER-evaluatie IMVO-convenanten

Tijdens het AO van 31 mei 2017 zijn vragen gesteld over de stand van zaken en de evaluatie van het convenantenproces. In het advies IMVO-convenanten uit 2014 heeft de SER aangekondigd de voortgang en de resultaten van de IMVO-convenanten te gaan evalueren. De SER-commissie IMVO heeft zich voorgenomen in het najaar van 2017 een voortgangsrapportage op te leveren. In deze voortgangsrapportage zal de nadruk liggen op het proces van totstandkoming van IMVO-convenanten die door de SER zijn begeleid. Het doel is vooral om lessen te trekken voor toekomstige trajecten. De voortgangsrapportage zal u toegaan met een appreciatie van het kabinet.

Een evaluatie van de voortgang op de afgesproken doelstellingen in convenanten is niet eerder zinvol dan wanneer de tussenresultaten van verschillende convenanten bekend zijn. In dat licht heeft de SER-commissie IMVO zich voorgenomen in 2020 een onafhankelijke evaluatie van het IMVO-convenantenproces uit te laten voeren. In deze evaluatie zullen de resultaten en de effectiviteit van de convenanten centraal staan. Conform de motie Amhaouch (Kamerstuk 34 725 XVII, nr. 7) die de regering verzoekt de regering om samen met de SER te onderzoeken hoe tot een instrument te komen op basis waarvan de voortgang, resultaten of conclusies van de convenanten zichtbaar gemaakt kunnen worden.

Zoals vermeld in Kamerstuk 26 485, nr. 233 van 10 november 2016, zal de SER tevens de voortgangsrapportages van de uitvoering van de afzonderlijke IMVO-convenanten die door de SER worden gefaciliteerd naar uw Kamer sturen.

Overigens voert de directie Internationaal Onderzoek en Beleidsevaluatie (IOB) in 2017/2018 een evaluatie uit van het bredere IMVO-beleid met daarbij in het bijzonder aandacht voor de sectorconvenanten. Bovendien zal in 2018 het functioneren van het NCP worden geëvalueerd. Beide evaluaties vormen bouwstenen voor de beleidsdoorlichting van het begrotingsartikel duurzame handel en investeringen in 2020.

IMVO-wetgeving andere landen

Tijdens het AO IMVO van 31 mei 2017 vroeg uw Kamer om een analyse van IMVO-wetgeving in andere landen, in het bijzonder Frankrijk, afgezet tegen het bestaande IMVO-beleidskader.

Bij Kamerstuk 26 485, nr. 220 van 17 juni 2016 ontving uw Kamer reeds een overzicht van de verschillende wetsinitiatieven in andere landen die op dat moment liepen. In aanvulling hierop is een onderzoek uitgezet naar deze wetsinitiatieven in hun context, inclusief de voor- en nadelen van de diverse initiatieven. Het onderzoek zal onder meer inzichtelijk maken welk bereik de diverse (wets)initiatieven hebben (qua onderwerp, bedrijfsgrootte, aantal werknemers, omzet), welke verplichtingen ze opleveren en welke sancties er zijn wanneer bedrijven zich niet aan de wetgeving houden. De resultaten van het onderzoek worden eind 2017 verwacht. Uw Kamer wordt hierover geïnformeerd.

Inspanningen NCP ten aanzien van MKB

Het MKB is een belangrijke doelgroep van de IMVO-convenanten. Als vertegenwoordiger van sectoren nemen brancheorganisaties het initiatief tot een convenant. Zij vertegenwoordigen niet alleen de grote bedrijven, maar juist ook het MKB. Voor individuele bedrijven is het vaak lastig om sectorbrede MVO-problemen op te lossen. De IMVO-convenanten bieden de kans om gezamenlijk op te trekken en meer invloed uit te oefenen. Ervaring met het naleven van de OESO-richtlijnen verschilt per sector en tussen bedrijven.

Uw Kamer heeft gevraagd om in gesprek met het NCP te bekijken hoe het MKB beter betrokken kan worden bij de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen. Eén van de taken van het NCP is het bekendmaken van deze OESO-richtlijnen en de toepassing ervan door het bedrijfsleven te bevorderen. Dit betreft alle Nederlandse bedrijven die internationaal zakendoen.

In het jaarlijkse gesprek met het NCP, dat begin 2018 plaats zal vinden, zal dit onderwerp geagendeerd worden. Het NCP legt dit jaar nog contact met organisaties die veel kennis hebben over het MKB en die al activiteiten ontplooien, bijvoorbeeld gericht op specifieke sectoren in het MKB. Het MKB vergt immers een andere benadering dan grote bedrijven. Voor het benaderen van het MKB is het belangrijk aan te sluiten bij de dagelijkse praktijk van de ondernemer, met informatie die zo eenvoudig en praktisch mogelijk is.

Ook is het NCP in gesprek met de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). De activiteiten van RVO en het werk van de RVO-adviseurs richten zich bij uitstek op het MKB. Besproken wordt hoe NCP en RVO elkaar kunnen versterken in het bekendmaken en betrekken van het MKB bij de inhoud van de OESO-richtlijnen.

Inzet in Colombia

In het eerdergenoemde AO IMVO van 31 mei 2017 vroeg uw Kamer naar de mogelijkheden om samenwerking met Colombia op het gebied van IMVO – in het bijzonder in de steenkoolketen – te intensiveren. Een deel van die samenwerking is vastgelegd in het steenkoolconvenant en de jaarlijkse actieplannen die daarbinnen worden opgesteld. Voorbeeld is het Memorandum of Understanding (MoU) duurzame mijnbouw met het Colombiaanse Ministerie van Mijnbouw. Dat gaat primair over steenkool, maar ook de winning van andere mineralen zoals goud en bouwmaterialen valt daaronder. In maart 2017 heeft de Grondstoffengezant in het kader van dit MoU een bezoek gebracht aan Colombia. Hij bezocht samen met een Colombiaanse regeringsdelegatie een goudproject dat wordt uitgevoerd in het kader van het European Partnerschip for Responsible Minerals dat Nederland ondersteunt.

De Nederlandse ambassade geeft verder opvolging aan de aanbevelingen van de Sector Wide Impact Assessment (SWIA) over mijnbouw in Colombia, die het Institute for Human Rights and Business (IHRB) in 2016 uitvoerde. Deze SWIA werd door de ambassade van Nederland, het Verenigd Koninkrijk, Noorwegen en Colombia zelf gefinancierd. Nederland ondersteunt met name de aanbeveling aan de Colombiaanse overheid om Access to Remedy te garanderen voor burgers die wonen in mijnbouwgebieden. Met Nederlandse financiering zal IHRB, in nauwe samenwerking met de lokale gemeenschappen en de steenkoolmijnen in Cesar, een niet-juridisch klachtenmechanisme ontwikkelen. Via een niet-juridisch klachtenmechanisme kunnen benadeelden in dialoog met bedrijven over een oplossing voor hun klachten. De Colombiaanse Ombudsman is nauw betrokken bij dit project. Als de ontwikkeling van dit klachtenmechanisme succesvol is, zal de Ombudsman een belangrijke rol spelen bij de replicatie van deze pilot in andere gebieden.

In het steenkoolconvenant is vastgelegd dat de convenantspartijen jaarlijks aan het eind van het derde kwartaal rapporteren over de voortgang van de implementatie. Nederland werkt ook in andere economische sectoren dan steenkool samen met Colombia op het gebied van MVO, zoals in de goudsector.

Cacao

Tijdens het AO IMVO van 31 mei 2017 is toegezegd in overleg te treden met de grote cacaobedrijven over de verbetering van de inkomenspositie van cacaoboeren. De eerste stap in deze dialoog is gezet tijdens de Chocoladewerkgroep op 26 juni jl. De onderzoekers van SEO Economisch Onderzoek hebben het onderzoek naar marktconcentratie in de cacao sector («Market Concentration and Price Formation in the Global Cocoa Value Chain») toegelicht aan en besproken met de leden van de werkgroep, waaronder een aantal grote cacaobedrijven. Dit onderzoek is met u gedeeld in Kamerstuk 26 485, nr. 238 van 30 januari 2017. De inkomenspositie van de cacaoboeren kwam hierbij aan de orde, waaronder de oorzaken van de lage cacaoprijs en het belang van diversificatie. Besloten is om deze discussie verder voort te zetten en te werken aan een nieuw plan aanpak dat hieraan kan bijdragen.

Palmolie

De afgelopen maanden zijn er gesprekken gevoerd met bedrijven, maatschappelijke organisaties en het RSPO-secretariaat over de handhaving van het keurmerk van de Roundtable on Sustainable Palm Oil (RSPO). Meer dan drieduizend bedrijven en maatschappelijke organisaties komen samen bij de RSPO om afspraken te maken over de verduurzaming van palmolie. Onderdeel van deze afspraken is het private RSPO-keurmerk. Dit is wereldwijd het meest gebruikte en het breedst geaccepteerde keurmerk voor verduurzaming van palmolie.

De handhaving door RSPO van het keurmerk bestaat uit een aantal onderdelen, waarvan de belangrijkste zijn: de jaarlijkse inspectie ten behoeve van het toekennen van het keurmerk; de toezichtssystemen voor de kwaliteit van de certificeerders en het klachtenmechanisme. Het kabinet constateert dat de RSPO in zijn algemeenheid handhavingsmechanismes met zware toetsingscriteria, onafhankelijke certificeerders en een effectief en transparant klachtenmechanisme kent. Binnen het klachtenmechanisme kan overgegaan worden tot uitsluiting indien partijen zich niet aan de regels houden.

Tegelijkertijd blijkt dat binnen de RSPO de handhaving verder kan worden ontwikkeld. Hier wordt ook aan gewerkt. In 2015 hebben de RSPO-leden een resolutie aangenomen die oproept tot het doorvoeren van verbeteringen in de kwaliteit, onafhankelijkheid en betrouwbaarheid van het keurmerk en de toezichtsystemen van de RSPO. Sindsdien is er een speciale taakgroep ingericht die zorgt voor verbetering van de handhaving.

Op een aantal belangrijke terreinen heeft deze taakgroep al vooruitgang geboekt. De richtlijnen voor het toepassen van Free, Prior and Informed Consent (FPIC) bij nieuwe plantages zijn opgeleverd, de eerste trainingen van auditors, ter verbetering van de controle op toepassing van arbeidsregels, zijn gegeven, en plantagebedrijven zijn getraind om regels beter te implementeren. Tegelijkertijd is nog veel werk in uitvoering: zo wordt er nog gewerkt aan een herziening van het klachtenmechanisme, waarbij een belangrijk aandachtspunt is dat er bij een klacht sneller kan worden gehandeld en wordt gewerkt aan het beter ontsluiten van informatie over de certificering van bedrijven.

Geen enkel keurmerk kan echter misstanden op plantages volledig uitsluiten, zeker niet in landen waar de overheid tekortschiet in het vaststellen en handhaven van wetgeving op gebied van milieu en arbeidsomstandigheden.

Het is van belang dat een kritisch maatschappelijk middenveld in deze landen actief is, dat zelf ook de vinger aan de pols houdt. Daarom ook bestaat het programma «Pleiten en Beïnvloeden» binnen de agenda voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking dat zich nadrukkelijk richt op de versterking van het maatschappelijk middenveld in lage- en middeninkomenslanden.

Leefbaar Loon binnen inkoopbeleid

Sinds 1 januari 2013 zijn de Internationale Sociale Voorwaarden (ISV) opgenomen in het Rijksbeleid maatschappelijk verantwoord inkopen. De ISV dragen bij aan het uitbannen van sociale misstanden in de inkoopketen. Sinds 1 april 2017 zijn voor het Rijksinkoopbeleid de ISV van toepassing voor aanbestedingen boven de Europese aanbestedingsdrempel en binnen de risicosectoren die door KPMG zijn vastgesteld in de MVO Sector Risico Analyse (Kamerstuk 26 485, nr. 197 van 19 november 2014). Voor al deze inkopen en aanbestedingen geldt dat de leverancier verplicht is due diligence toe te passen en daarover te rapporteren.

Op 25 januari 2017 is de motie Voordewind/Servaes (Kamerstuk 34 506, nr. 23) aangenomen waarin de regering wordt verzocht een tijdgebonden plan leefbaar loon een voorwaarde te laten zijn binnen een aangescherpt inkoopbeleid van de overheid en dit onderdeel te laten zijn van alle IMVO-convenanten. Leefbaar loon is een belangrijk ISV thema. Als due diligence aangeeft dat leefbaar loon een prioritair thema is, dan zal op dit thema ook een plan van aanpak worden verwacht van de leverancier. Dit sluit aan op de praktijk van de IMVO-convenanten. Of er binnen de convenanten afspraken worden gemaakt hangt af van de risicoanalyse per sector en de prioriteiten die convenantspartijen stellen. Wanneer de analyse uitwijst dat leefbaar loon een belangrijk thema is zet de overheid zich ervoor in afspraken te maken over het adresseren van deze risico’s. Als onderdeel van het Plan van Aanpak Maatschappelijk Verantwoord Inkopen (Kamerstuk 30 196, nr. 358 van 11 september 2015) is op 8 december 2016 het Manifest Maatschappelijk Verantwoord Inkopen gelanceerd op het landelijke MVI-congres. Het manifest is getekend door alle betrokkenen bij het Plan van Aanpak: de ministeries van Infrastructuur en Milieu, Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Economische Zaken en Buitenlandse Zaken. Inmiddels hebben ruim 100 medeoverheden (gemeenten, provincies, waterschappen) het Manifest ondertekend en op het MVI-congres van 14 december 2017 kunnen nog meer overheden zich aansluiten. De rijksoverheid committeert zich hiermee aan de ondersteuning van medeoverheden bij de uitvoering van het Manifest, waaronder ondersteuning bij toepassing van de ISV en dus leefbaar loon.

Inzet op andere mineralen dan tin, tantaal, wolfraam en goud

In september 2016 werd de motie Van Veldhoven (Kamerstuk 26 485, nr. 227) aangenomen (Handelingen II 2016/17, nr. 110, item 9), die de regering verzoekt om Nederlandse bedrijven die onder de reikwijdte van de EU Conflictmineralenverordening vallen te stimuleren hun due diligence beleid niet enkel op tin, tantaal, wolfraam en goud (3TG) te richten, maar ook naar andere grondstoffen te kijken die in verband kunnen worden gebracht met conflicten.

Alle bedrijven met mineralen in hun toeleveringsketen hebben een due diligence verplichting conform de OECD Due Diligence Guidance for Responsible supply Chains of Minerals from Conflict-Affected and High-Risk Areas (OECD due diligence guidance). Wel zijn de acties die verwacht worden van bedrijven medeafhankelijk van de plek van bedrijven in de keten.

Voor een mijnbouwbedrijf aan het begin van de keten zijn due diligence verplichtingen daarom anders dan bijvoorbeeld voor een producent van mobiele telefoons die aan het eind van de keten staat. Uitvoering van de motie maakt daarom standaard onderdeel uit van het kabinetsbeleid. Het komt terug in het convenantenbeleid, zoals het steenkoolconvenant of de convenanten met de duurzame energiesector en de metallurgische sector. Voor het laatstgenoemde convenant wordt gekeken naar onder meer aluminium, koper, brons, nikkel, zilver en zink. De partijen besluiten gezamenlijk op basis van due diligence op welke IMVO-risico’s en metalen de convenanten zich in de uitvoering op zullen richten. Ook komt de uitvoering van de motie terug in andere initiatieven, bijvoorbeeld de Mica-werkgroep, de Nederlandse bijdrage aan de ontwikkeling van het OECD Handbook on Responsible Mineral Sourcing en het lidmaatschap van het Initiative of the Voluntary Principles on Human Rights and Security. De overheid besteedt tevens aandacht aan andere mineralen dan 3TG in conferenties, zoals de Raw Materials Conference van 23 juni 2017 over grondstoffen en de energietransitie en de aankomende conferentie Extractive resources for prosperity – Responsible sourcing from fragile areas op 23 oktober 2017. Bovendien zal de overheid zich binnen het European Partnership for Responsible Minerals (EPRM) inzetten voor een actieve focus op bedrijven die zich op andere metalen dan 3TG richten, door middel van financiering van innovatieve projecten en voorlichting.

De Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, E.M.J. Ploumen